maandag 11 april 2016

Het verhaal van Kaïn en Abel diende om machtsverschillen te legitimeren - (Een biologische antropologie van de Bijbel - 7)

Het probleem van eigendom, dat na de landbouwrevolutie de geschiedenis van de mensheid binnenkwam, bracht als vanzelf het probleem met zich mee hoe je bezit moest doorgeven. Dat je het doorgaf aan zonen, kwam er uit voort dat de landbouw ook weer als vanzelf een patriarchale samenleving voortbracht. Zie het vorige bericht in deze reeks over Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel: Het afscheid uit het paradijs was niet goed voor vrouwen.

Maar aan alle zonen? Dat zou leiden tot een steeds maar doorgaande versnippering van het bezit, gegeven dat landbouwgrond schaars was en dat het bezit dus niet onbelemmerd kon worden uitgebreid. De gekozen oplossing, die de steun krijgt van de God van de Hebreeuwse Bijbel, het eerste geboorterecht, zorgde er voor dat het bezit in stand bleef. Maar hij creëerde ook meteen nieuwe problemen: bezitloze broers en zussen en conflicten om bezit. Daarmee zijn we aangeland bij het verhaal van Kaïn en Abel en bij het geboorteuur van geweld (Hoofstuk 2).

Kaïn was de eerstgeborene, maar God
accepteerde wel het offer van Abel, de jongere broer, en niet dat van Kaïn. Waarop Kaïn Abel doodsloeg, door God werd vervloekt en tot een zwervend bestaan werd veroordeeld. Maar hij werd door God beschermd (het Kaïnsteken), vestigde zich elders en werd stamvader van een succesvol geslacht.

Een merkwaardig verhaal. Dat zal er mee te maken hebben dat het kennelijk vele malen is omgewerkt. Maar dat het uiteindelijk deze vorm heeft gekregen is betekenisvol. Het eerste geboorterecht stuitte uiteraard op verzet. Het ging in tegen de egalitaire moraal van de jagers-verzamelaars. Om het toch te rechtvaardigen, moest aan die bezwaren wel aandacht worden besteed. Maar tegelijk moest ook de onvermijdelijkheid er van worden benadrukt.

En ten behoeve daarvan moest een plaats worden gegeven aan de egoïstische en competitieve impulsen, die in de jagers-verzamelaarsgroepen weliswaar succesvol werden onderdrukt, maar nog wel steeds deel uitmaakten van de menselijke sociale natuur (denk weer even aan de Dual-Mode theorie).  In de woorden van Van Schaik en Michel:
Maar in de nieuwe wereld moesten de clans, patrilineair georganiseerde families dus, de rijen sluiten om hun bezit te verdedigen. Dan komen egoïstische impulsen die nu eenmaal ook deel uitmaken van onze eerste natuur juist van pas. Ooit door de groep onder controle gehouden, geven de patriarchen hun egoïsme nu alle ruimte; dat moet ook wel, willen ze in de maatschappelijke concurrentie niet aan het kortste eind trekken. Met krachtige hand houden ze de familieclan bijeen en naar buiten toe vertrouwen ze op geweld.
Dat maakt begrijpelijk dat in het Bijbelverhaal het conflict een duidelijke plaats krijgt, maar dat bovendien Kaïn, de eerstgeborene, de stamvader wordt van een succesvolle stam. En daarmee de vader van alle culturen, goddelijk beschermd en gelegitimeerd.
De leden van de stam van Kaïn blijken, zo vertelt de Bijbel, uiterst getalenteerd in het monopoliseren van bezit, van vrouwen en van macht. Zij vormen de kiemcel voor tirannie en despotisme. En zij zijn het die de mensheid naar de volgende trappen van beschaving zullen leiden, naar de chiefdoms en de eerste staten. Bij hun oorlogen kijkt de wereld in spanning toe. Op het gevaar af dat we ons herhalen, de Bijbel slaat de spijker op de kop.
Het moeten roerige tijden zijn geweest, die van de overgang naar landbouw en naar eigendom. En roerige tijden vinden een uitdrukking in verhalen die worden doorverteld.

Waarbij de machtigen meer invloed hebben op het doorvertellen en het bewerken van de verhalen dan de zwakkeren. En dus blijven die verhalen over die de machtsverschillen afschilderen als nu eenmaal onvermijdelijk.

Met enige huivering besef je opeens hoe actueel eigenlijk dat verhaal van Kaïn en Abel nog steeds is.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen