In de mensheidsgeschiedenis zijn kinderen altijd leeftijdsgemengd opgegroeid. Tot we het onderwijs en de school uitvonden en bedachten dat het wel efficiënt was om kinderen van dezelfde leeftijd bij elkaar te zetten. Dat bedachten we, als ik het goed heb, zo ongeveer in de negentiende eeuw, met misschien de toen opkomende fabrieksmatige productie als voorbeeld voor de organisatorische vormgeving van het onderwijsproces.
Nu pas, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, beginnen we door te krijgen dat het zo leeftijdsgesegregeerd laten opgroeien van onze kinderen, niet goed uitwerkt op hun sociale en morele ontwikkeling.
Gelukkig zijn er scholen met leeftijdsgemengde groepen, waardoor we kunnen vergelijken. En dan blijkt, uit Amerikaans onderzoek, dat kinderen op leeftijdsgemengde scholen hulpvaardiger zijn, zich minder eenzaam voelen en minder agressief zijn. En uit Nederlands onderzoek blijkt dat op leeftijdsgemengde scholen de helft minder gepest wordt.
Maken die verschillen wat uit voor de verder ontwikkeling van kinderen? Jazeker, want we weten dat de negatieve effecten van pesten en gepest worden doorwerken tot op jongvolwassen leeftijd.
Er is nu de nieuwe studie Adolescents in Peer Groups Make More Prudent Decisions When a Slightly Older Adult Is Present, die aanwijzingen toevoegt aan de gunstige effecten van leeftijdsmenging. De onderzoekers, onder wie Laurence Steinberg, laten zien dat mannelijke adolescenten (18-22 jaar) meer risico's nemen en kortzichtiger zijn in een groep van vier leeftijdsgenoten dan wanneer ze alleen zijn.
Dat wisten we, dat adolescenten minder verantwoord handelen door de groepsdruk van vriendjes van dezelfde leeftijd. Waarschijnlijk speelt statuscompetitie en stoer willen overkomen daarbij een grote rol.
Maar wat de onderzoekers ook laten zien, is dat dat negatieve effect geheel of grotendeels wegvalt als een van die drie andere groepsleden een ouder iemand is. In het onderzoek was dat een student van tussen de 25 en 30 jaar.
En dat gebeurde eenvoudigweg door de aanwezigheid van die oudere persoon. Die hoefde daar verder niets voor te doen.
Een sterke aanwijzing voor de waarschijnlijk meestal onbewust werkende positieve invloed van een leeftijdsgemengde sociale omgeving op het gedrag van adolescenten.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label Laurence Steinberg. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Laurence Steinberg. Alle posts tonen
maandag 14 maart 2016
woensdag 17 april 2013
Het puberbrein en de peergroup
De april aflevering van Current Directions in Psychological Science is geheel gewijd aan onderzoek naar het puberbrein (betaalpoort). Flink wat leeswerk te doen.
Eerst maar even snel gekeken naar het artikel over de invloed van de peer group van Dustin Albert, Jason Chein en Laurence Steinberg.
Ze bespreken onderzoek waaruit blijkt dat de adolescentie een periode is van verhoogde neurologische en gedragsmatige ontvankelijkheid voor de sociale omgeving. Met een hypersensitiviteit voor sociale stimuli zoals gelaatsuitdrukkingen en sociale reacties. Dat kun je begrijpen, want het is de periode waarin je de vertrouwde sociale omgeving van het gezin van herkomst zo langzamerhand achter je moet laten.
En dat is in onze maatschappij precies die periode waarin relaties met leeftijdsgenoten (peers) op de voorgrond staan. Pubers voelen zich het gelukkigst met leeftijdsgenoten en oriënteren zich allereerst op de normen van de peer group.
Tegelijk zijn adolescenten nog bezig met de gestage rijping van het vermogen tot "top-down" cognitieve controle over impulsief gedrag. Het proces van groei van impulsonderdrukking, planning, flexibiliteit en toekomstoriëntatie is nog bezig.
Dat leidt er toe dat speciaal in de adolescentie de invloed van de leeftijdsgenoten groot is. In het laboratorium nemen adolescenten meer risico's om een geldelijke beloning te krijgen en zijn ze minder goed in het uitstellen van beloningen, maar alleen in de aanwezigheid van leeftijdsgenoten. Of als ze geloven dat ze door leeftijdsgenoten worden geobserveerd. Dit effect van aanwezigheid van leeftijdsgenoten bestaat niet bij volwassenen. Daarmee komt overeen dat bij pubers (en niet bij volwassenen) hersenstructuren die actief zijn bij de beoordeling van beloningen, actiever zijn als leeftijdsgenoten aanwezig zijn. Hoe groter die activiteit, hoe geringer ook de zelf-gerapporteerde weerstand tegen beïnvloeding.
Deze bevindingen komen aardig overeen met een citaat van een puber dat vermeld wordt in het boek The Culture of Adolescent Risk-Taking van Cynthia Lightfoot, waarmee de auteurs hun artikel openen:
Dat lijkt de algemene trend: eerst laten we maatschappelijke arrangementen ontstaan waarin mensen niet goed gedijen en vervolgens vinden we dat ze getraind moeten worden om daar tegen bestand te zijn. Denk ook aan al die anti-pestprogramma's. Uiteindelijk moet iedereen een training ondergaan om beter tegen de maatschappij bestand te zijn.
Eerst maar even snel gekeken naar het artikel over de invloed van de peer group van Dustin Albert, Jason Chein en Laurence Steinberg.
Ze bespreken onderzoek waaruit blijkt dat de adolescentie een periode is van verhoogde neurologische en gedragsmatige ontvankelijkheid voor de sociale omgeving. Met een hypersensitiviteit voor sociale stimuli zoals gelaatsuitdrukkingen en sociale reacties. Dat kun je begrijpen, want het is de periode waarin je de vertrouwde sociale omgeving van het gezin van herkomst zo langzamerhand achter je moet laten.
En dat is in onze maatschappij precies die periode waarin relaties met leeftijdsgenoten (peers) op de voorgrond staan. Pubers voelen zich het gelukkigst met leeftijdsgenoten en oriënteren zich allereerst op de normen van de peer group.
Tegelijk zijn adolescenten nog bezig met de gestage rijping van het vermogen tot "top-down" cognitieve controle over impulsief gedrag. Het proces van groei van impulsonderdrukking, planning, flexibiliteit en toekomstoriëntatie is nog bezig.
Dat leidt er toe dat speciaal in de adolescentie de invloed van de leeftijdsgenoten groot is. In het laboratorium nemen adolescenten meer risico's om een geldelijke beloning te krijgen en zijn ze minder goed in het uitstellen van beloningen, maar alleen in de aanwezigheid van leeftijdsgenoten. Of als ze geloven dat ze door leeftijdsgenoten worden geobserveerd. Dit effect van aanwezigheid van leeftijdsgenoten bestaat niet bij volwassenen. Daarmee komt overeen dat bij pubers (en niet bij volwassenen) hersenstructuren die actief zijn bij de beoordeling van beloningen, actiever zijn als leeftijdsgenoten aanwezig zijn. Hoe groter die activiteit, hoe geringer ook de zelf-gerapporteerde weerstand tegen beïnvloeding.
Deze bevindingen komen aardig overeen met een citaat van een puber dat vermeld wordt in het boek The Culture of Adolescent Risk-Taking van Cynthia Lightfoot, waarmee de auteurs hun artikel openen:
It seems like people accept you more if you’re, like, a dangerous driver or something. If there is a line of cars going down the road and the other lane is clear and you pass eight cars at once, everybody likes that. . . . If my friends are with me in the car, or if there are a lot of people in the line, I would do it, but if I’m by myself and I didn’t know anybody, then I wouldn’t do it. That’s no fun.Je zou zeggen dat zulk onderzoek aanleiding geeft om eens goed na te denken over hoe wij in onze maatschappij onze pubers zo extreem blootstellen aan contacten met uitsluitend leeftijdsgenoten. Goedbeschouwd is dat een merkwaardig arrangement, met veel vervelende gevolgen. De onderzoekers trekken echter niet die conclusie. Wel pleiten ze voor, jawel, preventieprogramma's, dat wil zeggen voor trainingen aan pubers om hun cognitieve controlevaardigheden te vergroten.
Dat lijkt de algemene trend: eerst laten we maatschappelijke arrangementen ontstaan waarin mensen niet goed gedijen en vervolgens vinden we dat ze getraind moeten worden om daar tegen bestand te zijn. Denk ook aan al die anti-pestprogramma's. Uiteindelijk moet iedereen een training ondergaan om beter tegen de maatschappij bestand te zijn.
vrijdag 12 oktober 2012
Pubers en levensloop-strategie: het positieve en het negatieve ontwikkelingstraject - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (16)
Door het historisch gezien sterke sociale isolement van onze gezinnen en door de daarmee samenhangende leeftijdssegregatie waaronder kinderen opgroeien, ligt er voor onze kinderen bij hun geboorte niet alleen een positief, maar ook een negatief ontwikkelingstraject klaar. Zie nog eens het bericht Onze pubers, hun brein en onze maatschappij, waarin ik het overzichtsartikel van Eveline Crone en Ronald Dahl besprak. Door hormonale veranderingen in de adolescentiefase groeit de behoefte aan nieuwe ervaringen, nieuwe beloningen en bronnen van beloningen. Vooral sociale beloningen en bronnen daarvan.
Dus gaan pubers buiten het ouderlijk gezin daarnaar op zoek. Als dan de sociale setting van de school niet genoeg belonend is ("niet boeit"), dan resten er nog de vriendengroepen (peer groups) als bron van sociale beloningen. Alle hormonale veranderingen vertellen je dat je er bij moet horen en dat je populair genoeg moet zijn. En dat je attractief genoeg moet zijn om aan de seksuele competitie met succes mee te kunnen doen. En hoe meer je deel gaat uitmaken van die populariteits- en attractiviteitscompetitie tussen leeftijdsgenoten, los gezongen van de wereld van de school, de wereld van de ouders en de wereld van de volwassenen, hoe groter de kans op een negatief ontwikkelingstraject.
Evolutionair georiënteerde onderzoekers zien dat negatieve ontwikkelingstraject als een strategie van de snelle levensloop of van de strategie van de versnelde reproductie. In het beroemde artikel van Belsky, Steinberg en Draper uit 1991 werd die evolutionaire theorie van de socialisering voor het eerst naar voren gebracht. Kinderen "kiezen" voor een snelle levensloop als ze opgroeien in een instabiel en conflictueus (geïsoleerd) gezin met weinig economische middelen (armoede), waarin ze geen veilige hechtingsstijl ontwikkelen, wantrouwend in het leven komen te staan, met een opportunistische houding tegenover anderen.
Dat is dus een strategie met minder pro-sociaal gedrag. Dat houdt ook in dat de hormonale veranderingen van de puberteit eerder intreden, dat ze eerder seksueel actief zijn, dat ze wisselende seksuele contacten hebben en eerder nageslacht op de wereld zetten. Hun levenshouding is er een van het grijpen van de kansen als ze zich voordoen en het niet investeren in langdurige relaties. Dat laatste is altijd riskant, want je kunt anderen immers niet vertrouwen. Als ouder zijn ze geneigd om weinig te investeren in het goed opgroeien van hun kinderen. Vandaar dat deze strategie gemakkelijk van generatie op generatie wordt overgedragen. (Denk bij die positieve ontwikkelingsstrategie aan het tegengestelde van dit alles.)
Sinds 1991 is het werk aan het onderzoek naar deze theorie van de snelle en de langzame levensloop voortgezet. Recentelijk heeft Belsky daarvan een overzichtsartikel geschreven: The Development of Human Reproductive Strategies: Progress and Prospects (fulltext achter de poort). Enkele passages vielen me op, waarvan ik er nu twee wil doorgeven. Andere komen later.
Dus gaan pubers buiten het ouderlijk gezin daarnaar op zoek. Als dan de sociale setting van de school niet genoeg belonend is ("niet boeit"), dan resten er nog de vriendengroepen (peer groups) als bron van sociale beloningen. Alle hormonale veranderingen vertellen je dat je er bij moet horen en dat je populair genoeg moet zijn. En dat je attractief genoeg moet zijn om aan de seksuele competitie met succes mee te kunnen doen. En hoe meer je deel gaat uitmaken van die populariteits- en attractiviteitscompetitie tussen leeftijdsgenoten, los gezongen van de wereld van de school, de wereld van de ouders en de wereld van de volwassenen, hoe groter de kans op een negatief ontwikkelingstraject.
Evolutionair georiënteerde onderzoekers zien dat negatieve ontwikkelingstraject als een strategie van de snelle levensloop of van de strategie van de versnelde reproductie. In het beroemde artikel van Belsky, Steinberg en Draper uit 1991 werd die evolutionaire theorie van de socialisering voor het eerst naar voren gebracht. Kinderen "kiezen" voor een snelle levensloop als ze opgroeien in een instabiel en conflictueus (geïsoleerd) gezin met weinig economische middelen (armoede), waarin ze geen veilige hechtingsstijl ontwikkelen, wantrouwend in het leven komen te staan, met een opportunistische houding tegenover anderen.
Dat is dus een strategie met minder pro-sociaal gedrag. Dat houdt ook in dat de hormonale veranderingen van de puberteit eerder intreden, dat ze eerder seksueel actief zijn, dat ze wisselende seksuele contacten hebben en eerder nageslacht op de wereld zetten. Hun levenshouding is er een van het grijpen van de kansen als ze zich voordoen en het niet investeren in langdurige relaties. Dat laatste is altijd riskant, want je kunt anderen immers niet vertrouwen. Als ouder zijn ze geneigd om weinig te investeren in het goed opgroeien van hun kinderen. Vandaar dat deze strategie gemakkelijk van generatie op generatie wordt overgedragen. (Denk bij die positieve ontwikkelingsstrategie aan het tegengestelde van dit alles.)
Sinds 1991 is het werk aan het onderzoek naar deze theorie van de snelle en de langzame levensloop voortgezet. Recentelijk heeft Belsky daarvan een overzichtsartikel geschreven: The Development of Human Reproductive Strategies: Progress and Prospects (fulltext achter de poort). Enkele passages vielen me op, waarvan ik er nu twee wil doorgeven. Andere komen later.
- Het grote belang van de aard van de peer group, dat wil zeggen van het wel of niet terechtkomen in een groep die gericht is op statuscompetitie en de snelle levensloop, geldt vooral voor jongens. Voor meisjes lijken de gezinsomstandigheden belangrijker te zijn, met name het wel of niet aanwezig zijn van de vader. En meer in het algemeen de instabiliteit van de sociale omgeving. Zie bijvoorbeeld dit onderzoek (fulltext achter de poort).
- Er is onderzoek dat er op wijst dat de kans op de snelle levensloop-strategie groter is, hoe gevaarlijker de sociale omgeving is waarin kinderen opgroeien. Zo komt uit onderzoek naar voren dat de leeftijd bij de geboorte van het eerste kind lager is in een lokale omgeving met een hogere mortaliteit, een lagere levensverwachting en hogere moordstatistieken. Hoe korter en hoe riskanter het leven lijkt te zijn, hoe sneller je er bij moet zijn en hoe opportunistischer het gedrag. Zie bijvoorbeeld What Teen Mothers Know (fulltext achter de poort).
Abonneren op:
Posts (Atom)