Posts tonen met het label D.D.Raphael. Alle posts tonen
Posts tonen met het label D.D.Raphael. Alle posts tonen

dinsdag 28 april 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -36 - Hoe Thomas Hobbes niet gehinderd werd door een vak sociologie

Hobbes observeerde dat mensen streven naar lijfsbehoud, naar instandhouding van hun leven, en naar het vertrouwen op continuering daarvan in de toekomst, naar bestaanszekerheid. En hij nam waar dat mensen met het oog daarop naar macht streefden over datgene wat die bestaanszekerheid kan vergroten, macht over fysieke processen, de natuur, en macht over het gedrag van anderen. En doordat iedereen naar macht over anderen streeft en doordat de macht van de een de macht van de ander tegenwerkt, streven mensen er naar om meer macht te hebben dan anderen. Zo ontstaat de sociaal inferieure toestand van de onophoudelijke onderlinge machtsstrijd, van wanorde en burgeroorlog, waarin het leven solitary, poore, nasty, brutish, and short is. Hier het vorige bericht. 

Vanaf hoofdstuk 14 van Leviathan probeert Hobbes de vraag te beantwoorden hoe mensen aan die sociaal inferieure toestand kunnen ontsnappen. Over dat antwoord, en meer in het algemeen over hoe je Hobbes' werk moet interpreteren, bestaan verschillende opvattingen. Raphael wijdt de laatste twee hoofdstukken van zijn Hobbes. Morals and Politics aan die verschillende interpretaties. Zo gaat het bijvoorbeeld over de vraag of Hobbes er wel of niet van uit ging dat mensen puur egoïstisch zijn. Raphael (p.43) erkent dat er in Hobbes' eerdere werk aanwijzingen zijn te vinden voor een egoïstisch mensbeeld, in de zin dat mensen weliswaar anderen helpen, maar uitsluitend omdat ze zichzelf daardoor beter voelen. In Leviathan daarentegen is er een mensbeeld waarin mensen gemotiveerd kunnen worden door de wens iets goeds te doen voor een ander:

...it is perfectly clear that the definition of benevolence or good will or charity in Leviathan is straightforward and satisfactory, the desire of good to another.

En dat lijkt te kloppen. In Hoofdstuk 6 (Of the Interiour Beginnings of Voluntary Motions; commonly called the PASSIONS. And the Speeches by which they are expressed) geeft Hobbes een opsomming van de menselijke passies en daar wordt Welwillendheid (Benevolence) omschreven als 

Desire of good to another, BENEVOLENCE, GOOD WILL, CHARITY. If to man generally, GOOD NATURE.

Ik sta daar even bij stil omdat er een populair beeld van Leviathan bestaat dat mensen alleen tot het slechtste geneigd zijn en er door een oppermachtige Leider toe gebracht moeten worden om zich sociaal te gedragen. Mensen zijn dus niet alleen uit op macht over anderen, met het oog op lijfsbehoud, maar kunnen het daartegenover ook goed voor hebben met anderen. Hobbes had dus oog voor de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur.

Hoe dan ook, ik ga voorbij aan de complicatie van al die verschillende interpretaties en baseer me zo veel mogelijk op de tekst van Leviathan. 

Hobbes begint hoofdstuk 14 (Of the first and second NATURAL LAWES, and of CONTRACTS) met die inferieure toestand van wanorde en burgeroorlog te kenschetsen als een toestand waarin iedereen de vrijheid, het recht, heeft om te doen wat hij beoordeelt als bijdragend aan zijn lijfsbehoud. 

And because the condition of Man (...) is a condition of Warre of everyone against everyone; (...) it followeth, that in such a condition, every man has a Right to every thing; even to one anothers body. And therefore, as long as this naturall Right of every man to every thing endureth, there can be no security to any man, (how strong or wise soever he be,) of living out the time, which Nature ordinarily alloweth men to live.

Daaruit volgt dat iedereen naar vrede zou moeten streven, zolang hij mag hopen dat die bereikbaar is. Hobbes noemt dat de Fundamental Law of Nature. Doordat mensen in staat zijn om in te zien dat ze met zijn allen zowel een superieure toestand van vrede en veiligheid als een inferieure toestand van burgeroorlog en onveiligheid tot stand kunnen brengen, voelen ze een morele verplichting om als dat kan bij te dragen aan vrede en veiligheid. Maar doordat ze dat niet in hun eentje kunnen doen, hebben ze elkaar nodig.

En daaruit volgt de Second Law of Nature, die luidt:

That a man be willing, when others are so too, as farre-forth, as for Peace, and defence of himselfe he shall think it necessary, to lay down this right to all things; and be contented with so much liberty against other men, as he would allow other men against himselfe. (...) This is that Law of the Gospell; Whatsoever you require that others should do to you, that do ye to them.

"When others are so too." Iedereen is bereid zijn vrijheid in te leveren voor zover dat nodig is voor vrede en veiligheid, maar onder de voorwaarde dat anderen die bereidheid ook hebben (en in daden omzetten). Dus moet er iets zijn om er voor te zorgen dat aan die voorwaarde is voldaan. Dat het contract of convenant wordt nageleefd. Dat gevoel van morele verplichting is niet voldoende, want iedereen kan altijd terugvallen op dat natuurlijke recht op vrijheid als hij denkt dat hem dat beter uitkomt. Daarom is er een hogere macht nodig die zo nodig naleving kan afdwingen. Hobbes daarover in hoofdstuk 17 (Of the Causes, Generation, and Definition of a COMMON-WEALTH):

For the Laws of Nature (as Justice, Equity, Modesty, Mercy, and (in summe) doing to others, as we would be done to,) of themselves, without the terrour of some Power, to cause them to be observed, are contrary to our naturall Passions, that carry us to Partiality, Pride, Revenge, and the like. And Covenants, without the Sword, are but Words 

En daar ontmoeten we die innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur. Mensen kennen enerzijds de moraal, die hen influistert dat ze naar vrede dienen te streven en dus naar rechtvaardigheid. bescheidenheid, barmhartigheid, kortom naar Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Maar anderzijds kennen ze ook de drijfveren die partijdigheid (discriminatie), trots, wraaklust en dergelijke opwekken. En doordat die drijfveren altijd de kop kunnen opsteken, is het noodzakelijk dat de morele voornemens, afspraken en beloftes van onszelf en vooral ook van anderen ondersteund worden door de macht van het zwaard, door sanctionering van morele overtredingen.

Het is van belang om hier op te merken dat Hobbes redeneert als een bioloog die onderzoekt hoe groepsvorming bij verschillende diersoorten in zijn werk gaat. Want hij werpt op dat sommige dieren, zoals bijen en mieren, vreedzaam samenleven zonder dat er een macht is die samenwerking afdwingt. Kan dat met mensen dan ook niet, zou je je kunnen afvragen. Waarna hij zes redenen geeft waarom dat niet kan. Met als eerste twee:

First, that men are continually in competition for Honour and Dignity, which these creatures are not; and consequently amongst men there ariseth on that ground, Envy and Hatred, and finally Warre; but amongst these not so.

Secondly, that amongst these creatures, the Common good differeth not from the Private; and being by nature enclined to their private, they procure thereby the common benefit. But man, whose Joy consisteth in comparing himselfe with other men, can relish nothing but what is eminent.

En als laatste:

Lastly, the agreement of these creatures is Naturall; that of men, is by Covenant only, which is Artificall: and therefore it is no wonder if there be somewhat else required (besides Covenant) to make their Agreement constant and lasting; which is a Common Power, to keep them in awe, and to direst their actions to the Common Power.

Wat bij bijen en mieren als vanzelf tot stand komt, moeten wij mensen via de omweg van moraal, convenant en de institutie van een gemeenschappelijke macht tot stand brengen. 

This is more than Consent, or Concord; it is a real Unitie of them all, in one and the same Person, made by Covenant of every man with every man, in such manner, as if every man should say to every man, I Authorise and give up my Right of Governing my selfe, to this Man, or to this Assembly of men, on this condition, that thou give up thy Right to him, and Authorise all his Actions in like manner. 

Die persoon, of vereniging van personen, wordt geacht te regeren in het algemeen belang, dat wil zeggen, met het oog op het handhaven van de superieure toestand van vrede en veiligheid. Daarbij is hij autonoom en soeverein, wat wil zeggen dat hij zich niet door deelbelangen laat beïnvloeden. 

Hedendaags democratisch gezegd, gaat het om de volksvertegenwoordiging die periodiek met algemeen kiesrecht wordt gekozen. Die kende Hobbes nog niet. Maar hij loopt daar wel op vooruit. Want iedereen behoudt het natuurlijke recht om zichzelf te verdedigen als die gemeenschappelijke macht, de Soeverein, tekortschiet. Daarover gaat het in hoofdstuk 21 (Of the LIBERTY of Subjects):

The Obligation of Subjects to the Sovereign, is understood to last as long, and no longer, than the power lasteth, by which he is able to protect them. For the right men have by Nature to protect themselves, when none else can protect them, can by no Covenant relinquished.

Samengevat, halverwege de zeventiende eeuw analyseerde Thomas Hobbes het fundamentele probleem van het menselijk samenleven, de menselijke groepsvorming. Daarbij ging hij sociaalwetenschappelijk te werk. Hij zag in dat de menselijke sociale natuur zo in elkaar zit dat zowel een sociaal inferieure als een sociaal superieure toestand mogelijk zijn. En hij gaf de weg aan waarlangs mensen die superieure toestand van vrede en veiligheid kunnen bereiken. Daarmee liep hij vooruit op de latere ontwikkeling van democratische staten en op de hedendaagse pogingen om de democratie in stand te houden.

Hij werd niet gehinderd door een vak sociologie dat een paar eeuwen later ontstond en dat gebaseerd was op een curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en op de fictie van een eigen domein. Hij zag de maatschappij als een uitkomst van mensenwerk en wilde dat werk verbeteren. Hier het vervolg.

vrijdag 17 april 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -35 - Hobbes over zelfbehoud, streven naar macht en de sociaal inferieure toestand

Net zo als wij nu, leefde Thomas Hobbes (1588 - 1679) in woelige tijden. In Engeland woedden de Burgeroorlogen, conflicten tussen het Parlement en de Koning over de verdeling van de macht, resulterend in de executie van Karel I in 1649, conflicten tussen de Parlementarians onderling en de oorlog met Schotland. Hier het vorige bericht.

Hobbes was van eenvoudige komaf, maar kon met behulp van een gefortuneerde oom in Oxford studeren. Daarna werd hij door William Cavendish, de Graaf van Devonshire, aangenomen als de leermeester van diens zoon, wat hem in staat stelde om enkele periodes in Parijs door te brengen. Vandaar uit reisde hij naar Florence om daar Galileo Galilei te bezoeken, die hij bewonderde. Hij hield daar zijn "deductieve methode" aan over, het verklaren van verschijnselen uit hun eenvoudigste principes. Ook in Parijs schreef hij zijn hoofdwerk, Leviathan or the Matter, Forme, & Power of a Common-Wealth Ecclesiasticall and Civill, dat in 1651 in Londen verscheen. Ik heb de Pelican Classics - uitgave uit 1979 in mijn boekenlast staan, met een introductie van C.B. Macpherson. Ik baseer me daarnaast ook op Hobbes. Morals and Politics van D.D. Raphael.

Het probleem dat Hobbes wilde oplossen is hoe we een vreedzame en geordende maatschappij tot stand kunnen brengen en in stand kunnen houden en hoe we wanorde en burgeroorlog kunnen vermijden. Hij had er dus een besef van dat mensen zowel een sociaal superieure als een sociaal inferieure toestand tot stand kunnen brengen en zag het als de opdracht van de civil philosophy, hedendaags gezegd: de sociale wetenschap, om uit te zoeken hoe zoveel mogelijk die superieure toestand kan worden bereikt.

Hoe dan te werk te gaan? Door "de methode van Galileo" toe te passen, de methode van ontbinding en samenstelling. MacPherson (p. 27): 

In short, the resolutive stage of the Galilean method, as applied to political science, consisted in resolving political society into the motion of its parts - individual human beings - and resolving their motions in turn into imagined or hypothetical simple forces which, compounded, could be shown to explain them.

These imagined or hypothetical forces had to be ones which would be self-evident to any reasonable inquirer who would take the trouble to look into himself.

Om een idee te geven van hoe Hobbes dat laatste zelf verwoordde, citeer ik hem uit de Inleiding tot Leviathan (p.82-3):

... whosoever looketh into himself, and considereth what he doth, he does think, opine, feare, &c, and upon what grounds; he shall thereby read and know, what are the thoughts, and Passions of all other men, upon the like occasions. I say the similitude of Passions, which are the same in all men, desire, fear, hope, &c; not the similitude of the objects of the Passions, which are the things desired, feared, hoped &c: for these the constitution individuall, and particular education do so vary, and they are so easy to be kept from our knowledge, that the characters of mans heart, blotted and confounded as they are, with dissembling, lying, counterfeiting, and erroneous docrtines, are legible onely to him that searcheth hearts. And though by mens actions wee do discover their designe sometimes; yet to do it without comparing them with our own and distinguishing all circumstances, by which the case may come to be altered, is to decypher without a key, and be for the most part deceived, by too much trust, or by too much diffidence; as he that reads, is himself a good or evil man.

Kortom, we kunnen door bij ons zelf te rade te gaan en door het gedrag van anderen waar te nemen en door rekening te houden met de bijzondere en wisselende omstandigheden waarin anderen en wijzelf handelen, een behoorlijk goed idee ontwikkelen van de menselijke sociale natuur. Mensen kunnen inzicht hebben in hoe ze in elkaar zitten, niet alleen in hun individuele, bijzondere eigenschappen, in hoe elk van hen uniek is, maar vooral ook in de algemene principes van hun gedrag, in hoe ze met anderen overeenkomen. 

Natuurlijk zijn die inzichten door wetenschappelijk onderzoek corrigeerbaar, maar ook als dat nog niet gebeurd is, zijn ze waarheidsgetrouw genoeg om er de aard en oorzaken van maatschappelijke verschijnselen mee te analyseren. Voor Thomas Hobbes: om er mee te analyseren hoe mensen een sociaal inferieure toestand tot stand kunnen brengen en hoe ze een sociaal superieure toestand dichterbij kunnen brengen.

Hobbes begint zijn analyse met het inzicht dat mensen zoals alle organismen uit zijn op zelfbehoud, op de instandhouding van hun leven. Dat brengt met zich mee dat ze toestanden zoeken die ze als aangenaam ervaren (pleasure) en onaangename toestanden (pain) vermijden. Maar ook proberen ze er voor te zorgen dat ze in de toekomst meer aangename toestanden zullen ervaren en minder onaangename toestanden. Raphael verwoordt dat zo (p.30 -31):

According to Hobbes, man's desire for continued preservation leads him to desire not only pleasure now but a store of pleasure for the future, since that means a store of continued life in the future.

Anders gezegd, mensen zijn uit op een gevoel van bestaanszekerheid, een geruststellend vertrouwen dat zich in de toekomst niet allerlei rampen en bedreigingen zullen voordoen. 

How can one lay up a store of future pleasure? By acquiring power. Power is the means to satisfy our desires. Therefore every man naturally desires power and more power, 'a perpetual and restless desire of power after power, that ceaseth only in death' (Leviathan, Chapter 11).

Voor dat geruststellend vertrouwen is nodig dat je het gevoel hebt dat je voldoende controle hebt over de zaken die voor jou overleving belangrijk zijn. Dus dat je voldoende macht hebt, zowel over de fysieke zaken, zoals de middelen voor onderdak en voedselzekerheid, als over sociale omstandigheden, dus over wat anderen doen of nalaten wat voor jou van belang is. Macht over de natuur en macht over anderen.

En doordat iedereen naar macht, en meer macht, streeft, en doordat alles wat aangenaam is schaars is, gaat het niet alleen om macht, maar vooral ook om machtiger zijn dan anderen. McPherson (p.34-37):

What is to be noticed here is that a man's natural power is defined not as his faculties of body and mind, but as the eminence of his faculties compared with those of other men, and that his acquired powers are those he has acquired by means of that eminence. A man's power consists of the amount by which his faculties, riches, reputation, and friends exceed those of other men.

Nu is niet iedereen in gelijke mate uit op het verwerven van meer macht. Sommigen zijn eerder tevreden en gerustgesteld dan anderen. Maar zolang er mensen zijn voor wie het streven naar macht onbegrensd is, en die zijn er altijd, moet iedereen zich daar tegen verdedigen en zal er zich onvermijdelijk een machtsstrijd van allen tegen allen ontwikkelen. 

 It is only if some men's desires are without limit that the other men are necessarily moved to resist having some of their powers transferred (and the only way they can resist is to get into the struggle for power). (...)

Everyone, those with moderate as well as those with immoderate desires, is necessarily pulled into a constant competitive struggle for power over others, or at least to resist his powers being commanded by others. Man's need for power has now become a necessarily harmful thing.

Daarmee zijn we dus aanbeland bij die sociaal inferieure toestand, van wanorde en burgeroorlog, die mensen met elkaar tot stand kunnen brengen. Mensen zitten zo in elkaar dat ze streven naar lijfsbehoud en naar het uitzicht op lijfsbehoud in de toekomst. Daar hebben ze macht voor nodig en doordat ze elkaar in de weg kunnen zitten, meer macht dan anderen. Als bovendien dat machtsstreven ongeremd is, niet noodzakelijkerwijs bij iedereen, dan is een voortdurende onderlinge machtsstrijd het onvermijdelijke gevolg.

McPherson wijst er in zijn Inleiding op (p. 37) dat Hobbes al deze inzichten ontleent aan zijn observaties van zijn eigen gedrag en dat van de mensen om hem heen en van de maatschappij waarin hij leefde. De maatschappij die McPherson als de bourgeois market society kenschetst. Hij doet dat in de eerste 11 hoofdstukken van Leviathan. Hij beoefent daar wat we tegenwoordig sociale wetenschap noemen, met het middel dat hem ter beschikking stond; zo goed mogelijk observeren. Pas later (in hoofdstuk 13) introduceert hij de "denkbeeldige natuurtoestand" waarmee hij vaak wordt vereenzelvigd, de toestand waarin het leven solitary, poore, nasty, brutish, and short is. Voor zijn conclusie dat mensen die sociaal inferieure toestand tot stand kunnen brengen, heeft hij die natuurtoestand niet nodig.

En hij bleef beoefenaar van sociale wetenschap toen hij vervolgens wilde uitzoeken hoe mensen uit die sociaal inferieure toestand kunnen ontsnappen. Daarover meer in het vervolg.