woensdag 29 februari 2012

Waarom niet de drachme én de euro in Griekenland?

James Skinner (zie link onderaan dit bericht): Griekenland kan morgen de drachme invoeren, niet in plaats van, maar naast de euro. Dat zou het mogelijk maken dat allerlei binnenlandse transacties die nu niet plaats vinden doordat de geldhoeveelheid (in euro's) in is gezakt, weer kunnen worden gesloten en uitgevoerd. De Grieken hebben veel geld (in euro's) verloren, maar hebben nu net zo veel tijd als eerder. Door de drachme als complementaire munt in te voeren is het beter mogelijk om al die tijd productief voor elkaar aan te wenden. Het zou de welvaart van de Grieken verhogen. Zie mijn eerdere berichten over LETS en Time Banks, waarvan dit het laatste was. En zie de Nederlandse website over complementaire munten.
James Skinner - A dual-currency solution to the Greek debt crisis | the new economics foundation:

'via Blog this'

Gezondheid en sociale omgeving (10): de gezondheidsschade van inkomensongelijkheid

Als onze sociale omgeving zo belangrijk is voor onze gezondheid, maakt het dan ook wat uit in wat voor land we wonen? Maakt dat land zelf en wat we daar van waarnemen, deel uit van onze sociale omgeving? Natuurlijk niet in de zin dat we al onze landgenoten persoonlijk kennen. Maar wel in de zin dat we indirect van alles over hen weten. We zien ze op straat lopen of fietsen. En in de media trekken ze aan ons voorbij, als bekende persoonlijkheden of als anonieme anderen, over wie we informatie te weten komen als hun inkomens, hun uitgaven, hun schulden, hun stemgedrag, hun opinies, hun televisiekijkgedrag, hun wetsovertredingen en wat niet al. En op al die kenmerken kunnen we onszelf met die anderen vergelijken. Heeft zulke informatie, of hebben de indrukken die we van onze landgenoten hebben, invloed op onze gezondheid?

Van een van die kenmerken waar van wij een indruk, meestal een vage indruk, hebben, weten we vrij veel van de invloed die er van uitgaat op onze gezondheid. Ik doel op de mate van inkomensongelijkheid in het land waar we wonen. Er is een schat aan onderzoek dat laat zien dat onze gezondheid negatief wordt beïnvloed als in het land waar we wonen de verschillen tussen arm en rijk groter zijn.

Veel van de resultaten van dat onderzoek zijn in 2009 helder en toegankelijk samengevat door Richard G. Wilkinson en Kate Pickett in hun boek The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better. (Zie nog eens dit bericht met een video waarin Wilkinson de schadelijke gevolgen van een hoge inkomensongelijkheid bespreekt.) Zoals ik in dit bericht uit oktober vorig jaar al vermeldde, blijken inwoners van landen met meer ongelijkheid van inkomens minder sociale contacten te hebben en meer psychische en fysieke gezondheidsproblemen. Ook ging ik in dat bericht in op aanwijzingen dat de oorzaak er in zou liggen dat inwoners van landen met meer ongelijkheid meer in een voortdurende statuscompetitie zijn verwikkeld. Grote ongelijkheid lijkt meer te prikkelen tot inspanningen om de top te bereiken. En tot inspanningen om de schande van het "mislukken" te vermijden.

Ik noemde toen al dit onderzoek waarin staten van de Verenigde Staten werden vergeleken. Daaruit bleek dat in staten met een hogere inkomensongelijkheid mensen minder lid waren waren van vrijwilligersorganisaties en elkaar minder vertrouwden. En dat deze twee aanwijzingen voor de mate van statuscompetitie vervolgens samenhingen met meer gezondheidsproblemen.

Daar is nu dit onderzoek bijgekomen, waarin 33 landen werden vergeleken. In dat onderzoek werd ook gekeken of het negatieve gezondheidseffect van grote inkomensongelijkheid misschien er uit voortkomt dat landen met meer ongelijkheid minder geld uitgeven aan de gezondheidszorg. Dat laatste was wel het geval. Maar het bleek dat die uitgaven aan gezondheidszorg niet samen hingen met minder gezondheidsproblemen. Wel was, net als in dat vorige onderzoek, duidelijk dat mensen in landen met meer ongelijkheid elkaar minder vertrouwden en dat het elkaar minder vertrouwen negatief uitwerkt op de gezondheid.

In hoofstuk 3 van hun boek The Spirit Level gaan Wilkinson en Pickett in op de stress van de statuscompetitie die groter is in landen met grotere ongelijkheid. De titel van dat hoofdstuk is goed gekozen: How Inequality Gets Under The Skin. Ik citeer een passage (p. 43-44):
Greater inequality seems to heighten people's social evaluation anxieties by increasing the importance of social status. Instead of accepting each other as equals on the basis of our common humanity as we might in more equal settings, getting the measure of each other becomes more important as status differences widen. We come to see social position as a more important feature of a person's identity. Between strangers it may often be the dominant feature. As Ralph Walo Emerson, the nineteenth-century American philosopher , said, ''Tis very certain that each man carries in his eye the exact indication of his rank in the immense scale of men, and we are always learning to read it.' Indeed, psychological experiments suggest that we make judgments of each other's social status within the first few seconds of meeting. No wonder first impressions count, and no wonder we feel social evaluation anxieties.
If inequalities are bigger, so that some people seem to count for almost everything and others for practically nothing, where each one of us is placed becomes more important. Greater inequality is likely to be accompanied by increased status competition and increased status anxiety. It is not simply that where the stakes are higher each of us worries more about where he or she comes. It is also that we are likely to pay more attention to social status in how we assess each other.
Hoewel het waarschijnlijk lijkt dat iedereen, dus ook degenen met de hogere inkomens, de gezondheidsschade van grotere ongelijkheid ondervinden, zijn er veel aanwijzingen dat de degenen met de lagere status er nog weer meer van te lijden hebben. Dat verwijst naar het vele onderzoek naar sociaal-economische gezondheidsverschillen. Daarover een volgende keer.

maandag 27 februari 2012

Paul Krugman: nog maar eens de echte oorzaken van de eurocrisis

Nog maar een keer: de echte oorzaken van de eurocrisis. Niet de uitgedijde verzorgingsstaten. Niet de grote overheidstekorten. Wel: de invoering van een gemeenschappelijke munt zonder de bijbehorende instituties.
Duitsland zou kunnen helpen door terug te keren van zijn eigen bezuinigingsbeleid en het accepteren van hogere inflatie, maar wil dat niet doen.
(...) onjuiste verhalen over Europa worden gebruikt om maatregelen door te drukken die wreed, destructief of beide zijn. De volgende keer dat je mensen het Europese voorbeeld hoort aanhalen om te eisen dat we het sociale vangnet moeten vernietigen of in onze bestedingen moeten snijden in een diepe depressie, dan is dit wat je moet weten: ze hebben geen idee waar ze over praten.
 What Ails Europe? - NYTimes.com:

'via Blog this'

zaterdag 25 februari 2012

Onder de indruk van Dirk Bezemer. Agent-based modeling in de economie

Ik ben erg onder de indruk van Dirk Bezemer, universitair hoofddocent economie aan de Groningse Universiteit. Zie de link hieronder voor een interview met hem. Eerder noemde ik hem als een van de twee Nederlandse Paul de Grauwes. Hij is een van de weinige economen die er aan werken om de financiële sector ook echt op te nemen in een model van de economie. Met andere woorden: om de financiële sector als economische factor ook echt serieus te nemen. Het is curieus om je te realiseren dat dat tot nu toe vrijwel niet is gebeurd. Aanleidingen tot dit werk waren de transitieproblemen van de communistische economieën na de val van de Muur en uiteraard de kredietcrisis.

Hij maakt daarbij de overstap van de traditionele economische modellen naar "agent-based modeling", een manier van simuleren van sociale interacties die uit de biologie en de sociale wetenschappen komt. Ik heb daar in het verleden ook zelf mee gewerkt. Zie hier en hier.
Dirk Bezemer - Growth and Crisis: The Two Faces of Credit | Institute for New Economic Thinking:

'via Blog this'

vrijdag 24 februari 2012

DEMOS over grootouders en over deeltijdwerk

Demos (hier de pdf) heeft een artikel over het belang van grootouders, waar ik eerder over berichtte. Zie hier voor mijn vorige bericht daarover. In dezelfde aflevering ook een artikel over deeltijdwerk in Nederland. Zie daarover ook dit bericht.

woensdag 22 februari 2012

Simon Johnson: Too Big To Fail, But Also Too Big Too Jail

Simon Johnson is het niet eens met de schikking die de regering-Obama getroffen heeft met de banken voor frauduleus gedrag bij de executies van hypotheken. Zijn betoog eindigt met:
Het voornaamste motief voor de lankmoedigheid van de regering ten aanzien van deze ernstige criminaliteit is natuurlijk de angst voor de consequenties van harde maatregelen tegen individuele bankiers. En misschien is de regering terecht bang, gegeven de massieve omvang van de banken in vergelijking met de economie. In feite zijn die banken nu groter dan ze voor de crisis waren, en, zoals James Kwak en ik uitgebreid hebben laten zien in ons boek 13 Bankers, zijn ze veel groter dan 20 jaar geleden.
Topbankiers willen veel geld verdienen. Ze willen ook uit de gevangenis blijven. Politieke leiders kunnen zuchten en steunen zoveel als ze willen, maar zonder een geloofwaardige dreiging van armoede of tijd achter de tralies hebben bankiers geen goede reden om zich aan de wet te houden. Voor hen gaat het allemaal om handel - en je kunt in het publieke beleid even gemakkelijk de onnozele hals zijn dan in een persoonlijke leenovereenkomst.
De boodschap vandaag voor de bestuurders van banken is simpel: maak je bank zo groot mogelijk - en blijf dan groeien. Als je er in slaagt om groot genoeg te worden, dan zijn jij en je medewerkers niet alleen te groot om te falen, maar ook te groot om achter de tralies te komen (too big to fail, but also too big to jail).
De regering-Obama heeft alle anderen tot onnozele halzen gemaakt.

'via Blog this'

Eurocrisis: Met Merkel naar de catastrofe

Stefan Collignon in Die Zeit: Merkel leidt Europa naar de catastrofe. (En Mark Rutte en Jan Kees de Jager volgen.) De eurocrisis is geen crisis van overheidsschulden, maar een liquiditeits- en bankencrisis. Bezuinigen maakt de problemen erger. De eurozone heeft een gemeenschappelijke kapitaalmarkt nodig. De crisis zou snel overwonnen kunnen worden.
Euro-Krise: Merkel führt Europa in die Katastrophe | Wirtschaft | ZEIT ONLINE:

'via Blog this'

dinsdag 21 februari 2012

Pain Without Gain - NYTimes.com

Paul Krugman over Europa:
Zo slecht als het nu gaat, had het niet gehoeven. Griekenland zou diep in de problemen hebben gezeten welke politieke beslissingen ook waren genomen en dat geldt in mindere mate ook voor andere Europese landen in de periferie. Maar de toestand is erger gemaakt dan nodig was door de manier waarop de Europese leiders, en breder de politieke elite, analyse hebben vervangen door moraliseren en de lessen van de geschiedenis door fantasieën.

'via Blog this'

maandag 20 februari 2012

Gezondheid en sociale omgeving (9): maakt het uit wat mensen nastreven?

Dat de aard van de sociale omgeving waarin mensen verkeren, verschil kan maken voor hun gezondheid is wel duidelijk. Zie de vorige acht berichten in deze reeks. Maar er is ook onderzoek gedaan naar de gezondheids- en welzijnseffecten van wat mensen in het leven nastreven of wat ze in het leven belangrijk vinden. In dat onderzoek gaat het dan over aspiraties en waarden.

Tim Kasser en anderen hebben daar onderzoek naar gedaan, beginnend in de jaren negentig met dit artikel en dit artikel (dat laatste is niet full-text op het vrije internet). Zie ook dit artikel. In al dat onderzoek is mensen gevraagd naar wat ze voor de toekomst belangrijk vonden. Ze konden dan uit een lijst met aspiraties aankruisen welke ze het belangrijkst vonden. Mensen blijken dan te kunnen worden ingedeeld als meer gemeenschapsmensen of als meer statuscompetitiemensen. Dat zijn mijn termen. In de literatuur spreekt men meestal van intrinsieke versus extrinsieke (of materialistische) aspiraties.

Gemeenschapsmensen vinden de volgende aspiraties in het bijzonder belangrijk: goede vrienden hebben waar je op kunt rekenen, iets goeds doen voor de maatschappij, anderen in nood helpen, jezelf accepteren, je zelf ontplooien. (Die laatste twee blijken altijd goed met de vorige samen te gaan.)

Statuscompetitiemensen vinden deze aspiraties in het bijzonder belangrijk: financieel succesvol zijn, een baan met hoge status hebben, dingen kunnen kopen die je wilt hebben, er altijd aantrekkelijk uitzien.

Het blijkt nu dat gemeenschapsmensen meer energie hebben, minder last van depressieve stoornissen en angstgevoelens, en minder gezondheidsklachten (hoofdpijn, buikpijn, spierpijn en keelpijn) dan statuscompetitiemensen. Ook zijn ze minder narcistisch en gebruiken ze minder verslavende middelen. Zie naast de al genoemde artikelen ook dit artikel en dit artikel (van allebei alleen samenvatting op het open internet). Dit lijkt er aardig mee overeen te komen dat de gemeenschapsmensen minder last hebben van stress (type II allostatische overbelasting) dan de statuscompetitiemensen. Zie dit bericht.

Alles goed en wel, maar zijn het nu wel die aspiraties zélf die effect hebben op je gezondheid? Anders gezegd: welke mechanismen zitten hier achter? Je zou denken dat die gemeenschapsmensen niet alleen meer gemeenschapswaarden nastreven, maar ook meer een gunstige sociale omgeving om zich heen hebben. Wat ze nastreven, hebben ze ook al behoorlijk gerealiseerd. En dan zijn ze daardoor gezonder. En analoog hieraan verwacht je dan van statuscompetitiemensen dat ze meer een ongunstige sociale omgeving om zich heen hebben, dus vooral omgaan met anderen die ook om status concurreren. En zijn ze daardoor minder gezond.

Het zou ook nog kunnen zijn dat mensen hun aspiraties aanpassen aan de aspiraties die het meest in hun sociale omgeving voorkomen. Als je in een omgeving van gemeenschapsmensen opgroeit of terecht komt, dan wordt je ook een gemeenschapsmens. En als je in een statuscompetitie-omgeving opgroeit of  terechtkomt, dan wordt je een statuscompetitiemens. Dat is wat je zou verwachten op grond van de evolutionaire theorie van de socialisering.

Volgens die theorie zou zo een vermogen tot aanpassing aan de omgeving ook adaptief zijn. Zo zou gemeenschapsgedrag in een omgeving van statuscompetitiemensen bepaald niet aan je welzijn en gezondheid bijdragen. Als de evolutie ons heeft toegerust met de vermogens tot gemeenschapsgedrag én statuscompetitiegedrag, dan ligt het ook voor de hand dat we ook min of meer in staat zijn om te "weten" wanneer het ene dan wel het andere gedragspatroon adequaat is. Zie ook dit bericht waar ik deze veronderstellingen als Dual Mode-theorie betitelde.

Hieruit zou de verwachting volgen dat de gezondheidseffecten van die twee typen aspiraties afhankelijk zijn van het soort sociale omgeving waarin een persoon verkeert. Het hebben van gemeenschapsaspiraties zou dus wel goed zijn voor je gezondheid in een gemeenschapsomgeving, maar niet in een statuscompetitie-omgeving. En het hebben van statuscompetitie-aspiraties zou juist goed zijn voor je gezondheid als je je in een statuscompetitie-omgeving bevindt. Met andere woorden: het congruent zijn met je omgeving, dat is waar het om draait. Voor gezondheid bestaan daar voor tot nu toe geen aanwijzingen. Maar wel voor het effect op het zelf ervaren welzijn, zoals uit dit onderzoek blijkt.

Is de macro-economie in tachtig jaar niets opgeschoten? Paul de Grauwe

Paul de Grauwe leest de biografie van Keynes door Robert Skidelski. En constateert dat de discussies in de jaren dertig van de vorige eeuw tussen Keynes en zijn tegenstanders bijna woordelijk gelijk zijn aan de huidige discussies tussen voorstanders van stimulering van de economie en voorstanders van zoveel en zo gauw mogelijk bezuinigen. Het lijkt er op dat de macro-economie in tachtig jaar niets is opogeschoten. Hoe kan dat?

Dat komt volgens hem ten eerste doordat macro-economische processen buitengewoon complex zijn:
Die processen zijn het resultaat van ingewikkelde interacties tussen economische rationaliteit, politiek en sociale wetmatigheden en collectieve emoties. Ik ken geen enkel model dat deze interacties op een bevredigende wijze in kaart brengt.
Ten tweede, creëert onze onwetendheid over die complexe processen ruimte voor ideologische voorkeuren. Vermits het waarheidsgehalte van die ideologische voorkeuren niet op wetenschappelijke wijze kan vastgesteld worden, halen ze de bovenhand in vermeende wetenschappelijke discussies. En zo zijn de klassieke economen (inclusief de Europese Commissie en de ECB) diegenen die geloven dat het marktsysteem vanzelf naar een evenwicht tendeert. Al wat de overheid kan doen is de obstakels die de politiek heeft ingebracht om dat evenwicht te herstellen, weg te werken. Dit heet vandaag 'structurele hervormingen'.
De Keynesiaanse economen geloven eerder dat het marktsysteem kan leiden tot verschillende evenwichten. En sommige van die evenwichten zijn niet zo leuk. De overheid heeft een sturende taak om het marktsysteem naar het goede evenwicht te leiden.
Ik weet het niet. Het is zeker zo dat onwetendheid als gevolg van ingewikkeldheid ruimte creëert voor ideologie. En de werkelijkheid is dat die ruimte ook inderdaad benut wordt.

Maar een toestand van ingewikkeldheid hoort niet een vrijbrief te zijn voor ideologisering zonder eerbied voor de feiten. En voor het napraten van anderen die serieus lijken over te komen, alleen maar omdat je zelf ook graag serieus overkomt. Dat een informatietekort gemakkelijk een sociale zeepbel doet ontstaan, maakt het juist des te urgenter om in de feiten geïnteresseerd te blijven. Dat is pas echt serieus. En voorzover ik de discussies heb kunnen volgen, zijn de Keynesiaanse economen meer in de feiten geïnteresseerd dan die klassieke economen. Het hanteren van ideologie als vrijbrief is in deze discussie niet symmetrisch.
De econoom als tandarts - De Gedachte - De Morgen: