Twintig jaar eerder dan zijn Social Behavior, in 1951, schreef Homans zijn The Human Group. Met het voordeel van het niet gesocialiseerd zijn in een sociologie-opleiding, keek hij met open interesse naar het studieobject van het vak: mensen in groepen en in de maatschappij. Hij nam uitdrukkelijk afstand van het structureel-functionalistische systeemdenken (pp. 268 - 272) en van de Durkheimiaanse opvatting van de eigenstandigheid van het vak, waarin alleen "sociale feiten" mogen bestaan (pp. 317 - 319). Hier het vorige bericht.
Dat zal veel sociologen van toen tegen de haren hebben ingestreken, maar de intellectuele kwaliteit van dat boek viel niet te negeren. Twee jaar later volgde zijn aanstelling in Harvard als sociologiehoogleraar. En nog later, in 1964, sprak hij als voorzitter van de American Sociological Association de verzamelde Amerikaanse sociologen toe met de boodschap dat de mens terug moest in de sociologische theorie.
Ik herinner me van destijds dat in het kringetje waar ik verkeerde de mening rond ging dat The Human Group eigenlijk Homans' beste boek was, beter dan Social Behavior. En ik moet het toen wel hebben open geslagen, maar niet heel veel meer dan dat. Daarom heb ik me er nu opnieuw in verdiept. Met als conclusie dat het een nog altijd actueel boek is, waarin de ingrediënten voor een sociologie als een verbetervak aanwezig zijn. Dat probeer ik uit te leggen.Homans sluit het boek af met de volgende zinnen (p. 468):
At the level of the small group, society has always been able to cohere. We infer, therefore, that if civilization is to stand, it must maintain, in the relation between the groups that make up society and the central direction of society, some of the features of the small group itself. If we do not solve this problem, the effort to achieve our most high-minded purposes may lead us not to Utopia but to Byzantium. The problem will not be easily solved, but one step we can take in the beginning is to learn the characteristics of the human group.
Wat staat hier? Allereerst, het gaat over de kleine groep enerzijds en de maatschappij anderzijds. Met civilization bedoelt Homans de maatschappijen die zich ontwikkelden na de Agrarische Revolutie, van de zeer ongelijke landbouwsamenlevingen in de vorm van keizerrijken tot de dictaturen en de democratieën van nu. En waaraan de jagers-verzamelaarssamenlevungen voorafgingen, waarin uitsluitend die kleine groepen bestonden. De kleine groepen, van uitsluitend persoonlijke relaties, die zich wisten te handhaven dankzij hun samenhang.
De samenhang bestond eruit dat de leden van de groep met elkaar vertrouwd waren en bleven, doordat ze onderling samenwerkten en de opbrengsten daarvan deelden. (Ik parafraseer in het boek verspreide passages.) Ze waren op elkaar aangewezen. Daardoor waren de relaties grotendeels egalitair. Waardoor de groep tegemoet kwam aan de behoefte aan gezelschap en vriendschap. Het functioneren in zo'n groep moest geleerd worden, maar opgroeiende kinderen leerden dat als vanzelf.
Kortom, in mijn woorden (van nu, niet van destijds): de kleine groep sluit precies aan op wat mensen kunnen en willen. Ze willen sociale veiligheid en die verschaffen ze elkaar doordat het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee geactiveerd is. Ze zijn in staat tot het gedrag dat ze van elkaar nodig hebben en op prijs stellen. Een en ander houdt in dat ze het statuscompetitiegedrag van het ieder-voor-zich, waartoe ze ook in staat zijn, bij zichzelf en bij elkaar, door afkeuring, onderdrukken.
In Homans woorden (pp. 456 - 464): de kleine groep gaat "psychosociaal isolement" tegen, zorgt voor socialiseren van nieuwe generaties ("circulatie"), voor gemakkelijke onderlinge toegankelijkheid ("' communicatie") en voor het onderdrukken van de statuscompetitie ("conflict" en "controle"). Met als conclusie:
Let us repeat: all of these problems - psychosocial isolation, conflict, circulation, communication, and control - are handled more or less well at the level of the group. (...) What is true of the group must also be true of the civilization if the latter is to maintain itself. Civilization fails when it cannot solve these problems on its own vast scale (...).
Waarna een passage volgt over de democratie, als een geheel van uitvindingen om die oplossingen van de kleine groep op te tillen naar het niveau van de maatschappij. De democratie als hedendaagse vormgeving van de "waarden van de kleine groep", van het iedereen-telt-mee.
Daarmee hebben we de ingrediënten van een sociologie als verbetervak op tafel liggen. Er valt een sociaal superieure toestand ("Utopia") aan te wijzen, die we dichterbij bij kunnen brengen door het iedereen-telt-mee van de kleine groep vorm te geven op het niveau van de maatschappij. Hoe beter dat lukt, hoe meer we een sociaal inferieure toestand ("Byzantium") weten te voorkomen.
Ingrediënten die er dus in 1951 al waren. In dat boek The Human Group. Maar die heel lang, tot op de dag van vandaag, geen vervolg kregen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten