donderdag 22 oktober 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 53 - Wat zich aandiende. En over boeken die niet meer in mijn boekenkast staan

Hoe kwam het dat ik, dat zal rond 1980 zijn geweest, als socioloog de economische theorie van het menselijk gedrag als een uitkomst zag en mijn vak binnenhaalde? Het antwoord daarop is eenvoudig. Het leek mij vanzelfsprekend om de maatschappij als mensenwerk te zien en dus dat inzichten in de algemene principes van het menselijk gedrag, in de menselijke sociale natuur, in de beoefening van het vak onmisbaar zijn. Maar het vak werd overwegend beoefend zonder dat zulke inzichten centraal stonden, sterker, dat zulke inzichten nodig waren, werd met zoveel woorden ontkend. Doordat ik me daarbij ongemakkelijk voelde, stond ik open voor wat zich maar aandiende. En wat zich aandiende was die economische theorie van het menselijke gedrag. Hier het vorige bericht.

Die theorie hield in dat het menselijk gedrag wordt gereduceerd tot het principe van doelgerichtheid, zonder in de theorie zelf in te gaan op de aard van die doelen. Het gaat erom dat mensen iets nastreven en dat iets noemen we "nut". En we kijken wat we op grond van die "nutsmaximalisering" alleen, kunnen verklaren en voorspellen. Wat mensen willen, de aard van hun doelen of voorkeuren, dat houden we buiten de theorie. We voeren daarover ad hoc veronderstellingen in of we laten het aan de empirie over om ons daarover te informeren. 

Dat laatste slaat op het economische leerstuk van de revealed preference, de gebleken voorkeur. Hoe mensen handelen, vertelt ons wat ze nastreven. Je zou mensen natuurlijk ook kunnen vragen naar hun voorkeuren, maar economen kijken liever naar hun gedrag. Dat kunnen ze vaak ook, doordat ze statistieken, zoals over consumentengedrag, tot hun beschikking hebben.

Ik leerde dat er van deze wel heel "kale" theorie, drie uitwerkingen bestonden, elk voor een situatie waarin mensen kunnen terechtkomen. In een sociale situatie hebben ze met andere mensen te maken en is dus de uitkomst van hun gedrag mede afhankelijk van wat die anderen doen. Mensen moeten dan veronderstellingen maken over het gedrag van anderen en hun eigen gedrag daarop aanpassen. We hebben dan de uitwerking van het strategische gedrag, dus van de speltheorie, die ik al noemde. Ik bestudeerde o.a. het toen net uitgekomen Games as Models of Social Phenomena van Henry Hamburger.

Een tweede uitwerking gaat over situaties waarin mensen de keuze hebben tussen verschillende alternatieven en waarin ze inschattingen maken over de verwachte opbrengsten van elk alternatief. Die uitwerking staat bekend als de Subjective Expected Utility (SEU-) theorie en veronderstelt dat mensen die inschattingen maken volgens de principes van de waarschijnlijkheidsrekening. Een verwachte opbrengst is dan de ingeschatte waarde van de uitkomst gedeeld door de ingeschatte kans dat die uitkomst optreedt.

En als derde is er de situatie waarin mensen hun gedrag aanpassen aan veranderingen. We hebben het dan over de micro-economie. Het mooie daarvan vond ik dat die zo keurig wordt opgebouwd, vanaf het eenvoudige begin (1 consument, 1 goed) tot aan de markt (veel consumenten, veel goederen) en de theorie van vormen van marktfalen (denk aan het publieke goed uit het vorige bericht).  Hoewel ik het bijvak economie had gedaan, eerst bij Jan Pen (1921 - 2010) en later bij Cees de Galan (1932 - 1987), was daar de micro-economie toch maar weinig aan de orde gekomen. Voor Jan Pen, die vooral macro-econoom was, had ik al het beroemde handboek Economics. An Introductory Analysis van Paul Samuelson doorgewerkt, dat Keynesiaans georiënteerd was. Maar ik verdiepte me nu ook in het meer micro-economische georiënteerde en in 1975 verschenen Economics van Lipsey en Steiner. 

Ik stak dus veel energie in die economische theorie van het menselijk gedrag. Ik kon aan de slag met de maatschappij als mensenwerk. Ook als mensenwerk dat kan worden verbeterd. Want de theorie verschafte ook een criterium voor verbetering op collectief niveau. Dat was het Pareto-criterium: een maatschappelijke toestand is optimaal (of efficiënt) als er niet meer een verandering mogelijk is waarmee tenminste sommigen er op vooruitgaan. Anders gezegd, als alle mogelijkheden voor verbetering zijn benut, zonder dat zulks met achteruitgang voor sommigen gepaard is gegaan. Nog anders gezegd, zolang  er maar geen verliezers zijn, is alles oké. Ook als in die optimale toestand de een veel beter af is dan de ander. 

Een en ander had natuurlijk gevolgen voor mijn onderzoek. En voor mijn onderwijs. Studenten kregen hier zacht gezegd nogal wat van mee. Ik deed weliswaar sociologisch onderzoek en ik gaf sociologisch onderwijs, maar daar zat wel heel veel economie in. In het vervolg meer daarover. 

En natuurlijk ook over hoe ik langzaam maar zeker groeiende twijfels kreeg over de ingeslagen weg. Met onder meer als gevolg dat die boeken die ik hierboven noem, niet meer in mijn boekenkast staan. 

Geen opmerkingen: