Ik ben nog van de generaties die meemaakten dat het eerste televisietoestel het huis werd binnengedragen. Sterker: ik was al het huis uit toen mijn ouders een toestel aanschaften. En op mijn studentenkamer had ik alleen een radio.
Kortom, de televisie is er ongeveer een halve eeuw. Voor opgroeiende kinderen is de aanwezigheid van televisie de gewoonste zaak van de wereld. Wat maakt het voor kinderen uit dat er een toestel in huis is? Eerder maakte ik er melding van dat er serieuze aanwijzingen zijn dat de verspreiding van televisie heeft bijgedragen aan de toename van autisme. Onderzoekers keken naar leeftijdscohorten in provincies van Californië en Pennsylvania die drie jaar of jonger waren toen de kabeltelevisie werd geïntroduceerd. Dat laatste gebeurde in verschillende provincies op verschillende tijdstippen. Na veel statistische bewerkingen en controles komen ze tot de conclusie dat de introductie van kabeltelevisie inderdaad heeft bijgedragen tot de toename van autisme diagnoses. Ze berekenen dat 18 procent van de toename van autisme kan worden toegeschreven aan de toename van kabeltelevisieprogramma's voor kinderen.
Waarschijnlijk heeft de introductie van het televisiekijken op jonge leeftijd de kans op autisme vergroot bij kinderen die al meer dan gemiddeld aanleg voor autisme hadden (gen-omgevingsinteractie). En dat zou er aan kunnen liggen dat het meer televisiekijken in de plaats komt van sociale interactie. Voor de ontwikkeling van hun sociale vaardigheden hebben kinderen een intensief "bad in de sociale wereld" nodig. Dat hebben ze tegenwoordig so wie so al minder dan in tijden dat gezinnen minder sociaal geïsoleerd waren en kinderen meer leeftijdsgemengd opgroeiden. Maar als kinderen dan bovendien nog veel tijd doorbrengen voor het scherm, dan wordt dat bad wel een heel klein teiltje. Nu is er wel veel sociale inhoud op de televisie (je ziet vooral pratende hoofden), maar dat kan natuurlijk geen vervanging zijn voor echte sociale interactie waaraan een kind actief deelneemt en daartoe voortdurend wordt uitgenodigd.
Er is nu nieuw onderzoek (pdf) dat wijst op andere negatieve effecten van op jonge leeftijd veel televisiekijken. Onderzoekers in Nieuw-Zeeland volgden ruim 1000 kinderen die in 1972-1973 waren geboren tot dat ze 26 jaar waren. Het blijkt dan dat kinderen die tussen hun vijfde en hun vijftiende levensjaar meer televisie hadden gekeken een grotere kans hadden om op jongvolwassen leeftijd veroordeeld te zijn voor (gewelds)criminaliteit, om een diagnose te hebben gekregen voor antisociale persoonlijkheidsstoornis en om agressieve persoonlijkheidstrekken te hebben. Daarbij werd gecontroleerd voor o.a. intelligentie, sociaal-economische status, ouderlijk toezicht en antisociaal gedrag op jongere leeftijd. Dat laatste is er een aanwijzing voor dat het televisiekijken ook inderdaad een oorzakelijk verband heeft met die problemen op jongvolwassen leeftijd.
Ook hier kan hebben meegespeeld dat het televisiekijken ten koste ging van de leerschool van de echte sociale interactie. Maar het kan daarnaast ook nog zo zijn dat kinderen op televisie meer antisociaal en agressief gedrag te zien kregen dan dat ze hadden meegemaakt als ze gewoon buiten hadden gespeeld.
Overigens heeft veel televisiekijken ook op volwassen leeftijd negatieve gevolgen. Zie mijn berichten over televisiekijken.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label gen-omgevingsinteractie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gen-omgevingsinteractie. Alle posts tonen
woensdag 20 februari 2013
woensdag 11 april 2012
Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (1): gen-omgevingsinteractie
Dat wil niet zeggen dat er tussen individuen geen verschillen bestaan in hun "aanleg" tot pro-sociaal gedrag. Maar hoe die aanleg uitwerkt op het gedrag, wordt beïnvloed door de aard van de sociale omgeving. Dit pas verschenen artikel van Poulin, Holman en Buffone geeft hier een aardig inzicht in (fulltext zit achter poort).
Het artikel sluit aan bij allerlei onderzoek waaruit blijkt dat de (lichaamseigen) peptiden oxytocine en vasopressine bevorderlijk zijn voor pro-sociaal gedrag. Zo maakt toediening van oxytocine, zoals met een neusspray, mensen zorgzamer en empathischer. Maar voor de werking van deze stofjes is wel nodig dat er voldoende genetische "ontvankelijkheid" (mijn woord) voor moet zijn. Ze moeten zich binden aan receptoren en er blijkt een genetische variatie te bestaan in de mate waarin dat gebeurt.
Voor oxytocine bestaat die variatie in het oxytocine receptor gen (OXTR). Op basis van eerder onderzoek voorspellen de onderzoekers dat mensen met het rs53576 G allel zich meer pro-sociaal gedragen dan mensen met het A allel. Ook zal hun pro-sociale gedrag minder negatief worden beïnvloed door bedreigingen die ze in hun omgeving waarnemen. Anders gezegd, door de afwezigheid van pro-sociaal gedrag in hun omgeving.
En voor vasopressine bestaat de variatie in de arginine vasopressine receptor 1a (AVPR1a). Mensen met de lange vorm van de AVPR1a rs1 en rs3 microsatelieten zijn naar verwachting pro-socialer dan mensen met de korte vorm.
De onderzoekers konden nu gebruik maken van een databestand van mensen die hadden deelgenomen aan een internet-onderzoek waarin ze vragen beantwoordden over hun sociale en politieke houdingen en betrokkenheid. Een van die vragen ging over "waargenomen dreiging", dat wil zeggen over de mate waarin je vindt dat mensen bedreigend en vijandig zijn en de wereld onveilig is. Of daartegenover, dat mensen juist goedwillend (pro-sociaal) zijn en dat de wereld een veilige plek is.
Twee andere vragen gingen over (de bereidheid tot) pro-sociaal gedrag. De eerste ging over de mate waarin je vindt dat je plichten hebt tegenover de samenleving, zoals belasting betalen, melden van misdrijven en je informeren over politieke kwesties. En de tweede was een vraag over het geld gegeven hebben aan goede doelen, bloed gedoneerd hebben en deelgenomen hebben aan verenigingen en meetings ten behoeve van een algemeen belang.
Was het nu inderdaad zo dat mensen die vinden dat hun omgeving en de wereld bedreigend en vijandig is (en dus minder pro-sociaal), ook minder pro-sociaal zijn? Ja, dat blijkt zo te zijn. In het plaatje zie je hoe de mate waarin mensen aan goede doelen geven afhankelijk is van of ze weinig dreiging (links) of veel dreiging (rechts) waarnemen.
Maar je ziet ook dat het verschil veel groter is voor de twee G genotypes (A/G en G/G) dan voor het A/A genotype. De mensen met het A/A genotype zijn minder pro-sociaal dan anderen als ze weinig bedreiging in de wereld zien, maar juist meer pro-sociaal dan anderen als ze veel bedreiging zien. Met andere woorden, hun pro-sociale gedrag is minder afhankelijk van de omgeving. (De mensen die deelnamen aan het onderzoek hadden een buisje toegestuurd gekregen dat ze met hun speeksel terug moesten sturen. Daarmee kon het DNA worden geanalyseerd.)
In het artikel staat een tweede plaatje met hetzelfde patroon (hier niet afgebeeld), waarin de mate waarin je vindt dat je plichten hebt tegenover de samenleving wordt afgebeeld bij lage en hoge waargenomen bedreiging. Daar zie je dat het pro-sociale gedrag van mensen met van een kant of van beide kanten de korte variant van het vasopressine receptor gen sterk wordt beïnvloed door de mate van waargenomen bedreiging. Terwijl de mate van bedreiging voor de mensen met de lange variant geen verschil maakt.
Kortom, over het geheel genomen is het inderdaad zo dat de bereidheid tot pro-sociaal gedrag afhankelijk is van het vertrouwen dat mensen hebben in het pro-sociale gedrag van anderen. Als dat vertrouwen minder is, als de wereld als bedreigender wordt ervaren, dan gedragen ze zich minder pro-sociaal. Maar dat geldt niet voor iedereen in dezelfde mate. Sommigen trekken zich kennelijk weinig aan van wat anderen doen.
Zijn dat er veel of weinig? Als het gaat om dat A/A genotype, niet veel, want dat type kwam in deze steekproef maar bij ruim 7 procent voor. En de twee korte varianten van het vasopressine receptor gen kwamen voor bij 22,6 en 12,6 procent van de steekproef. Het lijkt er dus op dat die afhankelijkheid van de aard van de sociale omgeving voor de overgrote meerderheid geldt. Maar het maakt het ook een heel belangrijk inzicht dat er mensen zijn die bereid zijn tot pro-sociaal gedrag ook als maar weinig anderen daartoe bereid zijn. Juist hen heb je misschien erg nodig als je pro-sociaal gedrag in de buurt of in een bedrijf of in de maatschappij wilt bevorderen. Sommigen moet nu eenmaal het voortouw nemen.
Toelichting. Dit is het eerste van een serie berichten over pro-sociaal gedrag en sociale omgeving. De lopende serie berichten over gezondheid en sociale omgeving gaat nog gewoon door. Aanleiding om deze nieuwe serie nu al te beginnen (ik was dat nog aan het uitstellen), is een email van een van de volgers van dit blog.
maandag 2 april 2012
Vergroot televisiekijken op jonge leeftijd de kans op autisme? Vandaag Wereld Autisme Dag
Wat kan de oorzaak zijn van de sterke toename van het aantal autisme diagnoses bij kinderen en volwassenen? Aanleiding tot deze vraag is dat het vandaag World Autism Awareness Day is. In Nederland is deze dag zelfs uitgebreid tot een Autismeweek. Ingrid Robeyns wijdt er op Crooked Timber een aantal blogberichten aan. In dit bericht wijst ze op de vooral in Nederland heersende neiging om te vinden dat die toename in diagnoses niet een aanwijzing is voor een echte toename van autisme stoornissen. Er zou "alleen maar" meer vraag naar diagnoses zijn omdat ouders en andere volwassenen steeds minder tolerant zijn voor afwijkend en lastig gedrag. En omdat het etiket autisme nodig is voor medicatie en voor ondersteuning. Bovendien wil de farmaceutische industrie graag die medicijnen verkopen.
Die verklaringen voor de toename van autisme (en AD(H)D) diagnoses kunnen wat mij betreft best kloppen. Sterker, ik denk dat ze kloppen. Maar ze sluiten helemaal niet uit dat er daarnaast ook nog een echte toename van autisme heeft plaats gevonden. Een interessante onderzoekslijn vind ik die waarin een verband wordt gelegd met de toename van televisiekijken door kinderen. Want het is opvallend dat de periode van de introductie en verspreiding van de televisie ongeveer samenvalt met de toename van autisme diagnoses.
Een behoorlijk overtuigende studie naar dit verband vind ik dit onderzoek van Waldman, Nicholson en Adilov. (De versie waar ik naar link is recent en zit voor degenen zonder een abonnement achter een poort. Maar eerdere versies zijn op internet te vinden.) De auteurs kijken naar de introductie en verspreiding van kabeltelevisie abonnementen tussen 1972 en 1992 in provincies van Californië en Pennsylvania en gaan na of er een verband is met de groei van de autisme in die provincies. Specifiek kijken ze naar leeftijdscohorten die drie jaar of jonger waren toen de kabeltelevisie werd geïntroduceerd. Na veel statistische bewerkingen en controles komen ze tot de conclusie dat de introductie van kabeltelevisie inderdaad heeft bijgedragen tot de toename van autisme diagnoses. Ze berekenen dat 18 procent van de toename van autisme kan worden toegeschreven aan de toename van kabeltelevisieprogramma's voor kinderen.
De vraag blijft natuurlijk wat er precies gebeurt met kinderen die in hun eerste drie levensjaren veel naar televisie kijken. Waarschijnlijk lijkt dat er een gen-omgevingsinteractie plaats vindt. In de zin dat het televisiekijken de kans op autisme vergroot voor die kinderen die al een genetische aanleg in die richting hebben. Maar hoe dat dan precies werkt?
Het zou kunnen zijn dat het veel televisiekijken ten koste gaat van de tijdsbesteding aan sociale interactie met anderen. En dat "bad" in die sociale wereld, dat ook prikkelt en uitdaagt tot actieve deelname aan die wereld, lijkt noodzakelijk voor een gunstige sociale en morele ontwikkeling. Het lijkt plausibel dat kinderen die op die jonge leeftijd veel televisiekijken minder tijd in dat sociale bad doorbrengen. In plaats daarvan gaan ze wel op in al die sociale gebeurtenissen die zich op dat scherm afspelen. Maar dat doen ze noodzakelijkerwijs puur eenzijdig: ze zijn toeschouwer. Misschien heeft ook die overmaat aan toeschouwen op die jonge leeftijd iets te maken met de ontwikkeling van autisme verschijnselen.
Tenslotte: jaren geleden las ik een eerste versie van dit onderzoek. De onderzoekers waren er toen, vraag niet hoe, achter gekomen dat het aantal autisme diagnoses samenhing met hoeveel neerslag er was gevallen in de eerste levensjaren. Ze gingen er toen aan denken dat het te weinig buiten spelen misschien iets met het ontstaan van autisme te maken had. Tot ze er over gingen nadenken wat die kinderen dan wel zouden doen als ze niet buiten speelden. Ja, televisiekijken.
Die verklaringen voor de toename van autisme (en AD(H)D) diagnoses kunnen wat mij betreft best kloppen. Sterker, ik denk dat ze kloppen. Maar ze sluiten helemaal niet uit dat er daarnaast ook nog een echte toename van autisme heeft plaats gevonden. Een interessante onderzoekslijn vind ik die waarin een verband wordt gelegd met de toename van televisiekijken door kinderen. Want het is opvallend dat de periode van de introductie en verspreiding van de televisie ongeveer samenvalt met de toename van autisme diagnoses.
Een behoorlijk overtuigende studie naar dit verband vind ik dit onderzoek van Waldman, Nicholson en Adilov. (De versie waar ik naar link is recent en zit voor degenen zonder een abonnement achter een poort. Maar eerdere versies zijn op internet te vinden.) De auteurs kijken naar de introductie en verspreiding van kabeltelevisie abonnementen tussen 1972 en 1992 in provincies van Californië en Pennsylvania en gaan na of er een verband is met de groei van de autisme in die provincies. Specifiek kijken ze naar leeftijdscohorten die drie jaar of jonger waren toen de kabeltelevisie werd geïntroduceerd. Na veel statistische bewerkingen en controles komen ze tot de conclusie dat de introductie van kabeltelevisie inderdaad heeft bijgedragen tot de toename van autisme diagnoses. Ze berekenen dat 18 procent van de toename van autisme kan worden toegeschreven aan de toename van kabeltelevisieprogramma's voor kinderen.
De vraag blijft natuurlijk wat er precies gebeurt met kinderen die in hun eerste drie levensjaren veel naar televisie kijken. Waarschijnlijk lijkt dat er een gen-omgevingsinteractie plaats vindt. In de zin dat het televisiekijken de kans op autisme vergroot voor die kinderen die al een genetische aanleg in die richting hebben. Maar hoe dat dan precies werkt?
Het zou kunnen zijn dat het veel televisiekijken ten koste gaat van de tijdsbesteding aan sociale interactie met anderen. En dat "bad" in die sociale wereld, dat ook prikkelt en uitdaagt tot actieve deelname aan die wereld, lijkt noodzakelijk voor een gunstige sociale en morele ontwikkeling. Het lijkt plausibel dat kinderen die op die jonge leeftijd veel televisiekijken minder tijd in dat sociale bad doorbrengen. In plaats daarvan gaan ze wel op in al die sociale gebeurtenissen die zich op dat scherm afspelen. Maar dat doen ze noodzakelijkerwijs puur eenzijdig: ze zijn toeschouwer. Misschien heeft ook die overmaat aan toeschouwen op die jonge leeftijd iets te maken met de ontwikkeling van autisme verschijnselen.
Tenslotte: jaren geleden las ik een eerste versie van dit onderzoek. De onderzoekers waren er toen, vraag niet hoe, achter gekomen dat het aantal autisme diagnoses samenhing met hoeveel neerslag er was gevallen in de eerste levensjaren. Ze gingen er toen aan denken dat het te weinig buiten spelen misschien iets met het ontstaan van autisme te maken had. Tot ze er over gingen nadenken wat die kinderen dan wel zouden doen als ze niet buiten speelden. Ja, televisiekijken.
Abonneren op:
Posts (Atom)
