Posts tonen met het label Ian Kershaw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ian Kershaw. Alle posts tonen

dinsdag 2 februari 2021

Het volstrekte onvermogen van de narcistische leider om de nederlaag onder ogen te zien - En over Hitler en Trump

Ondanks grote verschillen vallen er ook tenminste twee opvallende overeenkomsten waar te nemen tussen twee gevallen waarin een narcistische leider in een nationale staat aan de macht komt, het geval-Hitler en het geval-Trump. In het vorige bericht ging het over de combinatie van incompetentie en overtuigingskracht. Nu over de tweede overeenkomst, het volstrekte onvermogen om de nederlaag onder ogen te zien. Hier over dat onvermogen van Hitler. In het volgende bericht over dat van Donald Trump om zijn verkiezingsnederlaag te erkennen.

Dat onvermogen in het geval-Hitler is al in veel historische studies gedocumenteerd. Tijdgenoten waren er natuurlijk getuige van, als ze de oorlog en de Holocaust overleefden, maar velen waren nog zo in de ban van Hitlers overtuigingskracht dat de waarheid niet tot hen doordrong. Ter illustratie van wat nu een algemeen gedeeld inzicht is, neem ik Tot de laatste man. Duitsland 1944-1945 van Ian Kershaw er bij. Enkele citaten uit hoofdstuk 8 (Implosie), dat handelt over de eindfase, maken duidelijk wat dat onvermogen inhield en hoe het tot uiting kwam.

Hitlers eigen droomwereld tijdens nachtelijke bezoeken aan de kelders van de Nieuwe Rijkskanselarij wanneer hij bij de maquette zat van zijn geboorteplaats Linz, geconstrueerd door zijn architect Hermann Giesler, zoals deze eruit zou zien aan het eind van een gewonnen oorlog, verschafte ook hem een tijdelijke afleiding van de klamme oorlogsdruk. Daarnaast pasten zijn fantasieën bij het masker dat hij zelfs nu nog op had, weigerend om aan zichzelf of iemand anders toe te geven dat zijn wereld in puin was gevallen. Hij had op z'n laatst sinds het mislukken van het Ardennenoffensief geweten dat de nederlaag zeker was. Maar hij kon dat niet openlijk toegeven. Dit vormde onderdeel van het doorgaande toneelspel van de onverzettelijke Führer dat hij steeds tijdens de toenemende tegenslag vol had gehouden - het voortdurend doen alsof, tegenover zichzelf zowel als zijn omgeving, dat alles uiteindelijk goed zou komen. Zijn dromen en illusies trotseerden de realiteit die hem de meeste tijd in de greep had - die van een verloren oorlog en van een naderend einde waar zijn eigen dood op moest volgen. Aangezien hij overgave nimmer kon overwegen, zou het immense lijden en de verwoesting van de oorlog zolang hij leefde, doorgaan. En aangezien hij zichzelf niet gevangen zou laten nemen, was zelfmoord de enige uitweg. Zijn monsterlijk grote ego had hem allang tot de slotsom gebracht dat het Duitse volk zich hem onwaardig had betoond. Hun nederlaag had laten zien dat ze zwak waren. Ze verdienden het niet om te overleven. Hij kon geen traan om hen laten. Maar hij moest nog beslissen wanneer en waar hij een einde aan zijn leven zou maken. (p. 335-6, hier eerder geciteerd)

In die eindfase waren er alleen nog generaals over, de anderen waren eerder ontslagen, die in Hitler bleven geloven. Dit gaat over veldmaarschalk Kesselring, die zich niet door Albert Speer liet overhalen om Hitlers bevel de Duitse economische infrastructuur te verwoesten te negeren:

Speer werd nogmaals in de veldmaarschalk teleurgesteld toen Kesselring begin april in de Führer-bunker arriveerde om Hitler over de hopeloosheid van de situatie op de hoogte te brengen. Slechts na enkele zinnen onderbrak Hitler hem met een uitvoerige uiteenzetting over hoe hij voor de Amerikanen de rollen zou omdraaien. Of hij nu echt overtuigd was of, waarschijnlijk, de gemakkelijke uitweg koos, al gauw was Kesselring het met Hitlers fantasieën eens. (p. 344-5)

 En:

De meeste generaals waren volmaakt in staat tot een rationele taxatie van de situatie. In plaats daarvan kozen ze ervoor hun eigen sinistere taxatie van het gebrek aan wapens, tekort aan manschappen en minieme kansen tegen een overweldigende macht te vergeten en de noodzaak te benadrukken alles te doen 'om de voorwaarts stuwende wil van de Führer niet teleur te stellen'. (p. 347)

En helemaal aan het eind:

Een combinatie van bijna hysterie en volstrekt fatalisme had inmiddels de bunker in haar greep. Hitler had bedrieglijke hoop gevestigd, die niet was weggenomen door Keitel en Jodl, die wel beter wisten maar nog steeds bang waren hem slecht nieuws te brengen, op het nieuwe en gehaast samengestelde 12e Leger onder generaal Walther Wenck, dat vocht aan de Elbe, en, vooral, op een tegenoffensief ten noorden van Berlijn door SS-Obergruppenführer Felix Steiners pantserkorps. Toen hij had vernomen, op 22 april, dat Steiners aanval niet had plaatsgevonden, waren de opgekropte gevoelens in een woeste explosie van elementaire woede naar buiten gekomen. Hitler gaf voor de eerste keer openlijk toe dat de oorlog verloren was. Hij zei tegen zijn geschokte entourage dat hij vastbesloten was in Berlijn te blijven en zich op het allerlaatste moment het leven te benemen. Hij leek afstand te doen van macht en verantwoordelijkheid, zeggend dat hij geen verdere orders voor de Wehrmacht had. (...) Maar, verbazingwekkend genoeg, hij had zichzelf weer vermand, weigerde ook maar een greintje gezag af te staan en straalde als altijd een onvervalst optimisme uit in zijn militaire briefings - slechts enkele ogenblikken nadat hij privé sprak over zijn ophanden zijnde dood en de verbranding van zijn lichaam. Het toneelspel, dat hem voor een kort moment was ontglipt, was weer in stelling. (p. 383-4)

En na zijn zelfgekozen dood:

De oorlog was nog niet voorbij. Buiten Berlijn ging het gevecht door. Maar met Hitlers dood was de onoverkomelijke hindernis voor capitulatie weggenomen. Wat onmogelijk was geweest zolang hij leefde, werd onmiddellijk realiseerbaar  zodra hij dood was. Niets toont duidelijker de mate aan waarin hij persoonlijk het regime bijeenhield. De banden met zijn 'charismatische gemeenschap' en de gefragmenteerde bestuursstructuren die tijdens het hele Derde Rijk hadden bestaan en zijn eigen onaanvechtbare macht garandeerden, hadden in staat gesteld, tegen een vreselijke prijs voor het Duitse volk, te blijven opereren totdat de Russen letterlijk aan de poorten van de Rijkskanselarij stonden. (p. 391-2)

Hitlers persoonlijkheid was duidelijk verre van onbelangrijk voor Duitslands volgehouden strijd. Generaals evenzeer als politieke leiders vonden hem volstrekt onbuigzaam als ze een alternatieve koers voorstelden. Sommigen die gedemoraliseerd en wanhopig hem zelfs tijdens de laatste weken opzochten, vertrokken met nieuw enthousiasme en vastberadenheid. (...) Dit moet echter niet opgevat worden als uitsluitend een kwestie van Hitlers overheersende persoonlijkheid - zijn onbuigzaamheid, zijn losgeraakt zijn van de werkelijkheid, zijn bereidheid om het land en het Duitse volk samen met hem volledig ten onder te laten gaan - hoe belangrijk dit ook was. Daarnaast is er de vraag waarom de machtselite bereid was hem zo rampzalig tot op het einde alles te laten dicteren. (p. 447)

De denkhouding van de regerende elite had zich gevoegd naar het karakter van charismatische heerschappij en de structurele determinanten die elke uitdaging van Hitler verhinderden. Onder nazileiders bleken de persoonlijke banden die op een eerder tijdstip met Hitler waren gesmeed, bijna onmogelijk te verbreken, zelfs toen het in de persoonlijkheidscultus ingebouwde aureool van onfeilbaarheid verbleekte. (p.448)

Wat we hier goed zien is hoe die combinatie van het onvermogen om de nederlaag te erkennen en zijn overtuigingskracht een kring van trouwe volgelingen in stand hield. In het volgende bericht over hoe  datzelfde patroon, dwars door alle grote verschillen in persoon en omstandigheden heen, aan het geval-Trump zijn waar te nemen.

maandag 19 oktober 2020

Hoe zal het met Trump aflopen? En over hoe het afliep met die andere kwaadaardige narcist, Adolf Hitler

Hoe zal het met de narcist Donald Trump aflopen? Zie ook het bericht uit maart 2018. Over ruim twee weken, op 3 november, zijn de Amerikaanse presidentsverkiezingen. In veel staten is het stemmen al begonnen. Waar de Republikeinen aan de macht zijn, proberen ze het stemmen te ontmoedigen in die districten waar Democraten het sterkst zijn. Toch wordt er volop gestemd, ook als mensen daar uren voor in de rij moeten staan. Vermoedelijk zijn dat vooral Biden-stemmers. Alle opiniepeilingen laten al een hele tijd een stabiele voorsprong van Biden zien. Alles wijst er op dat er een Blue wave zit aan te komen, die niet alleen een einde maakt aan het presidentschap van Donald Trump, maar ook de Democraten de meerderheid in de Senaat zal bezorgen.

Als we er even van uitgaan dat de, mede door Moskou in gang gezette, pogingen mislukken om de verkiezingen te ontregelen, hoe zal het dan met Trump aflopen? En met zijn aanhang? 

Wat die aanhang betreft, wees de Washington Post-columnist E, J, Dionne, Jr, er gisteren op dat het Trumpisme, dus het krankzinnige rechts-extremisme natuurlijk al langer bestaat in de Amerikaanse samenleving en politiek:

What’s often missed about Trump, Trumpism and the transformation of the Republican Party is that much of what is going on now harks back to the 1960s — but the other 1960s that most people don’t think about. Not the civil rights and antiwar movements or the New Left, but the far right that was at least as important at the time: the John Birch Society, the Minutemen, the White Citizens’ Councils and comparable groups. This wacky right wing has gained more traction in our time than it did then because of right-wing media and an Internet that did not exist 60 years ago.

Een socioloog, althans een socioloog van mijn leeftijd, denkt dan meteen aan het in 1970 verschenen The Politics of Unreason. Right-wing extremism in America, 1790-1970 van Seymour Martin Lipset en Earl Raab. Hier te lezen. Maar toen dat boek verscheen, dacht ik dat het vooral over het verleden ging. Dat het nu, vijftig jaar later, zo actueel is, dat is wel heel pijnlijk.

Maar terug naar hoe het met Trump zal aflopen. In dat bericht waar ik hierboven naar linkte, verwees ik al naar de mogelijke overeenkomsten met hoe het met die andere narcistische leider, Adolf Hitler, afliep. In beide gevallen gaat het om een kwaadaardige narcist die aan de macht is gekomen, veel ellende veroorzaakt en uiteindelijk zijn nederlaag onder ogen moet zien. Terwijl hij tot dat laatste fundamenteel niet in staat is.

Ik sloeg er wat Hitler betreft nog even Tot de laatste man. Duitsland, 1944 - 1945 van Ian Kershaw op na. En daarin, op p. 335-336 kom je een passage tegen die voor hoe het met Trump afloopt enige voorspellende waarde zou kunnen hebben:

Hitlers eigen droomwereld tijdens nachtelijke bezoeken aan de kelders van de Nieuwe Rijkskanselarij wanneer hij bij de maquette zat van zijn geboorteplaats Linz, geconstrueerd door zijn architect Hermann Giesler, zoals deze eruit zou zien aan het eind van een gewonnen oorlog, verschafte ook hem een tijdelijke afleiding van de klamme oorlogsdruk. Daarnaast pasten zijn fantasieën bij het masker dat hij zelfs nu nog op had, weigerend om aan zichzelf of iemand anders toe te geven dat zijn wereld in puin was gevallen. Hij had op z'n laatst sinds het mislukken van het Ardennenoffensief geweten dat de nederlaag zeker was. Maar hij kon dat niet openlijk toegeven. Dit vormde onderdeel van het doorgaande toneelspel van de onverzettelijke Führer dat hij steeds tijdens de toenemende tegenslag vol had gehouden - het voortdurend doen alsof, tegenover zichzelf zowel als zijn omgeving, dat alles uiteindelijk goed zou komen. Zijn dromen en illusies trotseerden de realiteit die hem de meeste tijd in de greep had - die van een verloren oorlog en van een naderend einde waar zijn eigen dood op moest volgen. Aangezien hij overgave nimmer kon overwegen, zou het immense lijden en de verwoesting van de oorlog zolang hij leefde, doorgaan. En aangezien hij zichzelf niet gevangen zou laten nemen, was zelfmoord de enige uitweg. Zijn monsterlijk grote ego had hem allang tot de slotsom gebracht dat het Duitse volk zich hem onwaardig had betoond. Hun nederlaag had laten zien dat ze zwak waren. Ze verdienden het niet om te overleven. Hij kon geen traan om hen laten. Maar hij moest nog beslissen wanneer en waar hij een einde aan zijn leven zou maken.

Natuurlijk zijn er naast de overeenkomsten ook grote verschillen tussen de persoonlijkheden van Hitler en Trump. Dat kwaadaardige narcisme gaat bij Trump samen met karaktereigenschappen die de associatie met kleutergedrag hebben opgeroepen (The Toddler in Chief). Wat dat gaat betekenen voor hoe het met hem afloopt? We weten het misschien snel, maar toch valt het moeilijk te voorspellen.

zaterdag 28 januari 2012

Lessen uit de nationale statushiërarchie van het Hitler-bewind

De rede van Marcel Reich-Ranicki in de Bondsdag brengt me op de vraag wat we moeten leren van de totstandkoming en het catastrofale aan de macht blijven van het Hitler-bewind. In mijn vorige bericht hierover, van 15 december van vorig jaar, kwam ik na lezing van Kershaw en Haffner tot de volgende conclusie:
Samengevat: hoe komt een narcistische mislukkeling, waarvan er zo veel zijn, aan de top van een nationale statushiërarchie te staan? Door dat volstrekte geloof in zichzelf goed te kunnen uitdragen, door beledigingen en door vervoering, door de duidelijke zwakte van de bestaande machthebbers, door een intimidatie-apparaat op te bouwen dat angst en vrees aanjaagt én door duidelijke prestaties te leveren. (Dat laatste en die zwakte van anderen hangen natuurlijk samen.)
Toen ik dat schreef, had ik natuurlijk mijn gedachten over allerlei narcisten waarmee je als je de media volgt geconfronteerd wordt. En ik stelde mezelf er mee gerust dat verreweg de meeste van die narcisten weliswaar gevaarlijk zijn voor degenen in hun persoonlijke omgeving, maar niet een publiek gevaar vormen.

Voor een publiek gevaar is er meer nodig. Een obsessie over de verderfelijkheid van een bevolkingsgroep, zoals de Joden of de Islam of de Roma of de buitenlanders. Het vermogen en de lust om enerzijds de tegenstanders te beledigen en de eigen aanhang te vervoeren (en die twee lijken helaas samen te hangen). En niet het minst: agressie. En dan niet alleen de persoonlijke agressie, die nog niet veel meer hoeft te zijn dan de routine van het beledigen, maar die ook een agressieve aanhang weet te kweken. Hitler was als persoon alleen verbaal agressief, maar dat was voldoende om gewelddadige en moordlustige types aan te trekken. En met die agressieve aanhang is er het intimidatie-apparaat. Als daar dan een duidelijke zwakheid van de overige politieke leiders bijkomt, in een tijd van grote economische onzekerheid, ja, dan mag je wel van een publiek gevaar spreken.

Als je nu volgt wat er zich in de media zoal afspeelt, dan kom je alle onderdelen van dit lijstje wel tegen, maar gelukkig nog niet allemaal tegelijk op een plek.

De Jobbik-partij in Hongarije is obsessief nationalistisch en is bezig een intimidatie-apparaat op te bouwen. Google maar eens afbeeldingen met "Hungarian guard". (Mijn gevoel van goede smaak verbiedt mij om een foto daarvan in dit bericht op te nemen.)

In Duitsland was er de Zwickauer Terrorzelle, drie jonge rechtsextremisten die niet alleen bankovervallen pleegden, maar ook acht Turkse en een Griekse winkelier doodschoten. De Duitse justitie onderzoekt nog de contacten van deze groep met andere sympathiserende groeperingen, zoals de NPD. Zie dit dossier van Der Spiegel voor meer informatie. Geen opwekkende lectuur. Hier zien we de combinatie van obsessief nationalisme en gewelddadigheid.

En dan was er in Noorwegen Anders Breivik, die vorig jaar in Oslo een bomaanslag pleegde en later op de dag in het zomerkamp van de jeugdafdeling van de sociaaldemocratische Noorse Arbeiderspartij om zich heen begon te schieten. Uit alles wat we nu van hem weten is dat hij in ieder geval de bekende obsessies had, met de Islam en links als verderfelijke vijanden. Hij was geïnspireerd door "onze" Geert Wilders. De gerechtspsychiaters hebben hem geestesziek en ontoerekeningsvatbaar verklaard, maar er komt een nieuw onderzoek. Waarschijnlijk lijdt hij aan een Narcistische Persoonlijkheidsstoornis, waar Hitler volgens Kershaw waarschijnlijk ook aan leed.

En in Nederland hebben we de obsessie van de verderfelijke Islam, de verbale agressie en de lust tot beledigen van Geert Wilders. Dat trekt types aan die ook graag verbaal agressief zijn en beledigen. Maar voor de rest valt het nog mee.

In alle gevallen hebben we wel de grote economische onzekerheid en de zwakte van de meeste huidige leiders. We zullen zien wat het wordt.

Begin vorig jaar schreef Ian Kershaw deze beschouwing over de mogelijke gevaren van het intolerante, obsessieve rechtsextremisme in Europa. Hij is aan de optimistische kant. Maar is wel bezorgd over wat er zou  kunnen gebeuren als de economische onzekerheid zou voortduren en toenemen of als Islamitische terroristen grote aanslagen zouden plegen. Dat laatste: gelukkig niet. (Update. Helaas kunnen we dat, nu 2015 op zijn einde loopt, niet meer zeggen.) Maar die economische onzekerheid, die is lijkt me alleen maar toegenomen. Zwakke leiders...

zondag 9 oktober 2011

Het Hitler-bewind sociaalwetenschappelijk bekeken. En over de Dual-Mode theorie

In dit bericht vatte ik het laatste hoofdstuk samen van Ian Kershaws boek Tot de laatste man. Duitsland 1944-1945, waarin Kershaw de structuren en de mentaliteit van het charismatische Hitler-bewind als fundamentele oorzaken noemt voor de collectieve zelfvernietiging van Duitsland in de laatste twee jaren van de Tweede Wereldoorlog. Wat valt er over deze verklaring te zeggen als we er met een sociaalwetenschappelijke blik naar kijken?

Het Hitler-bewind was in allerlei opzichten uniek, maar het was ook "gewoon" een dictatuur zoals we die in de recente geschiedenis vaker hebben zien ontstaan. En gelukkig ook weer hebben zien verdwijnen. Denk aan het Stalin-bewind in Rusland, de Mao-heerschappij in China en het Pol Pot-regime in Cambodja. Het lijkt niet toevallig dat we deze vier gevallen meteen verbinden met de naam van de persoon die aan de top stond. En alle vier zijn extreme voorbeelden van een sociale vorm, die van de statushiërarchie, die mensen tot stand kunnen brengen. Die "structuren" en de "mentaliteit" die Kershaw noemt, zijn te herkennen als kenmerken van de statushiërarchie.

De statushiërarchie en de gemeenschap zijn de twee aan elkaar tegengestelde sociale vormen die mensen gemakkelijk tot stand brengen als aan de geëigende voorwaarden is voldaan. De stelling dat ze dat gemakkelijk doen, samen met de inzichten in de voorwaarden waaronder ze dat doen, zou je een sociaalwetenschappelijke theorie kunnen noemen. Maar die theorie heeft nog geen naam waaronder hij bekend is geworden. In mijn colleges (zie hier en hier) gebruikte ik de naam Dual Mode-theorie, evenals in dit ongepubliceerde rapport. En gemakshalve doe ik dat hier ook, afgekort als DM-theorie.

Op zijn eenvoudigst gezegd, bestaat de DM-theorie uit de volgende twee stellingen:

Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.

Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen. (Speltheoretisch gezien gaat het om frequentie-afhankelijke strategieën.)

Ik zal in de nabije toekomst in dit blog uitvoeriger op deze theorie en op de empirische onderbouwing er van ingaan, omdat hij naar mijn ervaring kan helpen bij het begrijpen en mogelijkerwijs oplossen van allerlei sociale en maatschappelijke problemen. Nu heb ik het vooral over dat statuscompetitiepatroon.

Wat betekent het om je te gedragen volgens het statuscompetitiepatroon? Dat hangt er van af of er al een statushiërarchie heerst of niet. Als dat niet zo is, dan is er een toestand van statuscompetitie. In dat geval zijn de krachtsverhoudingen nog onduidelijk en is iedereen een concurrent in de strijd om macht en status. Er is een voortdurende dreiging dat je het in die strijd zult verliezen (een loser bent) en dus is het zaak om je zwakheden te verbergen, je met andere woorden beter voor te doen dan je bent. Omdat iedereen dat doet, is er dus alom een informatietekort. Iedereen doet zich voor als sterk en krachtig en competent en succesvol en niemand weet wie dat meer en wie dat minder waar kan maken. (Uiteraard is er in een statuscompetitie geen onderling vertrouwen en geen ander "pro-sociaal" gedrag, als het er is, dan om daarmee een strategisch voordeel te bereiken.)

Dat is een toestand waarin kleine verschillen grote gevolgen kunnen hebben. Dat komt doordat in die strijd om kracht en sterkte voor te wenden, ook een rol speelt hoeveel anderen jij achter je hebt staan, hoeveel anderen je kunt mobiliseren. En doordat iedereen bij een informatietekort gericht is op indirecte informatie, dat wil zeggen, informatie die voortkomt uit het waarnemen van het gedrag en de oordelen van anderen (Stelling 2). Elke aanwijzing dat iemands aanhang van volgelingen en bewonderaars groeiende is, wordt nauwlettend gevolgd en kan precies dat stukje informatie geven dat anderen doet besluiten om de strijd op te geven en ook een volgeling te worden. Zo kan er snel een cascade ontstaan waarin een leider boven komt drijven (vergeef de beeldspraak), die maar weinig echt van de anderen hoeft te verschillen. Zijn (of haar, maar meestal zijn) aanhang groeit, dus moet er wel iets bijzonders met hem aan de hand zijn. Wat hij voorwendde te zijn, sterk, krachtig, competent, bijzonder, dat zal hij ook wel zijn, want zoveel mensen kunnen zich niet vergissen.

Zo kan een leider naar boven komen. Hoewel dat verschil met anderen dus maar klein kan zijn, is deze leider in ieder geval altijd iemand die zeer bedreven is in het voorwenden van al die prachtige eigenschappen. En wat helpt bij dat voorwenden? Ja, precies, een sterk geloof in eigen kunnen, een sterke overtuiging van de eigen bijzondere gaven en talenten. Anders gezegd, wie precies uit dit sociale proces als leider te voorschijn komt is behoorlijk toevallig, maar de kans is groot dat het iemand is met sterk narcistische trekken. En dat klopt met het gegeven dat narcisten heel goed zijn in het verwerven van leiderschapsposities. (En slecht in het uitoefenen van die posities.)

Als de statushiërarchie er eenmaal is, dus stabiel is, dan schikken de meesten zich naar deze nieuwe omstandigheden. Er is een leider en er zijn volgelingen en van die volgelingen zijn er sommigen die dichter bij de leider staan dan anderen en anderen die weer dichter bij die volgelingen staan, enzovoort. Dat betekent dat er een rangorde ontstaan is en dat, afgezien van de leider zelf en van de allerlaagsten in rang, iedereen twee gedragspatronen combineert, dat van de onderwerping (eer betonen aan degene die boven je staat) en de overheersing (laten merken dat je hun baas bent aan degenen die onder je staan). In het dagelijkse spraakgebruik heet dat "likken naar boven en trappen naar beneden". Dat klinkt heel negatief en zo is het ook bedoeld. Want hoewel we in een statushiërarchie terecht kunnen komen, is het geen arrangement waar we echt van houden.

Zulke statushiërarchieën zijn vaak onschuldig, in de zin dat mensen zich er aan kunnen onttrekken als de gang van zaken hen niet meer bevalt. Op het schoolplein kun je andere "vriendjes" zoeken of op straat zoek je een andere hangplek. En op het werk kun je een andere baan zoeken, je ziek melden of naar de media stappen, zoals kort geleden gebeurde bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)  toen daar de statushiërarchie uit de hand was gelopen en de werksfeer verziekt was. Zolang er voldoende mogelijkheden voor een exit zijn, kunnen die narcistische leiders maar beperkt kwaad doen.

Dat wordt anders als die exit-mogelijkheden er voor velen niet bestaan. Als de hele bevolking van een land een statushiërarchie geworden is, dan is de mogelijkheid van emigratie altijd maar voor enkelen weggelegd. Daardoor is een nationale statushiërarchie altijd zeer gevaarlijk. En dat verklaart de populariteit van democratisch bestuur als de manier om dat gevaar in te dammen. Als narcisten in een democratie aan de macht komen, kunnen we ze bij de volgende verkiezingen wegstemmen en dat is vaak tijdig genoeg om veel narigheid te voorkomen.

Maar die rem van de democratie is niet gegarandeerd. Narcistische leiders die aan de macht zijn gekomen, zullen naar hun aard de mogelijkheden verkennen om de rem van de democratie te verzwakken of buiten werking te stellen. (Als we het nieuws volgen zien we dat met regelmaat gebeuren. Denk dicht bij huis aan Berlusconi, wel een heel puur voorbeeld van een narcist aan het stuur.) Om dat te voorkomen is het nodig dat er onder de bevolking een duidelijk zichtbare steun is voor de handhaving van de democratie. En er is nodig dat onafhankelijke machtscentra, zoals alternatieve politieke partijen en de rechterlijke macht, duidelijk zichtbaar blijven bestaan.

Aan die voorwaarden was in Duitsland ten tijde van de opkomst van het nazibewind maar beperkt en in de periode waar Kershaw het over heeft, helemaal niet voldaan. De democratie was buiten werking gesteld. Andere politieke partijen konden alleen ondergronds en in het diepste geheim enig verzet plegen. De rechterlijke macht was er niet meer of was niet meer onafhankelijk. In feite was er niet meer een overheid zoals wij die kennen. Die was volledig overgenomen door de nationaal-socialistische partij, met een persoon, Hitler, aan de absolute macht. Er was dus onbegrensde ruimte voor terreur en intimidatie.

En speelde de persoon van Hitler, zijn narcisme, zijn charisma, zijn pathologie, daarin nu een cruciale rol? Was het zoals ik als jongen en puber dacht dat al het kwaad voort was gekomen uit het gegeven dat er nu eenmaal boeven en schurken bestaan? Of was die rol, hoewel belangrijk, toch ondergeschikt aan dat hele sociale proces van het ontstaan van een extreme statushiërarchie, waar miljoenen mensen met meer of minder of geheel geen tegenzin aan hadden meegewerkt?

Die lastige vraag probeer ik te beantwoorden nadat ik eerst nog een keer Sebastian Haffners Kanttekeningen bij Hitler heb gelezen. In een reactie op mijn eerste bericht over Kershaws boek spoorde Rudi Wielers mij daartoe aan. Hier het vervolg.

zaterdag 8 oktober 2011

Anatomie van zelfvernietiging

Zoals aangekondigd kom ik terug op het boek Tot de laatste man. Duitsland 1944-1945 van Ian Kershaw. Ik heb het van begin tot eind gelezen. Dat is het vermelden waard, want het valt niet mee om deze aaneenrijging van misère en gruwelen tot je te nemen. Dosering is nodig, evenals te proberen de nodige afstand in acht te nemen. Maar dat lukt met dit soort geschiedschrijving niet altijd. Zo heb ik bijvoorbeeld Nazi-Duitsland en de Joden van Saul Friedländer tot nu toe maar tot net over de helft kunnen lezen.

Kershaw begint zijn concluderende hoofdstuk, met als titel Anatomie van zelfvernietiging, met nog eens  weer te geven waar het hem om ging.
Dit boek wees (...) op de buitengewone zeldzaamheid dat een land bij machte en bereid is tijdens een oorlog tot aan zijn totale vernietiging door te vechten. Het is even zeldzaam dat de invloedrijke elites van een land, en meest voor de hand liggend het leger, niet bij machte of van zins zijn een leider te verwijderen die hen met hem naar complete rampspoed voert. Toch, erkend door allen dat dit plaatsvond (en steeds onvermijdelijker), was deze gang naar een alomvattende, nationale catastrofe - een totale militaire nederlaag, fysieke ondergang, vijandelijke bezetting en, zelfs meer dan dat, moreel bankroet - precies wat er in 1945 in Duitsland gebeurde. De voorgaande hoofdstukken hebben geprobeerd te verklaren hoe dit mogelijk was.
Kershaws samenvatting van die poging tot verklaring gaat ongeveer als volgt. Allereerst was het niet zo dat de bevolking Hitler en het naziregime tot het eind toe steunde. Hitlers populariteit verkeerde in deze periode in een vrije val en de nazipartij werd in brede kring gehaat. Maar daar stond de terreur tegenover het eigen volk tegenover. Elke vorm van verzet of twijfel was levensgevaarlijk. Zogenaamde standrechtbanken trokken het land door en velden doodvonnissen als routine. Het effect daarvan was zeer intimiderend.

Maar de generaals werden niet geterroriseerd, hoogstens ontslagen. Wel waren ze onderling verdeeld. En zelfs als ze fundamenteel met Hitlers tactiek van mening verschilden, en die tactiek was steeds meer van de werkelijkheid vervreemd, betwistten ze niet zijn recht om bevelen uit te vaardigen. Ook voor het viermanschap dat het meest direct met Hitler in contact stond - Bormann, Goebels, Himmler en Speer - geldt dat ze onderling verdeeld waren en elkaar wantrouwden. En ze wisten dat hun gezag volledig van Hitler afhing. Er was naast Hitler niet een enigszins zelfstandige groep of instantie die kon dienen om tegenwerk te organiseren. Zoals Kershaw zegt, was de personalisatie van het bestuur extreem.

Dat kwam ook doordat de bestuursstructuur in de laatste periode volledig was afgebrokkeld. Hitler was staatshoofd, opperbevelhebber van de strijdkrachten, hoofd van de regering en hoofd van de partij. Dit kon er toe leiden dat in die laatste fase de bevolking in feite was uitgeleverd aan de partij, in concreto aan de Gauleiter, die via Bormann direct aan Hitler verantwoording aflegden. Daarover Kershaw:
Als Rijksdefensiecommissarissen, die verantwoordelijk waren voor de civiele verdediging in hun gebieden, beschikten ze over een enorme armslag om op praktisch alle terreinen van het dagelijks leven tussenbeide te komen (en voor niet nakoming standrechtelijke vergelding op te leggen). Zij en hun ondergeschikten op districts- en plaatselijk niveau gingen onder meer over de verdeling van bijstand, verplichte evacuatie van burgers uit bedreigde gebieden, toegang tot schuilkelders tegen luchtaanvallen, opruimen van bomschade en verplichte rekrutering voor dwangarbeid bij verdedigingsinstallaties. Ze speelden ook een sleutelrol in het 'totale oorlog'-programma van Goebbels om voor het verwerven van mannen voor de Wehrmacht kantoren en werkplaatsen uit te kammen op de laatste reserves aan mankracht. (...) Tijdens de laatste oorlogsmaanden was Duitsland een totaal gemobiliseerde en gemilitariseerde samenleving zo dicht genaderd als maar mogelijk is. De Duitse massa's werden onderdrukt, gekoeioneerd en geordend als nooit tevoren.
Het naziregime was vanaf het begin een charismatische heerschappij geweest, sterk gebaseerd op persoonlijke banden van de hoogste leiders met Hitler. Daarin heeft Hitlers overheersende persoonlijkheid zeker een grote rol gespeeld. Hij was volstrekt onbuigzaam, in de betekenis van overtuigd van het eigen gelijk, in de contacten met de generaals en de leiders om hem heen. Die overtuiging was zo immens groot dat het hem kennelijk vanzelfsprekend leek dat met hem ook het Duitse volk ten onder moest gaan. Maar ook toen die massale charismatische aantrekkingskracht allang was verdwenen, bleven de structuren en mentaliteit van een charismatische bewind bestaan tot aan Hitlers dood in de bunker in Berlijn. (Even opvallend is dat dit alles zeer snel veranderde toen het bericht van zijn zelfmoord zich verspreidde.) Die bestuursstructuren en de onderliggende mentaliteit zijn dan ook volgens Kershaw de meest fundamentele oorzaken dat Duitsland in staat was en van zins was om tot het einde toe te vechten.

Wat valt over deze verklaring, die ik hier grotendeels in Kershaws eigen woorden heb samengevat, te zeggen met een sociaalwetenschappelijke blik? Daarover in het volgende bericht.

dinsdag 20 september 2011

Tot de laatste man. Duitsland 1944-1945

Ik was gisteren bij de presentatie van het nieuwe boek van Ian Kershaw, Tot de laatste man. Duitsland 1944-1945 (Spectrum) in de Amstelkerk in Amsterdam. Ik kom er later op terug als ik het boek gelezen heb. Maar nu al vast een paar woorden over hoe ik het ga lezen.

Ik ben, net als Kershaw trouwens, van 1943. Van in de Tweede Wereldoorlog en te jong om die bewust te kunnen hebben meegemaakt. Maar oud genoeg om sterk beïnvloed te zijn door de periode na de oorlog. Als ik het me goed herinner, had ik toen zowel een sterk besef van de gruwelen die hadden plaatsgevonden als een gevoel van optimisme dat vanaf nu zoiets nooit meer zou gebeuren. Wat er gebeurd was, was zo leek het mij historisch uniek. Het had aan bijzondere omstandigheden gelegen, zoals aan de charismatische persoon en de kwaadaardigheid van een Hitler en van enkele andere schurken. Vandaar dat ik alles over Hitler ging lezen, om uit te vinden welke combinatie van eigenschappen tot zoiets vreselijks kon leiden.

Pas later begon ik er met een, zeg maar, sociaalwetenschappelijke blik naar te kijken. En ik meende te ontdekken dat het geheim niet lag in de persoon van Adolf Hitler, hoe weerzinwekkend ook, maar in het sociale systeem, een extreme vorm van een statushiërarchie, dat in de jaren dertig in Duitsland ontstond. En dat in minder extreme vormen een veel voorkomend verschijnsel is, omdat de duale sociale natuur van mensen zo'n systeem gemakkelijk doet ontstaan. Menselijke vermogens van enerzijds onderdrukking en terreuruitoefening en anderzijds onderwerping en conformisme kunnen relatief onschuldige, maar ook  extreem gewelddadige statushiërarchieën tot ontwikkeling brengen. En dat kan leiden tot onvoorstelbare terreur en vernietiging, zoals in de periode die Kershaw beschrijft.

Sinds gisteravond ben ik het boek aan het lezen en ik kom er op terug als ik het uit heb. Maar nu al vast een commentaar op een passage in het interview dat Vrij Nederland (17 september) met Kershaw had. Ik citeer een vraag die de interviewers stellen:
In het eindspel was Hitler staatshoofd, legerleider, regeringsleider en partijleider. Waarom disculpeert u hem dan zo door zoveel schuld te leggen bij de dominante elites, de frustratie na de Eerste Wereldoorlog en de hiërarchische structuur van de fascistische samenleving?
De interviewers zoeken een schuldige en zitten dus op datzelfde spoor van de persoon van Hitler waar ik als kind en puber op zat. En dat waarschijnlijk nog veel mensen volgen. Die sociaalwetenschappelijke invalshoek, die heeft nog wel wat verbreiding nodig. Welk antwoord geeft Kershaw? Ik geef een paar citaten:
Ik ontzie Hitler absoluut niet (.....) De manier waarop het gezag was georganiseerd binnen het regime was veel belangrijker, omdat er geen ruimte was voor enige groep binnen de regering om Hitler tegen te spreken of om hun loyaliteit op een andere manier in te zetten. (...) Van belang was niet zozeer wie Hitler als persoon was, maar hoe hij door de aanhoudende propaganda gezien werd en hoe zijn volgelingen zich, zelfs ongevraagd, voor hem wilden inspannen conform dat beeld.
De interviewers willen dan weer graag dat dat laatste "typisch Duits" zou zijn, maar, het spijt me, het is algemeen menselijk.

Ik ga weer aan het lezen.