vrijdag 23 januari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -28 - Een feitelijk inzicht was er. Maar de normatieve conclusie werd niet getrokken

 In het vorige bericht vroeg ik me af:

Maar hoe zit het dan met de vraag of die maatschappij, als mensenwerk, wel genoeg tegemoetkomt aan wat mensen willen en kunnen? De vraag dus of dat mensenwerk niet alleen dient te worden bestudeerd, maar ook kan worden beoordeeld naar maatstaven van "mens en menselijkheid"? Moest de sociologie dan niet ook een sociale wetenschap worden die sociaal inferieure toestanden kan identificeren en verbetervoorstellen kan doen? Was dat niet urgent, na het Hitler-bewind en de Holocaust? 

Nee, dat vond Homans niet urgent. Sterker, hij bracht de mens terug, weliswaar in een zeer afgeknotte vorm, maar kwam helemaal niet op het idee dat de sociologie ook een verbetervak kon zijn. Dat een groep of maatschappij meer of minder tegemoet kan komen aan wat mensen willen en kunnen en dat het vak sociologie daarin een taak op zich zou kunnen nemen, dat kwam niet bij hem op. 

Daar op terugkijkend, vind ik dat verrassend, zo niet verbijsterend, maar het was toen, en is nog steeds de gangbare manier waarop sociologen naar hun vak kijken. En waarop ikzelf destijds naar dat vak keek. Natuurlijk waren er toen en zijn er nu sociologen die er als persoon naar streven om met hun onderzoek aan een betere maatschappij bij te dragen, maar die niet de stap zetten naar het inzicht dat wat hen daartoe drijft, een wezenlijk bestanddeel is van het mens zijn dat tot het onderzoeksobject van hun vak behoort. 

Nu komt een herinnering naar boven aan gesprekken met collega's over wat we de "ethische impuls" noemden van sommige studenten. Dat ze die hadden, vonden we oké, maar alleen omdat het motiveerde. En we waren het erover eens dat je hen er wel op moest wijzen dat die impuls een particuliere zaak was en buiten de inhoud van het vak moest blijven. Want dat moest "waardevrij" zijn. Wat ik toen niet doorhad, is dat we de waardevrijheid van het doen van onderzoek verwarden met de waardevrijheid van het vak.

Maar goed, bij Homans zijn, zoals gezegd, passages te vinden die hem op andere gedachten hadden kunnen brengen. Ik denk o.a. aan wat hij schrijft over de voorkeur van mensen om om te gaan met anderen van gelijke status (pp. 323-327 in Social Behaviour). Homans heeft het daar over de resultaten van een sociometrisch onderzoek op een meisjesschool. Een veel gegeven reden om een klasgenote uit te kiezen om vrije tijd mee door te brengen was "Ik kan bij haar mezelf zijn." Het jezelf kunnen zijn, het je niet anders voor te hoeven doen dan je werkelijk bent, is kennelijk welzijnsverhogend. 

Verdere analyse levert dan op dat het jezelf kunnen zijn alleen geldt voor omgang met anderen van dezelfde status. (Status was in dit onderzoek het aantal klasgenoten door wie jij uitgekozen wordt.) De meisjes prefereerden omgang met anderen van dezelfde status boven omgang met anderen van hogere of van lagere status. Als je met een ander van lagere status omgaat, dan kan dat ertoe leiden dat je je eigen status naar beneden haalt. Om dat te voorkomen, moet je je enigszins superieur gedragen en dan ben je dus niet jezelf. En als je met iemand van hogere status omgaat, dan moet je je laten welgevallen dat de ander op je neerkijkt en moet je daarmee zien om te gaan. Ook dan kun je niet jezelf zijn. Homans trekt een algemenere conclusie:

... the association netween social equality and interaction on what Americans call "social" occasions - spendig leisure time, going to parties, or eating in company - is a conspicuous feature of status, class, and caste systems in all times and places.

Wat hebben we hier? Een analyse die volledig past binnen dat sociaalwetenschappelijke zicht waar het in de titel van deze reeks berichten over gaat. Het is welzijnsverhogend om in omgang met anderen jezelf te kunnen zijn, dat wil zeggen met anderen die jou accepteren zoals je bent. Dat is een toestand waarin bij iedereen het gemeenschapspatroon van iedereen-telt-mee geactiveerd is. In vergelijking daarmee is omgang met andere van lagere of hogere status welzijnsverlagend, omdat mensen zich anders voor moeten doen dan ze zijn. Dat is een statuscompetitietoestand, waarin mensen zich moeten gedragen naar bestaande statusverschillen en waarin het ieder-voor-zich is geactiveerd. Het verschil in welzijn komt eruit voort dat mensen zich in die gemeenschapstoestand sociaal veilig voelen en in die statuscompetitietoestand sociaal onveilig.

En wat had nu voor de hand gelegen? Dat Homans op het idee was gekomen dat een groep of maatschappij met geringere statusverschillen, en dus minder inkomens- en vermogensongelijkheid, beter tegemoetkomt aan wat mensen kunnen en willen, een hoger welzijn oplevert, dan een groep of maatschappij met grotere statusverschillen. Mensen hebben sociale veiligheid nodig om zich goed te kunnen voelen en die kunnen ze elkaar meer verschaffen, hoe geringer de statusverschillen. 

En op het idee was gekomen dat het vak sociologie zich tot taak stelt om ons inzicht te vergroten in de voorwaarden waaronder mensen beter in staat zijn om elkaar die sociale veiligheid te verschaffen. Dus de voorwaarden waaronder bij zoveel mogelijk mensen het gemeenschapspatroon actief is en het statuscompetitiepatroon wordt onderdrukt. De voorwaarden dus voor een betere maatschappij.

Een feitelijk inzicht was er. Maar de stap naar de normatieve conclusie daaruit werd niet gemaakt. 

Geen opmerkingen: