Posts tonen met het label David Graeber. Alle posts tonen
Posts tonen met het label David Graeber. Alle posts tonen

dinsdag 10 maart 2015

De markt, dat is competitie, maar vooral ook samenwerking en vertrouwen

Gemeten aan de mensheidsgeschiedenis is het marktsysteem een heel recent verschijnsel. Dat betekent dat we het met onze cognitieve vermogens nog maar beperkt kunnen doorgronden. Dat hele stelsel van economische transacties die zich in ruimte en tijd afspelen, is te ingewikkeld om greep op te krijgen. Het gevolg daarvan is dat we het gevaar lopen er een te eenzijdig beeld van te hebben en daarop ons gedrag baseren. (Dit bericht is een vervolg op Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie.)

Dat beeld kan in vele vormen eenzijdig zijn, maar het lijkt er op dat een bepaalde vorm het meest opduikt. Dat is de eenzijdigheid van het gelijkstellen van de markt aan competitie. Het is dat competitie-element dat het meest opvalt als je de markt vergelijkt met de Paleo Sociale Omgeving, de sociale vorm waarin onze verre voorouders werden geselecteerd op de vermogens tot samenwerking en collectieve onderdrukking van de statuscompetitie. (Vergelijk ook het baseline communisme van David Graeber.)

De ontwikkeling van de markt, samen met de opkomst van de landbouwsamenlevingen, leek er op te duiden dat je met zijn allen ook welvaart, juist welvaart!, en een geordende samenleving kon creëren door veel meer dan daarvoor te vertrouwen op de voordelen van het met elkaar concurreren. Dat kan er toe geleid hebben dat we teveel over het hoofd zien hoe essentieel het voor de goede werking van de markt is dat wij in staat zijn tot samenwerking op basis van onderling vertrouwen.

We weten dat vertrouwen tussen economische partners een grote bijdrage levert aan de efficiëntie van transacties of zelfs aan het tot stand komen van die transacties. Vandaar dat landen met een hoger onderling vertrouwen (generalized trust) ook de landen zijn met een hogere economische welvaart en groei. Zie bijvoorbeeld Trust and Growth (pdf) van Paul J. Zak en Stephen Knack uit 2001.

Maar dat is academische kennis en die is niet altijd evenveel bij iedereen beschikbaar. Er kan dus bij het algemene publiek of zelfs in de politiek een beeld ontstaan van de markt als het systeem waarin alles draait om competitie. En het lijkt er op dat dat beeld de afgelopen tientallen jaren nogal is gaan overheersen. Zo ongeveer sinds de tijd van Reagan in de Verenigde Staten en Thatcher in Groot-Britannië. Zeg maar de tijd van de opkomst van het neoliberalisme, eigenlijk de stroming die inderdaad altijd en overal de weldaden van concurrentie predikt.

Maar elke beweging roept op den duur een tegengestelde beweging op. Waardoor we nu weer meer meemaken dat economen er op gaan wijzen hoezeer de goede werking van de markt afhankelijk is van de menselijke bereidheid tot samenwerking op basis van onderling vertrouwen. Ik moest daaraan denken toen ik Six Reasons Why Economists Should Say Less About "Competition" van Timothy Taylor las, die daarin verwijst naar Emporiophobia (Fear of Markets): Cooperation or Competition? van Paul Rubin. Rubin legt daarin uit dat economen veel meer dan ze gewend zijn te doen aandacht zouden moeten besteden aan het economische belang van samenwerking. Interessante ontwikkelingen.

zondag 30 november 2014

Eerst was er de staat, toen het geld en de markt. En dat primaat van de overheid is ook nu nog essentieel

Onze huidige economische crisis is niet een noodlot dat ons treft, maar de uitkomst van slecht economisch beleid. Doordat een groot deel van de private sector bezig is schulden af te lossen, is er een probleem van een tekortschietende vraag.

Tekortschietend in de zin van niet tegemoetkomend aan de bestaande productiecapaciteit. Er zijn veel mensen die zouden willen werken of meer uren zouden willen werken. Denk maar even aan het drama van de hoge (jeugd-)werkloosheid in landen als Griekenland, Italië en Spanje. Maar ook in andere Europese landen is er bepaald geen volledige werkgelegenheid. Veel fysiek kapitaal ligt ongebruikt en er wordt niet geïnvesteerd. Hoewel er geld genoeg is. Alleen: niet bij de mensen die het graag zouden uitgeven, maar bij de kapitaalverschaffers die liever veilige staatsobligaties kopen dan dat ze het productief investeren. Logisch, wie wil geld steken in producten die niet zullen worden verkocht?

Die tekortschietende vraag veroorzaakt dus economische stagnatie, deflatie of een te lage inflatie. Maar dat is helemaal niet nodig. In de huidige omstandigheden is stagnatie een beleidskeuze. En een foute keuze. Want waarom zouden we die ongebruikte productiecapaciteit ongebruikt moeten laten? Daarvoor is geen zinnig economisch argument.

Beleid dat de stagnatie doorbreekt, kan globaal worden aangeduid met het trefwoord helikoptergeld. Zie voor een mooie analyse The Simple Analytics of Helicopter Money: Why It Works – Always van Willem Buiter van Citygroup (zoon van Harm Buiter, oud-burgemeester van Groningen, en bekend van zijn slecht afgelopen affaire met Heleen Mees, maar dat geheel terzijde). Je kunt de vraag aanwakkeren, door bij iedereen die bezig is schulden af te lossen geld op de bankrekening over te maken.

De Centrale Bank kan dat geld bijdrukken of de overheid kan het op de kapitaalmarkt lenen, op het ogenblik tegen een rente van bijna nul procent. Maar een variant van helikoptergeld is dat je als overheid dat gedrukte of geleende geld gebruikt voor investeringen in infrastructuur of andere publieke goederen. Als je er maar voor zorgt dat er meer geld onder de mensen komt. Afhankelijk van hoe dringend zulke investeringen zijn, is die variant beter dan gewoon het geld op bankrekeningen overmaken.

Hoe dan ook, omdat ons geld fiat geld is, kan een tekortschietende vraag als gevolg van te weinig geld in omloop (liquiditeit) nooit een reden zijn om stagnatie te laten voortbestaan en passief te gaan zitten wachten op betere tijden. In geen geval zou een obsessie met begrotingsevenwicht, zoals die nu in Europa heerst, in de weg behoren te staan.

Dit alles overdacht ik toen ik bezig was Debt. The First 5,000 Years van David Graeber te herlezen. Zie ook Neo-liberalisme en burgermansmoraal - Notitie n.a.v. David Graeber. Graeber heeft in dat boek met veel succes een vergeten theorie over het ontstaan van geld en van de markt, het Chartalisme, opnieuw onder de aandacht gebracht. Volgens die theorie was de uitvinding van geld niet een spontane oplossing voor het probleem van de inefficiëntie van ruilhandel, maar een middel van staten om economische activiteit te bevorderen en belastingen te heffen. Volgens die theorie was er dus niet eerst een markt in de vorm van ruilhandel en kwam toen het geld. Integendeel, eerst was er de staat (vorstendommen) en toen kwam het geld.

Hoe ging dat in zijn werk en waarom is dat ook nu nog interessant? Graeber maakt aannemelijk dat vorstendommen zich de controle over goud- en zilvermijnen toe-eigenden, om met de munten een probleem op te lossen dat ontstond als ze oorlog wilden of moesten voeren. Want hoe breng je een leger soldaten op de been en hoe voorzie je die van voedsel, kleding, onderdak en materieel? Je kunt ze laten plunderen, maar dat is niet goed voor je relatie met het volk.

Daarom is het beter om je soldaten met die munten te betalen. Daar hebben ze op zich niets aan, behalve als je tegelijk belasting oplegt aan je onderdanen, te betalen met precies die munten. Want dat geeft de hele bevolking een prikkel om die soldaten van alles te voorzien wat ze nodig hebben, uiteraard in ruil voor munten. In de woorden van Graeber (p. 49-50):
if one simply hands out coins to the soldiers and then demands that every family in the kingdom was obliged to pay one of those coins back to you, one would, in one blow, turn one's entire national economy into a vast machine for the provisioning of soldiers, since now every family, in order to get their hands on the coins, must find some way to contribute to the general effort to provide soldiers with things they want. Markets are brought into existence as a side effect.
Dit is een wat gestileerd verhaal van hoe het in werkelijkheid zal zijn gegaan. Maar de portee is duidelijk: hoewel er nog geen helikopters waren, was er al wel helikoptergeld. En met de munten die iedereen meer wist te verwerven dan er nodig waren om de belastingen te betalen, ontstond, zonder dat het zo bedoeld was, een markt voor goederen en diensten. Eerst was er het geld, toen kwam de markt. Omdat met dat geld de vraag naar goederen en diensten werd gestimuleerd.

Overgeheveld naar het heden: We hebben nu wel een markt, maar een markt die stagneert. En er is een duidelijke parallel: net zo als de vorst toen de markt in het leven riep door geld te verdelen, kunnen we nu de stagnatie opheffen door datzelfde te doen. Door "de economie te stimuleren".

Alleen hoeven we dat nu natuurlijk niet te doen door oorlog te gaan voeren. (Zoals we wel deden toen we de Tweede Wereldoorlog ingingen en daarmee een einde maakten aan de Grote Depressie van de jaren 30 van de vorige eeuw.) Er zijn gelukkig vreedzamere en productievere manieren.

En heel langzaam, veel te langzaam, lijkt dat tot de Europese politici door te dringen. De overheid was lang geleden niet alleen essentieel om het geld en de markt in het leven te roepen, hij is nu ook essentieel om de markt in een recessie aan de praat te houden.

donderdag 27 november 2014

Neo-liberalisme en burgermansmoraal - Notitie n.a.v. David Graeber

Een korte notitie naar aanleiding van David Graeber, Debt. The First 5,000 Years, dat ik aan het herlezen ben. Zie eerder het bericht Zelf-organisatie en het baseline communisme van David Graeber.

Graeber weerlegt in dat boek de gedachte dat de uitvinding van het geld een oplossing was voor het probleem van de inefficiëntie van ruil-in-natura (barter). Die gedachte is een hardnekkige mythe, die in veel economiehandboeken gedachteloos wordt opgevoerd.

Nou en? Zou je kunnen denken. Maar er hangt nogal wat mee samen. Want onderdeel van die mythe is een bepaalde visie op de "oertoestand" van de mensheid. En dus op wat het betekent om mens te zijn. Die oertoestand zou namelijk een samenleving zijn die geheel is gebaseerd op het voor-wat, hoort-wat principe. Mensen doen alleen wat voor elkaar als er genoeg tegenover staat. Eigenbelang staat voorop.

Is er op die basis wel een vreedzame maatschappij mogelijk? Ja zeker, want volgens diezelfde mythe is dat de marktmaatschappij. De marktmaatschappij is de vervulling van wat mensen kunnen en willen. Hij komt volop tegemoet aan onze ideeën over welke verantwoordelijkheden mensen tegenover elkaar hebben.

Graeber noemt Nietzsche en Smith als uitgesproken aanhangers van deze mythe. Maar wat die twee in feite doen, is dat ze de burgermansmoraal van de achttiende en negentiende eeuw katapulteren naar de gehele mensheidsgeschiedenis. (Ik vind overigens Smith nogal wat interessanter dan Nietzsche.)

Uiteraard weten we dat dat van geen kant klopt. De menselijke morele intuïties hebben zich ontwikkeld in de lange periode dat onze voorouders als jagers-verzamelaars sterk van elkaar afhankelijk waren. En doorhadden dat samenwerking en onderlinge hulpverlening cruciaal waren voor hun overleving. Graeber noemt dit het baseline communism. Niet de burgermansmoraal, maar het "van ieder naar zijn vermogens en voor ieder naar zijn behoeften", domineerde de oertoestand van de mensheid. Vergelijk mijn Paleo Sociale Omgeving, als bron van onze morele intuïties.

Een andere keer meer hierover, maar nu de notitie dat dit meer is dan alleen een intellectueel of wetenschappelijk twistpunt. Want het lijkt me politiek-maatschappelijk uiterst actueel. Veel van het huidige, zeg maar, neoliberale denken lijkt namelijk precies dat te zijn, een maatschappijvisie geheel gebaseerd op die burgermansmoraal van Nietzsche en Smith.

Mensen komen alleen maar tot iets goeds als we ze via het marktmechanisme laten concurreren. Want het eigenbelang overheerst altijd. De overheid is nodig, maar die moet je vooral niet zien als een middel om onderlinge solidariteit te organiseren. Want die solidariteit is een hersenschim. Waardoor overheden altijd het gevaar lopen een middel te worden voor sommigen om op kosten van anderen te leven. Zo zitten mensen nu eenmaal in elkaar.

Het is niet alleen een sombere, maar vooral ook werkelijkheidsvreemde visie op wat mensen zouden kunnen en willen. Maar later dus meer.

maandag 13 oktober 2014

Statuscompetitie is bij mensen nooit ver weg - maar gemeenschap ook niet

De menselijke sociale natuur is ambivalent. Enerzijds zijn we in staat tot zorg voor elkaar, hulpvaardigheid en goedgeefsheid. Maar anderzijds ook tot competitie om status, vijandschap en overheersing, of complementair daaraan, gehoorzaamheid en ondergeschiktheid. De neiging tot gemeenschapsgedrag kennen we, maar evenzeer de neiging tot statuscompetitie en tot het creëren van een statushiërarchie. Dat is een inzicht dat deel uitmaakt van wat ik eerder de Dual-Modetheorie noemde.

Toegerust met die innerlijke ambivalentie kunnen mensen heel verschillende samenlevingsvormen tot stand brengen. Waarvan je je twee uitersten kunt voorstellen: een zuivere gemeenschap, met alleen maar gemeenschapsgedrag, en een zuivere statuscompetitie/statushiërarchie, met alleen maar statuscompetitiegedrag. In die zuivere gemeenschap zou de statuscompetitie geheel onderdrukt worden en in de zuivere statuscompetitie/statushiërarchie zou gemeenschapsgedrag geen kans krijgen. Maar dat zijn abstracte voorstellingen, want die twee polen lijken in de werkelijkheid niet voor te komen.

We krijgen nu een interessant kijkje in een samenlevingsvorm die heel dicht tegen die gemeenschapspool aanligt, maar waarin de statushiërarchie toch ook weer niet geheel blijkt te ontbreken. Het gaat om het bericht Anthropologists find that even among egalitarian forager-farmers, social status can impact health and happiness. Antropologen deden onderzoek bij de Tsimane, een egalitaire jagers/verzamelaarssamenleving in het Boliviaanse Amazonegebied. Ik schreef eerder over de Tsimane in het bericht Persoonlijkheid en maatschappij: de Big Five en de Big Two.

De onderzoekers gingen, over een periode van vier jaar jaar, na wie er in die Tsimane-samenleving de meeste invloed had in de gezamenlijke besluitvorming. Dus naar welke personen meer werd geluisterd als ze wat te berde brachten en naar welke minder. Waren er informele "leiders" en zo ja, wie waren dat? Daarnaast stelden ze periodiek, via urinemonsters, de niveau's van het stresshormoon cortisol vast. Hoe hoger dat niveau, hoe groter de psychosociale stress. En artsen voerden medische check-ups uit.

Het bleek toen dat degenen die minder invloed hadden, naar wie minder werd geluisterd, een hoger cortisolniveau hadden. Bovendien bleek dat het cortisolniveau steeg bij degenen die in het verloop van die vier jaar hun invloed zagen afnemen. Daar kwam mee overeen dat hun kans op luchtweginfecties toenam.

Dat betekent dat je de gezondheidsverschillen naar status die wij in onze maatschappij kennen, toch ook aantreft in deze voor het overige sterk egalitaire samenleving. Gemeenschap, eerlijk delen, elkaar ondersteunen, samen zorgen voor de kinderen, dat alles domineert, maar de statushiërarchie is niet volledig uitgebannen. En die vinden we dus terug in die verschillen in cortisolniveau's en gezondheid.

Nu kun je daar wel tegenin brengen dat de Tsimane al niet meer uitsluitend leven van jagen en verzamelen. Ze doen ook al wat aan landbouw (bananen en maniok) en blijven langer op een plek. Het kan zijn dat de bij hen gevonden verschillen kleiner zijn bij de meer zuivere jagers-verzamelaarssamenlevingen.

De andere kant van het verhaal is natuurlijk dat we in de huidige kapitalistische maatschappijen weliswaar een hoge mate van statuscompetitie en statushiërarchie kennen, maar dat gemeenschapsgedrag daarin natuurlijk niet ontbreekt.

Ik moest nog even terugdenken aan Debt. The First 5,000 Years van David Graeber, waarin hij de zelforganisatie van de jagers-verzamelaars, de Paleo Sociale Omgeving, aanduidt als de sociale vorm van het baseline communism ("van iedereen naar vermogen, voor iedereen naar behoefte"). Zie mijn eerdere bericht Zelf-organisatie en het baseline communisme van David Graeber.

En waarin hij vervolgens laat zien dat die sociale vorm natuurlijk tegelijk ook niet is weg te denken uit het economische systeem van het kapitalisme. Mensen hebben hun netwerk van persoonlijke relaties, waarin ze elkaar zo goed mogelijk proberen bij te staan en contact met elkaar te houden. En in veel landen proberen ze om een verzorgingsstaat te vestigen en in stand te houden, waarin de onderlinge hulpbereidheid een institutionele vorm krijgt. Het kapitalisme zou daarzonder niet kunnen bestaan. (Update. Zie ook nog eens het bericht Participatiesamenleving in plaats van verzorgingsstaat? Niet of-of, maar en-en.)

Kortom, statuscompetitie is bij mensen nooit ver weg. Maar gemeenschap ook niet.

vrijdag 14 september 2012

Zelf-organisatie en het baseline communisme van David Graeber - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (13)

David Graeber noemt, in zijn boek Debt. The First 5000 Years (hier de Nederlandse vertaling), de zelf-organisatie van de jagers-verzamelaars het baseline communisme. Bij die term communisme denken wij aan communistische staten, maar hij bedoelt er een moreel principe mee waarop economische relaties kunnen berusten, namelijk dat van "van iedereen naar vermogen en voor iedereen naar behoefte". De twee andere principes zijn die van de hiërarchie en die van de ruil. En hoewel de economische relaties in de Paleo Sociale Omgeving bovenal berustten op baseline communisme, denkt hij dat alle drie principes in elke maatschappij voorkomen.

Ik zal nog vaker op dit indrukwekkende boek terugkomen, maar wil om te beginnen stilstaan bij Graebers uitleg bij zijn stelling dat dat communisme inderdaad baseline is, in de zin dat het principe altijd aanwezig is. Op p. 95-98 schrijft hij:
"communism" is not some magical utopia, and neither does it have anything to do with ownership of the means of production. It is something that exists right now - that exists, to some degree, in any human society, although there has never been one in which everything has been organized in that way, and it would be difficult to imagine how there could be. All of us act like communists a good deal of the time. None of us act like a communist consistently. "Communist society" - in the sense of a society organized exclusively on that single principle - could never exist. But all social systems, even economic systems like capitalism, have always been built on top of a bedrock of actually-existing communism. (...)
 Almost everyone follows this principle if they are collaborating on some common project. If someone fixing a broken water pipe says, "Hand me the wrench," his co-worker will not, generally speaking, say, "And what do I get for it? "- even if they are working for Exxon-Mobil, Burger King, or Goldman Sachs. The reason is simple efficiency (...): if you really care about getting something done, the most efficient way to go about it is obviously to allocate tasks by ability and give people whatever they need to do them. One might even say that it's one of the scandals of capitalism that most capitalist firms, internally, operate communistically. True, they don't tend to operate very democratically. Most often they are organized around military-style top-down chains of command. But there is often an interesting tension here, becaue top-down chains of command are not particularly efficient: they tend to promote stupidity among those on top and resentful foot-dragging among those on the bottom. The greater the need to improvise, the more democratic the cooperation tends to become. (...)
This is presumably also why in the immediate wake of great disasters - a flood, a blackout, or an economic collapse - people tend to behave the same way, reverting to a rough-and-ready communism. However briefly, hierarchies and markets and the like become luxuries that no one can afford. Anyone who has lived through such a moment can speak to their peculiar qualities, the way that strangers become sisters and brothers and human society itself seems to be reborn. This is important because it shows that we are not simply talking about cooperation. In fact, communism is the foundation of all human sociability. It is what makes society possible. There is always an assumption that anyone who is not an enemy can be expected to act on the principle of "from each according to their abilities," at least to an extent: for example, if one needs to figure out how to get somewhere and the other knows the way. (...)
I will call this "baseline communism": the understanding that, unless people consider themselves enemies, if the need is considered great enough, or the cost considered  reasonable enough, the principle of "from each according to their abilities, to each according to their needs" will be assumed to apply.
Oké, dat beschrijft onze morele intuïties van gelijkheid en hulpvaardigheid en generositeit. En dat wijst er niet alleen op dat zelf-organisatie altijd op die intuïties opgebouwd kan worden, maar ook dat zelf-organisatie altijd, soms veel, soms maar heel weinig, aanwezig is. Het is geen curiosum. En dat moet ons ook iets leren over de mogelijkheden en onmogelijkheden om in onze maatschappij (weer) meer zelf-organisatie te introduceren. Om dat wat we doen en wat we nodig hebben, (weer) meer zelf te organiseren dan we nu doen.