In de discussies over de verzorgingsstaat en de participatiesamenleving kom je vaak de gedachte tegen dat een uitgebreide en ruimhartige verzorgingsstaat mensen ertoe brengt om zelf minder actief te zijn in de onderlinge hulpverlening. Want: als de overheid het al doet, dan kunnen wij achterover leunen.
In de literatuur staat die gedachte bekend als het crowding out - effect: de formele zorg zou de informele zorg verdringen.
Maar er zijn aanwijzingen voor precies het tegenovergestelde, voor crowding in: het verschijnsel dat formele zorg en informele zorg samen op gaan. Hoe meer formele zorg, hoe meer informele zorg. Zie de berichten op dit blog achter het label crowding-in.
Daar is nu een nieuwe aanwijzing bijgekomen. In de studie How to understand informal caregiving patterns in Europe? The role of formal long-term care provisions and family care norms gaat Ellen Verbakel (Radboud Universiteit Nijmegen) voor 19 Europese landen na hoe de uitgebreidheid van de formele langdurige zorg samenhangt met hoe actief burgers zelf zijn in het verlenen van informele langdurige zorg.
Wat die formele zorg betreft, ging het om een index samengesteld uit het aantal bedden beschikbaar voor langdurige zorg per 1000 inwoners van 65 jaar en ouder, het aantal langdurige zorgverleners per 100 mensen van 65 jaar en ouder, de overheidsuitgaven ten behoeve van langdurige zorg als percentage van het BNP en het aandeel van de bevolking dat langdurige zorg ontvangt. Het ging om gegevens van de OECD.
Wat de informele zorg betreft ging het om gegevens verkregen door middel van de European Social Survey (ESS).
Het blijkt dan dat in landen met uitgebreidere overheidsvoorzieningen voor langdurige zorg juist ook meer informele langdurige zorg wordt gegeven. Met dien verstande dat ze binnen het geheel van die langdurige zorg minder actief zijn in de intensievere vormen van langdurige zorg.
Het achterliggende proces zou wel eens kunnen zijn dat landen verschillen in de mate waarin de bevolking van oordeel is dat zorgbehoeftigen de zorg krijgen die ze nodig hebben.
Een grotere zorgzaamheid houdt dan zowel in dat mensen zelf meer bereid zijn om zorg te verlenen als dat ze meer stemmen op politieke partijen die een ruimhartig overheidsbeleid voorstaan op het gebied van de (formele) zorg. En een gevolg van dat proces is dat de overheid meer het verlenen van de intensievere vormen van zorg op zich neemt, die de mogelijkheden van de informele hulpverleners al snel te boven gaan.
Verzorgingsstaat en onderlinge hulpverlening is dus niet een kwestie van of-of, maar van en-en.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label crowding-in. Alle posts tonen
Posts tonen met het label crowding-in. Alle posts tonen
donderdag 7 juni 2018
maandag 12 september 2016
Participatiesamenleving en verzorgingsstaat: niet of-of, maar en-en? Meer aanwijzingen voor en-en
We leven in een tijd waarin velen, waaronder politici, denken dat de verzorgingsstaat is doorgeschoten en dat we toe moeten naar een participatiesamenleving. De gedachte daarachter is dat de voorzieningen van de verzorgingsstaat, zoals de uitkeringen en de thuiszorg, de onderlinge hulpverlening, de mantelzorg, verdringen. De verzorgingsstaat zou mensen onderling minder solidair maken.
Dat thema van de verdringing (crowding-out) speelt al langer. Bijvoorbeeld ook al ten tijde van het hele prille begin van de verzorgingsstaat, dus toen de Armenwet in werking trad. In 1848, als ik het goed heb. Er waren toen tegenstanders die net als nu de gedachte van de verdringing aanhingen. Armenhulp door de overheid zou de onderlinge hulp door familie, kerk en liefdadigheid verminderen en zou zelfs moreel verval met zich meebrengen.
We weten al dat de huidige aanwijzingen voor het optreden van verdringing niet sterk zijn. Zie Verdringt de verzorgingsstaat de onderlinge hulpverlening?, waarin ik onderzoek aanhaalde dat juist wijst op crowding-in: een ruimhartige verzorgingsstaat gaat juist samen met méér onderlinge hulpverlening. In plaats van verdringing, vullen formele zorg en informele zorg elkaar aan. Daarom ook het bericht Participatiesamenleving in plaats van verzorgingsstaat? Niet of-of, maar en-en.
Er is nu nieuw onderzoek dat laat zien dat zulks ook al het geval was ten tijde van de eerste Poor Laws in Engeland en Wales in de late achttiende en de vroege negentiende eeuw.
In Does Welfare Spending Crowd Out Charitable Activity? Evidence from Historical England Under the Poor Laws analyseren de onderzoekers de beschikbare gegevens over uitkeringen in het kader van de Poor Law en de inkomsten van (donaties aan) liefdadigheidsinstellingen.
Vergelijking tussen districten levert dan op, als je met allerlei mogelijke verstorende variabelen rekening houdt, dat in districten met meer en hogere Poor Law-uitgaven ook de inkomsten (donaties) aan liefdadigheidsinstellingen hoger waren. In het plaatje zie je de puntenwolk waaruit dat positieve verband naar voren komt. Op de horizontale as staan de Poor Law-uitgaven en op de verticale as de inkomsten van de liefdadigheidsinstellingen, beide per hoofd van de bevolking. (Zie voor een samenvatting van het onderzoek ook WELFARE SPENDING DOESN’T ‘CROWD OUT’ CHARITABLE WORK: Historical evidence from England under the Poor Laws.)
Dat thema van de verdringing (crowding-out) speelt al langer. Bijvoorbeeld ook al ten tijde van het hele prille begin van de verzorgingsstaat, dus toen de Armenwet in werking trad. In 1848, als ik het goed heb. Er waren toen tegenstanders die net als nu de gedachte van de verdringing aanhingen. Armenhulp door de overheid zou de onderlinge hulp door familie, kerk en liefdadigheid verminderen en zou zelfs moreel verval met zich meebrengen.
We weten al dat de huidige aanwijzingen voor het optreden van verdringing niet sterk zijn. Zie Verdringt de verzorgingsstaat de onderlinge hulpverlening?, waarin ik onderzoek aanhaalde dat juist wijst op crowding-in: een ruimhartige verzorgingsstaat gaat juist samen met méér onderlinge hulpverlening. In plaats van verdringing, vullen formele zorg en informele zorg elkaar aan. Daarom ook het bericht Participatiesamenleving in plaats van verzorgingsstaat? Niet of-of, maar en-en.
Er is nu nieuw onderzoek dat laat zien dat zulks ook al het geval was ten tijde van de eerste Poor Laws in Engeland en Wales in de late achttiende en de vroege negentiende eeuw.
In Does Welfare Spending Crowd Out Charitable Activity? Evidence from Historical England Under the Poor Laws analyseren de onderzoekers de beschikbare gegevens over uitkeringen in het kader van de Poor Law en de inkomsten van (donaties aan) liefdadigheidsinstellingen.
Vergelijking tussen districten levert dan op, als je met allerlei mogelijke verstorende variabelen rekening houdt, dat in districten met meer en hogere Poor Law-uitgaven ook de inkomsten (donaties) aan liefdadigheidsinstellingen hoger waren. In het plaatje zie je de puntenwolk waaruit dat positieve verband naar voren komt. Op de horizontale as staan de Poor Law-uitgaven en op de verticale as de inkomsten van de liefdadigheidsinstellingen, beide per hoofd van de bevolking. (Zie voor een samenvatting van het onderzoek ook WELFARE SPENDING DOESN’T ‘CROWD OUT’ CHARITABLE WORK: Historical evidence from England under the Poor Laws.)
De onderzoekers concluderen:
We find strong empirical support for a positive relationship between welfare provision and charitable giving using data from the late eighteenth and early nineteenth centuries, at a time when both were expanding but were subject to increasing criticism, in particular by economists. This mirrors the situation since the end of the Second World War, when the size and scope of government provision has come increasingly under attack. There are certainly many theoretical justifications for this but we believe that the crowding-out hypothesis should not be one of them. On the contrary, there even seems to be evidence that government can set an example for private donors.En dat laatste komt dus overeen met mijn eerdere vermoeden:
(...) het bekende crowding out-effect (...) veronderstelt dat de menselijke motivatie om anderen te helpen alleen instrumenteel is. In de zin dat als anderen, de overheid, die hulp al geeft, dat dan de motivatie verdwijnt. De overheid doet het al, dus dan hoef ik niet meer.
Maar de aanwijzingen zijn dat de menselijke sociale natuur anders in elkaar zit. Mensen willen graag helpen omdat de daad van het helpen hen voldoening geeft. Dat is het zogenaamde warm glow-model. Bovendien werkt daarbij de sociale beïnvloeding: jouw neiging om te helpen wordt bevorderd als je anderen ziet helpen. Dat versterkt gevoelens van onderlinge solidariteit en van "dat doen wij voor elkaar". Pro-sociaal gedrag is besmettelijk. En dus kan ook de overheid het goede voorbeeld geven. Want de overheid, dat zijn wij met zijn allen.
vrijdag 20 september 2013
Participatiesamenleving in plaats van verzorgingsstaat? Niet of-of, maar en-en
Is de verzorgingsstaat doorgeschoten? En moeten we toe naar een "participatiesamenleving"? Het lijkt er op dat Ronald Plasterk, minister van Binnenlandse Zaken, vanochtend in de Volkskrant die vragen bevestigend beantwoordt (De overheid kan niet elke grasspriet bijknippen).
Lijkt, want een heel helder stuk is het niet. Aan de ene kant betoogt hij dat mensen meer moeten, en kunnen, doen en dat de overheid minder moet doen. Dat laatste omdat die daar de komende decennia niet het geld voor zou hebben.
Maar aan de andere kant zegt hij dat de overheid als achtervang altijd volledig moet klaarstaan om er voor te zorgen dat "iedereen een fatsoenlijk leven kan leiden". Dat laatste, die opvatting dat het een zorg voor de overheid is dat iedereen een fatsoenlijk leven moet kunnen leiden, ja, dat is precies de ratio voor de verzorgingsstaat.
Dus vraag je je af wat er nu eigenlijk aan de hand is. Wat zijn nu eigenlijk de redenen om te denken dat die verzorgingsstaat die Plasterk wil, en die wij met zijn allen willen en waarvoor we bereid zijn belasting te betalen, zo is doorgeschoten dat het een onsje minder moet? En we weer meer voor elkaar moeten doen?
Allereerst, dat de verzorgingsstaat kan doorschieten is natuurlijk een gerechtvaardigde zorg. We hebben dat in het verleden meegemaakt. De Algemene Bijstandswet (ABW) die in 1965 het recht op bijstand regelde, maakte het al te gemakkelijk om bijstand te krijgen en te behouden. De wet moest daardoor veelvuldig worden aangepast. Datzelfde gold voor de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering van 1966. Beide maakten duidelijk dat de verzorgingsstaat ook te royaal en te naïef kan zijn ingericht. Zo ontstond het probleem van het misbruik en oneigenlijk gebruik van de sociale voorzieningen. Net als in de Paleo Sociale Omgeving zijn er in de verzorgingsstaat niet alleen rechten, maar ook plichten. En is er controle op profiteergedrag, het niet nakomen van die verplichtingen, nodig.
Maar waarom zou de verzorgingsstaat nu, in 2013, een stapje terug moeten doen? Als ik het goed zie, nogmaals, zo helder is dat betoog niet, geeft Plasterk daar voor twee redenen: (1) het geld is er niet meer, en (2) door schaalvergroting en professionalisering van het maatschappelijk middenveld is de onderlinge hulpverlening en de zelforganisatie (de participatiesamenleving) verdrongen. Laten we bij beide redenen stilstaan.
Dat het geld er niet meer is en er in de toekomst niet meer zal zijn, klopt niet. Die bewering kom je vaker tegen en hij lijkt gebaseerd op de gedachte dat het geld alleen in de particuliere sector, de markt, verdiend wordt en dat overheidsuitgaven alleen maar bestaan uit consumptie. Maar dat is natuurlijk niet zo. De aanwijzingen zijn juist dat de verzorgingsstaat een grote bijdrage heeft geleverd en levert aan onze economische welvaart. De verzorgingsstaat is niet een kostenpost, maar een investering. Zie nog eens mijn bericht met de link naar Chris Dillow, die de aanwijzingen in die richting noemt. In de periode dat de verzorgingsstaten werden opgebouwd, was de economische groei hoog. Datzelfde geldt voor de Scandinavische landen met een omvangrijke verzorgingsstaat. En de grotere inkomensgelijkheid van verzorgingsstaten blijkt er ook voor te zorgen dat die economische groei stabieler is. Die eerste reden vervalt. (En het is curieus om hem uit de mond te horen van een sociaaldemocraat.)
Met die tweede reden gaat Plasterk er van uit dat de verzorgingsstaat de onderlinge hulpverlening zou verdringen. Dat is het bekende crowding out-effect. Het veronderstelt dat de menselijke motivatie om anderen te helpen alleen instrumenteel is. In de zin dat als anderen, de overheid, die hulp al geeft, dat dan de motivatie verdwijnt. De overheid doet het al, dus dan hoef ik niet meer.
Maar de aanwijzingen zijn dat de menselijke sociale natuur anders in elkaar zit. Mensen willen graag helpen omdat de daad van het helpen hen voldoening geeft. Dat is het zogenaamde warm glow-model. Bovendien werkt daarbij de sociale beïnvloeding: jouw neiging om te helpen wordt bevorderd als je anderen ziet helpen. Dat versterkt gevoelens van onderlinge solidariteit en van "dat doen wij voor elkaar". Pro-sociaal gedrag is besmettelijk. En dus kan ook de overheid het goede voorbeeld geven. Want de overheid, dat zijn wij met zijn allen.
Dat pleit voor het bestaan van het crowding in effect: de verzorgingsstaat gaat juist samen met meer onderlinge hulpverlening. Zie ook, met dank aan Chris Dillow, Peter Linderts' Private Welfare and the Welfare State (pdf).
Dit alles laat onverlet dat er andere maatschappelijke ontwikkelingen kunnen zijn die onderlinge hulpverlening en "participatie" hebben tegengewerkt. Zoals schaalvergroting van voorzieningen en openbaar bestuur, uitzwerming, woon-werkafstand, functiescheiding en de televisie, allemaal ontwikkelingen die eenzaamheid en sociaal isolement van gezinnen hebben bevorderd. De belangrijkste factor die pro-sociaal gedrag in de hand werkt, is het hebben van een groot sociaal netwerk van persoonlijke relaties. Maar dat zijn andere ontwikkelingen dan die van de groei van de verzorgingsstaat.
Update. Zie ook het vervolgbericht voor meer aanwijzingen voor en-en: Participatiesamenleving en verzorgingsstaat: niet of-of, maar en-en? Meer aanwijzingen voor en-en.
Lijkt, want een heel helder stuk is het niet. Aan de ene kant betoogt hij dat mensen meer moeten, en kunnen, doen en dat de overheid minder moet doen. Dat laatste omdat die daar de komende decennia niet het geld voor zou hebben.
Maar aan de andere kant zegt hij dat de overheid als achtervang altijd volledig moet klaarstaan om er voor te zorgen dat "iedereen een fatsoenlijk leven kan leiden". Dat laatste, die opvatting dat het een zorg voor de overheid is dat iedereen een fatsoenlijk leven moet kunnen leiden, ja, dat is precies de ratio voor de verzorgingsstaat.
Dus vraag je je af wat er nu eigenlijk aan de hand is. Wat zijn nu eigenlijk de redenen om te denken dat die verzorgingsstaat die Plasterk wil, en die wij met zijn allen willen en waarvoor we bereid zijn belasting te betalen, zo is doorgeschoten dat het een onsje minder moet? En we weer meer voor elkaar moeten doen?
Allereerst, dat de verzorgingsstaat kan doorschieten is natuurlijk een gerechtvaardigde zorg. We hebben dat in het verleden meegemaakt. De Algemene Bijstandswet (ABW) die in 1965 het recht op bijstand regelde, maakte het al te gemakkelijk om bijstand te krijgen en te behouden. De wet moest daardoor veelvuldig worden aangepast. Datzelfde gold voor de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering van 1966. Beide maakten duidelijk dat de verzorgingsstaat ook te royaal en te naïef kan zijn ingericht. Zo ontstond het probleem van het misbruik en oneigenlijk gebruik van de sociale voorzieningen. Net als in de Paleo Sociale Omgeving zijn er in de verzorgingsstaat niet alleen rechten, maar ook plichten. En is er controle op profiteergedrag, het niet nakomen van die verplichtingen, nodig.
Maar waarom zou de verzorgingsstaat nu, in 2013, een stapje terug moeten doen? Als ik het goed zie, nogmaals, zo helder is dat betoog niet, geeft Plasterk daar voor twee redenen: (1) het geld is er niet meer, en (2) door schaalvergroting en professionalisering van het maatschappelijk middenveld is de onderlinge hulpverlening en de zelforganisatie (de participatiesamenleving) verdrongen. Laten we bij beide redenen stilstaan.
Dat het geld er niet meer is en er in de toekomst niet meer zal zijn, klopt niet. Die bewering kom je vaker tegen en hij lijkt gebaseerd op de gedachte dat het geld alleen in de particuliere sector, de markt, verdiend wordt en dat overheidsuitgaven alleen maar bestaan uit consumptie. Maar dat is natuurlijk niet zo. De aanwijzingen zijn juist dat de verzorgingsstaat een grote bijdrage heeft geleverd en levert aan onze economische welvaart. De verzorgingsstaat is niet een kostenpost, maar een investering. Zie nog eens mijn bericht met de link naar Chris Dillow, die de aanwijzingen in die richting noemt. In de periode dat de verzorgingsstaten werden opgebouwd, was de economische groei hoog. Datzelfde geldt voor de Scandinavische landen met een omvangrijke verzorgingsstaat. En de grotere inkomensgelijkheid van verzorgingsstaten blijkt er ook voor te zorgen dat die economische groei stabieler is. Die eerste reden vervalt. (En het is curieus om hem uit de mond te horen van een sociaaldemocraat.)
Met die tweede reden gaat Plasterk er van uit dat de verzorgingsstaat de onderlinge hulpverlening zou verdringen. Dat is het bekende crowding out-effect. Het veronderstelt dat de menselijke motivatie om anderen te helpen alleen instrumenteel is. In de zin dat als anderen, de overheid, die hulp al geeft, dat dan de motivatie verdwijnt. De overheid doet het al, dus dan hoef ik niet meer.
Maar de aanwijzingen zijn dat de menselijke sociale natuur anders in elkaar zit. Mensen willen graag helpen omdat de daad van het helpen hen voldoening geeft. Dat is het zogenaamde warm glow-model. Bovendien werkt daarbij de sociale beïnvloeding: jouw neiging om te helpen wordt bevorderd als je anderen ziet helpen. Dat versterkt gevoelens van onderlinge solidariteit en van "dat doen wij voor elkaar". Pro-sociaal gedrag is besmettelijk. En dus kan ook de overheid het goede voorbeeld geven. Want de overheid, dat zijn wij met zijn allen.
Dat pleit voor het bestaan van het crowding in effect: de verzorgingsstaat gaat juist samen met meer onderlinge hulpverlening. Zie ook, met dank aan Chris Dillow, Peter Linderts' Private Welfare and the Welfare State (pdf).
Dit alles laat onverlet dat er andere maatschappelijke ontwikkelingen kunnen zijn die onderlinge hulpverlening en "participatie" hebben tegengewerkt. Zoals schaalvergroting van voorzieningen en openbaar bestuur, uitzwerming, woon-werkafstand, functiescheiding en de televisie, allemaal ontwikkelingen die eenzaamheid en sociaal isolement van gezinnen hebben bevorderd. De belangrijkste factor die pro-sociaal gedrag in de hand werkt, is het hebben van een groot sociaal netwerk van persoonlijke relaties. Maar dat zijn andere ontwikkelingen dan die van de groei van de verzorgingsstaat.
Update. Zie ook het vervolgbericht voor meer aanwijzingen voor en-en: Participatiesamenleving en verzorgingsstaat: niet of-of, maar en-en? Meer aanwijzingen voor en-en.
maandag 28 januari 2013
Verdringt de verzorgingsstaat de onderlinge hulpverlening?
De verzorgingsstaat staat tegenwoordig onder druk van degenen die een kleinere overheid willen en die vinden dat de in hun ogen te royale sociale voorzieningen er toe leiden dat mensen elkaar minder helpen. Mensen zouden er niet alleen luier, maar ook egoïstischer door worden. Het zou goed zijn om de verzorgingsstaat terug te dringen en dat kan ook, want het zal er toe leiden dat de onderlinge hulpverlening toeneemt. Is een veel gehoorde opvatting.
Daar zou natuurlijk iets in kunnen zitten. Als de overheid al te hulp schiet, dan hoeven wij het niet meer te doen. Zo zouden mensen kunnen redeneren. Als ze dat doen, dan zouden de sociale voorzieningen dus de onderlinge hulpverlening verdringen (crowding-out genoemd). Mensen zouden dan resultaatgericht altruïstisch zijn. Mensen die hulp en steun nodig hebben, moeten die krijgen, maar als anderen (de overheid) daar al voor zorgen, dan hoeven wij dat dus niet meer te doen.
Maar het is ook mogelijk dat mensen altruïstisch zijn in de zin dat ze graag te hulp schieten, daar genoegen in scheppen, maar daarbij wel worden gestimuleerd door datzelfde genereuze gedrag van anderen. Anders gezegd, het altruïstische gedrag verschaft voldoening, maar het zou daarnaast ook besmettelijk zijn. En er zijn ook veel aanwijzingen voor dat pro-sociaal gedrag van de een sterk wordt bevorderd door het pro-sociale gedrag van anderen. Mensen zijn sterk beïnvloedbaar en daarom is er veel voor te zeggen dat pro-sociaal gedrag eigenlijk een collectieve prestatie is. Als dat zo zou zijn, dan zou je verwachten dat sociale overheidsvoorzieningen juist onderlinge hulpverlening uitlokken. De overheid geeft het goede signaal: wij leven in een maatschappij waarin we elkaar bijstaan, collectief en onderling (crowding-in genoemd).
Wat wijst onderzoek uit? In de studie Intergenerational Transfers to Adult Children in Europe: Do Social Policies Matter? (betaalpoort) hebben Martina Brandt en Christian Deindl dertien Europese landen met elkaar vergeleken. Het ging om Denemarken, Zweden. Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zwitserland, Italië, Griekenland, Spanje, Tsjechië en Polen. Ze gebruikten gegevens over de (praktische en financiële) ondersteuning die mensen van 50 jaar of ouder met tenminste een uitwonend volwassen kind, aan dat kind of die kinderen in het afgelopen jaar hadden gegeven. Ook berekenden ze per land het totale bedrag besteed aan publieke, sociale voorzieningen (zoals voor de oude dag, voor nabestaanden, arbeidsongeschikten, zieken, gezinnen, werklozen) als het percentage van het Bruto Nationaal Product, aangevuld met het percentage van de beroepsbevolking dat werkzaam was in de gezondheidszorg en de sociale dienstverlening. Verder controleerden ze voor inkomen, gezondheidstoestand en aantal kinderen.
Het blijkt dan dat de ouderen in de landen met een hoger niveau van publieke, sociale voorzieningen vaker praktische en financiële hulp aan hun uitwonenende kinderen geven dan inwoners van landen met een lager niveau. Dat wijst dus op het crowding-in effect. Een ruimhartiger verzorgingsstaat gaat juist samen met meer onderlinge hulpverlening, dat wil zeggen, met het vaker praktisch en financieel helpen van uitwonenende kinderen.
Maar daar blijkt weer tegenover te staan dat de intensiteit van de hulpverlening (het aantal uren per keer en het geldbedrag per gift) juist weer geringer was in de landen met een ruimhartiger verzorgingsstaat. En dat zou juist weer wijzen op het crowding-out effect.
Omdat dus beide effecten optreden, lijkt dit op een proces van het elkaar aanvullen van de publieke en de particuliere hulpverlening. Het is in eerder onderzoek ook gevonden als het gaat om hulpverlening door grootouders en door volwassen kinderen aan hun bejaarde ouders.
Is het eigenlijk ook niet wat vreemd om te denken dat de verzorgingsstaat ons egoïstischer maakt? Want al die publieke, sociale voorzieningen zijn er immers doordat wij als kiezers daar voor gekozen hebben. We vinden dat we elkaar horen bij te staan. Dat komt tot uiting in onze steun voor sociale wetgeving én in onze particuliere, onderlinge hulpverlening.
Daar zou natuurlijk iets in kunnen zitten. Als de overheid al te hulp schiet, dan hoeven wij het niet meer te doen. Zo zouden mensen kunnen redeneren. Als ze dat doen, dan zouden de sociale voorzieningen dus de onderlinge hulpverlening verdringen (crowding-out genoemd). Mensen zouden dan resultaatgericht altruïstisch zijn. Mensen die hulp en steun nodig hebben, moeten die krijgen, maar als anderen (de overheid) daar al voor zorgen, dan hoeven wij dat dus niet meer te doen.
Maar het is ook mogelijk dat mensen altruïstisch zijn in de zin dat ze graag te hulp schieten, daar genoegen in scheppen, maar daarbij wel worden gestimuleerd door datzelfde genereuze gedrag van anderen. Anders gezegd, het altruïstische gedrag verschaft voldoening, maar het zou daarnaast ook besmettelijk zijn. En er zijn ook veel aanwijzingen voor dat pro-sociaal gedrag van de een sterk wordt bevorderd door het pro-sociale gedrag van anderen. Mensen zijn sterk beïnvloedbaar en daarom is er veel voor te zeggen dat pro-sociaal gedrag eigenlijk een collectieve prestatie is. Als dat zo zou zijn, dan zou je verwachten dat sociale overheidsvoorzieningen juist onderlinge hulpverlening uitlokken. De overheid geeft het goede signaal: wij leven in een maatschappij waarin we elkaar bijstaan, collectief en onderling (crowding-in genoemd).
Wat wijst onderzoek uit? In de studie Intergenerational Transfers to Adult Children in Europe: Do Social Policies Matter? (betaalpoort) hebben Martina Brandt en Christian Deindl dertien Europese landen met elkaar vergeleken. Het ging om Denemarken, Zweden. Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zwitserland, Italië, Griekenland, Spanje, Tsjechië en Polen. Ze gebruikten gegevens over de (praktische en financiële) ondersteuning die mensen van 50 jaar of ouder met tenminste een uitwonend volwassen kind, aan dat kind of die kinderen in het afgelopen jaar hadden gegeven. Ook berekenden ze per land het totale bedrag besteed aan publieke, sociale voorzieningen (zoals voor de oude dag, voor nabestaanden, arbeidsongeschikten, zieken, gezinnen, werklozen) als het percentage van het Bruto Nationaal Product, aangevuld met het percentage van de beroepsbevolking dat werkzaam was in de gezondheidszorg en de sociale dienstverlening. Verder controleerden ze voor inkomen, gezondheidstoestand en aantal kinderen.
Het blijkt dan dat de ouderen in de landen met een hoger niveau van publieke, sociale voorzieningen vaker praktische en financiële hulp aan hun uitwonenende kinderen geven dan inwoners van landen met een lager niveau. Dat wijst dus op het crowding-in effect. Een ruimhartiger verzorgingsstaat gaat juist samen met meer onderlinge hulpverlening, dat wil zeggen, met het vaker praktisch en financieel helpen van uitwonenende kinderen.
Maar daar blijkt weer tegenover te staan dat de intensiteit van de hulpverlening (het aantal uren per keer en het geldbedrag per gift) juist weer geringer was in de landen met een ruimhartiger verzorgingsstaat. En dat zou juist weer wijzen op het crowding-out effect.
Omdat dus beide effecten optreden, lijkt dit op een proces van het elkaar aanvullen van de publieke en de particuliere hulpverlening. Het is in eerder onderzoek ook gevonden als het gaat om hulpverlening door grootouders en door volwassen kinderen aan hun bejaarde ouders.
Is het eigenlijk ook niet wat vreemd om te denken dat de verzorgingsstaat ons egoïstischer maakt? Want al die publieke, sociale voorzieningen zijn er immers doordat wij als kiezers daar voor gekozen hebben. We vinden dat we elkaar horen bij te staan. Dat komt tot uiting in onze steun voor sociale wetgeving én in onze particuliere, onderlinge hulpverlening.
Abonneren op:
Posts (Atom)
