Dat die economische theorie van het menselijk gedrag zich in de sociologie aandiende, en dat ik daarmee aan de slag ging, was onderdeel van wat ik 1987 als de overgang van oude naar nieuwe sociologie analyseerde en documenteerde: 'Oude' en 'nieuwe' sociologie in 1964 en 1984. Lindenberg had twee jaar eerder het onderscheid gemaakt tussen oude en nieuwe sociologie (Rational Choice and Sociological Theory). En Raymond Boudon (1934 - 2013) had eerder de overgang opgemerkt van het oude, "deterministische" paradigma naar het nieuwe, "interactionistische" paradigma (De Logica van het Sociale). Van de maatschappij als sociaal systeem naar de maatschappij als mensenwerk. Hier het vorige bericht.
Dat wekt de indruk dat het vak sociologie bezig was een nieuw begin te maken. Dat het was gaan inzien dat het onder een verkeerd gesternte was geboren, dat van de gemaakte fouten geleerd was en dat een nieuwe weg moest worden ingeslagen. Maar dat beeld is te rooskleurig. Er werd slechts halfslachtig afscheid genomen van dat oude systeemdenken, van de verkeerd begrepen waardevrijheid en van de variabelensociologie, waardoor de invloed ervan bleef doorwerken.
Maar goed, ik ging aan de slag met die economische theorie van het menselijk gedrag, dat wil zeggen, met de rationele keuzetheorie. Ik had weliswaar mijn bedenkingen, maar die waren nog zo vaag en onuitgewerkt dat ze mij niet weerhielden. En ik neutraliseerde ze met het idee van theorievorming als modelbouw: je moet nu eenmaal beginnen met eenvoudige, abstracte, veronderstellingen en die stapsgewijs aanpassen en realistischer maken naar aanleiding van wat onderzoek uitwijst.
Dat bracht me bijvoorbeeld tot het artikel A Rational-Choice Explanation of Compositional Effects in Educational Research, waarin ik een mogelijk sociaal mechanisme construeerde dat een verklaring verschafte voor het vaak gevonden effect van het gemiddeld prestatieniveau van een schoolklas op de individuele prestaties. Dat klinkt wat ingewikkeld, maar het komt erop neer dat een leerling die in een gemiddeld beter presterende klas terechtkomt, beter gaat presteren dan dat hij zou doen als hij in een gemiddeld slechtere klas was beland.
De aanleiding daartoe was dat Theo Mensen en Henk Guldemond dat effect in hun onderzoek hadden gevonden en dat Theo bij mij kwam met de vraag hoe ik dat "als theoreticus" zou verklaren. Ik veronderstelde dat een betere klas bij de leraar een hogere standaard uitlokt, waardoor hij meer probeert om ook de mindere goede leerlingen tot betere prestaties te brengen. Daarvoor gebruikte ik een combinatie van de marginale analyse en de Subjective Expected Utility - theorie. Daarmee kon ik ook nieuwe voorspellingen afleiden.
Ik kijk er nu met enige verbazing en zelfs gêne op terug. Maar met wat ik toen wist (en niet wist), leek het mij belangrijk werk om te doen. En ik was niet de enige, want in de kringen van de aanhangers van de rationele keuzetheorie scoorde ik er mee. De grote James Coleman, bij wie ik natuurlijk zeer opkeek, was destijds bij de Groningse Vakgroep Sociologie op bezoek, las een eerste versie en nam het op in het door hem pas opgerichte tijdschrift Rationality and Society.
Dus ging ik nog wel een poos door op de zo ingeslagen weg. Naar aanleiding van de toen opvallende toename van verwijzingen van leerlingen in het basisonderwijs naar het speciaal onderwijs ontwierp ik samen met Cora Maas een verklaringsmodel voor de verdeling van tijd een aandacht van de leraar over de leerlingen en de invloed van de ouders daarop: Leerkrachten, probleemleerlingen en ouders. Een verklaringsmodel voor de tijd- en aandachtverdeling van de leerkracht en de invloed van de ouders.
En ik verdiepte me in Gary Beckers economische theorie over sociale interacties en analyseerde daarmee hoe mensen in de jaren 30 en in de jaren 80 reageerden op werkloos worden: The Welfare State and Unemployment: A Theoretical Analysis.
