woensdag 12 oktober 2016

Waarom een staatsgod? Over statushiërarchie en narcisme - Een biologische antropologie van de Bijbel - 15

In hoofdstuk 9 (Het morrende volk: Protest van onze eerste natuur) en 10 (De les van de uittocht: De erfenis van de Thora) van Het  Oerboek van de Mens. De evolutie en de Bijbel gaan Van Schaik en Michel in op de opkomst en vestiging van de intellectueel-institutionele religie, die van Jahwe als staatsgod. Zie Wat is de oorsprong van de God die overwon? - Een biologische antropologie van de Bijbel - 14 voor het vorige bericht in deze reeks.

Dat was een volkomen nieuwe ontwikkeling en de grote vraag is hoe die zich heeft kunnen voltrekken. Hoe kon deze staatsgod zich ontwikkelen "bovenop" het al bestaande domein van religie dat meer rechtstreeks voortkwam uit de aangeboren intuïties van mensen?

Die intuïtieve religie betrof vooral het alledaagse leven van individu, familie, dorp en de boven-lokale cultus. Daarin gaat het om welzijn, gezondheid, vriendschappen, goede oogst en vruchtbaarheid. En om voorschriften op het gebied van het geven van geschenken, het bereiden van voedsel, het vieren van feesten, het vereren van voorouders. In deze religie van de alledaagse werkelijkheid speelden vrouwen de belangrijkste rol.

Dat alles vinden we niet terug in het nieuwe domein van de intellectueel-institutionele religie. Dat is het domein van mannen en van "de God die overwon", van de staatsgod die geen andere goden naast zich duldt. En dat maakt meteen al duidelijk waar de oorsprong van dat domein ligt: in de komst van koninkrijken en staten. Van Schaik en Michel:
Met de komst van koninkrijken en staten ontstaat er een derde domein van goden met een politieke functie. Dat domein kent professionele priesters. In hun heiligdommen wordt steeds meer expertise opgebouwd. Met de komst van het schrift ontstaan er bundels met heilige teksten. Vaak fungeert de vorst als opperpriester voor de staatsgod. Omdat staatsvorming met centralisatie gepaard gaat, moet ook op religieus gebied elke vorm van tussenmacht verwijderd worden.
Ik moest wat Van Schaik en Michel daar verder over te melden hebben een poos tot me laten doordringen voor ik tot de conclusie kwam dat het ontstaan van die staatsgod twee ontstaansgronden gekend moet hebben.

De eerste is dat er voor dat nieuwe grootschalige publieke domein van omgang met vreemden nieuwe richtlijnen en voorschriften ("wetten") nodig waren. Vooral omdat grootschalige rampspoed moest worden voorkomen: epidemieën, mislukte oogsten, gewelddadige conflicten en verovering door naburige volken.

Dat alles was nieuw en kon worden begrepen als bestraffing van door een oppermachtige god. Die dus door goed gedrag gunstig gestemd moest worden. En de priesters en de opperpriester (de koning zelf) waren er om studie te maken van wat God wel en niet goedkeurde en om de uitkomsten daarvan in wetten vast te leggen. Dat werd de lijst van 613 geboden en verboden van de Thora.

Intellectueel ("rationeel") opgebouwd, zonder veel verband met bestaande intuïties. Vandaar de noodzaak van propaganda en indoctrinatie. De nieuwe regels moesten geïnternaliseerd worden. En dat verklaart de praktijk van de dagelijkse zelfhypnose, zoals Van Schaik en Michel dat noemen. Zoals in het Sjema Israël (de Joodse geloofsbelijdenis):
Luister Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! Heb daarom de HEER lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten. Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad.
Je zou kunnen zeggen dat deze eerste ontstaansgrond gelegen is in de maatschappelijke functie er van: bevordering van samenwerking, tegengaan van rampspoed. Het hele intellectuele en institutionele gebouw had zulke gunstige uitwerkingen dat het zich kon handhaven.

Maar tegelijk was er bij voortduring het thema van "het morrende volk". En dat moet wel wijzen op een tweede ontstaansgrond, die van de statushiërarchieën en de machtsconcentraties die door de overgang naar landbouw, eigendom en ongelijkheid de mensheidsgeschiedenis binnenkwamen. Anders gezegd, er was ook een seculiere ontwikkeling, die van overheersing en onderdrukking. Met een volk dat zich daarin schikte of in opstand kwam.

En in de instituties van de staatsgod lijken de religieuze en de wereldlijke ontwikkelingen hand in hand te gaan. De koning, het hoofd van de statushiërarchie is altijd beducht op interne en externe concurrenten. Die moeten worden uitgeschakeld. Dan helpt het als hij als opperpriester een speciale band met God kan claimen, ja, kan claimen zelf goddelijk te zijn.

Dat versterkt de noodzaak van het beeld van een oppermachtige god, die niemand naast zich duldt. En die niet alleen gehoorzaamheid eist, maar meer dan dat, oplegt dat het volk hem lief moet hebben.

Het zou wel eens kunnen zijn dat we hier in de mensheidsgeschiedenis de introductie zien van het sociale verschijnsel van de oppermachtige leider, ja, van de oppermachtige, narcistische leider. Die niet alleen overal tegenstanders ziet, maar die ook ten koste van alles uit de weg wil ruimen. En die elke associatie met gewone en dus minderwaardige schepsels zo onverdraaglijk vindt dat hij zichzelf wel een goddelijke status moet toe-eigenen.

Want aangenomen dat narcisten altijd hebben bestaan, is het te verwachten dat als er een keer statushiërarchieën bestaan ze er meer dan gemiddeld op uit zijn om aan de top daarvan terecht te komen.

Ze blijven ook in dat opzicht actueel, die verhalen van het Oude Testament. Ik denk maar even aan
Foute leiders vergeleken. Over narcisten aan en op weg naar de macht. En over Geert Wilders en Zijn narcisten goed in verwerven van leiderschap en slecht in uitoefenen daarvan?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen