zondag 12 januari 2014

Muziek voor de zondagochtend - Carlos Kleiber Beethoven Symphonies 4&7 Concertgebouw Orchestra Amsterdam

Donderdagavond was ik bij de uitvoering van de symfonieën 6 en 7 van Beethoven door het Concertgebouworkest onder leiding van Ivan Fischer. In Het Parool werd de prachtige uitvoering van de zevende vergeleken met de legendarische uitvoering in 1983 onder leiding van Carlos Kleiber. Dat vond ik geen gekke vergelijking. Dus nog eens kijken en luisteren naar de opname daarvan. Samen met de vierde symfonie. Een herhaling dus van de zondagochtendmuziek van bijna een jaar geleden.

donderdag 9 januari 2014

Mobiele telefonie en de sociale netwerken van jongeren. Een ouderwetse toepassing van nieuwe technologie?

De onderzoekers van de studie Persistence of social signatures in human communication registreerden, uiteraard met toestemming, 18 maanden lang de aantallen mobiele telefoongesprekken die 24 jongeren (17-19 jaar) voerden en wie de gesprekspartners waren. In die periode viel de overgang van de middelbare school naar de universiteit of naar werk. Ze woonden in dezelfde grote stad in Engeland. 14 deelnemers bleven daar wonen, voor werk of studeren, en de overigen verhuisden naar een andere stad om daar te gaan studeren.

De gegevens van die gesprekken gaven inzicht in wat er met de sociale relaties van die jongeren gebeurde. Dat werd aangevuld met informatie die driemaal (aan het begin, halverwege en aan het eind) werd verkregen door een vragenlijst. Dat hield onder meer in dat de deelnemers aangaven met welke personen ze het meest bevriend waren en met wie ze zich het meest verbonden voelden. En het bleek dat ze met deze personen ook het vaakst belden.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat de meeste gesprekken gevoerd werden met een beperkt aantal leden van het sociale netwerk. Maar het aantal gesprekken, het aantal leden van dat netwerk en de mate van concentratie verschilde tussen de deelnemers. En die verschillen bleven bestaan. Iedereen had een eigen stabiele "signatuur".

Maar wat ook opvalt is dat er een behoorlijk verloop was in de samenstelling van de netwerken, ook wat betreft de personen waarmee de banden het sterkst waren. Gedurende het onderzoek veranderde ongeveer een kwart van de personele samenstelling van de netwerken. En het groepje van de vijf personen waarmee de banden het sterkst waren, veranderde zelfs voor bijna 40%. Op het sociale vlak zijn er dus voor jongeren op deze leeftijd nogal ingrijpende veranderingen.

Ik vroeg me ook af wat de beschikbaarheid van mobiele telefoons nu voor verschil maakt. Dat de deelnemers gedurende het onderzoek van dagelijkse fysieke omgeving veranderden, wat gepaard zal zijn gegaan met nieuwe face-to-face contacten, wijst er op dat zulke nieuwe contacten gemakkelijk bestaande contacten verdringen. Dat wijst op het blijvende belang van zulke face-to-face ontmoetingen. Je leert nieuwe mensen kennen, door ze ook echt te ontmoeten en dat kunnen nieuwe vrienden worden. En vrienden die je minder vaak echt ziet, die verdwijnen uit beeld.

Maar anderzijds bleven veel contacten ook in stand en je kunt vermoeden dat dat vergemakkelijkt werd door die mobiele bereikbaarheid. Het zou dus kunnen dat het verloop in die sociale netwerken "vroeger", dus zonder de beschikbaarheid van mobiele telefonie, in vergelijkbare omstandigheden nog groter is geweest. Nu verlies je vrienden letterlijk uit het oog, maar je blijft elkaar bellen. En berichtjes sturen.

Dat zou er op wijzen dat we de moderne, persoonlijke communicatiemiddelen gebruiken om onze sociale netwerken juist zo goed mogelijk in stand te houden. Een "ouderwetse" toepassing van nieuwe technologie.

maandag 6 januari 2014

Over de coöperatieve zorg voor kinderen in de evolutie van zoogdieren en van mensen

Dat onze verre voorouders, in de Paleo Sociale Omgeving, overgingen tot het coöperatief zorgen voor kinderen en moeders is een cruciale fase geweest in de menselijke evolutie. Daarzonder waren wij er nu niet geweest. Zie alle berichten onder het label cooperative breeding.

Maar is die sociale vorm van coöperatieve zorg zo uniek dat de kans op het ontstaan van de mensheid als heel klein moet worden ingeschat? Nee, dat is niet het geval, het patroon komt bij veel meer diersoorten voor. Wat weten we dan meer algemeen over de effecten er van? En over wat daarbinnen specifiek is voor mensen?

Karen Isler en Carel van Schaik proberen daar in de studie Allomaternal Care, Life History and Brain Size Evolution in Mammals (betaalpoort) antwoorden op te vinden. Ze gaan na wat voor 445 zoogdiersoorten bekend is over de mate van die coöperatieve zorg en andere kenmerken zoals hersenomvang, vruchtbaarheid en altricialiteit, de mate waarin jongen onrijp en zorgbehoeftig geboren worden. Welk beeld komt daaruit naar voren?

Allereerst valt op dat er in die zoogdiergroep als geheel zeker een verband is tussen de mate van coöperatieve zorg en de hersenomvang. Hoe meer zorg, hoe groter de hersenen (relatief aan de lichaamsomvang). Maar juist binnen de groep van de niet-menselijke primaten, dus onze naaste verwanten, is dat verband er niet. Wel zien we daar, net als bij de zoogdieren in het algemeen, dat coöperatieve zorg samen gaat met grotere vruchtbaarheid en altricialiteit. Het gaat hier in het bijzonder om de apen van de Nieuwe Wereld, de Callitrichidae, waartoe ook de Marmosets of klauwaapjes behoren, waar ik het eerder over had. Zij doen aan coöperatieve zorg zonder grote hersenomvang en hoge cognitieve vaardigheden.

Hoe zit dat dan met ons? Wij zijn tot die coöperatieve zorg overgegaan toen we (onze verre voorouders) al een intelligentie hadden ontwikkeld ongeveer op het niveau van de chimpansees. En dat moet voor een groot deel de sociale intelligentie geweest zijn van de statushiërarchie en de statuscompetitie. Als je die cognitieve vaardigheden al hebt en daar coöperatieve zorg aan toevoegt, ja, dan gebeuren er interessante dingen. Kinderen kunnen minder rijp worden geboren, omdat de moeder er niet meer in haar eentje voor hoeft te zorgen. Daardoor groeien de hersenen na de geboorte langer door, waardoor er ruimte ontstaat voor groeiende onderlinge tolerantie en voor sociale en morele ontwikkeling in de eerste levensjaren. De hersenen liggen als het ware klaar om dat hele groepsgebeuren van die coöperatieve zorg in zich op te nemen en te verwerken. Tot de sociale en morele intuïties van de gemeenschap.

En daardoor kon een menselijke samenleving ontstaan met wederzijdse zorg, ook tussen volwassenen. En met zorg voor ouderen. Waardoor een langere levensduur mogelijk werd, waar bovendien op geselecteerd werd omdat ouderen ook zelf zorgverleners waren. Denk aan de Grootmoeder Hypothese.

Maar dat wijst ons ook op die tragische complexiteit van de menselijke sociale natuur. Want doordat wij pas aan die coöperatieve zorg begonnen toen we al de vaardigheden van de statushiërarchie en de statuscompetitie onder de knie hadden, kan het met ons nog altijd twee kanten op. Als we opgroeien in een sociale gemeenschap van coöperatieve zorg, dan zorgen we er zonder problemen voor dat die gemeenschap in stand blijft en bloeit.

Maar als, zoals in onze huidige maatschappij, gezinnen vergaand sociaal geïsoleerd zijn en moeders er (weer) behoorlijk alleen voor staan, dan treffen onze kinderen een andere sociale omgeving aan. Dan groeien ze op zonder die gemeenschap. En dus vooral in die sociale omgeving van leeftijdsgenoten, die zoals bekend zo gemakkelijk uitnodigt tot het gebruik maken van die altijd slapend aanwezige vaardigheden van de statuscompetitie en de statushiërarchie. En ja, dan zijn we bezig met zijn allen een andere maatschappij te creëren.

zondag 5 januari 2014

Muziek voor de zondagochtend - Gardiner conducts Rameau's works

Moeilijke beslissing: met die blauwe lucht en aangename temperatuur eerst naar buiten? Of eerst een uur en een kwartier luisteren en kijken naar John Elliott Gardiner die Rameau dirigeert?

Dit is kennelijk een Proms uitvoering uit 2007 in de Royal Albert Hall. Wat een plezier! En wat een genoegen.

vrijdag 3 januari 2014

Juist in individualistische cultuur meer geneigdheid tot "eigen volk eerst"

In individualistische culturen, zoals de Noord-Amerikaanse en West-Europese, zien mensen zichzelf meer als een zelfstandige persoon dan in collectivistische culturen, zoals de Zuid-oost Aziatische, waar mensen zichzelf meer als lid van een groep beschouwen.

Daarmee hangt samen dat mensen in individualistische culturen meer geneigd zijn tot zelfverheffing (en narcisme), terwijl bescheidenheid vooropstaat in collectivistische culturen. In het eerste geval denk je dat het goed is om je beter voor te doen dan je bent, terwijl je in het tweede geval juist wilt voorkomen dat anderen je een opschepper vinden. Zie ook nog eens het bericht Bescheidenheid en zelfverheffing als collectief gedrag.

Die bescheidenheid in die collectivistische cultuur lijkt er toe te dienen om jezelf vooral als lid van de groep te presenteren. En die zelfverheffing juist om uit te dragen dat je een uniek individu bent. Zie de studie Individualism and Collectivism: Cross-Cultural Perspectives on Self-Ingroup Relationships (pdf) voor meer informatie over deze culturele verschillen.

Op grond van dit alles zou je kunnen verwachten dat het lid zijn van een groep, het ergens bij horen, voor mensen uit collectivistische culturen meer betekenis heeft, en meer consequenties heeft, dan voor mensen uit individualistische culturen. Maar is dat wel zo?

In de nieuwe studie Cultural Variation in the Minimal Group Effect (betaalpoort) vergeleken de onderzoekers de mate waarin bij Japanners en bij Amerikanen het zogenaamde minimale groepseffect optreedt. Dat werd voor het eerst onderzocht door Henri Tajfel, die zijn proefpersonen, die elkaar niet kenden, op een onbeduidend criterium indeelde in twee groepen en onderzocht wat de effecten daarvan waren op houdingen en gedrag tegenover de eigen en de andere groep. Zo een criterium was bijvoorbeeld welke van twee schilderijen van Kandinsky, een overwegend groen of een overwegend blauw, je het mooiste vindt.

In deze nieuwe studie gebruikten de onderzoekers ook precies dat criterium om de deelnemers aan het onderzoek, dat via internet werd uitgevoerd, te categoriseren. Je kreeg dus te weten dat je was ingedeeld in de Groene dan wel in de Blauwe groep, afhankelijk van welk schilderij je het mooiste vond. Daaraan werd toegevoegd dat er ook andere overeenkomsten tussen de groepsleden zouden kunnen bestaan, zoals overeenkomsten in denkstijl. Wat waren de consequenties daarvan en hoe verschilden die tussen Japanners en Amerikanen?

Het bleek toen dat:
  • de Amerikanen zich meer dan de Japanners:met hun groep identificeerden en de band met de andere groepsleden als sterker ervoeren
  • de Amerikanen hun eigen groepsleden als intelligenter inschatten, terwijl dit bij de Japanners niet het geval was
  • de Amerikanen meer dan de Japanners hun eigen groepsleden op allerlei persoonlijkheidskenmerken als gunstiger inschatten dan de leden van de andere groep
  • de Amerikanen een bedrag aan geld dat ze mochten verdelen meer aan de eigen groepsleden toewezen, terwijl de Japanners het gelijk over beide groepen verdeelden
Het minimale groepseffect (de in-group bias) trad dus juist meer op bij de Amerikanen dan bij de Japanners. Populair gezegd, geldt dus voor de individualistische cultuur meer het "eigen volk eerst" dan voor de collectivistische cultuur. Tegengesteld aan wat je misschien verwacht had.

Hoe kan dat? De onderzoekers kunnen laten zien dat de gevonden verbanden voor een deel verklaard worden door de grotere mate van zelfverheffing bij de Amerikanen en door de grotere neiging van hen om de relatie tussen beide groepen als competitief te zien.

Blijkbaar maakt het opgroeien in een individualistische cultuur, waarin je niet als vanzelfsprekend lid van een groep bent en dat ook niet zo ervaart, dat je ook een onbeduidende kans om toch lid van een groep te zijn aangrijpt om je als lid van die groep te gedragen. Om je er mee te identificeren, om je eigen mensen als slimmer en beter te beoordelen en om hen te bevoordelen.

Dat wijst, lijkt me, op de gevaren die inherent zijn aan individualisme. Dat gemis aan de groepservaring leidt er kennelijk toe dat we onbeduidende groepsgrenzen al te gemakkelijk aangrijpen. Die individualistische cultuur, dat is historisch gezien misschien wel een riskant experiment.