Hobbes observeerde dat mensen streven naar lijfsbehoud, naar instandhouding van hun leven, en naar het vertrouwen op continuering daarvan in de toekomst, naar bestaanszekerheid. En hij nam waar dat mensen met het oog daarop naar macht streefden over datgene wat die bestaanszekerheid kan vergroten, macht over fysieke processen, de natuur, en macht over het gedrag van anderen. En doordat iedereen naar macht over anderen streeft en doordat de macht van de een de macht van de ander tegenwerkt, streven mensen er naar om meer macht te hebben dan anderen. Zo ontstaat de sociaal inferieure toestand van de onophoudelijke onderlinge machtsstrijd, van wanorde en burgeroorlog, waarin het leven solitary, poore, nasty, brutish, and short is. Hier het vorige bericht.
Vanaf hoofdstuk 14 van Leviathan probeert Hobbes de vraag te beantwoorden hoe mensen aan die sociaal inferieure toestand kunnen ontsnappen. Over dat antwoord, en meer in het algemeen over hoe je Hobbes' werk moet interpreteren, bestaan verschillende opvattingen. Raphael wijdt de laatste twee hoofdstukken van zijn Hobbes. Morals and Politics aan die verschillende interpretaties. Zo gaat het bijvoorbeeld over de vraag of Hobbes er wel of niet van uit ging dat mensen puur egoïstisch zijn. Raphael (p.43) erkent dat er in Hobbes' eerdere werk aanwijzingen zijn te vinden voor een egoïstisch mensbeeld, in de zin dat mensen weliswaar anderen helpen, maar uitsluitend omdat ze zichzelf daardoor beter voelen. In Leviathan daarentegen is er een mensbeeld waarin mensen gemotiveerd kunnen worden door de wens iets goeds te doen voor een ander:
...it is perfectly clear that the definition of benevolence or good will or charity in Leviathan is straightforward and satisfactory, the desire of good to another.
En dat lijkt te kloppen. In Hoofdstuk 6 (Of the Interiour Beginnings of Voluntary Motions; commonly called the PASSIONS. And the Speeches by which they are expressed) geeft Hobbes een opsomming van de menselijke passies en daar wordt Welwillendheid (Benevolence) omschreven als
Desire of good to another, BENEVOLENCE, GOOD WILL, CHARITY. If to man generally, GOOD NATURE.
Ik sta daar even bij stil omdat er een populair beeld van Leviathan bestaat dat mensen alleen tot het slechtste geneigd zijn en er door een oppermachtige Leider toe gebracht moeten worden om zich sociaal te gedragen. Mensen zijn dus niet alleen uit op macht over anderen, met het oog op lijfsbehoud, maar kunnen het daartegenover ook goed voor hebben met anderen. Hobbes had dus oog voor de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur.
Hoe dan ook, ik ga voorbij aan de complicatie van al die verschillende interpretaties en baseer me zo veel mogelijk op de tekst van Leviathan.
Hobbes begint hoofdstuk 14 (Of the first and second NATURAL LAWES, and of CONTRACTS) met die inferieure toestand van wanorde en burgeroorlog te kenschetsen als een toestand waarin iedereen de vrijheid, het recht, heeft om te doen wat hij beoordeelt als bijdragend aan zijn lijfsbehoud.
And because the condition of Man (...) is a condition of Warre of everyone against everyone; (...) it followeth, that in such a condition, every man has a Right to every thing; even to one anothers body. And therefore, as long as this naturall Right of every man to every thing endureth, there can be no security to any man, (how strong or wise soever he be,) of living out the time, which Nature ordinarily alloweth men to live.
Daaruit volgt dat iedereen naar vrede zou moeten streven, zolang hij mag hopen dat die bereikbaar is. Hobbes noemt dat de Fundamental Law of Nature. Doordat mensen in staat zijn om in te zien dat ze met zijn allen zowel een superieure toestand van vrede en veiligheid als een inferieure toestand van burgeroorlog en onveiligheid tot stand kunnen brengen, voelen ze een morele verplichting om als dat kan bij te dragen aan vrede en veiligheid. Maar doordat ze dat niet in hun eentje kunnen doen, hebben ze elkaar nodig.
En daaruit volgt de Second Law of Nature, die luidt:
That a man be willing, when others are so too, as farre-forth, as for Peace, and defence of himselfe he shall think it necessary, to lay down this right to all things; and be contented with so much liberty against other men, as he would allow other men against himselfe. (...) This is that Law of the Gospell; Whatsoever you require that others should do to you, that do ye to them.
