Laten we het weer eens over luisteren hebben. Ik had het daar eerder over in Door elkaar heen praten als verschijningsvorm van de statuscompetitie en In een gemeenschapsrelatie luister je naar elkaar. En in een vluchtige relatie kan goed luisteren een middel zijn om een gemeenschapsrelatie tot stand te brengen. Maar met een risico.
De aanleiding om er opnieuw bij stil te staan is het essay Luisteren is geen wondermiddel, wel een kunst die je kunt leren van Rick Pullens, dat eerder dit jaar in Trouw verscheen. Daarin gaat het erover dat we zo weinig en steeds minder naar elkaar luisteren. Het is bij mijn weten nooit echt onderzocht, maar je komt vaak dat vermoeden of zelfs de overtuiging tegen. Pullens haalt filosoof Miriam Rasch aan, die in Luisteroefeningen; over aandacht en ontvankelijkheid stelt dat luisteren ‘Een zeldzame vaardigheid (is), die veel mensen zijn kwijtgeraakt of misschien wel nooit hebben geleerd’. Het zal best waar zijn, want de tegenovergestelde klacht, dat mensen teveel luisteren en te weinig praten, die hoor je eigenlijk nooit.
In het domein van de persoonlijke relaties kom je het probleem tegen in de vorm van het door elkaar heen praten. Doordat de meesten liever praten dan luisteren, wordt iedereen die iets probeert te vertellen voortdurend onderbroken. Als we met zijn tweeën zijn, wachten we vaak nog wel onze beurt af. Dat wordt met zijn drieën al wat lastiger en met vier of meer ontaardt het gesprek al snel in aan kakofonie van onafgemaakte zinnen en uitroepen. Zonder een goede voorzitter gebeurt hetzelfde met vergaderingen.
In het publieke domein van de onpersoonlijke relaties wordt het liever praten dan luisteren in verband gebracht met de maatschappelijke polarisatie. Pullens vertelt dat Miriam Rasch vaak de reactie kreeg dat haar onderwerp van groot belang was "in deze tijden van polarisatie". Daarmee zal worden gedoeld op het verschijnsel dat mensen zo overtuigd zijn van hun eigen gelijk dat ze niet meer in staat zijn tot een gesprek, een dialoog, met andersdenkenden. Mensen zijn dan zo vertrouwd met de eigen mening, dat ze een tegengestelde mening alleen nog maar als een aanval kunnen zien. Een aanval op hoe volgens jou de wereld in elkaar zit, die daarom niet meer met argumenten kan worden bestreden, maar alleen met een tegenaanval. Niet de andere mening moet worden bestreden, maar de persoon die hem uitdraagt. Overigens: mijn indruk is dat we niet in tijden van polarisatie leven, maar in tijden van rechts-extremisme.
Sociaalwetenschappelijk gezien valt er over praten en luisteren wel het een en ander te zeggen. Mensen begonnen er al eerder mee, maar waren zo'n 40 tot 50 duizend jaar geleden volledig in staat om te praten en naar het praten van anderen te luisteren. Rond die tijd moet het proces van de ontwikkeling van het vermogen om taal te leren voltooid zijn geweest. Lees Taalontwikkeling voor een mooi overzicht van hoe dat leren in de eerste levensjaren in zijn werk gaat. En merk op dat het luisteren naar praten en het graag willen luisteren daar een wezenlijke rol in speelt. In dat proces leren kinderen niet alleen om anderen, maar ook zichzelf, toe te spreken. Dus om een innerlijke dialoog te voeren, waardoor ze het typisch menselijke zelfbewustzijn ontwikkelen. Lees (nog eens): Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar? Over het filter van vooronderstellingen, taal, zelfbewustzijn en geheugen. Taal, dus praten en luisteren, en zelfbewustzijn zijn nauw met elkaar verbonden.
Terence Deacon vraagt zich in zijn The Symbolic Species af (p.384) hoe dat taalvermogen, such an unlikely and novel means of social communication as the use of symbols, in de menselijke evolutie heeft kunnen ontstaan. Wat was er zo'n 40 tot 50 duizend jaar geleden met onze verre voorouders aan de hand dat mensen taal gingen gebruiken om te communiceren? Dat ze gingen praten en luisteren? Dat het sindsdien bestaat, betekent dat we er op geselecteerd werden om het te kunnen. En betekent dat het van cruciaal belang moet zijn geweest voor onze overleving en reproductie.En dat was natuurlijk zo. Want alleen met een coöperatief groepsleven, met samenwerken en delen, waren jager-verzamelaars in staat om hun kinderen groot te brengen. Dat wij naast het bij zoogdieren meest voorkomende statuscompetitiepatroon in ons gedrag ook in staat zijn tot het unieke gemeenschapspatroon, moet er wel mee te maken hebben dat ooit de coöperatieve zorg voor kinderen (cooperative breeding) onze evolutie binnenkwam. Die coöperatieve zorg, dus hulp bij die zorg door anderen dan de eigen moeder en zelfs door niet-verwante groepsleden, stond ermee in verband dat kinderen zo vroeg en onrijp werden geboren dat een groot deel van de hersengroei en -ontwikkeling zich nog na de geboorte voltrok.
Daardoor raakten pasgeborenen er op voorbereid om in hun eerste levensjaren de sociale motivaties en vaardigheden op te doen die hen deelgenoot maakten van een gemeenschap. Waarin intensief moest worden gecommuniceerd vanwege dat samenwerken en delen. Zonder de gelijktijdige ontwikkeling van dat gemeenschapspatroon zou dat vroeg en onrijp geboren worden een evolutionair doodlopende weg zijn geweest. Praten en vooral ook goed kunnen luisteren was veel meer dan een kers op de taart, alleen voor de gezelligheid, het was cruciaal voor het voortbestaan.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten