woensdag 29 juli 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 45 - O ja, dat is waar ook. Het andere gezicht van Durkheim

Van de twee gezichten van de klassieke socioloog Emile Durkheim, dat van de leer van de "sociale feiten" en dat van het morele criterium van de rechtvaardige maatschappij, is in de invloed die van hem op de ontwikkeling van het vak is uitgegaan, het tweede volledig ondergesneeuwd door het eerste. Hier het vorige bericht. Die leer van de sociale feiten verschafte de grondslag voor de top-down variabelensociologie, waarin de waardevrijheid van het doen van onderzoek werd verward met de waardevrijheid van het vak. Voor een vak dus dat de eigen wetenschappelijkheid zo opvat dat het beoordelen van maatschappelijke toestanden naar een uit de menselijke sociale natuur voortkomend moreel kader is uitgesloten.

Maar in dat vorige bericht zagen we dat Durkheim ook een ander gezicht kan aannemen. De mens is een sociaal wezen. Mensen hebben het nodig om onderdeel te zijn van een groter geheel. In de marktmaatschappij is dat een geheel van relaties en transacties tussen mensen die aan elkaar gelijkwaardig zijn. Waarin dus de onderlinge verhoudingen als rechtvaardig worden gevoeld. Aan de morele eis van gelijkwaardigheid is niet voldaan als de ene partij over zoveel meer middelen beschikt dat hij de ander voor hem ongunstige voorwaarden kan opleggen. Er heerst dan een toestand van anomie, die inferieur is aan een toestand van gelijkwaardigheid.

Ik moet eerlijk zeggen dat dat andere gezicht van Durkheim ook bij mijzelf wat was weggezakt. Voor het schrijven van het vorige bericht pakte ik mijn stukgelezen exemplaar van The Division of Labor in Society weer eens uit de boekenkast. En ik kwam bij de betreffende passages terecht (zie de citaten in het vorige bericht) en ik zag dat ik die in een ver verleden allemaal van potloodonderstrepingen had voorzien. Ik dacht; O ja, dat is waar ook, dat was óók Durkheim. En ik bedacht me dat ik in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen juist ook naar die Durkheim had moeten verwijzen.

Stel je even voor dat het omgekeerd was geweest, dat dit tweede gezicht van Durkheim serieuzer was genomen dan het eerste en wat dat had betekend voor de verdere ontwikkeling van het vak. 

Sociologie was dan een vak geweest dat tegenwicht had geboden tegen de grote maatschappelijke invloed van een vak economie waarin gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid als onbelangrijk of zelfs als economisch schadelijk worden behandeld. Waarin maatschappelijke ongelijkheid juist gunstig zou zijn voor economische groei. Waarin machtigen hun voorwaarden kunnen opleggen aan machtelozen. Waarin een uitzendsector kan bestaan met uitbuiting als verdienmodel. Waarin de machtsverhoudingen met zich meebrengen dat de groei van de lonen structureel achterblijft bij de groei van de productiviteit. Waarin de machtsverhoudingen ertoe leiden dat de democratie, de institutionele vormgeving van gelijkwaardigheid, wordt bedreigd.

Maar zo ging het dus niet. Ik zou willen dat er ooit eens een wetenschapshistoricus uitzoekt hoe dat vak sociologie zich zo curieus heeft kunnen ontwikkelen. 

In het volgende bericht gaat het weer over hoe het met die anomietheorie verder ging.  

Geen opmerkingen: