woensdag 29 november 2017

Adolescenten zijn sociaal kwetsbaar door gevoeligheid voor sociale afwijzing en weinig zelfbescherming

Het onderzoekje Development of self-protective biases in response to social evaluative feedback geeft een aardig inzicht in hoe adolescenten, en dus scholieren, omgaan met het probleem van hun eigenaardige sociale omgeving.

Die omgeving bestaat namelijk vooral uit leeftijdsgenoten en we weten dat die kunstmatige omgeving gemakkelijk statuscompetitie en pesten uitlokt. Zie Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait en Leeftijdsgemengde schoolklassen verminderen het pesten - Nieuwe aanwijzingen.

Dat zal eraan liggen dat je er in zulke leeftijdshomogene peer groups niet als vanzelfsprekend bijhoort. Je wordt beoordeeld en krijgt dus te weten of je wel "stoer" of "cool" of leuk of "gewoon" genoeg bent om te kunnen worden geaccepteerd. Omdat er buiten die groep ook weinig anders is, ben je wel erg gemotiveerd om te worden geaccepteerd en erbij te horen.

Maar er is altijd een behoorlijke kans om te worden afgewezen. Hoe ga je daarmee om?

In dat onderzoekje deden (slechts!) 107 proefpersonen van tussen de 10 en 23 jaar een beoordelingstest. Ze beoordeelden elkaar, op de basis van een ingestuurde foto, en moesten voorspellen hoe aardig anderen hen zouden vinden. Het ging er om hoe ze zouden reageren op een negatieve beoordeling door anderen, dus op sociale afwijzing. En het ging erom of daar bij de overgang naar volwassenheid iets in zou veranderen.

Wat daaruit naar voren kwam, kan met het plaatje hieronder worden duidelijk gemaakt.


Je ziet dat die adolescentiefase zich kenmerkt door een ronduit vervelende combinatie van een lage mate van zelfbescherming en een hoge mate van gevoeligheid voor sociale afwijzing. Precies die combinatie duidt op een hoge mate van sociale kwetsbaarheid. Je bent nog weinig in staat om je schouders erbij op te halen als je wordt afgewezen. En je wilt er tegelijk o zo graag bij horen.

Wat verandert er dan in die overgang naar de jongvolwassenheid dat die kwetsbaarheid afneemt? Het kan zijn dat je gaandeweg leert hoe je je beter kunt beschermen.

Maar het kan ook zijn dat je minder door alleen maar leeftijdsgenoten omringd wordt. Misschien doe je ervaringen op in een werkomgeving met collega's van verschillende leeftijden. Je kunt die kunstmatige peer group steeds beter achter je laten. Het erbij willen horen wordt minder een acuut probleem. En zo raak je minder onder de indruk van een afwijzing en ben je beter in staat tot zelfbescherming.

Merkwaardig hoe wij onze kinderen en adolescenten maar blijven bloot stellen aan die riskante groep van leeftijdsgenoten.

maandag 27 november 2017

De opkomst van het Grote Geld en de extreemrechtse ideologie van de kleine overheid - Hoe kon het gebeuren?

In een wat mildere vorm (maar wie zal zeggen wat er nog komt) maken we in Europa mee wat in de Verenigde Staten, met het Trump-bewind, nu misschien op zijn hoogtepunt is: de dominantie van de neoliberale, maar vooral ook extreemrechtse, ideologie van het Grote Geld en de kleine overheid.

Trump heeft kiezers weten te trekken met beloftes aan de gewone man, maar zijn "beleid", als je wat hij doet als hij niet twittert en niet golft zo mag noemen, komt er op neer dat het Grote Geld regeert.

Er ligt een belastingplan klaar ten gunste van de allerrijksten en ten nadele van de middenklassen en de armen en zieken. De opzet ervan is ook dat het begrotingstekort zal oplopen, daarmee argumenten leverend om te snijden in de sociale zekerheid en de gezondheidszorg (Obamacare). De banken en het bedrijfsleven worden en zullen worden gedereguleerd. Milieuwetgeving? Weg ermee. Consumentenbescherming? Linkse hobby. Al met al: de overheid moet een kopje kleiner gemaakt.

Hoe heeft het zover kunnen komen? De twee boeken die Diane Ravitch bespreekt in de New York Review of Books bespreekt (Big Money Rules), geven een deel van het antwoord. Het Grote geld regeert.

In Democracy in Chains: The Deep History of the Radical Right’s Stealth Plan for America doet Nancy MacLean verslag van haar onderzoek naar de rol die econoom en Nobelprijswinnaar James M. Buchanan in de ontwikkelingen heeft gespeeld. Buchanan had een als realisme verpakte cynische kijk op de politiek in een democratie.

Politici zijn, net als iedereen, alleen maar geïnteresseerd in hun eigen belang. In een democratie met een meerderheidsstelsel betekent dat noodzakelijkerwijs dat ze hun oren laten hangen naar de profiteurs, en zij die dat willen worden, van overheidsprogramma's en -voorzieningen. Ze zullen dus steeds meer van die programma's (sociale zekerheid, gezondheidszorg, volkshuisvesting, gratis onderwijs) aanbieden, waardoor de overheidsuitgaven groeien en de belastingen omhoog gaan.

Allemaal ten koste van de rijken, die immers getalsmatige in de minderheid zijn. Hoe te voorkomen dat de democratie een  Leviathan wordt, met een steeds maar uitdijende overheid, waarin de rijke niet meer rechtmatig van zijn rijkdom kan genieten?

MacLean laat in haar boek zien hoe de Republikeinse miljardair Charles Koch in contact kwam met Buchanan en hem en zijn universiteit sponsorde. Later volgden andere rijke donors.

Ik geloof niet dat Buchanan zich in dienst stelde van de Grote Geld. Maar zijn idee dat de democratie een gevaar oplevert voor de (in zijn ogen gerechtvaardigde) wens van de rijken om hun rijkdom in stand te houden, spoorde natuurlijk precies met wat die miljardairs voor ogen hadden.

Lang geleden verdiepte ik mij in het werk van Buchanan en was ik, ik geef het toe, een bewonderaar van zijn The Limits of Liberty. Between Anarchy and Leviathan (uit 1975). Bij zijn overlijden in 2013 schreef ik dit blogbericht: Dreigt de overheid te groot te worden? Aanleiding voor deze vraag: het overlijden van James M. Buchanan.

In een volgend bericht over dat andere boek dat Diane Ravitch bespreekt: The One Percent Solution: How Corporations Are Remaking America One State at a Time.

zondag 26 november 2017

Zondagochtendmuziek - Bach, BWV 972 transcription of the Vivaldi Violin Concerto RV 230

Zo nu en dan luister ik naar de CD J.S. Bach. Transcriptions of Concertos after Vivaldi and Others van Ivo Janssen. Als ik denk, Kom, wat zal ik opzetten, dan blijk ik vaak bij deze muziek uit te komen. Een prettige achtergrond, maar ook intrigerend als je intensiever luistert.

Ik zocht op YouTube en stuitte toen op deze aardige uitvoering van een van die transcripties door uitsluitend blazers. Waar? In de Thomaskirche in Leipzig.

zaterdag 25 november 2017

Vooroordelen kun je bestrijden. Neem nu het afnemende draagvlak voor Zwarte Piet

Het discrimineren van bevolkingsgroepen komt voort uit vooroordelen. En onderzoek suggereert dat uitingen van vooroordelen vallen te bestrijden door er wat van te zeggen. In veel gevallen is het niet meer dan een slechte gewoonte, die je kunt afleren als anderen je ermee confronteren. Zie het bericht van gisteren: Vooroordelen zijn te bestrijden door mensen ermee te confronteren.

Een mooi voorbeeld daarvan is de afname van het draagvlak voor Zwarte Piet. Volgens de peiling van EenVandaag van een paar dagen geleden is het percentage dat het uiterlijk van Zwarte Piet wil behouden, gedaald van 89 procent in 2013 tot 68 procent nu.

Zwarte Piet dateert uit een tijd dat Nederland een etnisch homogeen land was en dat in landen als de Verenigde Staten en Zuid-Afrika nog rassenscheiding bestond. En dat we ons in onze overzeese gebiedsdelen als overheersers gedroegen. Dat we met de traditie van Zwarte Piet een groep mensen op een negatieve manier stereotypeerden, viel nog niet zo op.

Maar toen ons land verscheidener begon te worden, begonnen we ons achter de oren te krabben. Oproepen om ermee te stoppen confronteerden ons met wat we eigenlijk aan het doen waren: uiting geven aan een vooroordeel. Een slechte gewoonte.

En die confrontaties blijken te werken.

Waarschijnlijk was die werking nog groter geweest als niet een groepje rechtsextremisten, met een hoge Sociale Dominantie Oriëntatie, die slechte gewoonte tot een essentieel onderdeel van onze "volkseigen" tradities had verheven. En daarmee enig succes boekte.

vrijdag 24 november 2017

Vooroordelen zijn te bestrijden door mensen ermee te confronteren

We weten dat contact helpt tegen vooroordelen. Zie Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.

Maar (meer) contact is niet altijd mogelijk. Zou je vooroordelen ook kunnen bestrijden door mensen ermee te confronteren? De nieuwe studie The Endurance of Interpersonal Confrontations as a Prejudice Reduction Strategy wijst op de effectiviteit van zulke confrontaties.

Proefpersonen werd gevraagd de toepasselijkheid van verschillend beschrijvingen van afgebeelde personen van verschillende huidskleur te beoordelen. Het ging om een soort test (de stereotype application task), waarmee je kunt vaststellen in hoeverre iemand geneigd is tot stereotypering. Dus tot vooroordelen.

Een deel van degenen die blijk hadden gegeven van vooroordelen werd daarmee geconfronteerd. Letterlijk werd hen gezegd:
“I thought some of your answers seemed a little offensive. The Black guy wandering the streets could be a lost tourist. People shouldn’t use stereotypes, you know?”
Een week later keerden ze terug in het laboratorium, waar nog een keer een test op vooroordelen werd afgenomen. Het bleek toen dat degenen die met hun vooroordeel waren geconfronteerd, minder blijk gaven van het hebben van vooroordelen dan degenen die er niet mee waren geconfronteerd.

En met behulp van de afgenomen vragenlijst kon worden vastgesteld dat die gedragsverandering deels werd verklaard doordat ze na die confrontatie een slecht gevoel over zichzelf hadden gehad en daarover hadden gepiekerd. Zoals afgebeeld in het plaatje (causale diagram) hieronder:


Anders gezegd, zoals je zou willen dat een confrontatie uitwerkt, werkte hij ook uit. Mensen gingen erover nadenken en veranderden hun gedrag.

Het uiten van vooroordelen is waarschijnlijk vaak niet veel meer dan een soort slechte gewoonte. Die is af te leren als iemand er wat van zegt.

donderdag 23 november 2017

De neoliberale fantasiewereld van "bezuinigen", "hervormen" en "de kleine overheid" kost mensenlevens

Update. Zie nu ook Simon Wren-Lewis over dit onderzoek: Austerity and mortality. Ook over de curieuze beslissing van de BBC om er geen aandacht aan te besteden. Wat doet denken aan Door slechte media hebben we slecht geïnformeerde kiezers die slecht geïnformeerde leiders kiezen.
In Groot-Brittannië is beroering gaande over een wetenschappelijke studie die inschat dat het sinds 2010 gevoerde bezuinigingsbeleid (austerity) verantwoordelijk kan worden gehouden voor 120.000 sterfgevallen.

Zie hier het bericht Is austerity linked to 120,000 unnecessary deaths? op de site van THE UK’S INDEPENDENT FACTCHECKING CHARITY. En zie hier de studie zelf: Effects of health and social care spending constraints on mortality in England: a time trend analysis, verschenen in de British Medical Journal.

Die beroering is meer dan terecht. Maar de dodelijke effecten van het alom gevoerde bezuinigingsbeleid, als antwoord op de Grote Financiële Cris van 2008-2010, waren natuurlijk al bekend. In 2013 verscheen al het indrukwekkende boek The Body Economic. Why Austerity Kills van David Stuckler en Sanjay Basu, Zie het bericht op dit blog dat ik daar toen over schreef: Als bezuinigen in een depressie als een geneesmiddel getest was, dan zou er al lang mee gestopt zijn vanwege de dodelijke bij-effecten.

De neoliberale ideologie van bezuinigen, hervormen en de kleine overheid zal in een wolk van goede bedoelingen en vermeende wijsheid naar boven zijn gekomen. Maar door het gebrek aan empirische onderbouwing, ja, het ingaan tegen wat bekend was, kreeg hij het karakter van een sociale zeepbel. Niemand was goed geïnformeerd en allen keken naar elkaar om te bepalen wat ze moesten vinden en moesten zeggen. Een toestand waarin een ondoordachte en foute opvatting die wel enig "gezag" lijkt te hebben, zomaar voor iedereen als de vanzelfsprekende waarheid kan doorgaan.

Daarbij heeft ongetwijfeld geholpen dat politici het wel stoer vonden overkomen om bezuinigingen en een kleinere overheid te bepleiten. En om de werkloosheid te laten oplopen, omdat dat nu eenmaal onvermijdelijk zou zijn, want noodzakelijk voor de aanpassing van de economie. Het spoorde goed met het adagium "No pain, no gain". En die stoerdoenerij bleek het goed te doen bij de al even slecht geïnformeerde kiezers.

Maat het was en is een onverantwoordelijke, want dodelijke stoerdoenerij. (Zie over de negatieve effecten van werkloosheid ook nog eens Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders.)

Het is hoog tijd om afscheid te nemen van de neoliberale fantasiewereld. Hij kost mensenlevens.

woensdag 22 november 2017

Verhoogt opgroeien in collectivistische cultuur het vermogen om gedachten te lezen?

Hoe goed ben je in het herkennen van iemands gedachten? In het aan de gelaatsuitdrukking aflezen waar iemand aan denkt en hoe iemand zich voelt?

Uit de studie How accurately can other people infer your thoughts—And does culture matter? valt op te maken dat het ervan afhangt in wat voor cultuur je bent opgegroeid, een individualistische of een collectivistische.

Het onderzoek werd uitgevoerd in Engeland. Achtentwintig studenten (de targets), waarvan 14 uit Engeland en 14 afkomstig uit het Middellandse Zeegebied (Griekenland en Cyprus) en studerend in Engeland, kregen steeds een van de vier woorden te zien in het plaatje hiernaast.

Daarbij werd hen gevraagd om terug te denken aan een ervaring waarin ze de met het woord aangeduide emotie hadden gevoeld. Zonder dat te weten, werden ze gefilmd.

32 andere studenten, 16 uit Engeland en 16 uit het Middellandse Zeegebied (10 Grieks-Cyprioten, 3 Grieken, 1 Turk, 1 Spanjaard en 1 Italiaan)  werd gevraagd om de filmpjes te bekijken en in te schatten naar welk woord werd gekeken.

Uit allerlei onderzoek is bekend dat Engeland behoort tot de meer individualistische culturen en de landen rond de Middellandse Zee tot de meer collectivistische culturen. Zie de berichten op dit blog over cross-culturele verschillen.

Wat bleek? De studenten die waren opgegroeid in de landen rond de Middellandse Zee waren beter in het aflezen van gedachten en emoties dan de Engelse studenten. Dat wil zeggen, ze waren beter in het herkennen van het verschil tussen de negatieve emoties (shame, guilt) en de positieve (pride, excitement). (Slechts weinigen konden schaamte en schuld van elkaar onderscheiden en trots en opwinding.)

Zou het kunnen zijn dat je door het opgroeien in een collectivistische cultuur beter wordt in het herkennen van positieve dan wel negatieve emoties? Beter in het "mentaliseren"?

Dat zou goed kunnen. Want de onderzoekers hadden de deelnemers ook een bekende vragenlijst voorgelegd om individualisme - collectivisme te meten. Om een idee te krijgen van wat die vragenlijst inhoudt, hier vind je een kort testje waarmee je je eigen score kunt vaststellen.

Voorbeelden van uitspraken die staan voor individualisme zijn "I often do "my own thing""en "When I succeed, it is usually because of my abilities". En voorbeelden van collectivisme zijn "It is important to maintain harmony within my group" en "I feel good when I cooperate with others".

En toen bleek uit de analyses dat de studenten uit de landen rondom de Middellandse Zee niet alleen hoger scoorden op collectivisme, maar dat bovendien die verschillen de beste verklaring waren voor de verschillen in het "mentaliseren".

En daarmee werd een andere verklaring minder waarschijnlijk, namelijk de verklaring dat studenten die in het buitenland gaan studeren of dat al doen, een specifieke selectie uitmaken die op een of andere manier te maken heeft met dat vermogen om andermans gedachten te lezen.

Rest nog te bedenken wat ervoor zorgt dat collectivisme meer samen gaat met dat vermogen. Waarschijnlijk leer je door het opgroeien in een collectivistische cultuur meer dat het belangrijk is om aandacht voor anderen te hebben en je meer in anderen te verdiepen. En waarschijnlijk heb je in de loop van dat opgroeien ook meer gelegenheid om je in de vaardigheid van dat lezen van gedachten van anderen te oefenen.

maandag 20 november 2017

Toename van aanhang van populistische rechtse partijen hangt samen met toename van ervaren sociale daling

Waardoor is het succes van populistisch rechts-extremistische partijen in de laatste decennia zo toegenomen? We hebben gezien dat de toegenomen bestaansonzekerheid, onder meer als gevolg van gemaakte politieke keuzes, een belangrijke rol moet hebben gespeeld. Zie Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd? voor een overzicht van onderzoek.

Er lijkt nu een stroom van onderzoek op gang te komen die met deze verklaring overeenkomt. Zo is er nu het onderzoek The politics of social status: economic and cultural roots of the populist right dat erop wijst dat de toename van mensen die zichzelf een lage sociale status toekennen (de zogenaamde subjectieve sociale status) een bijdrage heeft geleverd aan de toegenomen aanhang van populistisch rechtse partijen.

Allereerst: dat die aanhang is toegenomen, blijkt uit het plaatje hieronder.


Je ziet vanaf 1980 het gemiddelde percentage kiezers die een populistisch rechtse partij stemden in Europese democratische landen. En je ziet dus de toename van minder dan 2 procent in 1980 naar 12 procent in 2016.

Wat is hier gebeurd? De onderzoekers vermoedden dat een deel van de verklaring erin gelegen is dat mensen met meer "statusangst" meer geneigd zijn op populistisch rechts te stemmen en in lijn daarmee vijandiger staan tegenover immigranten en tegenover de heersende politici die in hun ogen beter voor zichzelf zorgen dan voor de gewone man. Die statusangst meten ze af aan die subjectieve sociale status, waarbij ze verwachten dat de angst voor sociale daling het grootst is bij de groep die zich net even boven de bodem bevindt.

Om dat te onderzoeken analyseerden ze de gegevens van het International Social Survey Program (ISSP). Die gegevens zijn beschikbaar over de jaren 1987, 1992, 1999, 2004, 2009 en 2014 voor het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Verenigde Staten, Australië, Polen, Zweden, Noorwegen, Slovenië, Tsjechië en Hongarije. Die subjectieve sociale status werd vastgesteld met de vraag "In onze maatschappij staan sommige groepen bovenaan en andere onderaan. Als u aan uzelf denkt, waar zou u zich plaatsen op een schaal van 1 tot 10?"

In het plaatje hieronder zie je, voor een van die landen (Denemarken), het verband afgebeeld tussen die subjectieve sociale status (horizontale as) en de kans om op een populistisch rechtse partij te stemmen (verticale as). Je ziet een grotere kans bij een lagere sociale status, met inderdaad de (kleine) kromming, die erop wijst dat die kans het grootst is even boven de allerlaagste sociale status. (Gecontroleerd werd voor beroep, opleiding, inkomen en werkend/werkloos.)


Er is dus inderdaad een verband tussen subjectieve sociale status (als proxy voor statusangst) en het sympathiseren met populistisch rechts.

Klopt het dan dat tussen 1987 en 2014 ook inderdaad de toename van mensen met een lage subjectieve sociale status verantwoordelijk kan worden gehouden voor het toegenomen succes van populistisch rechtse partijen?

Ja, daar zijn aanwijzingen voor. Want de onderzoekers laten zien dat in bijna alle twaalf landen de subjectieve sociale status van mannen zonder een hogere opleiding is afgenomen. Onder de lager- en middelbaar opgeleiden is er dus een proces geweest van ervaren sociale daling. Zie het plaatje hieronder.

De zwarte staafjes staan voor 1990 of daaromtrent en de grijze voor 2014. Hongarije (HU) is de uitzondering op het patroon.

zondag 19 november 2017

Zondagochtendmuziek - Classical music (and impromptu ballet) in the subway

Studenten van het Koninklijk Conservatorium Den Haag met violiste Isobel Warmelink speelden vrijdag in het lunchpauzeconcert in TivoliVredenburg het Derde Brandenburgs Concert van Bach, samen met het daarop geïnspireerde Dumbarton Oaks van Stravinsly.

Muziek waar je eigenlijk niet stil bij kunt zetten. Kijk hier naar een uitvoering in de New Yorkse subway. Blijf kijken tot het eind!



vrijdag 17 november 2017

Meer over waarom je met financiële prikkels ("incentives") op moet passen

Kate Raworth gaat in hoofdstuk 3 (Nurture Human Nature. From rational economic man to social adaptable humans) van haar boek Doughnut Economics in op aanwijzingen die we hebben dat het economische mensbeeld van "nutsmaximalisering" grote gebreken vertoont.

Daar gaat het bijvoorbeeld over het beroemd geworden onderzoek van Gneezy en Rustichini over de effecten van het invoeren van een boete op het te laat afhalen door ouders van hun kinderen bij de kinderopvang.

De bedoeling daarvan was dat ouders daardoor minder te laat zouden komen. Maar het omgekeerde gebeurde: door de "prijs" op te laat komen, gingen ze het te laat komen beschouwen als een "dienst" die je kon aanschaffen. In plaats van zoals eerst een morele verplichting te voelen om op tijd te zijn.

Boodschap: pas op met (economische) prikkels. Zie nog eens: Waarom het niet eenvoudig is om mensen met prikkels te beïnvloeden.

Maar Raworth noemt ook ander onderzoek dat ik nog niet kende. Zo is er de studie Prosocial behavior and incentives: Evidence from field experiments in rural Mexico and Tanzania. De onderzoekers vroegen bewoners van verschillende dorpen in Tanzania of ze dachten dat hun buurman bereid zou zijn om te helpen bij het onderhoud en verzorgen van de beplanting rondom de dorpsschool (gras maaien, bomen planten). (Ze vroegen naar de buurman om sociaal wenselijke antwoorden te voorkomen.)

Het bleek toen dat de ingeschatte hulpbereidheid het hoogst was (97%) in het geval van een in het vooruitzicht  gestelde hoge individuele beloning (een evenredig deel van een dagloon). Maar als een beloning helemaal niet werd genoemd, was de ingeschatte hulpbereidheid hoger (82%) dan wanneer een lage beloning (1/5 van dat dagloondeel) in het vooruitzicht werd gesteld (64%).

Het eerste is in overeenstemming met de economische theorie; als je maar genoeg geld biedt, dan willen mensen zich wel ergens voor inspannen. Maar het tweede is dat niet. En dat wijst erop dat de kracht van een, meer of minder normatief aangestuurde, bereidheid tot pro-sociaal gedrag groter kan zijn dan die van een financiële prikkel.

Daarnaast werd mensen ook gevraagd om daadwerkelijk mee te helpen. Ook weer onder verschillende condities, waaronder een hoge of een lage individuele beloning en geen beloning.

Op de dag dat het werk moest gebeuren, kwam iedereen opdagen. De verschillen in beloningen hadden dus geen enkel effect. Een econoom zou dat vreemd vinden, want die zou verwachten dat mensen meer zouden komen opdagen als er geld zou zijn te verdienen.

Maar interessant was vooral ook dat na afloop degenen zonder beloning (of met een collectieve beloning in de vorm van een donatie aan de school) veel tevredener waren met wat ze gedaan hadden dan degenen die een individuele beloning hadden gekregen. Van de laatste groep voelde meer dan de helft zich ongelukkig, tegenover 4% van degenen zonder beloning en 6% van degenen met de donatie voor de school.

Ook waren degenen zonder beloning veel meer bereid om in de toekomst vaker mee te helpen.

Dat komt ermee overeen dat pro-sociaal gedrag bijdraagt tot geluksgevoelens. Zie Door pro-sociaal gedrag gelukkiger - nieuwe aanwijzingen.

Voor een econoom is dat niet zo goed te snappen.