maandag 27 juni 2016

Morele intuïties en het basisinkomen

De roep om een basisinkomen speelt zich af in het publieke domein van een nationale staat. Met de invoering van een basisinkomen zouden we als burgers van een staat elkaar de financiële middelen voor een fatsoenlijk bestaan garanderen.

Als je je afvraagt of daar een moreel draagvlak voor is, dan kom je tot het besef dat onze morele intuïties niet gegarandeerd dezelfde richting uitwijzen.

Enerzijds is er de intuïtie, het gevoel, dat er tegenover een recht ook een plicht moet staan. "Wie niet werkt, zal ook niet eten." We zijn bereid om met zijn allen, dus als overheid, aansprakelijk te zijn "voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van iedereen", maar daar moet wel tegenover staan dat iedereen "zelf al het mogelijke doet om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen" (citaten uit Is er een moreel draagvlak voor het basisinkomen?).

Dus hoort tegenover het recht op een bijstandsuitkering de plicht te staan om je in te spannen om werk te vinden. Of zelfs de plicht om een tegenprestatie te leveren, zoals wij die nu in ons land kennen.

Maar anderzijds is er ook de intuïtie, het gevoel, dat in ons land niemand onder het bestaansminimum mag vallen. Een gevoel dat een uitdrukking heeft gevonden in de opvatting van het College voor de Rechten van de Mens dat het bij wijze van sanctie korten op de bijstandsuitkering in strijd kan zijn met de mensenrechtelijke normen voor een behoorlijke levensstandaard (art. 11 Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten).

Twee morele gevoelens, de ene wijst in de richting van "wie niet werkt, zal ook niet eten" (geen basisinkomen) en de ander in de richting van "ieder van ons heeft recht op een behoorlijke levensstandaard" (wel een basisinkomen).

En bij beide gevoelens past morele verontwaardiging. Dat is in het eerste geval de verontwaardiging over "profiteursgedrag". En in het tweede geval de verontwaardiging over de toestand van armoede waarin iemand geduwd wordt.

Het probleem is nu dat in het nadenken of discussiëren over het basisinkomen niet noodzakelijk beide gevoelens op hetzelfde moment beleefd worden. Daardoor kan het gebeuren dat er felle voor- en tegenstanders zijn, niet zozeer doordat ze het oneens zijn, maar doordat hun oordelen op dat moment door het ene dan wel het andere gevoel gestuurd worden.

De paneldiscussie vorige week donderdagavond in De Balie (Ik werk dus ik ben) was een aardige illustratie van dit probleem. Raymond Gradus was in zijn presentatie een uitgesproken tegenstander van het basisinkomen op grond van de morele verontwaardiging over het "profiteursgedrag". Voor degen die er bij waren of de video hebben bekeken: denk aan de dia van de aan het strand van Malibu surfende jongeman, genietend van zijn basisinkomen, dat door ons, belastingbetalers, bijeen was gebracht.

Maar in de paneldiscussie kwam ook dat tweede gevoel aan de orde, het gevoel dat niemand onder het bestaansminimum mag zakken. En de morele verontwaardiging die je zou voelen als dat wel zou gebeuren.

En toen meende ik te zien gebeuren dat Raymond Gradus zich realiseerde dat hij zich in zijn afwijzing van het basisinkomen uitsluitend had laten sturen door de verontwaardiging over het profiteursgedrag. Toen dat tweede gevoel daaraan werd toegevoegd, stelde hij zijn oordeel bij en verklaarde hij in zijn slotwoord dat dat basisinkomen "toch wel ergens aan appelleert". Wat natuurlijk in hem viel te prijzen.

Maar het was dus een mooie illustratie van het gegeven dat ons pakket morele intuïties complex is en ons vaak niet eenduidig één richting uitstuurt. Dat wil zeggen, als we het hele pakket maar tot ons laten doordringen.

2 opmerkingen:

  1. Om deel uit te kunnen maken van onze samenleving moet je beschikken over voldoende geld daarvoor en wanneer de verschillen tussen arm en rijk te groot worden schept ook dat een onleefbare gemeenschap.
    Mensen die niet over voldoende geld beschikken worden geprikkeld om te frauderen of op andere criminele wijze aan geld te komen. Dat moeten we niet willen.
    Worden de verschillen tussen arm en rijk te groot dan leidt dat tot rechtsongelijkheid. Kosten van levensonderhoud worden voor arme mensen een veel zwaardere belasting dan voor hun rijkere medelanders. Ook dat zouden we niet moeten willen.
    In beide gevallen biedt een Universeel Basisinkomen (UBI) uitkomst. Men kan beschikken over voldoende geld voor een onbekommerd bestaan zonder dat daar onwelgevallige betaalde arbeid voor behoeft te worden verricht en de verschillen tussen arm en rijk worden gereduceerd waardoor de zwaarte van de kosten van levensonderhoud voor arm en rijk relatief minder ver uiteen komen te liggen.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Trouwens: Hoe zouden we reageren als de windsurfer Dorian van Rijsselberghe heette en kort daarop zijn gouden medaille zou veroveren op de Olympische Spelen van Rio de Janeiro?

    BeantwoordenVerwijderen