En tenslotte dook ik in een economisch model van crimineel gedrag en vroeg ik me af hoe je daarin rekening zou kunnen houden met het sociologische thema van socialisering: Het economische model van het wetsnalevingsdilemma.
Maar gaandeweg kreeg ik wel genoeg van die rationele keuzetheorie. Alles goed en wel, je kon er sociale processen mee analyseren, maar als de menselijke sociale natuur volledig uit het zicht blijft, want er is slechts "nutsmaximalisering", dan komen wezenlijke zaken niet aan de orde. Ik kan me dat niet meer herinneren, maar misschien dacht ik wel eens terug aan Bannings mens en menselijkheid, waarmee ik ooit aan mijn studie sociologie begon.
Dus verlegde ik opnieuw de koers. Op weg naar een sociale wetenschap die de menselijke sociale natuur serieus neemt. De eerste stap die ik zette, was dat ik weliswaar vasthield aan dat idee van doelgerichtheid, maar daaraan de noodzaak verbond van een theorie over sociale doelen. Niet meer dat lege doel "nutsmaximalisering", maar een empirisch onderbouwde specificatie van doelen die mensen in hun sociale leven nastreven. Dat leidde tot het paper Rational Choice Theory Needs a Theory of Social Goals"About the Relation Between Sociology, Economics and Biology.
Dat paper had ik voorbereid voor het XIII World Congress of Sociology in 1998 in Montreal, Canada. Als ik het me goed herinner, was er iets met de financiering waardoor ik daar toch niet naar toe ging. Ik had er veel tijd aan besteed en had het natuurlijk ergens ter publicatie moeten aanbieden. Maar daar kwam het niet van en zo bleef het liggen. Volg de link om het te lezen, maar neem er wel even de tijd voor. Hieronder de Introduction.
In the course of the second part of the twentieth century rational choice theory (RCT) entered sociology, inspired by an economist’s analysis of group behavior (Olson, 1974). Although at the end of this century it may be ascertained that RCT has a strong foothold in sociology, her adherents still form a minority in their discipline. Nevertheless, the entrance of RCT in sociology will undoubtedly turn out to be a main event in the history of the discipline. Its main significance is that sociology ceased to ignore the important insight that you need a theory of purposeful behavior for the study of individual behavior and social processes.
At the time this insight was already taken for granted in economics and biology. Therefore the arise of RCT in sociology also meant that sociologists had, and have, to rethink their relation to these disciplines. In the before-RCT period the general opinion was that in order to let sociology become a serious and well-respected scientific discipline, it should develop independently. The question of what kind of relationship it should have with its neighbors was solved in a very straightforward way: there should be no relationship whatsoever. Now that a very central tool, the theory of purposeful behavior, appeared to be common to sociology and at least two of its neighbors, this simple solution is no longer satisfactory. In this paper I propose a new solution.
In a nutshell it holds that: (1) sociology, contrary to economics, needs a theory of social goals for developing sociologically interesting applications of a theory of purposeful behavior, and (2) this theory of social goals can be grounded on the biological principle of hierarchical organization of behavior and on neo-Darwinian biology, particularly on the theories of biological competition, kinship altruism and reciprocal altruism. I will arrive at this solution by trying to find out what the implications are of applying a theory of purposeful behavior in the study of contemporary society.
First I expound the way economics use the idea of purposive behavior. This way was almost automatically copied by RCT-sociologists. As I will show this has important shortcomings for the study of contemporary human society. A means to redress these shortcomings is to make use of the biological principle that all behavior is hierarchically organized. I use this principle in order to propose a theory of human social goals, claiming that for a proper study of contemporary human society such a theory is indispensable, not only for explanatory problems, but also as the basis of a social welfare theory, the sociological counterpart of economic welfare theory.
First, I describe the economic way of using the theory of purposive behavior, and I expound the limitations of a RC-sociology that by and large copies this way. This includes a short review of earlier critics of the socalled economic viewpoint. Then I give a description of the way biology can provide a basis for developing a theory of social goals, and I discuss the theory itself. An empirical test of the theory consists in checking whether the attainment of social goals has positive effects for health and well-being. This is the subject of the final section of the paper.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten