maandag 20 juli 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 43 - De sociologie van het afwijkend gedrag

Waarmee zou ik mij gaan bezighouden nadat ik halverwege de jaren 70 afscheid had genomen van de wetenschapsfilosofie? Hier het vorige bericht. 

Het terrein van de "algemene en theoretische sociologie" was gefragmenteerd. In het Groningse studieprogramma kwam dat tot uiting in het algemeen verplichte tweedejaarsvak Referentiekaders, waarin, naar mijn beste herinnering, naast het structureel-functionalisme, de ruiltheorie, de conflicttheorie en het symbolisch interactionisme werden behandeld. Dat symbolisch interactionisme leek me wel interessant, want dat ging over mensen, en dus werd ik de docent die voor dat college verantwoordelijk was. (Vraag me niet waar die pretentieuze titel Referentiekaders vandaan kwam.) 

Maar er was in het studieprogramma ook een aanzienlijke "vrije ruimte", vakken waarvan studenten een aantal moesten kiezen. Die ruimte was er doordat de studieduur toen nog vijf jaar bedroeg. Dat had het grote voordeel dat het programma veel minder dan na de studieduurverkorting in 1982 was "dichtgetimmerd".  Studenten werden uitgedaagd om eigen interesses te ontwikkelen. Maar dat gold natuurlijk ook voor de docenten, die vakken konden aanbieden. Ik herinner me dat ik zogenaamde leescolleges aanbood, waarin we werk van Max Weber, Georg Simmel en George Herbert Mead lazen en bespraken.

En ik herinner me dat ik een aantal jaren het vak "afwijkend gedrag" gaf.

Afwijkend gedrag? Ja, dat zat zo. In dat functionalistische top-down denken, dat zo bepalend was voor (en nog steeds van invloed is op) de identiteit van het vak, stond de instandhouding van het sociale systeem voorop en was menselijk handelen daarvan een afgeleide. Voor die instandhouding was nodig dat allerlei sociale posities, met bijbehorende rolverwachtingen, werden ingenomen. Mensen werden geacht zich naar die verwachtingen te gedragen. Dat kon ook, want mensen zouden immers aan de evolutie zijn ontstegen, zouden met een Blank Slate, als een tabula rasa, de samenleving binnenkomen om vervolgens te internaliseren wat die samenleving eiste en verwachtte. Dat top-down denken was een onvermijdelijk gevolg van de keuze voor een eigen domein, dat van de "sociale feiten".

Hoewel dit soort denken breed werd omarmd, als socioloog werd je geacht het met de nodige eerbied te aanvaarden, was het natuurlijk flagrant in strijd met wat iedereen kon waarnemen. Mensen worden nu eenmaal niet als een tabula rasa geboren en volgen niet willoos wat de samenleving van hen verwacht.

Zelfs de top-down denkers moesten dat wel onder ogen zien. Precies daardoor ontstond het onderzoeksterrein van het afwijkende gedrag, het gedrag dat afweek van wat de samenleving verwachtte. Hoe kon dat bestaan? Konden er verklaringen worden gevonden die zoveel mogelijk van dat top-down denken in stand hield?

Zo ontstond er een nieuw onderzoeksterrein, met eigen leerboeken en tijdschriften. Ik zocht even op "deviant behavior sociology" en kwam terecht bij de veertiende editie uit 2011 van het Amerikaanse leerboek Sociology of Deviant Behavior  van Marshall B. Clinard en Robert F. Meier. Ik vermoedde dat de eerste editie wel ergens rond 1960 zou zijn uitgebracht en dat blijkt te kloppen: hij is van 1957. Toen ik er wat doorheen scrolde, viel me op hoe moeizaam en omslachtig de auteurs proberen om sterk uiteenlopende onderwerpen, criminaliteit, drugsgebruik, alcoholisme, suïcide, fysieke handicaps, homoseksualiteit en psychische aandoeningen onder één theoretisch kader te behandelen. 

Afwijkend gedrag wordt gedefinieerd als gedrag dat afwijkt van de heersende normen, maar dat en hoe het bestaan van die normen samenhangt met de noodzaak van instandhouding van het sociale systeem, blijft gemakshalve buiten beschouwing. Opgemerkt wordt dat de normen in een gedifferentieerde en gestratificeerde maatschappij als de onze tussen groepen kunnen verschillen en dat afwijkende gedrag dus een relatief begrip is. Maar het top-down denken blijft gehandhaafd, in de zin dat ook het afwijkende gedrag aangeleerd gedrag is (p.24):

Deviants are members of society who come to adopt roles identified with deviance. Just as people learn conventional norms and social roles, they also learn deviant roles and patterns of behavior.

Niettemin erkennen de auteurs dat de mens een biologisch organisme is, dat mensen in aanleg kunnen verschillen en dat die verschillen relevant zijn voor de kans op vormen van afwijkend gedrag, zoals verslaving en criminaliteit (p. 61-4). Maar de stap naar een theorie over de menselijke sociale natuur ontbreekt, hoewel in de paragraaf over psychische aandoeningen melding wordt gemaakt van inherente basisbehoeften, in het bijzonder de behoefte aan veiligheid (p.64):

Psychiatric explanations of deviance commonly emphasize that every person at birth feels certain inherent, basic needs, in particular the need for emotional security. Furthermore, deprivations of these universal needs during early childhood lead individuals to form abnormal personality patterns. 

En in het hoofdstuk over homoseksualiteit wordt het onderzoek naar een biologische basis behandeld en gaat het over de vraag naar de maatschappelijke acceptatie dan wel afwijzing (homofobie). 

Tenslotte: in een apart hoofdstuk behandelen de auteurs de bestaande vijf sociologische theorieën over afwijkend gedrag; de anomietheorie, de conflicttheorieën, de etiketteringstheorie, de controletheorie en de leer- of socialiseringstheorie. Ik vond destijds die anomietheorie belangrijk en interessant en daarom kom ik daar in het volgende bericht op terug.

 


Geen opmerkingen: