Posts tonen met het label vooroordelen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vooroordelen. Alle posts tonen

vrijdag 16 november 2018

Vooroordelen wegnemen via internet, kan dat?

Voor- en tegenstanders van Zwarte Piet zijn met elkaar in gesprek gegaan. Kick Out Zwarte Piet-voorman Jerry Afriyie en "Blokkeer-Friezen" troffen elkaar in de woonkamer van activiste en vlogster Joyce Beukema in Leeuwarden. Zie het bericht in de Leeuwarder Courant: Blokkeerders in gesprek met Kick Out Zwarte Piet. Een citaat:
,,We zijn een gesegregeerd land”, zei Afriyie. ,,Iedereen zit achter zijn eigen muren, in zijn eigen bubbel. Gelukkig zijn er mensen die proberen om over die muren heen te klimmen. Iets zei me dat ik hier vanavond moest zijn. Ik ben heel blij dat ik het gedaan heb.”
Volgens de sociaalwetenschappelijke contacthypothese is de kans groot dat de beide partijen meer begrip voor elkaar hebben gekregen en dat de wederzijdse vooroordelen wat zijn verzacht. Zie hier de berichten op dit blog achter het label contacthypothese. 

Het ging hier om een face-to-face contact. Jeryy Afriye nam de moeite om er voor naar Leeuwarden te reizen.

Vaak zal het niet zo gemakkelijk zijn om tegenstanders face-to-face bij elkaar te krijgen. Zou het ook via internet kunnen? Kunnen vooroordelen ook via online contacten worden verminderd?

Ja, dat blijkt het geval te zijn. Australische onderzoekers ontwikkelden een online programma, E-contact, waarmee leden van verschillende groepen elkaar leren kennen en met elkaar samenwerken. Zo brachten ze katholieken en protestanten in Noord-Ierland, moslim en katholieke leerlingen van gesegregeerde scholen in Australië, homoseksuelen en heteroseksuelen en mensen met en zonder schizofrenie online met elkaar in contact.

Met als resultaat dat mensen meer begrip voor elkaar kregen en dat vooroordelen werden verminderd. Hier doen de onderzoekers daar verslag van: How research is helping to reduce prejudice between people online. Een uitgebreider overzicht vind je hier: Improving Intergroup Relations in the Internet Age: A Critical Review. 

Als het internet aan zichzelf wordt overgelaten, is er het levensgrote gevaar dat iedereen zich in zijn eigen zeepbel opsluit. En dat het kuddegedrag juist wordt versterkt.

Maar je blijkt het internet dus ook te kunnen inzetten om mensen juist dichter bij elkaar te brengen.

maandag 15 januari 2018

Door persoonlijke contacten minder vooroordelen geldt niet met een rechts wereldbeeld

In deze tijd van toenemend rechts-extremisme, anti-immigrantensentiment en het aan hun lot overlaten van vluchtelingen in erbarmelijke omstandigheden staat het sociaalwetenschappelijke thema van de sociale contacthypothese weer opnieuw in de belangstelling. Volgens die hypothese is de kans op acceptatie van een andere dan de eigen groep groter naarmate er meer gelegenheid is geweest voor persoonlijk, sociaal contact met leden van die groep.

We hebben al gezien dat er veel aanwijzingen zijn dat die hypothese klopt. Zie voor overzichten van onderzoek het bericht Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt. Ook hebben we gezien dat een of twee positieve ervaringen met iemand van een outgroup al de empathie met die groep doet toenemen.

Het achterliggende mechanisme zal ermee te maken hebben dat
  • we er als sociale diersoort op zijn ingesteld om ons te bewegen in een groep van vertrouwde anderen, met wie we delen en samenwerken
  • we in ontmoetingen met vreemden aanvankelijk voorzichtig en achterdochtig zijn, zeker als er signalen zijn van vijandschap en bedreiging
  • positieve contacten met vreemden dat aanvankelijke wantrouwen verminderen
  • waardoor we hen zelfs kunnen toelaten tot onze kring van vertrouwdheid
  • en een positievere houding ontwikkelen tegenover de outgroup waartoe ze behoren.
Maar mensen kunnen natuurlijk verschillen in het gemak waarmee dit proces zich zal kunnen voltrekken. Sommigen zullen wantrouwender zijn dan anderen. Sommigen hebben (veel) meer positieve contacten nodig om hun vooroordelen te kunnen laten varen.

Uit de nieuwe studie Contact Reduces Immigration-Related Fears for Leftist but Not for Rightist Voters valt op te maken dat degenen die meer rechts georiënteerd zijn op het politieke links-rechts spectrum meer wantrouwend zijn en meer positieve contacten nodig hebben. Voor hen gaat de contacthypothese in mindere mate of zelfs geheel niet op.

In de twee landen waarin het onderzoek werd uitgevoerd, de Verenigde Staten en Duitsland, werd mensen gevraagd naar hun houding tegenover immigranten en naar hoeveel vrienden ze in het buitenland hadden en hoeveel vrienden die van een ander land afkomstig waren.

Het bleek toen dat die contacthypothese wel opging voor degenen die op een linkse politieke partij hadden gestemd (de Democraten in de V.S. en de SPD of Die Linken in Duitsland) en niet voor degenen die op een rechtse partij hadden gestemd (de Republikeinen in de V.S en de CDU, de FDP of de AfD in Duitsland).  In Duitsland was het effect van contacten zelfs averechts: het maakte de houding tegenover immigranten negatiever.

De onderzoekers gingen ook nog na waar het aan lag dat voor rechts de hypothese niet opging. Had het ermee te maken dat je op een rechtse partij stemde (denk aan de CDU van Merkel) of kwam het er speciaal uit voort dat je op een rechtse partij stemde die zich heel uitgesproken negatief uitlaat over immigranten (denk aan de AfD). 

Dat eerste bleek het geval. Er is kennelijk iets met dat politiek rechtse wereldbeeld aan de hand dat maakt dat het hebben van persoonlijke contacten niet zo gemakkelijk leidt tot minder negatieve vooroordelen.

zaterdag 25 november 2017

Vooroordelen kun je bestrijden. Neem nu het afnemende draagvlak voor Zwarte Piet

Het discrimineren van bevolkingsgroepen komt voort uit vooroordelen. En onderzoek suggereert dat uitingen van vooroordelen vallen te bestrijden door er wat van te zeggen. In veel gevallen is het niet meer dan een slechte gewoonte, die je kunt afleren als anderen je ermee confronteren. Zie het bericht van gisteren: Vooroordelen zijn te bestrijden door mensen ermee te confronteren.

Een mooi voorbeeld daarvan is de afname van het draagvlak voor Zwarte Piet. Volgens de peiling van EenVandaag van een paar dagen geleden is het percentage dat het uiterlijk van Zwarte Piet wil behouden, gedaald van 89 procent in 2013 tot 68 procent nu.

Zwarte Piet dateert uit een tijd dat Nederland een etnisch homogeen land was en dat in landen als de Verenigde Staten en Zuid-Afrika nog rassenscheiding bestond. En dat we ons in onze overzeese gebiedsdelen als overheersers gedroegen. Dat we met de traditie van Zwarte Piet een groep mensen op een negatieve manier stereotypeerden, viel nog niet zo op.

Maar toen ons land verscheidener begon te worden, begonnen we ons achter de oren te krabben. Oproepen om ermee te stoppen confronteerden ons met wat we eigenlijk aan het doen waren: uiting geven aan een vooroordeel. Een slechte gewoonte.

En die confrontaties blijken te werken.

Waarschijnlijk was die werking nog groter geweest als niet een groepje rechtsextremisten, met een hoge Sociale Dominantie Oriëntatie, die slechte gewoonte tot een essentieel onderdeel van onze "volkseigen" tradities had verheven. En daarmee enig succes boekte.

vrijdag 24 november 2017

Vooroordelen zijn te bestrijden door mensen ermee te confronteren

We weten dat contact helpt tegen vooroordelen. Zie Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.

Maar (meer) contact is niet altijd mogelijk. Zou je vooroordelen ook kunnen bestrijden door mensen ermee te confronteren? De nieuwe studie The Endurance of Interpersonal Confrontations as a Prejudice Reduction Strategy wijst op de effectiviteit van zulke confrontaties.

Proefpersonen werd gevraagd de toepasselijkheid van verschillend beschrijvingen van afgebeelde personen van verschillende huidskleur te beoordelen. Het ging om een soort test (de stereotype application task), waarmee je kunt vaststellen in hoeverre iemand geneigd is tot stereotypering. Dus tot vooroordelen.

Een deel van degenen die blijk hadden gegeven van vooroordelen werd daarmee geconfronteerd. Letterlijk werd hen gezegd:
“I thought some of your answers seemed a little offensive. The Black guy wandering the streets could be a lost tourist. People shouldn’t use stereotypes, you know?”
Een week later keerden ze terug in het laboratorium, waar nog een keer een test op vooroordelen werd afgenomen. Het bleek toen dat degenen die met hun vooroordeel waren geconfronteerd, minder blijk gaven van het hebben van vooroordelen dan degenen die er niet mee waren geconfronteerd.

En met behulp van de afgenomen vragenlijst kon worden vastgesteld dat die gedragsverandering deels werd verklaard doordat ze na die confrontatie een slecht gevoel over zichzelf hadden gehad en daarover hadden gepiekerd. Zoals afgebeeld in het plaatje (causale diagram) hieronder:


Anders gezegd, zoals je zou willen dat een confrontatie uitwerkt, werkte hij ook uit. Mensen gingen erover nadenken en veranderden hun gedrag.

Het uiten van vooroordelen is waarschijnlijk vaak niet veel meer dan een soort slechte gewoonte. Die is af te leren als iemand er wat van zegt.

donderdag 17 augustus 2017

Sociaalwetenschappelijk onderzoek dat helpt om het verschijnsel-Trump beter te begrijpen

De recente gebeurtenissen in de Verenigde Staten wijzen nog maar weer eens op de opvallende overeenkomsten tussen wat we nu meemaken en dat wat zich afspeelde in Duitsland in de jaren 30 van de vorige eeuw. Bij die overeenkomsten stond ik eerder stil in het bericht Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann).

Maar er is natuurlijk ook een belangrijk verschil. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden zich de sociale wetenschappen en die kunnen ons nu bijstaan in het begrijpen van wat er gaande is. Die ontwikkeling was trouwens voor een groot deel juist in gang gezet door de motivatie om de vreselijke gebeurtenissen te begrijpen die zich in nazi-Duitsland en in de Tweede Wereldoorlog hadden afgespeeld.

Wat hebben die sociale wetenschappen te bieden om nu het verschijnsel-Trump (dat ook de morele teloorgang en radicalisering van de Republikeinse partij omvat) en meer in het algemeen de opkomst van het rechts-extremisme te begrijpen en te verklaren?

Ik moet dan allereerst denken aan het onderzoek dat de toename van rechts-extremistische opvattingen in verband brengt met de toename van bestaansonzekerheid. Zie mijn laatste bericht daarover: Meer onderzoek naar verband tussen bestaansonzekerheid en rechts-extremisme en volg de links daarin naar vorige berichten.

Dat onderzoek was er in de jaren 30 van de vorige eeuw niet en is er nu wel. En het valt te hopen dat de eruit voortkomende inzichten snel tot de politiek en het beleid doordringen en benut gaan worden.

Maar er is meer. Zo is er dit mooie overzicht dat Thomas Pettigrew opstelde van onderzoek dat kan helpen bij het begrijpen van de Amerikanen die op Trump stemden: Social Psychological Perspectives on Trump Supporters.

Pettigrew, een wel heel gerenommeerd sociaal-psycholoog, ordent dat onderzoek in de vier thema's:
  • Authoritarianism and Social Dominance Orientation (SDO)
  • Prejudice
  • Intergroup contact
  • Relative Deprivation
Het onderzoek dat ik noemde naar de rol van bestaansonzekerheid valt onder het thema van de relatieve deprivatie.

Het eerste thema slaat op al dat onderzoek dat geprobeerd heeft om het persoonlijkheidssyndroom te karakteriseren van mensen die bij uitstek vatbaar zijn voor autoritaire en rechts-extremistische opvattingen. Dat onderzoek begon ooit, kort na de Tweede Wereldoorlog, met The Authoritarian Personality van Adorno en anderen (volg de link voor de uitgebreide Wikipedia-pagina).

Zie voor die Sociale Dominantie Oriëntatie mijn eerdere berichten daarover, zoals Ongelijkheid verhoogt de Sociale Dominantie Oriëntatie en daarmee racisme, seksisme en anti-immigranten- en anti-uitkeringstrekkerssentiment, PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme en Over Sociale Dominantie en "In Rotterdam spreken we Nederlands".

Die twee andere thema's, vooroordeel en intergroepscontact, hangen nauw met elkaar samen. Ze slaan op het probleem dat we in onze huidige maatschappij in onderlinge afhankelijkheid staan tot vreemden en leden van andere groepen die we niet persoonlijk kennen. Dat informatietekort leidt ertoe dat zich gemakkelijk, meestal negatieve, vooroordelen ontwikkelen, die in het dagelijks leven en in de politiek vervelende gevolgen kunnen hebben. Onderzoek wijst erop dat vooroordelen kunnen worden verminderd door een toename van onderling contact (de sociale contact-hypothese) en daarmee van onderlinge vertrouwdheid. Zie bijvoorbeeld Meer empathie bij toenemende vertrouwdheid: nieuwe aanwijzing.

Een andere recent verschenen interessante sociaalwetenschappelijke bijdrage is The Appeal of the Primal Leader: Human Evolution and Donald J. Trump van Dan McAdams. Maar daarover een volgende keer.

vrijdag 9 juni 2017

Over de negatieve gezondheidseffecten van politiek die haat, vooroordeel en verdeeldheid zaait

We weten al veel over het verband tussen de persoonlijke sociale omgeving waarin mensen verkeren en hun gezondheid. Dan gaat het erover dat eenzaamheid en de stress van statuscompetitie de kans op gezondheidsproblemen vergroten. Zie De weg van eenzaamheid en sociale stress via verhoogde ontstekingsactiviteit naar gezondheidsproblemen.

Maar onze sociale omgeving omvat meer dan de persoonlijke relaties die we wel of niet hebben. Er is daaromheen ook het wijdere publieke domein, waarin de politiek zich afspeelt.

En ook de politiek kan onze gezondheid beïnvloeden. Natuurlijk in de eerste plaats doordat die politiek tot beleidsmaatregelen leidt die uitwerkingen hebben op onze gezondheid. Denk even aan de WRR-lezing van Martin McKee van eind vorig jaar (Martin McKee over het vergeten belang van verzorgingsstaat en bestaanszekerheid).

Maar daarnaast staan we ook bloot aan wat politici te melden hebben en aan de stemming en de atmosfeer die ze daarmee in het land creëren.

Als ze oproepen tot vooroordeel, haat en verdeeldheid, dan heeft dat een negatieve uitwerking op de gezondheid van bevolkingsgroepen. In het medisch tijdschrift The New England Journal of Medicine vragen onderzoekers daar aandacht voor: Health Effects of Dramatic Societal Events — Ramifications of the Recent Presidential Election. Zie ook dit bericht op Vox voor een interview met een van de onderzoekers: Study: the wave of hostility under Trump is going to make us sick.

De aanleiding daartoe is de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. Het lijkt erop dat die verkiezing het onderlinge gedrag van Amerikanen negatief heeft beïnvloed en het anti-minderhedensentiment in het land heeft versterkt. Ik stond daar in het bericht van gisteren al bij stil (Over de slechte invloed van statuscompetitieve leiders. En dus over Donald Trump). 

Een indruk van de ontstane atmosfeer geeft deze passage uit dat artikel:
One of the first postelection messages on the Daily Stormer, a hate website, claimed that the election was a referendum on “multiculturalism” and encouraged verbal intimidation of foreigners, especially those wearing Islamic clothing. It declared, “We want these people to feel unwanted. We want them to feel that everything around them is against them. And we want them to be afraid.”
Waarna de onderzoekers een overzicht geven van de aanwijzingen dat zulke vormen van racisme, vooroordelen tegen minderheden en vijandigheid tegen immigranten negatieve gezondheidseffecten hebben op de betreffende bevolkingsgroepen. Die effecten ontstaan deels doordat mensen rechtstreeks blootstaan aan zulke gedragingen en uitingen, maar ook door een algehele toename van zorgen, waakzaamheid en piekeren.

Politiek is, dat wisten we natuurlijk al, niet een onschuldig tijdverdrijf. Maar niet alle politici lijken daar oog voor te hebben.

vrijdag 26 augustus 2016

Wat is er eigenlijk aan de hand in Europa? Over rampzalig economisch beleid en rechtsextremisme

We maakten een rondreis door de Baltische staten. Ook daar was er weer alle aanleiding om bij de Europese geschiedenis stil te staan. Bij de gruwelen en verschrikkingen die zich in de twintigste eeuw in ons kleine werelddeel met zoveel nationaliteiten hebben afgespeeld. En ik dacht weer even aan Helmut Schmidt.

Ik ben midden in de Tweede Wereldoorlog geboren en heb dus vooral herinneringen aan de tijd dat iedereen er van overtuigd was dat het van nu af aan beter zou worden. Europa had zijn lessen geleerd en zou vol overtuiging gaan werken aan een vreedzame en welvarende toekomst. Samenwerking in plaats van vijandschap, democratie in plaats van dictatuur, openheid en tolerantie in plaats van vooroordelen en discriminatie.

Lang heb ik het volgehouden om met die optimistische bril naar de ontwikkelingen in Europa te kijken. Maar dat lukt niet meer, zeker niet nadat ik doorkreeg, toen de financiële crisis ook Europa trof, dat we geregeerd worden door een neoliberale sekte. Die een obsessie heeft met concurrentie tussen landen, terwijl voor welvaart coördinatie en samenwerking veel belangrijker zijn. Zeker als landen een monetaire unie vormen. Als ik beter had opgelet, had ik het trouwens eerder kunnen doorhebben, want alles lijkt te zijn begonnen met Reagan en Thatcher in de jaren tachtig en met de toen al ingezette teloorgang van de Europese sociaal-democratie.

Dat rampzalige economische beleid, met die obsessie met overheidstekorten, heeft geleid tot massawerkloosheid, toenemende ongelijkheid, bestaansonzekerheid en armoede, op een schaal die je voor Europa niet voor mogelijk had gehouden.

En vrijwel zeker daarmee samenhangend, tot die opleving van rechts-extremisme en vreemdelingenhaat die we nu dagelijks in het nieuws tegenkomen. O, wat lijkt dit allemaal verontrustend veel op wat zich in de jaren 30 afspeelde.

Wat valt er sociaalwetenschappelijk over te zeggen? Enige kijk daarop geeft Daniel Little in het bericht Survey research on right-wing extremism in Europe. Het haalt teveel overhoop om nu kort te kunnen samenvatten, ook al omdat de zon op de ramen van mijn studeerkamer begint te schijnen.

Maar ik volgde even de link naar het rapport Intolerance, Prejudice  and Discrimination A European Report van de Friedrich Ebert-Stiftung. Dat rapport doet verslag van onderzoek naar de omvang van wat wordt genoemd groepsgerichte vijandelijkheid (vooroordelen en discriminatie) in acht Europese landen, waaronder Nederland. Het dateert uit 2011 en je kunt vrezen dat het daarna alleen maar erger is geworden.

Die groepsgerichte vijandelijkheid bestaat er uit dat iemand neerkijkt op (leden van) andere groepen, zich er boven verheven voelt. Anderen zijn minderwaardig en moeten hun plaats kennen. De onderzoekers noemen de kern er van een ideologie van statusongelijkheid. Als op een groep wordt neergekeken, dan ook op andere. In het onderzoek ging het om anti-immigrantensentiment, racisme, antisemitisme, anti-moslim, seksisme en homofobie.

Ik citeer een paar passages uit de samenvatting:
Group-focused enmity is widespread in Europe. It is weakest in the Netherlands, and strongest in Poland and Hungary. With respect to anti-immigrant attitudes, anti-Muslim attitudes and racism there are only minor differences between the countries, while differences in the extent of anti-Semitism, sexism and homophobia are much more marked.
About half of all European respondents believe there are too many immigrants in their country. Between 17 percent in the Netherlands and more than 70 percent in Poland believe that Jews seek to benefit from their forebears’ suffering during the Nazi era. About one third of respondents believe there is a natural hierarchy of ethnicity. Half or more condemn Islam as “a religion of intolerance”. A majority in Europe also subscribe to sexist attitudes rooted in traditional gender roles and demand that: “Women should take their role as wives and mothers more seriously.” With a figure of about one third, Dutch respondents are least likely to affirm sexist attitudes. The proportion opposing equal rights for homosexuals ranges between 17 percent in the Netherlands and 88 percent in Poland; they believe it is not good “to allow marriages between two men or two women”.
Three ideological orientations are especially associated with group-focused enmity: authoritarianism (an underlying attitude espousing law and order and discipline), Social Dominance Orientation (advocating social status hierarchies) and the rejection of diversity (a general rejection of cultural, ethnic and religious diversity within a country). (Zie in dit verband ook mijn bericht PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme.)
General political attitudes are relevant only to a certain degree. Respondents who describe themselves as tending to the right, who feel politically powerless and who wish for a strong leader and support the death penalty are on average more prejudiced. The intensity of political interest is of little relevance for the dissemination of prejudice.
Group-focused enmity need not remain restricted to attitudes. It can also have consequences for action. We investigated this in relation to immigrants. Respondents who denigrate weak groups are more likely to oppose integration of immigrants, to refuse them equal political participation, to discriminate against them and to use violence against them. (Denk ook even aan de gevaarlijke jonge mannen.)
Alongside an authoritarian mentality that supports hierarchies the most important explanatory factors for group-focused enmity are a subjective feeling that immigrants represent a threat and a general feeling of social disorientation. Low income and the feeling of being disadvantaged also play a role.
 En tenslotte over wat die groepsgerichte vijandelijkheid kan afzwakken of juist versterken:
The most important factors mitigating against group-focused enmity are trust in others, the ability to forge firm friendships, contact with immigrants, and above all a positive basic attitude towards diversity. Religiosity on the other hand does not mitigate against group-focused enmity, and holding general values that emphasize security and universalism plays only a small role in explaining tolerant attitudes.
Denk bij dat "contact with immigrants" ook even aan deze twee blogberichten: Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt en
Hoopvol: Een of twee positieve contacten zijn genoeg om gebrek aan empathie met outgroup weg te nemen.
Update. En zie nu ook het bericht Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact - Nieuwe aanwijzingen.

dinsdag 12 januari 2016

Hoopvol: Een of twee positieve contacten zijn genoeg om gebrek aan empathie met outgroup weg te nemen

Omdat wij met maar een klein deel van de sociale wereld om ons heen persoonlijk vertrouwd zijn, kunnen we over andere delen daarvan gemakkelijk allerlei negatieve vooroordelen ontwikkelen. We nemen dan soms snel "het zekere voor het onzekere". Tot nu toe blijkt het beste middel daartegen een toename van contacten tussen groepen te zijn. Zie Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.
Dit is een citaat uit het bericht Over het vermogen om je empathie uit te schakelen. En over verantwoordelijke politici. In dat bericht en in het bericht waar ik in het citaat naar link, gaat het erover dat mensen in staat zijn tot het ontwikkelen van ingroup-outgroup indelingen en dat bovendien de maatschappij waarin wij leven tot het denken in zulke indelingen uitnodigt. Een actueel inzicht, mag je wel zeggen.

Een in de sociale wetenschappen al langer bestaand inzicht is dat negatieve vooroordelen minder worden als er meer contact is tussen groepen. Dit is bekend geworden als de contacthypothese, een term die in 1954 geïntroduceerd werd door de sociaal-psycholoog Gordon Allport (1897 - 1967). Door meer contact is er meer vertrouwdheid en we weten dat vertrouwdheid belangrijk bijdraagt aan empathie.

Er is nu nieuw onderzoek dat meer vertelt over wat voor contact, en hoeveel contact, dat dan zou moeten zijn: How learning shapes the empathic brain. Het onderzoek werd in Zwitserland uitgevoerd, waar een grote minderheid immigranten uit de Balkan woont, wat door veel Zwitsers als problematisch wordt gezien.

Stel je voor dat je een Zwitser bent. In het onderzoek word je een aantal keren met een andere Zwitser of met een Balkan-immigrant gekoppeld, waarbij na elke ronde de personen wisselen. Degene waar mee je gekoppeld bent, kan tegen inlevering van 5 Frank voorkomen dat jij een milde, maar ook weer niet prettige, schok krijgt toegediend op de rug van je hand. Maakt het dan verschil wie die ander is die daarover beslist, een mede-Zwitser of een Balkan-immigrant?

De onderzoekers gingen dat na doordat ze van te voren gemeten hadden hoe empathisch de proefpersonen reageerden op het zien van die toch wat pijnlijke ervaring van die schok door mede-Zwitsers en door Balkan-immigranten. Dit deden ze door de activiteit van de betreffende hersengedeeltes af te lezen (de personen lagen in een hersenscanner.) Meer activiteit in die gedeeltes staat voor meer empathie. Aan het eind van het onderzoek werden die metingen herhaald.

Toen bleek dat het geholpen worden door een Balkan-immigrant (door die schok te voorkomen) de empathie met die persoon, maar ook met andere Balkan-immigranten sterk verhoogde. Anders gezegd, positieve ervaringen met een lid van de outgroup generaliseerden naar de andere leden van die groep.

Bovendien bleek dat die toename van empathie tot stand kwam via een positiever gevoel over de leden van de outgroup. Een vergelijkbare toename van empathie was er niet bij de mede-Zwitsers, waar de empathie aanvankelijk al hoger was.

Hoe vaak moest je dan geholpen zijn voor dat die toename van empathie intrad? Na een grondige analyse van de gegevens kwamen de onderzoekers tot de conclusie dat dit effect al optrad na een of twee keer geholpen te zijn. Leertheoretisch gezien: een of enkele positieve ervaringen met een tot dan negatieve stimulus was voldoende om je van je negatieve gevoelens te genezen.

Al met al levert het onderzoek sterke aanwijzingen op voor de geldigheid van de contacthypothese. Negatieve vooroordelen zijn te bestrijden door mensen met elkaar in contact te brengen en gelegenheden te creëren om iets voor elkaar te doen.

Dat geeft, in deze toch wat barre tijden, een beetje hoop.
(De afbeelding is afkomstig van Gordon Allport.)

zaterdag 9 mei 2015

Meer empathie bij toenemende vertrouwdheid: nieuwe aanwijzing

Er is nieuw onderzoek dat het vermoeden versterkt dat empathie, het meeleven met anderen, versterkt wordt als de vertrouwdheid met die anderen toeneemt.

We weten al dat mensen meer meeleven met de pijn van anderen als die anderen tot het zelfde ras behoren. De nieuwe studie Racial bias in neural response to others' pain is reduced with other-race contact laat zien dat dat verschil in empathie er uit voortkomt dat mensen doorgaans meer vertrouwdheid ervaren in de omgang met mensen van het eigen ras.

De onderzoekers vonden namelijk dat Chinese studenten die vijf jaar of korter aan een Australische universiteit hadden gestudeerd en meer contact hadden gehad met Australiërs, evenveel meeleefden met de pijn van Australiërs dan met de pijn van Chinezen. In tegenstelling tot de Chinese studenten die minder contact met Australiërs hadden gehad. Bij hen was dat rasverschil in empathie nog wel aanwezig.

De mate van empathie werd vastgesteld middels een fMRI scan terwijl de proefpersonen video's zagen van personen die werden aangeraakt met de punt van een injectienaald of met een wattenstaafje. Het meer meevoelen met de pijn van die aanraking in het geval van de injectienaald kan worden afgemeten aan de activiteit van de Cortex cingularis anterior, een gebied in de hersenschors dat betrokken is bij de verwerking van pijn.

Over het algemeen wordt dus gevonden dat dat gebied actiever is als je iemand van hetzelfde ras pijn ziet lijden in plaats van iemand van een ander ras. Maar dat verschil was dus verdwenen bij die Chinese studenten die in die periode dat ze in Australië studeerden, in hun dagelijks leven meer contact hadden gehad met Australiërs. Dat bevestigt het vermoeden dat het (natuurlijk) niet om het rasverschil op zich gaat, maar om de mate van ervaren vertrouwdheid.

Hoe meer we met anderen vertrouwd zijn, hoe gemakkelijker we met hen meeleven. Empathie berust op vertrouwdheid.

Denk nog even terug aan de eerdere berichten op dit blog over het belang van vertrouwdheid, zoals Draait alles om vertrouwdheid? en Minder pesten als leerlingen elkaar beter kennen - daarom moeten scholen kleiner en dichter bij huis.

En merk het verband op met het inzicht dat meer contact helpt tegen vooroordelen.

maandag 23 maart 2015

Over het vermogen om je empathie uit te schakelen. En over verantwoordelijke politici

We weten dat mensen verschillen in hun geneigdheid tot empathie, tot het zich inleven in het lot van anderen. En omdat veel van ons pro-sociale gedrag berust op het vermogen tot empathie, is dat een belangrijk inzicht. Sommige mensen zijn nu eenmaal, als onderdeel van hun persoonlijkheid, empathischer, en daarmee pro-socialer, dan anderen. Iedereen kent dat. Sommige mensen staan altijd voor anderen klaar, terwijl anderen veel terughoudender opereren.

Maar onze neiging tot empathie heeft zich evolutionair ontwikkeld samen met andere sociale vermogens. Als we een gevoel van vertrouwdheid ervaren, zoals wanneer we met anderen een gezamenlijke geschiedenis hebben opgebouwd, dan wordt onze empathie gemakkelijker aangewakkerd dan wanneer we met vreemden en buitenstaanders te maken hebben.

Het blijkt dat we zelfs in staat zijn om onze empathie uit te schakelen, buiten werking te stellen. En dat vermogen staat los van onze geneigdheid tot empathie. Of je nu naar persoonlijkheid heel empathisch of juist weinig empathisch bent, je hebt tegelijkertijd en in dezelfde mate dat vermogen om je empathie uit te schakelen.

En het lijkt er op dat die rem op empathie een soort veiligheidsmechanisme is waarzonder empathie niet als persoonlijkheidstrek zou kunnen overleven.

Die rem werkt des te sterker als er aanwijzingen zijn dat anderen niet alleen vreemden zijn, maar ook nog een bedreiging zouden kunnen vormen. Als we bedreigd worden, dan moeten we ons misschien verdedigen en dan zouden we er alleen maar last van hebben als we ons teveel zouden inleven in wat dan de vijand blijkt te zijn. We weten dan, waarschijnlijk grotendeels onbewust, een kloof tussen "wij"en "zij" te genereren, die empathie buiten werking stelt.

Aan het onderzoek naar die empathie-kloof besteedde de New York Times vorige week aandacht in een lang en lezenswaardig artikel (The Brain's Empathy Gap). Waarin vooral het werk van de cognitieve neuro-onderzoeker Emile Bruneau naar voren wordt gehaald. Die reisde niet alleen de wereld over om real-life conflicten te onderzoeken, maar deed ook laboratoriumonderzoek. Zo verdiepte hij zich in het conflict tussen Israël en de Palestijnen en tussen de Katholieken en de Protestanten in Noord-Ierland. Maar ook in de discriminatie van de Roma in Hongarije en de Tamil in Sri Lanka. Allemaal gevallen waarin de empathie-kloof lijkt te zijn ontstaan als reactie op bedreiging of wel of niet reële aanwijzingen voor bedreiging.

En in laboratoriumonderzoek toonde hij aan dat mensen, hoe empathisch ze naar aanleg ook waren, zich minder inleefden in de lotgevallen van anderen die tot een andere groep behoorden of buitenstaanders waren. Terwijl die groepen willekeurig waren ingedeeld en door niet meer kenbaar waren dan door een eigen kleur en logo op het computerscherm. Van concrete aanwijzingen voor bedreigingen was zelfs helemaal geen sprake. Kennelijk zijn we er op ingesteld om het zekere voor het onzekere te nemen.

Een interessant overzicht van onderzoek geeft Bruneau samen met anderen in het artikel Us and Them. Intergroup Failures of Empathy. Daarin vind je ook verwijzingen naar succesvolle interventies om die empathie-kloof te dichten. Naar de succesvoorwaarden is nog weinig onderzoek, maar duidelijk is al wel dat een toename van onderling contact een belangrijk ingrediënt kan zijn. Op grond van het inzicht dat gevoelens van bedreigd worden vaak niet op realiteit berusten.

Omdat wij met maar een klein deel van de sociale wereld om ons heen persoonlijk vertrouwd zijn, kunnen we over andere delen daarvan gemakkelijk allerlei negatieve vooroordelen ontwikkelen. We nemen dan soms snel "het zekere voor het onzekere". Tot nu toe blijkt het beste middel daartegen een toename van contacten tussen groepen te zijn. Zie Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.

Maar het ligt natuurlijk voor de hand om er voor te zorgen dat er geen irreële beelden ontstaan over bedreigingen door andere groepen. Verantwoordelijke politici zullen zich dus hoeden voor ongefundeerde negatieve uitlatingen over bevolkingsgroepen of andere volken.

Dat lang niet alle politici zich verantwoordelijk gedragen, dat weten we helaas ook. Ik denk alleen maar even aan de negatieve stereotypering door politici (Merkel, Rutte) van de Grieken en de bijdrage daarvan aan het voort etteren van de eurocrisis.

maandag 28 oktober 2013

Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt

Hoe komen we van het bestaan van vooroordelen af? En daarmee van de vaak gewelddadige conflicten die uit vooroordelen voortkomen?

Een in de sociale wetenschappen bekend antwoord op die vragen is dat vooroordelen die verschillende groepen over elkaar hebben, verminderen als de leden van die groepen meer contacten over en weer hebben. Dit heet wel de contacthypothese en die werd door de sociaal psycholoog Gordon Allport in 1954 geïntroduceerd in zijn boek The Nature of Prejudice.

Ananthi Al Ramiah en Miles Hewstone geven nu in Intergroup Contact as a Tool for Reducing, Resolving, and Preventing Intergroup Conflict Evidence, Limitations, and Potential (betaalpoort) een mooi overzicht van al het onderzoek dat is gedaan om te checken of die hypothese klopt. Daarmee bouwen ze voort op de studie A meta-analytic test of intergroup contact theory van Pettigrew en Tropp uit 2006, die de data van ruim 500 studies bij elkaar veegden en analyseerden.

Al dat onderzoek heeft opgeleverd dat het inderdaad klopt dat door meer persoonlijk contact tussen leden van verschillende groepen met negatieve vooroordelen over elkaar, die vooroordelen verminderen. Waardoor naar verwachting ook de kans op gewelddadige conflicten of onderdrukking van minderheden vermindert.

Dit is zonder meer een van die onderzoeksgebieden waarmee de sociale wetenschappen hun grote maatschappelijke belang bewijzen. Wij leven dicht bij huis en wereldwijd in maatschappelijke verhoudingen met groepsgrenzen naar nationaliteit, etniciteit, religie, cultuur en sociaaleconomische status. Daardoor ontwikkelen we gemakkelijk vooroordelen, vooral negatieve, over leden van andere groepen. Die zijn vaak onschuldig. Maar als daar echte of vermeende belangenconflicten bij komen, die ideologisch aangewakkerd worden, dan ontstaan gevaarlijke toestanden.

Na de gruwelen van het Hitler-bewind, met de genocide op Joden, Roma, homo's en gehandicapten, en die van het Stalin-regime hebben we (ik ben van 1943) een poos gedacht dat zoiets voorgoed geschiedenis was, maar die optimistische tijd is al lang voorbij. In Europa hadden we Noord-Ierland en in de jaren 90 de moordpartijen in het voormalige Joegoslavië. En hebben we nu het door de economische crisis en het rampzalige bezuinigingsbeleid oplevende rechts-extremisme. Zie ook nog eens Verontrustend actueel. En buiten Europa hadden we de apartheid in Zuid-Afrika en de Verenigde Staten en de verschrikkingen in China (Mao), in Cambodja (Pol Pot) en de moordpartijen in Congo, Rwanda, Darfur en Sudan. Het gaat ergens over.

Inzicht in de gunstige werking van persoonlijke contacten is dus van groot belang. Enkele zaken die me opvielen bij het lezen van dat artikel van Al Ramiah en Hewstone zijn:
  1. Er zijn aanwijzingen dat persoonlijke contacten met leden van een andere groep ook vooroordelen vermindert over leden van andere groepen waarmee geen persoonlijk contact bestaat. De werking er van is algemener. Kennelijk zijn mensen in staat om uit het niet kloppen van vooroordelen in het ene geval te concluderen dat ze dan misschien wel in het algemeen niet kloppen. Ze worden in het algemeen toleranter, ruimdenkender en realistischer.
  2. Waardoor vermindert dat contact de bestaande vooroordelen? Doordat de angst voor de anderen er door vermindert en doordat empathie toeneemt. Dat moet er mee te maken hebben dat mensen elkaar gewoon beter leren kennen. Er ontstaat iets van die onderlinge vertrouwdheid die in de eigen groep vanzelfsprekend is en die mensen nodig hebben om samen te kunnen leven. Denk aan die Paleo Sociale Omgeving, waarin de mensheid is geëvolueerd. Die sociale omgeving is nog altijd een model voor menselijk samenleven dat we niet straffeloos blijken te kunnen negeren.
  3. Meer persoonlijk contact vermindert niet alleen vooroordelen, maar vergroot ook het vertrouwen, de vergevingsgezindheid en de bereidheid tot verzoening. Dat zijn ook de eigenschappen die kenmerkend zijn voor de Paleo Sociale Omgeving.
  4. Is het alleen het persoonlijke contact dat deze gunstige effecten heeft? Nee, er zijn aanwijzingen dat ook virtueel contact helpt (internet). En ook parasociale contacten, dus het meer leren over andere groepen en culturen door het kijken naar televisieprogramma's. Ook hoef je het contact niet eens zelf te hebben. Als je vrienden hebt met zulke contacten, verminderen ook jouw vooroordelen.
We kunnen dus wel degelijk wat doen om vooroordelen terug te dringen en zo bij te dragen tot een vreedzamere wereld. Er is zonder meer een taak voor de media weggelegd. Alleen is het de vraag of we daar in de regelgeving (publieke omroep!) wel voldoende rekening mee houden.

En ik moest er ineens aan denken dat die vroegere militaire dienstplicht, naast alle nadelen, wel het voordeel had dat je maatjes werd met anderen van verschillende rangen en standen. Wat dat aangaat, hadden we die dienstplicht nu misschien wel goed kunnen gebruiken.