"When others are so too." Iedereen is bereid zijn vrijheid in te leveren voor zover dat nodig is voor vrede en veiligheid, maar onder de voorwaarde dat anderen die bereidheid ook hebben (en in daden omzetten). Dus moet er iets zijn om er voor te zorgen dat aan die voorwaarde is voldaan. Dat het contract of convenant wordt nageleefd. Dat gevoel van morele verplichting is niet voldoende, want iedereen kan altijd terugvallen op dat natuurlijke recht op vrijheid als hij denkt dat hem dat beter uitkomt. Daarom is er een hogere macht nodig die zo nodig naleving kan afdwingen. Hobbes daarover in hoofdstuk 17 (Of the Causes, Generation, and Definition of a COMMON-WEALTH):
For the Laws of Nature (as Justice, Equity, Modesty, Mercy, and (in summe) doing to others, as we would be done to,) of themselves, without the terrour of some Power, to cause them to be observed, are contrary to our naturall Passions, that carry us to Partiality, Pride, Revenge, and the like. And Covenants, without the Sword, are but Words
En daar ontmoeten we die innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur. Mensen kennen enerzijds de moraal, die hen influistert dat ze naar vrede dienen te streven en dus naar rechtvaardigheid. bescheidenheid, barmhartigheid, kortom naar Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Maar anderzijds kennen ze ook de drijfveren die partijdigheid (discriminatie), trots, wraaklust en dergelijke opwekken. En doordat die drijfveren altijd de kop kunnen opsteken, is het noodzakelijk dat de morele voornemens, afspraken en beloftes van onszelf en vooral ook van anderen ondersteund worden door de macht van het zwaard, door sanctionering van morele overtredingen.
Het is van belang om hier op te merken dat Hobbes redeneert als een bioloog die onderzoekt hoe groepsvorming bij verschillende diersoorten in zijn werk gaat. Want hij werpt op dat sommige dieren, zoals bijen en mieren, vreedzaam samenleven zonder dat er een macht is die samenwerking afdwingt. Kan dat met mensen dan ook niet, zou je je kunnen afvragen. Waarna hij zes redenen geeft waarom dat niet kan. Met als eerste twee:
First, that men are continually in competition for Honour and Dignity, which these creatures are not; and consequently amongst men there ariseth on that ground, Envy and Hatred, and finally Warre; but amongst these not so.
Secondly, that amongst these creatures, the Common good differeth not from the Private; and being by nature enclined to their private, they procure thereby the common benefit. But man, whose Joy consisteth in comparing himselfe with other men, can relish nothing but what is eminent.
En als laatste:
Lastly, the agreement of these creatures is Naturall; that of men, is by Covenant only, which is Artificall: and therefore it is no wonder if there be somewhat else required (besides Covenant) to make their Agreement constant and lasting; which is a Common Power, to keep them in awe, and to direst their actions to the Common Power.
Wat bij bijen en mieren als vanzelf tot stand komt, moeten wij mensen via de omweg van moraal, convenant en de institutie van een gemeenschappelijke macht tot stand brengen.
This is more than Consent, or Concord; it is a real Unitie of them all, in one and the same Person, made by Covenant of every man with every man, in such manner, as if every man should say to every man, I Authorise and give up my Right of Governing my selfe, to this Man, or to this Assembly of men, on this condition, that thou give up thy Right to him, and Authorise all his Actions in like manner.
Die persoon, of vereniging van personen, wordt geacht te regeren in het algemeen belang, dat wil zeggen, met het oog op het handhaven van de superieure toestand van vrede en veiligheid. Daarbij is hij autonoom en soeverein, wat wil zeggen dat hij zich niet door deelbelangen laat beïnvloeden.
Hedendaags democratisch gezegd, gaat het om de volksvertegenwoordiging die periodiek met algemeen kiesrecht wordt gekozen. Die kende Hobbes nog niet. Maar hij loopt daar wel op vooruit. Want iedereen behoudt het natuurlijke recht om zichzelf te verdedigen als die gemeenschappelijke macht, de Soeverein, tekortschiet. Daarover gaat het in hoofdstuk 21 (Of the LIBERTY of Subjects):
The Obligation of Subjects to the Sovereign, is understood to last as long, and no longer, than the power lasteth, by which he is able to protect them. For the right men have by Nature to protect themselves, when none else can protect them, can by no Covenant relinquished.
Samengevat, halverwege de zeventiende eeuw analyseerde Thomas Hobbes het fundamentele probleem van het menselijk samenleven, de menselijke groepsvorming. Daarbij ging hij sociaalwetenschappelijk te werk. Hij zag in dat de menselijke sociale natuur zo in elkaar zit dat zowel een sociaal inferieure als een sociaal superieure toestand mogelijk zijn. En hij gaf de weg aan waarlangs mensen die superieure toestand van vrede en veiligheid kunnen bereiken. Daarmee liep hij vooruit op de latere ontwikkeling van democratische staten en op de hedendaagse pogingen om de democratie in stand te houden.
Hij werd niet gehinderd door een vak sociologie dat een paar eeuwen later ontstond en dat gebaseerd was op een curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en op de fictie van een eigen domein. Hij zag de maatschappij als een uitkomst van mensenwerk en wilde dat werk verbeteren.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten