maandag 29 augustus 2016

Hoe groot het negatieve gezondheidseffect van eenzaamheid is, hangt er van af hoe je eenzaamheid vaststelt

We weten dat mensen een fundamenteel sociale diersoort zijn en dus voldoende sociale contacten nodig hebben om gezond te blijven. Als die contacten er onvoldoende zijn, als iemand eenzaam is, dan heeft dat lichamelijke uitwerkingen. Je gevoel van veiligheid wordt er door bedreigd, wat de type II allostatische belasting verhoogt, met een lijstje van negatieve gezondheidseffecten.

Maar hoe stel je in onderzoek vast hoe eenzaam iemand is, hoe veel sociale contacten hij heeft en hoe positief die contacten zijn? In feite wordt dat altijd gedaan door de persoon zelf daarnaar te vragen. De zogenaamde ego-gecentreerde meting van eenzaamheid.

Daar valt ook veel voor te zeggen, want het gaat om het gevoel van eenzaamheid en het gevoel van onveiligheid, en hoe stel je die beter vast dan door iemand er naar te vragen?

Maar dat veronderstelt dat wij onze gevoelens goed kennen en goed in staat zijn om daarvan verslag te doen. En dat kon wel eens niet helemaal kloppen.

Dat doet althans de studie Social connectedness is associated with fibrinogen level in a human social network vermoeden. De onderzoekers hadden een groot databestand tot hun beschikking, met niet alleen die ego-gecentreerde meting van sociale contacten, maar ook met een "sociale netwerk-meting". Dat laatste wil zeggen dat ze van elke persoon konden nagaan door hoeveel anderen hij of zij als familie of vriend genoemd werd.

Stel je voor dat je gevraagd wordt hoeveel sociale contacten je hebt. En stel je voor dat anderen gevraagd wordt naar hun contacten en dat vastgesteld wordt hoe vaak jij door anderen als contact genoemd wordt. Die twee aantallen kunnen natuurlijk verschillen.

Bovendien hadden de onderzoekers toegang tot medische gegevens van de onderzochte personen, in het bijzonder het niveau van fibrinogeen in het bloed. Fibrinogeen is een oplosbare proteïne in het bloedplasma, dat een rol speelt bij de bloedstolling. Maar het is ook een indicator voor chronische ontstekingen (denk aan die type II allostatische overbelasting).

Uit de statistische analyses van die gegevens blijkt dan dat het hebben van weinig sociale contacten, zoals verwacht, samen gaat met een verhoogde concentratie van fibrinogeen in het bloed. Eenzaamheid verhoogt dus de kans op chronische ontstekingen.

Maar: dat verband blijkt veel sterker te zijn als je eenzaamheid hebt gemeten met die sociale netwerk-gegevens. Het negatieve gezondheidseffect is dan veel groter, zelfs vergelijkbaar met de negatieve effecten van roken.

Waar komt dat verschil vandaan? Het wijst er op dat wij maar beperkt in staat zijn om de sociale kring om ons heen goed waar te nemen. En/of maar beperkt in staat om daar goed verslag van te doen als iemand ons daarnaar vraagt.

Zo zou het kunnen zijn dat wij, de een meer, de ander minder, geneigd zijn om het aantal contacten dat we hebben te overdrijven. Eenzaamheid ligt immers wat in de sfeer van het taboe, iets waar je je voor schaamt. Ik heb ooit in een interview die vraag naar sociale contacten beantwoord en realiseerde me toen pas een kwartier later wat beschaamd dat ik toch wel flink had overdreven. Terwijl ik me daar op het moment zelf niet van bewust was geweest.

Maar daarnaast kan het ook zijn dat onze sociale omgeving in de huidige manier van samenleven altijd wat amorf en ongrijpbaar is, waardoor we vaak niet zo goed zicht hebben op wie onze vrienden zijn.
(De afbeelding is ontleend aan ‘Eenzaamheid net zo gevaarlijk als obesitas' van GGZ-nieuws.)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen