Je kunt uit Homans' The Human Group niet anders concluderen dan dat hij de contouren schilderde van de sociologie als een verbetervak. De toestand van een maatschappij kan als beter worden gekarakteriseerd hoe meer die maatschappij erin is geslaagd kenmerken van de kleine groep terug te laten keren in hoe die maatschappij reilt en zeilt.
At the level of the small group, society has always been able to cohere. We infer, therefore, that if civilization is to stand, it must maintain, in the relation between the groups that make up society and the central direction of society, some of the features of the small group itself.
Hier het vorige bericht. En dat betekent dat we voor de maatschappij als geheel ervoor dienen te zorgen dat we eenzaamheid ("psychosocial isolation") voorkomen, dat we zorgen voor de voorwaarden waaronder nieuwe generaties kunnen socialiseren ("circulation"), dat we er voor zorgen dat mensen goed geïnformeerd zijn ("communication") en dat we statuscompetitie tegengaan ('conflict", "control"). Kortom, het is zaak voor de maatschappij als geheel (en zelfs voor de wereldbevolking) zoveel mogelijk tot stand te brengen van wat we in de kleine groep tot stand te brengen.
Dat klinkt nogal als een opgave en dat is het natuurlijk ook. Maar een opgave die we onder ogen moeten zien. En als we dat doen, komen we tot de conclusie dat we op het niveau van de maatschappij de democratie nodig hebben. En op het niveau van de wereldbevolking samenwerking tussen staten en verdragen over mensenrechten. Want zo proberen we zo goed mogelijk te bereiken dat het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon van de kleine groep wordt opgetild naar dat hogere niveau van maatschappij en wereldbevolking. Met als na te streven uitkomst dat we met ieders belangen in gelijke mate rekening houden.
Geheel in overeenstemming met de gedachte dat de gemeenschapstoestand van het iedereen-telt-mee superieur is aan de statuscompetitietoestand van het ieder-voor-zich. Wat erop wijst dat als we die opgave denken niet aan te kunnen, het alternatief eruit bestaat dat we ons neerleggen bij het ieder-voor-zich, dat onvermijdelijk uitmondt in het "recht" van de sterkste, dus in dictatuur, onderdrukking en zelfs genocide. Grote woorden, maar helaas met een wel heel actuele strekking.
Terug naar Homans en The Human Group. Homans analyseert daar vijf studies naar kleine groepen, die toen bekend waren en ook later door sociologen nog vaak zijn aangehaald. Het gaat om twee studies naar groepen van werknemers van een onderneming, een groep van straatjongeren, een groep mensen die op het eiland Tikopia leven van landbouw en visserij en een groep inwoners van een dorp in New England, dat Hilltown wordt genoemd.
In het hoofdstuk over Hilltown gaat het over de ongeveer duizend inwoners, die in het verleden in staat waren om een rijk sociaal leven te onderhouden, dat echter na verloop van tijd uiteen is gevallen. De studie beschrijft een proces van sociale desintegratie. Het dorp had in het verleden, na zijn ontstaan aan het eind van de achttiende eeuw, nog allerlei functies die later door de staat of zelfs de federale overheid werden overgenomen. In dorpsvergaderingen (town meetings) werd overlegd over de bouw en onderhoud van scholen en wegen en van de (Calvinistische) kerk en de aanstelling van de predikant, en over de ondersteuning van de armen en behoeftigen. En er werd belasting geheven en er werd recht gesproken. Dat zorgde er voor dat er veel gelegenheden waren om elkaar goed te leren kennen en om samen te werken en te delen. Dat laatste gebeurde ook in de vorm van hulpverlening tussen buren bij het ploegen, oogsten of bouwen van een nieuwe schuur.
Kortom, er waren de voorwaarden voor de gemakkelijke activering van het gemeenschapspatroon: onderlinge afhankelijkheid en vertrouwdheid. En op de basis daarvan ontstonden er de georganiseerde, gezamenlijke activiteiten die voor het materiële bestaan nodig waren en op de basis daarvan een rijk sociaal en verenigingsleven. Er was weliswaar enige sociale ongelijkheid, maar van de paar leden van de upper class werd met succes een ook wat grotere inzet voor het geheel verwacht.
Maar toen begon het proces van de economische en bestuurlijke schaalvergroting en van de functiescheiding (wonen en werken) en dus ook van de dagelijkse uitzwerming (Putnams sprawl). Hilltown werd een forensendorp, net zo als mijn geboortedorp Akkrum dat werd. En net zo als het proces dat zich in het Drentse Anderen afspeelde en dat ik aanroerde in mijn Geld en 'de rest'. Met onvermijdelijk een sterk verlies aan die onderlinge afhankelijkheid en vertrouwdheid en dus van die gemakkelijke activering van het gemeenschapspatroon.
In al die gevallen zien we een beweging van een sociaal superieure gemeenschapstoestand, waarin iedereen als vanzelfsprekend meetelt naar een toestand van sociale onzekerheid. Onzekerheid over het gedrag dat je van anderen kunt verwachten en het gedrag dat anderen van jou verwachten. Zal het iedereen-telt-mee van het gemeenschapsgedrag gelden? Of moet je uitgaan van het ieder-voor-zich van het statuscompetitiegedrag? Een onzekere toestand, met grotere kansen op sociale vluchtigheid en dus op sociaal isolement en eenzaamheid. En op statuscompetitieve ontmoetingen, waarin je je sterker en competenter voor moet doen dan je werkelijk bent. Of waarin je jouw hogere status moet laten gelden of waarin je je juist wat bescheiden en zelfs nederig behoort op te stellen.
Kortom, ontmoetingen waarin je veel minder jezelf kunt zijn dan in die gemeenschapstoestand waarin je erop kunt rekenen dat je geaccepteerd wordt om wie je bent. Een beweging dus weg van de sociaal superieure in de richting van een sociaal inferieure toestand. Homans noemt dat een proces van sociale desintegratie.
Dat is weinig opgemerkt, maar met die analyse over Hilltown liep hij vooruit op later sociologische studies. Ik denk in het bijzonder aan die eenvoudige, maar eigenlijk diepgravende studies van Michael Young en Peter Willmott: Family and Kinship in East London van 1975 en Family and Class in a London Suburb van 1960. De onderzoekers interviewden Londenaars die van de sterk sociaal geïntegreerde arbeidersbuurt Bethnal Green verhuisd waren naar een nieuwe voorstad. Ik heb er veel aan overgehouden, maar in ieder geval ook de mooie omschrijving die een van de geïnterviewden gaf van de overgang van een toestand "waarin je vrienden hebt" naar een toestand "waarin je vrienden moet maken". Dus van een gemeenschapstoestand naar een toestand van sociale onzekerheid en vluchtigheid.
Maar daar moeten we natuurlijk meteen bij bedenken dat daar door sociologen ook heel anders over werd gedacht. Ik denk aan dat betoog van de nog jonge Jacques van Doorn, die in 1955 nog sterk beïnvloed was door het structureel-functionalistische denken dat het sociale systeem er altijd wel voor zal zorgen dat alles weer goed komt: Wijk en stad: reële integratiekaders? De "wijkgedachte" dat voor mensen lokale, vertrouwde sociale contacten belangrijk zijn, was achterhaald en romantisch. In plaats van de "territoriale integratie" komt er de "functionele integratie", de "geobjectiveerde" contacten op het werk. En omdat er geen noemenswaardige menselijke sociale natuur bestaat, is dat geen enkel probleem. De maatschappij verandert en de mensen passen zich probleemloos aan.
Dat laatste was zoals gezegd het heersende sociologische denken in de tijd dat ik studeerde. En dat in de weg stond van een ontwikkeling van het vak naar een verbetervak. Eigenlijk had Homans aan het begin van die ontwikkeling kunnen staan.