dinsdag 25 oktober 2011

Het Hitler-bewind sociaalwetenschappelijk bekeken: de persoon

Ik kom terug op de vraag of je je voor het begrijpen van de collectieve zelfvernietiging van Duitsland in 1944-'45 vooral moet richten op de persoonlijke eigenschappen van Hitler of vooral op het sociale proces van het ontstaan van een extreme statushiërarchie. In het vorige bericht beschreef ik hoe zo'n statushiërarchie kan ontstaan en eindigde ik met de vraag hoe cruciaal de rol van de persoon van de leider, in dit geval Hitler, in dat proces is. Ik probeer daar een antwoord op te geven, na herlezing van Sebastian Haffners Kanttekeningen bij Hitler. Bij citaten vermeld ik de nummers van de pagina's van de Rainbow Pocket editie van 2010. In dit bericht ga ik in op de persoonlijke eigenschappen van Hitler zoals die uit Haffners beschrijvingen te voorschijn komen.

Allereerst: Hitler was in extreme mate een narcist. Deze eigenschap staat er direct mee in verband dat Hitler, hoewel hij aanvankelijk aan het hoofd van een staat kwam te staan, hij vervolgens de staat afschafte en inruilde voor een absolute heerschappij, sociaalwetenschappelijk gezegd, een statushiërarchie. In de woorden van Haffner:
 hij heeft (...) het vermogen tot functioneren van de staat bewust opgeofferd aan zijn persoonlijke almacht en onvervangbaarheid (...) Het Derde Rijk bezat (...) op zijn laatst vanaf de herfst van 1934 geen (...) grondwet meer. Ook kende en respecteerde het geen grondrechten die de macht van de staat tegenover de burger inperkten (...) Hitler heeft daarentegen opzettelijk een toestand geschapen waarbinnen de verschillende zelfstandige gezagsdragers onbegrensd, elkaar beconcurrerend en elkaar overlappend, naast en tegenover elkaar stonden, met slechts hem aan het hoofd van allemaal. Alleen op die manier kon hij zich verzekeren van de door hem gewenste absolute handelingsvrijheid in alle richtingen. Hij had immers het volkomen terechte gevoel dat iedere grondwettelijke ordening van macht zelfs de machtigste grondwettelijke instelling beknot: ook de machtigste man binnen een constitutionele staat heeft uiteindelijk met bevoegdheden te maken; hij kan niet iedereen alles bevelen; en op zijn minst is er ook voor gezorgd dat de staat eventueel zonder hem verder kan. Hitler wilde echter noch het een noch het ander en om die reden schafte hij de grondwet af zonder haar te vervangen. Hij wilde niet de hoogste dienaar van een staat zijn, maar De Führer, een absoluut heerser... (57-58)
De karaktertrek waaruit dit streven voortkwam noemt Haffner op drie plaatsen in het boek (58, 139 en 141) bindingsangst, ook omschreven als vrees voor het definitieve, en, door Frits Boterman in het nawoord, als de angst om zich vast te leggen. Haffner denkt dat die bindingsangst samenhing met:
zijn bewondering voor zichzelf (...) Omdat hij zich als onfeilbaar beschouwde en blindelings op zijn intuïtie vertrouwde, kon hij geen instellingen scheppen die hem in de weg zouden zitten; en omdat hij zich als onvervangbaar beschouwde en zijn hele programma in ieder geval tijdens zijn leven gerealiseerd wilde zien, kon hij niets planten dat tijd nodig had om te groeien, kon hij niets aan zijn opvolgers toevertrouwen, zelfs niet eens voor opvolgers zorgen (de gedachte aan opvolgers had hij altijd opvallend onplezierig gevonden). (139)
Die bewondering voor zichzelf noemt Haffner ook:
een totaal gebrek aan vermogen tot zelfkritiek. Hitler was zijn hele leven lang buitengewoon met zichzelf ingenomen en daardoor altijd tot zelfoverschatting geneigd. Stalin en Mao hebben de cultus rond hun persoonlijkheid gebruikt als een politiek instrument, zonder zichzelf een rad voor de ogen te laten draaien. Hitler was niet alleen het onderwerp van de Hitlercultus, hij was er ook de vroegste, hardnekkigste en vurigste aanhanger van. (15)
 Dat gebrek aan zelfkritiek kan er de oorzaak van zijn dat er bij Hitler
geen sprake (is) van een ontwikkeling en rijping van zijn karakter of persoonlijkheid. Zijn karakter ligt al vroeg vast - een betere formulering is misschien 'loopt al vroeg vast' - en blijft op een verbazingwekkende manier altijd dezelfde; er wordt niets meer aan toegevoegd. Een weinig innemend karakter overigens. Alle zachte, vriendelijke en verzoenende trekken ontbreken, tenzij men zijn contactschuwheid, die soms op schuchterheid lijkt, als een verzoenende karaktertrek wil beschouwen. Zijn positieve eigenschappen - wilskracht, durf, dapperheid, uithoudingsvermogen - behoren alle tot de 'harde' kant. En dat geldt al helemaal voor zijn negatieve eigenschappen: meedogenloosheid, wraakzucht, trouweloosheid en wreedheid. (14)
Alle kenmerken van narcisme lijken hier aanwezig. Sterk egoïsme, zichzelf als het middelpunt van de wereld beschouwen. Hangt samen met een gebrek aan vermogen tot empathie. Anderen zijn er om voor jouw doeleinden te gebruiken. Ontbreken van enige interesse in het welbevinden van anderen. Onveranderlijkheid van gedrag: omdat alles van waarde in de persoon zelf reeds aanwezig is, kan er geen enkele informatie van buiten komen die aanleiding is tot verandering. Als er problemen met anderen ontstaan, zijn de anderen daar altijd de oorzaak van.

Die meedogenloosheid en wreedheid kunnen een gevolg zijn van gebrek aan empathie, maar niet iedereen met gebrekkige empathische vermogens is meedogenloos en wreed. Die wreedheid lijkt een zelfstandige karaktertrek, die van de psychopathie. In de woorden van Haffner:
Hitler heeft talloze onschuldige mensen laten ombrengen, niet ten gunste van een militair of politiek doel, maar geheel voor zijn eigen voldoening. (155)
hij (...) gebruikte (de oorlog) als voorwendsel voor het plegen van massamoorden die met die oorlog niets te maken hadden, maar die voor hem altijd een persoonlijk verlangen waren geweest. (156)
Vanaf eind 1941 (...) werd (hij) slechts nog door moorddadige gekte gedreven. (178-179)
In deze laatste drie jaar genoot Hitler geen successen meer zoals in de voorbije elf jaar. Het kostte hem echter geen moeite om daarvan af te moeten zien, omdat hij in plaats daarvan meer dan ooit tevoren de lust kon botvieren van een killer die zijn laatste bedenking heeft afgeworpen, zijn slachtoffer in handen heeft en met hem kan uithalen wat hij wil. (180)
Die combinatie van narcisme en psychopathie is niet verrassend, want narcisme behoort tot de criteria voor de psychopathische persoonlijkheidsstoornis.

Met deze eigenschappen, narcisme en psychopathie, was deze man tot zijn dertigste levensjaar een "obscure mislukkeling" (10). Hoe kan het dat hij daarna aan het hoofd kwam te staan van een nationale statushiërarchie? Daarover in het volgende bericht. Update. Zie Hoe ontstond de nationale statushiërarchie van het Hitler-bewind?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen