donderdag 30 oktober 2014

Er zijn goede economische argumenten voor minder ongelijkheid

In het lezenswaardige artikel Piketty versus de economische wetenschap van Nynke van Verschuer in Vrij Nederland komen economen aan het woord over ongelijkheid en de scheiding tussen wetenschap en politiek. Zo zegt Bas Jacobs dat hij de vraag naar hoeveel ongelijkheid je moet willen, een politieke vraag vindt. Waar hij zich dus niet mee bezig wil houden:
'Je kan er over twisten of je meer of minder gelijkheid wilt, of een grotere of kleinere overheid – maar dat is politiek. De econoom dient zich bezig te houden met de vraag hoe je politieke doelen tegen de laagste maatschappelijke kosten realiseert. Dat is een efficiëntievraagstuk. Dát is de taak van de econoom. De econoom is geen zedenpreker, geen moraalridder, geen verkapte filosoof en al helemaal geen verkapte politicus. En ik wil die rollen gescheiden houden.
En Coen Teulings verklaart:
Ik onthoud me als econoom zoveel mogelijk van een politiek oordeel. Dat heeft óók te maken met mijn tijd bij het CPB. Je houdt je bezig met situaties waarin iederéén beter wordt van een bepaalde beleidsmaatregel. En als er wel iemand op achteruit gaat, dan schrijf je dat op, maar de belangenafweging wordt gemaakt door de politiek.
Dat klinkt op het eerste gezicht verstandig en redelijk. Maar je kunt er vragen bij stellen. Want is die scheiding tussen politiek en wetenschap wel zo helder?

Neem nu dat criterium voor de bepaling van collectieve welvaartsverbeteringen waar beide naar verwijzen. Dat is het economische criterium van de efficiëntie of (Pareto-)optimaliteit. Dat houdt in dat alle veranderingen wenselijk zijn waarbij er tenminste sommigen op vooruit gaan en niemand er op achteruit. Het is een poging, ooit geformuleerd door Vilfredo Pareto (1848-1923), om de notie van "het algemene belang" te operationaliseren. Update. Zie ook het eerdere bericht Dreigt de overheid te groot te worden? Aanleiding voor deze vraag: het overlijden van James M. Buchanan.

Dat criterium speelt in de economische welvaartstheorie weliswaar een grote rol, maar het is bepaald ook niet het laatste woord. Want er is het voor de hand liggende bezwaar dat het geen rekening houdt met de mate van ongelijkheid. Vanuit een zeer ongelijke verdeling zijn Pareto-optimale veranderingen mogelijk zonder dat de ongelijkheid afneemt. Die kan zelfs toenemen, als er maar geen verliezers zijn.

Dat probleem kan worden ondervangen door het minder strenge neo-Paretiaanse criterium. (Ook wel Kaldor-criterium genoemd.) Dat staat ook veranderingen toe waarbij de winnaars er zoveel op vooruitgaan dat de verliezers daaruit zouden kunnen worden gecompenseerd. Let op het cursief: compensatie hoeft dus niet daadwerkelijk plaats te vinden. Een toepassing daarvan kan zijn dat een zeer ongelijke maatschappij met een kleine, extreem rijke bovenlaag (de 1 procent of de 0,1 procent), zich transformeert tot een verzorgingsstaat met progressieve belastingtarieven. De rijken gaan er dan op achteruit, maar de winst voor de rest is dan zo groot dat de verandering neo-Paretiaans gerechtvaardigd is.

Daar lijkt de gedachte achter te zitten dat die kleine groep rijken daarmee principieel zou kunnen instemmen. Ze zijn dan bereid om hun verlies te nemen. En het feit dat er verzorgingsstaten zijn ontstaan, wijst er op dat zulks tot de mogelijkheden behoort. Wij mensen zijn nu eenmaal niet allemaal egoïsten die alleen op eigen gewin uit zijn. We hebben ook allemaal emotioneel onderbouwde oordelen over wat een rechtvaardige verdeling is en dus over de mate van ongelijkheid die we aanvaardbaar vinden. En we zijn in staat om op basis daarvan een discussie te voeren over vooruitgang voor sommigen en wel of niet gecompenseerde verliezen voor anderen.

Die discussie is politiek, maar tegelijk ook economisch. Want neem nu al die nadelen die we kennen van grote ongelijkheid. Denk aan Richard Wilkinson van The Spirit Level. Why More Equal Societies Almost Always Do Better, die vorig jaar de WRR-lezing hield. Zie het bericht WRR-lezing over de schadelijke gevolgen van inkomensongelijkheid. Een enerverende gebeurtenis in de Nieuwe Kerk in Den Haag. Ik citeer daaruit:
Hoe groter de inkomensongelijkheid in een land, hoe slechter de gezondheid, hoe lager de levensverwachting, hoe slechter de onderwijsprestaties, hoe geringer het onderling vertrouwen, hoe meer geweld, hoe hoger de straffen, hoe groter de gevangenispopulatie en hoe lager de mobiliteit.
En hoe dat komt? Doordat ons sociale leven en onze onderlinge sociale verhoudingen er op achteruit gaan. Grotere verschillen tussen arm en rijk lokken meer statuscompetitie uit. Iedereen is meer bezig met zich omhoog te werken of te vermijden een loser te zijn. Vandaar een toename van narcisme en van zelfverheffing. En dat statuscompetitiegedrag verhoogt de ervaren stress, wat het leven voor iedereen minder aangenaam maakt. En dus ook korter.
Al die nadelige effecten resulteren natuurlijk in economische kosten. En daar komt nog bij dat grote ongelijkheid ook nadelig uitwerkt op de mate van (stabiele) economische groei die nog valt te realiseren. Zie Inkomensongelijkheid is slecht voor stabiele economische groei.

Kortom, vanuit een toestand van grote ongelijkheid is een grote economische winst te behalen. Die gemakkelijk voldoet aan het neo-Paretiaanse criterium dat de verliezers zouden kunnen worden gecompenseerd. Daar is dus werk aan de winkel. Voor politici, maar ook voor economen. Want hoeveel ongelijkheid we zouden moeten willen, is dus ook een economisch vraagstuk.
Update. Zie ook Mark Thoma eergisteren over de noodzakelijke inbreng van economen bij het terugdringen van ongelijkheid: Are Economists Ready for Income Redistribution?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen