donderdag 17 december 2020

De Toeslagenaffaire is "slechts" onderdeel van een omvangrijker probleem - Over rechtszekerheid en bestaanszekerheid

"Snoeihard" en "keihard", zo wordt het Eindverslag van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag in de media gekarakteriseerd. Dat Eindverslag bestaat voor het grootste deel uit de weergave van de ondervragingen. (En uit een interessant paper van Prof. mr. S.E. Zijlstra over de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de zogeheten ‘alles of niets’ benadering van de terugvordering van kinderopvangtoeslag.) Het Eindverslag is hier te lezen. En hier lees je mijn vorige bericht over de Toeslagenaffaire.

Die harde oordelen velt de commissie op de slechts drie pagina's tekst (p.7-9) met als titel: Constateringen: De rechtsstaat in het geding. Onder het tussenkopje `Grondbeginselen van de rechtsstaat geschonden` lees je daar als eerste alinea:

De commissie constateert dat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag grondbeginselen van de rechtsstaat zijn geschonden. Dit verwijt treft niet alleen de uitvoering - specifiek de Belastingdienst/Toeslagen - maar ook de wetgever en de rechtspraak.

Dat mag je wel snoeihard noemen. Wat was het probleem? Welnu:

Een grondbeginsel van onze rechtsstaat is dat zowel bij het maken als bij het uitvoeren van wetten zoveel mogelijk rekening gehouden moet worden met de belangen van mensen.

En dat grondbeginsel is uit het oog verloren:

De commissie constateert dat de politieke behoefte om de uitvoering van de toeslagen efficiënt in te richten en de politieke en maatschappelijke wens om fraude te voorkomen, geleid hebben tot wet- en regelgeving en een uitvoering daarvan, die het niet of nauwelijks toeliet om de individuele situatie van mensen recht te doen, bijvoorbeeld als zij zonder kwade opzet een administratieve vergissing begingen. 

De vraag is nu of de politiek de juiste lessen zal trekken. En in dat verband zou het goed zijn als het inzicht veld wint dat deze affaire, hoe groot en ingrijpend ook, niet op zich zelf staat. Er is al gewezen op overeenkomsten met die nog steeds slepende affaire van de schadevergoedingen aan de slachtoffers van de Groningse aardbevingen als gevolg van de gaswinning. Waar de overheid immers ook kan worden verweten, zacht gezegd, niet met de belangen van mensen rekening te hebben gehouden.

Maar ook vallen de overeenkomsten op met de problemen van rechtsonzekerheid en bestaansonzekerheid die de overheid voor zijn burgers creëerde met de decentralisaties van het sociale domein en de "verbouwing van de verzorgingsstaat". Ik stond daar bij stil in De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding? Daaruit citerend:

(De Groningse hoogleraar sociale zekerheidsrecht) Vonk wijst erop dat de uitwerking van deze veranderingen in strijd kan komen met de grondwettelijke zorgplicht van de overheid, de wettelijk gegarandeerde rechtspositie van de kwetsbare burger. De wetgever mag bewust hebben gekozen voor maatwerk en individuele gevalsbehandeling, mede om juridisch claimgedrag te voorkomen, maar bijstand, jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning blijven landelijke regelingen waarvan kaders, gelukkig, nog steeds door de rechter kunnen worden getoetst. Ook het strengere sanctiestelsel met betrekking tot de medewerkingsverplichtingen, dat uitkeringstrekkers in de armoede kan duwen, kan en is door de rechter (de Centrale Raad van Beroep) getoetst en als gevolg daarvan gematigd. Ook met betrekking tot de huishoudelijke hulp in het kader van de WMO heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraken gedaan die de ontstane praktijk hebben gecorrigeerd.

Dat doet vermoeden dat de toeslagenaffaire "slechts" onderdeel is van een omvangrijker probleem. We lijken een overheid te hebben gekregen die zichzelf op belangrijke beleidsterreinen niet langer ziet als hoeder van de belangen van de burger. Die integendeel die burgers vooringenomen als daders beschouwt en hen een lesje wil leren. 

Wel met een belangrijk verschil. Terwijl in het geval van de Toeslagenaffaire, naar het oordeel van de Ondervragingscommissie, ook de rechters faalden, dat wil zeggen de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, komt in het geval van de decentralisaties van het sociale domein de Centrale Raad van Beroep de eer toe corrigerend te hebben opgetreden.

De allesoverheersende vraag is hoe we een overheid terugkrijgen voor wie rechtszekerheid en bestaanszekerheid van zijn burgers de hoogste prioriteit hebben. 

Geen opmerkingen: