woensdag 13 maart 2024

Waar ligt het moment dat het kwaad moet worden tegemoetgetreden? - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 19

De opening van het Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam doet ons terugdenken aan het verleden, aan de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland, maar is evenzeer een oproep om de actualiteit van het huidige rechts-extremisme onder ogen te zien. Hier het vorige bericht. Zoals je op de website van het museum kunt lezen:

Hier komen bezoekers te weten hoe de Holocaust heeft kunnen gebeuren, wie de slachtoffers en verantwoordelijken waren en hoe we kunnen voorkomen dat dit opnieuw gebeurt. (...)

In het Nationaal Holocaustmuseum herdenk je de slachtoffers en bespreek je de gevolgen van onverschilligheid en discriminatie, toen en nu.

Een antwoord op de vraag hoe het kon dat Nederlanders het lieten gebeuren dat driekwart van hun Joodse landgenoten werden afgevoerd en vermoord, is niet alleen van historisch, maar ook van groot actueel belang. En het is een bijzonder geval van de fundamentele sociaalwetenschappelijke vraag naar de voorwaarden waaronder de extreme uitingsvormen van het statuscompetitiepatroon, het kwaad, in een samenleving ruim baan krijgen.

Wat die laatste vraag betreft, zagen we al hoe het natuurlijke tegenwicht tegen het kwaad van dat statuscompetitiepatroon, het gemeenschapspatroon, kan falen als het kwaad in kleine stapjes wordt toegediend. Er kan dan namelijk een switch plaatsvinden naar de activering van het statuscompetitiepatroon. Want hoe meer mensen dat patroon in hun omgeving waarnemen, hoe groter de kans dat ook hun eigen gedrag erdoor geleid gaat worden. Geheel volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. 

Het beeld van een onveilige wereld wordt dan overgenomen. Waardoor je ook gaat geloven dat er vijanden zijn (de Joden, de vreemdelingen, de linkse intellectuelen) die moeten worden bestreden. Of waardoor je in je schulp kruipt en probeert om het er door die "immobilisatie" nog zo goed mogelijk van af te brengen. In het eerste geval wordt je een meeloper of een collaborateur. En in het tweede geval maak je je kwetsbaar voor de beschuldiging van de onverschilligheid, van het wegkijken.

En we zagen dat mensen zich er zolang hun gemeenschapspatroon geactiveerd is, maar moeilijk het kwaad van dat statuscompetitiepatroon kunnen voorstellen. We kunnen aan ons beeld van een veilige wereld zo lang mogelijk willen vasthouden en daardoor het kwaad laten voortwoekeren tot het te laat is.

Er zijn dus verschillende wegen waarlangs het "gemeenschapsverzet" tegen het kwaad van het statuscompetitiepatroon niet tot stand komt. Terwijl dat verzet soms zo hoog nodig is.

Daarmee zijn we aangekomen bij het onderscheid dat Richard Wrangham in zijn The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution maakt tussen reactieve en proactieve agressie. 

Reactieve agressie is de agressie die voortkomt uit het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Je gaat er vanuit dat het in de wereld draait om ieder-voor-zich en dat je dus altijd op je hoede moet zijn en geen gelegenheid voorbij moet laten gaan om te laten zien hoe sterk en krachtig jij bent. Alles is al snel een aanleiding om je te laten gelden en anderen op hun nummer te zetten. Het is de vorm van agressie die je bij vrijwel alle dieren tegenkomt, omdat het statuscompetitiepatroon nu eenmaal zo wijd verbreid is. Wrangham noemt het the "hot" type of aggression. Hot in de zin van direct voortkomend uit de emoties van het onveilige wereldbeeld van het statuscompetitiepatroon. 

Daarentegen heeft zich in de menselijke evolutie ook het vermogen tot proactieve agressie ontwikkeld. En dan gaat het precies over dat gemeenschapsverzet tegen het kwaad van het statuscompetitiepatroon. Die proactieve agressie heeft het mogelijk gemaakt dat de mensheid zichzelf heeft "gedomesticeerd".  Dat wil zeggen, zich tot een soort heeft ontwikkeld die in grote mate staat is tot onderlinge goedaardigheid, dus tot gemeenschapsgedrag. 

Maar daarvoor was nodig dat mensen in dat verzet, dus het verzet tegen degenen die de baas willen spelen en willen onderdrukken en overheersen, en met dat oogmerk reactief agressief zijn, onderling samenwerkten. En precies dat is waar onze vroege voorouders, de jager-verzamelaars, toe in staat waren. Ze wisten door collectief optreden, voorafgegaan door onderling overleg, eerst zachtzinnig, zoals door overreding en sociale uitsluiting, maar zo nodig met "proactieve agressie", overheersingsgedrag te onderdrukken. Wrangham geeft daar fraaie beschrijvingen van, deels op basis van onderzoek door Christopher Boehm (Moral Origins. The Evolution of Virtue, Altruism, and Shame). Die proactieve agressie is "cold", planned and deliberate.

Dat het gemeenschapsverzet in die jager-verzamelaars samenlevingen vaak succesvol was, komt doordat het statuscompetitiegedrag meestal maar bij een enkel groepslid voorkwam, snel werd opgemerkt en er daardoor snel op kon worden gereageerd. Dat is een groot verschil met huidige samenlevingen, waarin immers statuscompetitiegedrag en de bijbehorende agressie zich gemakkelijk kan uitbreiden. Zoals wanneer een vijandelijk leger met kwaadaardige bedoelingen je land binnenvalt. Of zoals wanneer kwaadaardig rechts-extremisme zich weet uit te breiden. 

Wat bepaalt dan de kans dat gemeenschapsverzet zal ontstaan en succesvol is? In plaats van die switch naar het statuscompetitiepatroon of van dat in je schulp kruipen? Hier het vervolg.

Geen opmerkingen: