Posts tonen met het label Peter van der Meer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Peter van der Meer. Alle posts tonen

maandag 12 mei 2014

Komt het gezonde verstand terug in het Europese economische beleid? En over Thomas Fazi

Kijk eens aan, de Europese Commissie is bezig met de samenstelling van zijn eerste rapport over sociale indicatoren: armoede, ongelijkheid, huishoudinkomens, werkloosheid en jeugdwerkloosheid.

Dat blijkt vorig jaar oktober al aangekondigd (had ik gemist) en het moet volgende maand verschijnen. Het monitoren van deze vijf indicatoren moet de sociale dimensie van de EU versterken. Eurocommissaris László Andor is een van de leden van de Europese Commissie die zich er sterk voor heeft gemaakt. Zie eerder Eurocommissaris Andor: Beleid heeft gefaald. Doorbraak in eurocrisis?

Zou het warempel kunnen zijn dat het gezonde verstand bezig is terug te keren in het Europese economische beleid? Dat we eindelijk deze nachtmerrieachtige periode van neoliberale radicalisering achter ons kunnen laten? 

Want neem enige afstand en constateer dat de radicalen nu al een poos aan de macht zijn. Vermomd als de serieuze mannen (en een enkele vrouw) van het politieke midden. Er heerste ooit het gezonde economische verstand. Dat inhield dat je je voor een evenwichtig economisch beleid moest laten leiden door een aantal onomstreden belangrijke doelstellingen. Dat waren de volgende vijf:
  • duurzame economische groei
  • volledige werkgelegenheid
  • een stabiel prijspeil
  • evenwichtige betalingsbalans
  • rechtvaardige inkomensverdeling
Zie daarover nog eens Peter van der Meer. Dat was gebaseerd op het inzicht dat het marktmechanisme niet zo volmaakt is dat het van zichzelf tot een evenwicht leidt met volledige werkgelegenheid en een rechtvaardige verdeling. Er zijn ook evenwichten mogelijk met hoge werkloosheid en grote ongelijkheid. Hoe actueel!

Maar, misschien als gevolg van het kapitalistisch triomfalisme na de val van het communisme, is de politiek-economische elite kritiekloos de weldaden van het marktmechanisme gaan omarmen. Met tegelijk een sterke onderschatting van wat de rol van de overheid moet zijn. Die rol zou dus zo gering mogelijk moeten zijn. Cruciaal zou zijn dat de overheid niet te veel uitgeeft, want wat een particulier uitgeeft is altijd en per definitie beter uitgegeven dan wat de overheid uitgeeft. Alleen het hoogstnoodzakelijke dus. En nooit meer uitgeven dan er binnenkomt. Begrotingsevenwicht is het allerhoogste doel. 

Evenzo moet het waken over de waarde van het geld losgemaakt worden van de overheid. Dus een onafhankelijke centrale bank, die alleen maar mag streven naar een stabiel prijspeil. Niet bemoeien met werkgelegenheid. Werkloosheid? Niets aan doen, is onderdeel van de noodzakelijke aanpassingen.
Het is een werkelijkheidsvreemde, niet empirisch onderbouwde, extremistische visie op de werking van de economie. Eerder verworven macro-economische inzichten worden genegeerd.

Maar wie weet is de weg terug naar het gezonde verstand ingeslagen. Volledige werkgelegenheid hoort een doelstelling van economische politiek te zijn, evenals een rechtvaardige inkomensverdeling. En een echte centrale bank hoort naast het streven naar een stabiel prijspeil een werkgelegenheidsdoelstelling te hebben. Maar hoeveel tijd en energie zal het kosten om die weg te voltooien?

Ik moest daaraan denken bij het lezen van Thomas Fazi, The Battle For Europe. How An Elite Hijacked A Continent. And How We Can take It Back (Pluto Press, 2014). 

Ik bedoel, iedereen moet natuurlijk dat boek van Piketty lezen (ik moet er nog aan beginnen). Maar dat boek van Thomas Fazi verdient het evenzeer om hoog in de hitlijsten te komen.

vrijdag 12 juli 2013

NRCnext checkt "Werklozen blijvend beschadigd" - Conclusie: dat klopt inderdaad

NRCnext checkte gisteren de bewering van Peter van der Meer in de Volkskrant dat werkloosheid ongelukkiger maakt en dat het eenmaal werkloos zijn geweest leidt tot blijvende schade. Ik maakte melding van het artikel van Peter van der Meer in het vorige bericht. Er is geen link naar het NRCnext artikel zelf, maar wel naar dit artikel in NRC/Handelsblad dat daar over bericht.

Het was niet zo moeilijk om de waarheid te checken, omdat het overzichtsartikel "Verhoogt werk ons welzijn" (Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 2011) van Rudi Wielers, Peter van der Meer en de schrijver van dit blog daar voor beschikbaar was. In dat artikel geven we een overzicht van het onderzoek naar de welzijnseffecten van het hebben van werk of werkloos zijn en van werken als tijdsbesteding vergeleken met andere bezigheden. Dat onderzoek laat zien dat werkloosheid tot een aanzienlijke welzijnsachteruitgang leidt, die blijft bestaan ook als daarna weer werk wordt gevonden. Het laat een litteken na en heeft negatieve gevolgen voor de kinderen van werklozen. Zie ook Are European leaders aware of the miseries of mass unemployment?

Dit was de conclusie van Geertje Tuenter, die voor NRCnext de check uitvoerde:
In de Volkskrant schrijft econoom Peter van der Meer dat langdurig werklozen ongelukkiger zijn dan werkenden. Dat klopt inderdaad, ook voor mensen die korter werkloos zijn, mits het gaat om mensen die onvrijwillig thuiszitten. Het rapportcijfer dat werklozen aan hun eigen leven geven op een schaal van 1 tot 10, is gemiddeld twee punten lager dan bij mensen met een baan. Daarnaast beschrijft Van der Meer dat langdurig werklozen beschadigd raken. Wetenschappelijk onderzoek onderschrijft dat. Gemiddeld gezien komen werklozen na het vinden van een baan niet meer op hetzelfde welzijnsniveau als voorheen. De stelling is dus waar.
Dat was niet zo verrassend. Ik was eerlijk gezegd wel wat verbaasd dat NRCnext de stelling van Peter van der Meer toch nog zo controversieel leek te vinden dat ze een check op het waarheidsgehalte nodig en interessant vonden. Dat bevestigt het angstige vermoeden dat de kwalijke gevolgen van werkloosheid niet genoeg onder de aandacht komen. En maakt het begrijpelijker dat politici denken dat ze hun gang kunnen gaan bij het overboord gooien van die eens zo belangrijke doelstelling van volledige werkgelegenheid. Ze zijn daarmee op de verkeerde weg. En misschien helpt deze check van NRCnext ook weer een beetje om hen dat te laten inzien.

maandag 8 juli 2013

Overheid, doe eens wat aan de werkloosheid - Peter van der Meer in De Volkskrant

Overheid, doe eens wat aan de werkloosheid. Onder die titel herinnert Peter van der Meer er vandaag in De Volkskrant aan dat de overheid ooit haar best deed
volledige werkgelegenheid na te streven, naast een stabiel prijspeil, evenwicht op de betalingsbalans, een bevredigend percentage van (selectieve) economische groei en een redelijke inkomensverdeling. Geen van deze doelstellingen lijkt meer in de belangstelling te staan
Het enige doel is nog begrotingsevenwicht, waarvan we weten dat dit juist geen doel op zich zou moeten zijn. Momenteel zitten we in een situatie van onderbesteding, dat zien we aan de werkloosheid en onbenutte kapitaalgoederen, zie de bouw.
Het zijn werkgevers die niet investeren en consumenten die niet consumeren, bang als ze zijn hun kapitaal als appeltje voor de dorst nodig te hebben. In zo'n situatie zou het juist de overheid moeten zijn die de economie weer aanjaagt. Zij moet als vliegwiel fungeren en niet op de rem trappen. Op die manier bestrijd je de werkloosheid, volksvijand nummer één, het best.
Het huidige beleid heeft tot gevolg dat de economie blijft steken op een niveau met veel te hoge werkloosheid. (...)
Waar blijven de politici die het opnemen voor de werklozen?
Laten we Peter van der Meer maar in een adem noemen met Paul Krugman. Want die vraagt zich vandaag in The New York Times ook af waar die politici blijven. Wordt die dramatische terugval in publieke kennis nog eens gerepareerd? Je kunt nog zo intelligent zijn als Diederik Samsom schijnt te zijn, maar als je niet goed bent geïnformeerd, dan schiet dat niet op.

donderdag 2 mei 2013

Klopt het dat je nooit genoeg geld kunt hebben?

Maakt geld onbegrensd gelukkig? In de zin dat je er nooit genoeg van kunt hebben? Of klopt het bekende inzicht dat geld niet gelukkig maakt? Die vragen komen zo nu en dan weer op naar aanleiding van nieuw onderzoek. Zie eerder Geld maakt niet gelukkig. Of toch wel? Of toch niet? 

Nu is er weer een studie van Stevenson en Wolfers (zie link hieronder) die suggereert dat je van geld nooit genoeg kunt hebben en dat het dus wel degelijk zo is dat geld gelukkig maakt en gelukkig blijft maken, hoeveel je er ook al van hebt. Maar ook hier gaat het weer om een grafiek waarin tevredenheid met het leven (verticale as) wordt afgezet tegen het logaritme van het inkomen (horizontale as). Als de curves (per land) dan vrijwel recht lopen, wat inderdaad zo is, dan zegt dat niet dat elke €1000 extra evenveel extra tevredenheid oplevert. Als op de horizontale as gewoon het inkomen zou staan, dan zouden de curves wel degelijk afbuigen. Hoe meer geld je al hebt, hoe minder tevredenheid extra geld je oplevert. Anders gezegd, geld is wat economen een "normaal goed" noemen, dus met afnemend grensnut. (Weer met dank aan Peter van der Meer.)

Waarom dan toch steeds weer die heisa over dat geld toch wel degelijk gelukkig maakt? Omdat de discussie dan meestal gaat over de vraag of er ergens een knik in die curves zit waarbij extra geld helemaal geen extra tevredenheid oplevert. Die knik zou er volgens de Easterlin-paradox moeten zijn. Dat die er niet is, vinden sommigen heel belangrijk. Volgens Peter van der Meer, in een email, omdat ze "hardleers zijn, of dogmatisch of neo-liberaal. Die denken nog steeds dat de rijken nog niet rijk genoeg zijn".

Maar is het bestaan van die knik nou wel zo belangrijk? Belangrijker lijkt mij dat geld steeds minder gelukkig maakt naar mate mensen er meer van hebben. Dat is voldoende om bijvoorbeeld een stelsel van progressieve belastingheffing te rechtvaardigen.

Laten we er voor het overige bij bedenken dat er achter dat verband tussen geld en geluk grote verschillen tussen mensen kunnen bestaan. Een gemiddelde is maar een gemiddelde. Zo weten we bijvoorbeeld dat mensen die minder emotioneel stabiel zijn (neurotischer zijn) voor hun geluk meer afhankelijk zijn van hoeveel geld ze hebben. En wat kunnen mensen zoal doen met dat vele geld? Sommigen hebben het nodig om hun rijkdom te etaleren en zijn dus bezig met de statuscompetitie. Dat maakt niet erg gelukkig, dat wil zeggen, dat ze steeds meer geld nodig hebben om zich iets gelukkiger te voelen. Maar anderen geven juist veel van dat hoge inkomen dat ze hebben weg aan goede doelen en voelen zich daardoor gelukkiger.

Update. Zie nu hoe The Economist dit oppakt: ze laten de grafiek hierboven zien en vatten die als volgt samen:
the relationship between income and happiness hardly changes as incomes rise. Moving from rich to richer seems to raise happiness just as much as moving from poor to less poor. One never really grows tired of earning more.
Maar het gaat dus niet om de relatie tussen "inkomen" en geluk, maar om de relatie tussen de logaritme van het inkomen en geluk. En de rest klopt dus niet. Eigenaardig.

You Can Never Have Too Much Money, New Research Shows | Brookings Institution:

'via Blog this'

maandag 22 april 2013

Wat zijn de economische kosten van werkloosheid? En meer over de welzijnseffecten van werkloosheid en recessie

Martien H. reageerde op het bericht Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders met de vraag of er onderzoek is gedaan naar de economische kosten van werkloosheid. Naast de psychologische (welzijns-)aspecten. Ik moest het antwoord schuldig blijven. Maar nu geeft Peter van de Meer het antwoord. Zie de opmerkingen bij het bericht.

Peter verwijst naar het artikel The Macroeconomics of Happiness (pdf) uit 2003 van Di Tella, MacCulloch en Oswald, waarin de auteurs
een poging (doen) de kosten van werkloosheid te becijferen. Voor Amerika komen ze tot een bedrag van $330,- (dollars van 2001) per jaar voor elke Amerikaan (dus niet alleen de werklozen) bij een groei van de werkloosheid met 1,5 procentpunt. Bij sterkere stijgingen loopt het bedrag verder op, omdat er bij de berekening geen rekening is gehouden met verdere inkomensdaling vanwege de recessie en omdat een hoog werkloosheid percentage ook een negatief effect heeft op happiness.
Ik heb nog even naar de conclusie-gedeelte gekeken en zie daar dat de onderzoekers het monetaire equivalent van het welzijnseffect van werkloos worden op 3800 dollar per jaar schatten. Dat wil zeggen dat je een werkloze dat bedrag per jaar zou moeten uitbetalen om hem even gelukkig te maken als wanneer hij niet werkloos was geworden.

Verder blijkt dat recessies grote welzijnsverliezen met zich mee brengen. Het monetaire equivalent van een recessie schatten de onderzoekers voor de Verenigde Staten op een verlies van 200 dollar per jaar per persoon. Dit zou neerkomen op 3 % van het BNP per persoon. Dit komt dus bovenop de werkelijke daling van inkomsten in een recessie. De auteurs interpreteren het als de alomtegenwoordige stress van de vrees om werkloos te worden.

Tevens blijkt dat werkloosheidsuitkeringen er niet voor niets zijn, want ze verkleinen de welzijnsverliezen.

Maar al met al merken de auteurs op dat de standaardeconomie geneigd is deze belangrijke welzijnskosten van recessies te onderschatten. Hoe actueel is dit in 2013!

donderdag 11 april 2013

Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders

Nu we meemaken dat de politieke machthebbers in Europa met, het lijkt wel, onverschilligheid extreem hoge werkloosheidscijfers aanvaardbaar of zelfs wenselijk achten (als een middel om de lonen naar beneden te brengen en zo de concurrentiekracht te vergroten), is het goed om stil te staan bij de negatieve gevolgen van werkloosheid op degenen die dat treft. En: bij de negatieve gevolgen voor hun kinderen.

Aan die gevolgen voor werklozen zelf besteedden Rudi Wielers, Peter van der Meer en ikzelf aandacht in het overzichtsartikel Verhoogt werk ons welzijn? Zie daarover ook dit bericht. Onderzoek wijst uit dat de ervaring van werkloosheid de tevredenheid met het leven fors doet dalen, ongeveer 2 punten op een 10-puntsschaal. Zie de studies Unhappiness and Unemployment (betaalpoort) en Why Are the Unemployed So Unhappy? Evidence From Panel Data (pdf).

Die lage tevredenheid blijft ook bij langdurige werkloosheid bestaan; er treedt niet een aanpassingsproces op. En sterker, ook als je daarna weer werk vindt, dan heeft de ervaring van werkloos te zijn geweest een blijvende invloed op het niveau van welzijn dat mensen nog kunnen bereiken. Werkloosheid lijkt levenslang littekens na te laten Zie Scarring: The Psychological Impact of Past Unemployment (betaalpoort) en Unemployment Alters the Set Point For Life Satisfaction (betaalpoort).

Daaraan kan nu toegevoegd worden dat dat litteken er vooral uit bestaat dat mensen die een keer werkloos zijn geweest, daar een angst aan overhouden om dat nog een keer te moeten meemaken. Werkloos te zijn geweest creëert angst en onzekerheid. Zie Scarring of Scaring? The Psychological Impact of Past Unemployment and Future Unemployment Risk (pdf).

En er zijn nu zelfs aanwijzingen dat de ervaring van werkloosheid slecht uitwerkt op de kinderen die de werkloosheid van hun vader hebben meegemaakt. Uit de studie The Impact of Fathers’ Job Loss during the Recession of the 1980s on their Children’s Educational Attainment and Labour Market Outcomes (betaalpoort) blijkt dat kinderen van vaders die in de economische recessie van de jaren 80 van de vorige eeuw in Engeland werkloos werden, slechtere eindexamenresultaten behaalden en een grotere kans hadden op jeugdwerkloosheid. En de onderzoekers maken plausibel dat die negatieve gevolgen ook echt veroorzaakt werden door de werkloosheid van de vader (in plaats van een zogenaamd selectie-effect). Deze negatieve gevolgen waren vooral groot aan de onderkant van de arbeidsmarkt. We weten niet wat hier het psychologische mechanisme is, maar het zou kunnen dat kinderen die werkloosheid van hun vader meemaken, er minder op vertrouwen dat hun inspanningen voor school en werk ook echt resultaten zullen afwerpen. Als ze je zo maar op straat kunnen zetten, ja, wat heeft het dan allemaal voor zin?

Uiteraard hebben al deze effecten niet alleen een psychologisch (welzijns-)aspect, maar ook hebben ze grote economische kosten.

Dit alles maakt het navrant dat politieke leiders op zo grote schaal een (kortzichtige) obsessie hebben met overheidsschulden en ten behoeve daarvan het ooit algemeen omarmde streven naar volledige werkgelegenheid geheel aan de kant hebben gezet. Werkloosheid is in hun denken een middel geworden om evenwicht op de overheidsbegroting te bewerkstelligen. Een slecht middel. En een evenwicht dat niet nodig is. Denk eens beter na over de echte prioriteiten, zou je zeggen.

dinsdag 12 februari 2013

Geld maakt niet gelukkig. Of toch wel? Of toch niet?

Maakt geld toch wel gelukkig? De nieuwe studie Rising Income and the Subjective Well-Being of Nations  (pdf) van Ed Diener, Louis Tay en Shigehiro Oishi lijkt daarop te wijzen. Vorig jaar was er ook de studie The New Stylized Facts About Income and Subjective Well-Being (betaalpoort) van Daniel W. Sacks, Betsey Stevenson en Justin Wolfers. Er zijn al reacties uitgelokt, zoals deze van Mathijs Bouman, waarin het "linkse idee" van de economie van het genoeg naar de prullenmand wordt verwezen.

Maar wat zeggen deze nieuwe onderzoeken nu precies? Het lijkt mij om twee vragen te gaan:
  • Is het zo dat meer geld steeds wat minder geluk/tevredenheid/welbevinden oplevert? Anders gezegd: is geld een "normaal" goed, dus een goed met afnemend marginaal nut?
  • Is het welzijnseffect van meer inkomen afhankelijk van wat er met het inkomen van anderen gebeurt? Als iedereen meer gaat verdienen, dan zou het positieve effect van jouw inkomenstoename geringer zijn dan wanneer alleen jouw inkomen zou toenemen. Anders gezegd: het gaat om het relatieve inkomen.
Het antwoord op die eerste vraag was, en is ook nu nog, dat inkomen een normaal goed is. Hoe meer je er van hebt, hoe minder wat extra's jou nog aan extra geluk of tevredenheid of welzijn oplevert. Die twee studies die ik hierboven noem, zijn in hun presentatie verwarrend. Ze suggereren inderdaad dat je nooit genoeg geld kunt hebben. Maar in beide analyses wordt gewerkt met de logaritme van het inkomen, wat betekent dat de gevonden verbanden wijzen op een afnemend marginaal effect van inkomen. Peter van der Meer attendeerde me op dit citaat uit de Sacks/Stevenson/Wolfers-studie:
But of course, the logarithmic relationship implies that each percent increase in income raises measured well-being by a similar amount, and hence each extra dollar raises well-being by less than the previous. That is, going from $1000 to $2000 raises satisfaction by twice as much as going from $2000 to $3000 and by the same amount as going from $10,000 to $20,000.
En het is nog maar de vraag of deze studies aantonen dat het relatieve inkomen er niet toe doet. Dus dat mensen alleen maar in hun eigen inkomen geïnteresseerd zouden zijn en zich niet zouden vergelijken met anderen. Zo vinden Diener, Tai en Oishi inderdaad dat rijke mensen in een rijk land zich beter af voelen dan iemand die net zo rijk is, maar in een arm land woont. Als het relatieve inkomen er toe zou doen, dan zou die rijke in het arme land zich juist beter moeten voelen, zo redeneren de onderzoekers. Maar ze geven zelf als mogelijke verklaring dat die rijke persoon in dat rijke land profiteert van de welvaart in dat land, waardoor er goede wegen zijn, goede scholen, goede ziekenhuizen etc. Allemaal zaken die in de meeste arme landen ontbreken. Dat betekent dat het mogelijke effect van relatief inkomen in de analyses niet geïsoleerd is. Of in de woorden van Peter van der Meer:
Het effect van relatief inkomen wordt niet getoetst. Er wordt alleen gesuggereerd dat relatief inkomen er niet toe doet. Probleem bij het toetsen van relatief inkomen is het creëren van vergelijkingsgroepen. Daar waar dat gedaan is, is het effect van relatief inkomen altijd veel sterker dan dat van absoluut inkomen.
Kortom, dat we de oude wijsheid dat geld niet gelukkig maakt helemaal overboord kunnen gooien, daarvoor lijkt het nog te vroeg.

donderdag 5 januari 2012

Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee

Rudi Wielers, Peter van der Meer en ondergetekende hebben het onderzoek naar de welzijnseffecten van betaald werk op een rij gezet en gekeken wat je daar uit nu kunt concluderen. Wat opvalt is dat het werk als activiteit ons weinig welzijn oplevert. Dat wil zeggen dat werk gepaard gaat met minder positieve gevoelens en meer negatieve gevoelens dan alle andere activiteiten, met uitzondering van woon-werk verkeer. Maar wat dan ook meteen opvalt is dat het hebben van werk veel meer welzijn (tevredenheid met het leven) oplevert dan het werkloos zijn. Dat zou betekenen dat werk nodig is om je tevreden te voelen. Maar huisvrouwen en gepensioneerden zijn ook erg tevreden met hun leven.

Het artikel (Verhoogt werk ons welzijn?) Een bespreking van onderzoeksresultaten) is vorige maand verschenen in het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken. Ik citeer hieronder  de afsluitende samenvatting en onze interpretatie.
Afsluiting: omstandigheden en aspiraties
Om het effect van betaald werk op welzijn te bepalen is het noodzakelijk te onderscheiden tussen werk als activiteit en het hebben van werk als toestand. De bijdrage van werk als activiteit aan het (hedonisch) welzijn van werkenden is klein en nog lager bij een hoge werkdruk. Vrijwel alle andere activiteiten die werkenden verrichten leveren meer welzijn op. Ook voor de sociale contacten op de werkvloer geldt dat ze minder welzijn genereren dan andere contacten.
Daar staat tegenover dat het hebben van werk veel levenssatisfactie verschaft. Dit blijkt uit onderzoek waarin de levenssatisfactie van werkenden en werklozen wordt vergeleken. Een opvallend gegeven is echter ook dat gepensioneerden en huisvrouwen niet een lager niveau van levenssatisfactie realiseren dan werkenden. De lage levenssatisfactie van werklozen in vergelijking met werkenden, huisvrouwen en gepensioneerden vloeit waarschijnlijk voort uit gefrustreerde aspiraties van werklozen. Niet het werk zelf, maar de daaraan verbonden aspiraties lijken de meeste invloed op de levenssatisfactie te hebben. De resultaten voor huisvrouwen en gepensioneerden laten zien dat een hoog niveau van welzijn ook zonder betaald werk valt te realiseren, maar dit impliceert ook het afzien van de aspiraties behorende bij dat betaalde werk.
Voor mensen met betaald werk hangt de levenssatisfactie nauwelijks af van het aantal uren werk of het inkomen. Een groter aantal uren werk heeft een klein negatief effect op de levenssatisfactie. Met name vrouwen die in deeltijd werken bereiken vaak een iets hoger niveau van levenssatisfactie dan voltijd werkende vrouwen. Het effect van inkomen op de levenssatisfactie is klein. Gewenning, statuscompetitie en stijgende aspiraties zijn de gebruikelijke verklaringen voor dit verschijnsel.
Deze onderzoeksresultaten zijn aanwijzingen dat de aan werk verbonden aspiraties belangrijker zijn voor het welzijn dan de omstandigheden waaronder het werk wordt verricht. Het effect van omstandigheden op het welzijn is klein (Lykken & Tellegen, 1998) en dat lijkt dus ook te gelden voor werkomstandigheden.
Daarentegen lijken juist aspiraties van invloed op de levenssatisfactie. Over de wijze waarop aspiraties met betrekking tot betaald werk tot stand komen en zich ontwikkelen is nog maar weinig bekend. We zien belangrijke aanknopingspunten in de literatuur over de wijze waarop verschillende levensdoelen het welzijn beïnvloeden. We willen dit toelichten voor de posities van werkenden en van werklozen.
Een interessant gegeven met betrekking tot aspiraties in het werk is dat prominente onderzoekers als Easterlin, Layard en Kahneman concluderen dat de levenssatisfactie zou toenemen als mensen minder tijd aan inkomensverwervende activiteiten zouden besteden. De onderliggende redenering is dat inkomen de levenssatisfactie nauwelijks doet toenemen. Goederen die kunnen worden verkregen met inkomen leiden door gewenning, statuscompetitie en bijstelling van aspiraties niet tot een duurzame verhoging van de levenssatisfactie. Als mensen beter geïnformeerd zouden zijn over die geringe duurzaamheid en het vermogen zouden hebben om die kennis aan te wenden, dan zouden ze minder tijd besteden aan het nastreven van die goederen. In plaats daarvan zouden ze zich meer kunnen richten op andere wenselijkheden die een duurzamer effect hebben op levenssatisfactie, zoals een goed huwelijk, verbondenheid met familie en vrienden (‘companionship’; Lane, 2000; Layard, 2005) en zelfontplooiing.
Deze redenering wordt niet sterk ondersteund door onderzoek naar objectieve determinanten van welzijn, want de samenhang tussen het aantal arbeidsuren en de levenssatisfactie is zwak. Maar onderzoek naar de welzijnseffecten van levensdoelen ondersteunt de stelling wel. Volgens dat onderzoek verschillen mensen in de mate waarin ze oftewel meer streven naar financieel succes, status en beroemdheid (extrinsieke doelen) oftewel meer naar verbondenheid met anderen en zelfontplooiing (intrinsieke doelen). Het blijkt dat mensen die vooral gericht zijn op extrinsieke doelen minder welzijn en meer gezondheidsproblemen ervaren dan mensen die vooral zijn gericht op intrinsieke doelen (Kasser & Ryan, 1993; Pöhlman, 2001; Kasser & Ahuvia, 2002).
Dat veel mensen de intrinsieke doelen belangrijker vinden dan de extrinsieke wijst erop dat mensen al veel inzicht hebben in de beperkingen van het nastreven van extrinsieke doelen voor het genereren van levenssatisfactie (Sheldon et al., 2003). Hoewel de populariteit van prestatiegerelateerde beloning in het HRMbeleid van organisaties in het verdere verleden wel eens groter is geweest, bestaat er nog steeds een geloof in de goede werking ervan en is het gebruik de laatste decennia in sommige bedrijfstakken, zoals de bankensector, zelfs toegenomen. Prestatiebeloning blijkt maar zeer beperkt en onder strikte voorwaarden een gunstig effect te hebben op de bedrijfsresultaten (Jenkins et al., 1998; Bucklin & Dickinson, 2001; Thierry, 2002) en kan voor het bedrijf ongunstige praktijken in de hand werken (Brick et al., 2006; Denis et al., 2006). Maar daar komt dus nog bij dat deze vorm van beloning aspiraties bij werknemers veronderstelt die niet duurzaam de levenssatisfactie verhogen. Prestatiebeloning is dus meestal niet gunstig voor het bedrijf en bovendien niet welzijnsverhogend voor werknemers.
Een andere vraag is die naar de aard van de aspiraties van werklozen die zo sterk van invloed zijn op hun lage levenssatisfactie. Volgens het besproken onderzoek kunnen de daling van het inkomen en het minder maatschappelijk geaccepteerd zijn van werkloosheid de daling van de levenssatisfactie niet verklaren. Mogelijk spelen ook hier intrinsieke aspiraties een rol.
We vermeldden reeds dat werklozen een lagere levenssatisfactie hebben naarmate werk een meer centrale plaats inneemt in hun persoonlijke waardesysteem. De kern van de frustratie van werklozen is mogelijk dat het juist basale intrinsieke levensdoelen zijn die niet voldoende worden vervuld. Deci en Ryan (2000) onderscheiden op basis van onderzoek, naast verbondenheid met anderen, competentie en autonomie als intrinsieke levensdoelen. Voor een bevredigend niveau van welzijn zou elk van deze drie aspiraties voldoende vervuld moeten zijn. Voor werklozen lijken in ieder geval de behoefte aan autonomie en competentie slecht bevredigd te worden: ze zijn afhankelijk van een uitkering en gaan twijfelen aan hun competentie. Die behoeften aan competentie en autonomie liggen zo diep verankerd dat de beoordelingen en gevoelens die eruit voortvloeien, weinig onderhevig zijn aan beïnvloeding door maatschappelijke normen. Voor een werkloze is het prettiger als werkloosheid maatschappelijk meer geaccepteerd is, maar die acceptatie vermindert niet zijn twijfel over zijn competentie en zijn gevoel van afhankelijkheid.
Die intrinsieke behoeftes aan competentie en autonomie maken het ook begrijpelijk dat het toch al lage hedonisch welzijn van werk bij hoge werkdruk nog lager is. In niet-werk situaties zijn mensen veel meer in staat om hun inspanningen naar eigen inzichten en mogelijkheden in te delen en te doseren dan in hun werkomgeving. Ook in de vrije tijd kan er druk zijn om te presteren, maar die druk komt van binnenuit en is zelf opgelegd en dus ook zelf te doseren. Een hoge werkdruk op het werk komt van buiten, door bijvoorbeeld prestatiebeloning en het voortdurend moeten halen van targets. Een toestand van blijvend hoge werkdruk moet dus, door de vrees tekort te schieten en door gebrek aan controle, wel ten koste gaan van de behoefte aan competentie en autonomie.
Daarmee komen we tot een tentatieve conclusie. Het besproken onderzoek lijkt erop te wijzen dat zowel het betaalde werk als tijdsbesteding als het hebben van betaald werk ons welzijn meer verhogen als ze meer aan onze intrinsieke aspiraties appeleren dan aan onze extrinsieke. En het is de vraag of dat inzicht wel voldoende wordt benut bij de heersende inrichting van het werk, de werkduur en de beloningspraktijken.