Posts tonen met het label Judith Rich Harris. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Judith Rich Harris. Alle posts tonen

woensdag 2 januari 2019

Judith Rich Harris overleden. Ze dwong ons om anders en beter te kijken naar de rol van ouders in het opgroeien van kinderen

Update. Meer lezen over en van Judith Rich Harris? Edge besteedt nu uitgebreid aandacht aan haar werk en haar invloed: Judith Rich Harris: 1938 - 2018.
Judit Rich Harris is vorige week zaterdag overleden. Ze is 80 jaar geworden. Nadat ze als psycholoog cum laude was afgestudeerd, liep haar academische carrière vast. Mede doordat ze door een slepende ziekte aan huis gebonden was, ging ze inleidende handboeken psychologie schrijven. Dat bracht haar ertoe om zich op een breed terrein te oriënteren en de wetenschappelijke literatuur bij te houden. 
Door de vergaande specialisering is dat aan de universiteiten een zeldzaamheid geworden. En dat verklaart misschien dat zij wel en de universitaire onderzoekers niet, tot een belangrijke ontdekking kwam. 
De ontdekking namelijk dat een omvangrijk terrein van onderzoek, dat naar de invloed van ouders op hun kinderen, op een heel verkeerd spoor zat. En zit, want veel van dat soort onderzoek is gewoon doorgegaan.
Daarover publiceerde ze in 1998 het boek The Nuture Assumption. Why Children Turn Out The Way They Do, dat veel ophef teweegbracht.Ik schreef daarover in 2015 het bericht dat je hieronder in zijn geheel kunt (her)lezen.
Het is mijn eerbetoon aan Judith Rich Harris. Lees ook het in memoriam dat gisteren in de New York Times verscheen: Judith Rich Harris, Who Played Down the Role of Parents, Dies at 80.

Nieuwe aanwijzingen voor het misverstand opvoeding en de de mythe van de opvoedbaarheid


Ooit hebben we eens bedacht dat bij de goede ontwikkeling van kinderen alles draait om de goede opvoeding door de ouders. Het is in onze maatschappij niet gegarandeerd dat kinderen zich gunstig ontwikkelen, dat ze verantwoordelijkheid leren dragen voor zichzelf en voor anderen. Het is niet zeker dat ze in een positief ontwikkelingstraject terecht komen, wat o.a. wil zeggen dat ze het goed doen op school en dat ze geen last krijgen van gedragsproblemen of van depressie, eetstoornissen, zelfbeschadiging en suïcidale gedachten. Maar om voor elkaar te krijgen dat het met kinderen goed gaat, is het eerst en vooral nodig dat ze goed worden opgevoed.

Ik noemde dat eerder de mythe van de opvoedbaarheid. Zie Moreel besef en de "fallacy of misplaced concreteness": opvoeders en God en De hechtingstheorie van Bowlby en de mythe van de opvoedbaarheid. Met de achterliggende gedachte dat kinderen in onze maatschappij al heel snel doorhebben dat ze hun toekomstige leven niet in het ouderlijk gezin zullen doorbrengen en zich dus oriënteren op de buitenwereld. Wat vooral de wereld is van de leeftijdsgenoten, de peers. Waardoor de invloed van die buitenwereld op hun latere gedrag veel groter is dan de invloed van de ouders. En dat heeft er natuurlijk mee te maken dat onze gezinnen vergaand sociaal zijn geïsoleerd.

Toch is de neiging groot om te denken dat ouders heel veel invloed op hun kinderen hebben. En dat het dus goed is om te bevorderen dat ouders hun kinderen goed opvoeden. Die gedachte ligt ook ten grondslag aan ons jeugdbeleid, aan de opvoedondersteuning en aan al die andere opvoedinterventies. Zie Jeugdzorg en de taaie mythe van de opvoedbaarheid.

Mijn betoog over die mythe van de opvoedbaarheid is sterk beïnvloed door het voor het eerst in 1998 verschenen boek The Nurture Assumption. Why Children Turn Out The Way They Do van Judith Rich Harris, vertaald als Het misverstand opvoeding. Harris laat in dat boek zien dat het vele onderzoek dat suggereert dat ouders door hen op te voeden (of niet) zoveel invloed op hun kinderen hebben, er aan lijdt dat geen rekening is gehouden met de genetische component. Door de genetische overeenkomst tussen ouders en hun kinderen ontstaat ook altijd een deel van de overeenkomsten in hun gedrag. Als bijvoorbeeld ouders snel agressief zijn, dan dragen ze die aanleg over op hun kinderen. Rechtstreeks, via de gemeenschappelijke genen, en daarbovenop via de huiselijke omgeving, waar geweld nogal eens wil voorkomen.

Wat zou er gebeuren als je onderzoek zou kunnen doen waarin je biologische kinderen en geadopteerde kinderen vergelijkt? Als de stelling van het misverstand opvoeding klopt, dan zou je moeten zien dat je bij die biologische kinderen wel effecten ziet van het opvoedingsgedrag van de ouders, maar bij de geadopteerde kinderen niet. En dan zou dus blijken dat het hele "opvoedingseffect" weg verklaard wordt door de genetische component.

Precies zulk onderzoek is nu net verschenen. Het gaat om de studie The role of parenting in the prediction of criminal involvement: Findings from a nationally representative sample of youth and a sample of adopted youth (betaalpoort). De onderzoekers keken naar de invloed van verschillende kenmerken van de ouders op de kans dat hun kinderen met de politie in aanraking kwamen, werden veroordeeld of gedetineerd waren geweest. De kans zeg maar op een vorm van negatief ontwikkelingstraject. Bij die ouderkenmerken ging het om zaken als betrokkenheid bij de kinderen, de zorg voor de kinderen en de mate van intimiteit (alles zoals gezien door het kind).

Het blijkt dan dat er bij de biologische kinderen wel significante verbanden bestaan tussen de ouderkenmerken en de kans op dat negatieve ontwikkelingstraject, maar bij de geadopteerde kinderen in het geheel niet.

En dat is dus een aanwijzing dat die invloed van de biologische ouders op hun kind bovenal tot stand komt door de genetische component. Dat is interessant, want eerdere aanwijzingen kwamen vooral uit het bekende tweelingenonderzoek, waarin broers/zussen, twee-eiige en een-eiige tweelingen worden vergeleken. Er valt wat voor te zeggen dat de beste vergelijking is die tussen biologische en geadopteerde kinderen. En de uitkomst daarvan blijkt dus overeen te komen met de stelling van het misverstand opvoeding en met die van de mythe van de opvoedbaarheid.

dinsdag 17 november 2015

Waardenoverdracht ouders-kinderen is vooral genetisch - meer over de mythe van de opvoedbaarheid


Stel je bent iemand die gemakkelijk anderen te hulp schiet. En iemand die een rechtvaardige wereld voorstaat en die vindt dat mensen gelijk behandeld horen te worden.

Of stel dat je iemand bent die vindt dat er in het leven gepresteerd moet worden, dat je ambitieus hoort te zijn en dat je naar macht moet streven.

En stel dat je constateert dat je opgroeiende kinderen wat deze waarden betreft behoorlijk op jou lijken. Je zou dan kunnen denken dat dat komt doordat jij hen zo hebt opgevoed.

In het eerste geval heb je hen bijgebracht dat je hulpvaardig moet zijn en eerlijk en dat iedereen gelijk is. Of je hebt hen bijgebracht dat het in het leven draait om succes, ambitie en macht.

Dan is er een grote kans dat je onderschat hoeveel van die gelijkenis tussen jou en je kinderen genetisch bepaald is. En dat je je eigen bijdrage als opvoeder overschat.

Dat je dat doet, is te begrijpen, want het overschatten van het belang van opvoeden voor het opgroeien van kinderen is een veel voorkomende fout. Denk aan Het misverstand opvoeding van Judith Rich Harris en aan wat ik eerder de mythe van de opvoedbaarheid noemde.

Nieuwe aanwijzingen voor het grote belang van de genetische overdracht van waarden in vergelijking met de overdracht door opvoeding komen uit de nieuwe studie Genetic and Environmental Parent–Child Transmission of Value Orientations: An Extended Twin Family Study (betaalpoort).

De onderzoekers ondervroegen een-eiige en twee-eiige tweelingen van tussen de 7 en 11 jaar oud en hun ouders over hun houding tegenover de 10 fundamentele waarden van Shalom Schwartz. Die waarden zie je hieronder in een cirkel afgebeeld, waarbij die waarden die dichterbij elkaar liggen in de werkelijkheid ook meer samen voorkomen. (Bron afbeelding. Anders gezegd, tegenover elkaar liggende driehoeken zijn elkaars tegengestelden. Als jij bijvoorbeeld veel waarde hecht aan succes en presteren (statuscompetitie), dan is de kans klein dat je het belangrijk vindt om hulpvaardig te zijn (gemeenschapsgedrag).


Om de vragenlijst voor de kinderen niet te lang te maken, werden vragen over twee waarden (traditie en universalisme) weggelaten.

Na statistische analyse van de overeenkomsten en verschillen tussen de ouders onderling, tussen de ouders en hun kinderen en tussen de een-eiige en de twee-eiige tweelingen komen de onderzoekers tot de conclusie dat de overeenkomst tussen ouders en hun kinderen bovenal moet worden toegeschreven aan de genetische overdracht. In de woorden van de onderzoekers:
The results of our study cast doubt on the conventional wisdom that similarity between family members regarding value priorities results from environmental sources. Although we found significant environmentally mediated parental effects for some value priorities (e.g., benevolence, security, power, and self-direction), the effects were rather small, providing less evidence for value socialization within families contributing to parent–child and siblings’ similarity in value priorities beyond genetic contributions. The twin family analyses yielded significant contributions of twins’ shared environments beyond parental influences that act to increase twins’ similarity. Those effects may reflect intragenerational shared social contexts, such as peer influences, which may be more important as a source of siblings’ similarity in value priorities. This may not be surprising because the primary school age marks the beginning of a trend toward independence from parents and an increasing identification with peers ...
Judith Rich Harris werd wel verweten dat haar boodschap dat opvoeding weinig effect heeft, ouders er toe zou brengen om hun kinderen te verwaarlozen. Want ja, het maakt immers toch niet uit?

Maar Harris heeft daar tegen in gebracht dat ouders gelukkig bijna allemaal van hun kinderen houden en dat het die liefde voor hun kinderen is die maakt dat ze goed voor hen zorgen. Daar gaat het om, niet om de motivatie om hen "goed op te voeden". Ik vond hier dit mooie citaat:
Is my idea dangerous? I've never condoned child abuse or neglect; I've never believed that parents don't matter. The relationship between a parent and a child is an important one, but it's important in the same way as the relationship between married partners. A good relationship is one in which each party cares about the other and derives happiness from making the other happy. A good relationship is not one in which one party's central goal is to modify the other's personality.
I think what's really dangerous — perhaps a better word is tragic — is the establishment's idea of the all-powerful, and hence all-blamable, parent.
Tot zover deze keer over de mythe van de opvoedbaarheid.

maandag 2 maart 2015

Nieuwe aanwijzingen voor het misverstand opvoeding en de de mythe van de opvoedbaarheid

Ooit hebben we eens bedacht dat bij de goede ontwikkeling van kinderen alles draait om de goede opvoeding door de ouders. Het is in onze maatschappij niet gegarandeerd dat kinderen zich gunstig ontwikkelen, dat ze verantwoordelijkheid leren dragen voor zichzelf en voor anderen. Het is niet zeker dat ze in een positief ontwikkelingstraject terecht komen, wat o.a. wil zeggen dat ze het goed doen op school en dat ze geen last krijgen van gedragsproblemen of van depressie, eetstoornissen, zelfbeschadiging en suïcidale gedachten. Maar om voor elkaar te krijgen dat het met kinderen goed gaat, is het eerst en vooral nodig dat ze goed worden opgevoed.

Ik noemde dat eerder de mythe van de opvoedbaarheid. Zie Moreel besef en de "fallacy of misplaced concreteness": opvoeders en God en De hechtingstheorie van Bowlby en de mythe van de opvoedbaarheid. Met de achterliggende gedachte dat kinderen in onze maatschappij al heel snel doorhebben dat ze hun toekomstige leven niet in het ouderlijk gezin zullen doorbrengen en zich dus oriënteren op de buitenwereld. Wat vooral de wereld is van de leeftijdsgenoten, de peers. Waardoor de invloed van die buitenwereld op hun latere gedrag veel groter is dan de invloed van de ouders. En dat heeft er natuurlijk mee te maken dat onze gezinnen vergaand sociaal zijn geïsoleerd.

Toch is de neiging groot om te denken dat ouders heel veel invloed op hun kinderen hebben. En dat het dus goed is om te bevorderen dat ouders hun kinderen goed opvoeden. Die gedachte ligt ook ten grondslag aan ons jeugdbeleid, aan de opvoedondersteuning en aan al die andere opvoedinterventies. Zie Jeugdzorg en de taaie mythe van de opvoedbaarheid.

Mijn betoog over die mythe van de opvoedbaarheid is sterk beïnvloed door het voor het eerst in 1998 verschenen boek The Nurture Assumption. Why Children Turn Out The Way They Do van Judith Rich Harris, vertaald als Het misverstand opvoeding. Harris laat in dat boek zien dat het vele onderzoek dat suggereert dat ouders door hen op te voeden (of niet) zoveel invloed op hun kinderen hebben, er aan lijdt dat geen rekening is gehouden met de genetische component. Door de genetische overeenkomst tussen ouders en hun kinderen ontstaat ook altijd een deel van de overeenkomsten in hun gedrag. Als bijvoorbeeld ouders snel agressief zijn, dan dragen ze die aanleg over op hun kinderen. Rechtstreeks, via de gemeenschappelijke genen, en daarbovenop via de huiselijke omgeving, waar geweld nogal eens wil voorkomen.

Wat zou er gebeuren als je onderzoek zou kunnen doen waarin je biologische kinderen en geadopteerde kinderen vergelijkt? Als de stelling van het misverstand opvoeding klopt, dan zou je moeten zien dat je bij die biologische kinderen wel effecten ziet van het opvoedingsgedrag van de ouders, maar bij de geadopteerde kinderen niet. En dan zou dus blijken dat het hele "opvoedingseffect" weg verklaard wordt door de genetische component.

Precies zulk onderzoek is nu net verschenen. Het gaat om de studie The role of parenting in the prediction of criminal involvement: Findings from a nationally representative sample of youth and a sample of adopted youth (betaalpoort). De onderzoekers keken naar de invloed van verschillende kenmerken van de ouders op de kans dat hun kinderen met de politie in aanraking kwamen, werden veroordeeld of gedetineerd waren geweest. De kans zeg maar op een vorm van negatief ontwikkelingstraject. Bij die ouderkenmerken ging het om zaken als betrokkenheid bij de kinderen, de zorg voor de kinderen en de mate van intimiteit (alles zoals gezien door het kind).

Het blijkt dan dat er bij de biologische kinderen wel significante verbanden bestaan tussen de ouderkenmerken en de kans op dat negatieve ontwikkelingstraject, maar bij de geadopteerde kinderen in het geheel niet.

En dat is dus een aanwijzing dat die invloed van de biologische ouders op hun kind bovenal tot stand komt door de genetische component. Dat is interessant, want eerdere aanwijzingen kwamen vooral uit het bekende tweelingenonderzoek, waarin broers/zussen, twee-eiige en een-eiige tweelingen worden vergeleken. Er valt wat voor te zeggen dat de beste vergelijking is die tussen biologische en geadopteerde kinderen. En de uitkomst daarvan blijkt dus overeen te komen met de stelling van het misverstand opvoeding en met die van de mythe van de opvoedbaarheid.

donderdag 21 februari 2013

Over de verklaring van gruwelijk gedrag - Stanley Milgram en Philip Zimbardo

"Charles" reageerde eergisteren op het bericht Moreel besef en de "fallacy of misplaced concreteness": opvoeders en God, dat handelt over het grotendeels onbewuste ontstaansproces van morele intuïties (vergelijkbaar met het aanleren van taal) en onze neiging om een concrete oorzaak voor ons moreel besef aan te wijzen. En daarmee de fout van de misplaatste concreetheid (fallacy of misplaced concreteness) te maken. In dat bericht ging het over opvoeding en God als zulke concretere oorzaken. "Charles" schreef:
Ontdek dit blog zojuist terwijl ik met een half oog naar Schindler's List kijk. Ik ken de film al en die maakt me niet vrolijk.
Vanwaar het ontbreken van moreel besef bij Duitse officieren en soldaten. Van Duitse krijgsgevangenen in Engelse kampem weten we dat Duitse soldaten het doden (moorden) vrij snel 'onder de knie hadden'. Ze leken er verrassend weinig moeite mee te hebben.
Bestaat er wetenschappelijk onderzoek over dit onderwerp.
(Ik had net Het Misverstand Opvoeding van Harris weer eens ter hand genomen).
Of er wetenschappelijk onderzoek over dit onderwerp bestaat? Wat kan ik daar op antwoorden?

Eerst maar over die verwijzing naar Het Misverstand Opvoeding van Judith Rich Harris. Dat boek maakt duidelijk dat kinderen vooral worden beïnvloed door wat ze buiten de sfeer van het eigen gezin observeren en meemaken. En veel minder door wat hun ouders hen vertellen en leren. Vergelijk mijn berichten over de mythe van de opvoedbaarheid. Dat betekent dat het dus veel uitmaakt voor hoe een kind zich sociaal en moreel ontwikkelt, hoe die sociale omgeving buiten het gezin er uit ziet. Heerst daar geen morele gemeenschap, maar een toestand van anonimiteit of zelfs een toestand van statuscompetitie, dan is er weinig kans op een gunstige sociale en morele ontwikkeling. En dus is het morele kompas op volwassen leeftijd, dat ons beïnvloedt via de emoties van goed en kwaad, maar zwak aanwezig. En dat betekent weer dat de drempel die ons moet tegenhouden om gruwelijkheden te verrichten, laag is.

Deze verklaring voor gruwelijk gedrag, voor het moorden en afslachten van medemensen, is een toepassing van de evolutionaire theorie van de socialisering oftewel de theorie van de levensloop-strategie. Deze verklaring wijst er op dat de aard van de sociale omgeving waarin mensen opgroeien de kans op het plegen van dit soort misdaden verhoogt.

Uiteraard is er de aanvullende verklaring die oorzaken zoekt in de omstandigheden waaronder mensen handelen. Ook als bij iemand die morele drempel lager is, dan wil dat nog niet zeggen dat hij of zij voortdurend gruwelijkheden begaat. Deze verklaring wordt daarom ook wel situationeel genoemd. Wat zijn de kenmerken van situaties waarin mensen er toe worden gebracht om vreselijke dingen te doen? Onderzoekers die daar een antwoord op hebben proberen te geven, zijn Stanley Milgram en Philip Zimbardo.

Stanley Milgram voerde in de jaren 60 van de vorige eeuw zijn bekend geworden gehoorzaamheidsexperimenten uit. Onder het mom van het gezag van de wetenschap bleek hij in staat om mensen er toe brengen om anderen zelfs in extreme mate te pijnigen. Althans, de proefpersonen werden in de waan gebracht dat ze de pijn, elektrische schokken, ook echt aan iemand toedienden. Kenmerkend voor de situatie was dat het mensen gemakkelijk werd gemaakt om de verantwoordelijkheid voor hun daden bij iemand anders neer te leggen. Over de interpretatie van de uitkomsten van deze experimenten is veel te doen geweest. Lees daarover de behoorlijk goede wikipedia-tekst waar ik hierboven naar link.

Het andere bekende onderzoek is het Stanford Prison Experiment dat Philip Zimbardo in de jaren 70 van de vorig eeuw uitvoerde. Hij simuleerde een gevangenis door studenten de rollen van gevangen en cipiers te laten spelen. Dat experiment liep volledig uit de hand omdat de cipiers overgingen tot martelingen en de gevangenen daarin leken te berusten en zelfs hun medegevangenen die er tegen in opstand kwamen koeioneerden. Na zes dagen moest het experiment worden afgebroken om nog grotere ongelukken te voorkomen. Zimbardo zelf geraakte in gewetensnood omdat hij zichzelf verweet te lang te hebben gewacht met ingrijpen. Pas decennia later was hij in staat om er uitvoerig over te schrijven, in zijn in 2007 verschenen boek The Lucifer Effect. How Good People Turn Evil. Zie ook de website van het boek.

Wat er nu precies valt te leren van dat Stanford Prison Experiment, weet ik eerlijk gezegd nog niet zo goed. Ik heb dat boek in mijn kast staan, maar ben tot nu toe eigenlijk niet verder gekomen dan de eerste alinea, waarin Zimbardo schrijft:
I wish I could say that writing this book was a labor of love; it was not that for a single moment of the two years it took to complete. First of all, it was emotionally painful to review all of the videotapes from the Stanford Prison Experiment (SPE) and to read over and over the typescripts prepared from them. Time had dimmed my memory of the extent of creative evil in which many of the guards engaged, the extent of the suffering of many of the prisoners, and the extent of my passivity in allowing the abuses to continue for as long as I did - an evil of inaction.
Ik ben wel hevig geïnteresseerd en vind dat ik me er in behoor te verdiepen. Maar tot nu toe schuif ik het voor me uit. Datzelfde doe ik met dat boek Soldaten. Over vechten, doden en sterven, waar "Charles" naar verwijst en dat ook in mijn kast staat.  Je wilt de dagen ook nog wel wat plezierig door komen. Mocht ik nog een keer moed vatten, dan volgen er aanvullende berichten.

dinsdag 29 januari 2013

Nogmaals over de opvoedondersteuning Triple P

Door het sociale isolement van gezinnen kon de mythe van de opvoedbaarheid zich wijd verspreiden. We zijn gaan denken dat een goede sociale en morele ontwikkeling van kinderen bereikt wordt door dat ouders hen goed opvoeden. En als we aanwijzingen krijgen dat het met die ontwikkeling van kinderen niet zo goed gaat, dan vinden we dus dat we ouders daarop moeten aanspreken en dat we opvoedinterventies en opvoedondersteuning moeten aanbieden. Als ouders hun werk niet goed doen, dan moeten ze daarbij worden geholpen.

Maar we schepen ouders op met een onmogelijke taak. Want het is nog nooit zo geweest dat opvoeding door de ouders voldoende was voor een goede sociale en morele ontwikkeling van kinderen. Kinderen zijn altijd, tot voor kort, grootgebracht door een grotere sociale kring om het gezin heen (cooperative breeding). Opvoeding is een moderne uitvinding, uit nood geboren, doordat die sociale kring nu veel minder bestaat.

Maar we hebben veel te hoge verwachtingen van deze uitvinding. Hoe ouders hun kinderen opvoeden blijkt weinig effect te hebben op hoe kinderen zich sociaal en moreel ontwikkelen. Dat komt door dat sociale isolement: kinderen leren al gauw dat de buitenwereld heel anders kan zijn dan de wereld van het gezin en dat verklaart verschillen tussen hoe ze zich thuis gedragen en hoe ze zich in die buitenwereld gedragen. Daar komt bij dat we geneigd zijn om overeenkomsten in gedrag tussen kinderen en ouders toe te schrijven aan die opvoeding door de ouders. Als kinderen "deugen", dan denken we dat dat komt doordat ouders hen zo goed hebben opgevoed. Maar een flink deel van dat "effect" ontstaat door overerving van eigenschappen. De kans dat ouders die "deugen", kinderen krijgen die ook "deugen", is al vrij groot ook zonder dat effect van opvoeding. Zie Judith Rich Harris over het misverstand opvoeding.

Als we ouders met een onmogelijke taak opschepen, dan is het niet te verbazen dat ze om zich heen gaan kijken voor hulp en ondersteuning. En dat lukt hen vaak door grootouders in te schakelen en/of op andere manier hun sociale isolement te verminderen en met andere ouders hulp en steun uit te wisselen. Het krijgen van kinderen is vaak niet voor niets een fase waarin ouders actief zijn in het leggen van nieuwe contacten.

Maar daarnaast is er ook die "bedrijfstak" van opvoedinterventies en opvoedondersteuning ontstaan. Een van die interventies is het programma Triple P dat in Nederland op grote schaal wordt aangeboden. Maar een overzicht van onderzoek wees uit dat er maar weinig aanwijzingen zijn voor positieve effecten. Die effecten die zijn gevonden, zijn van korte duur en alleen voorzover gerapporteerd door de eigen moeder. In gevallen van rapportages door de vader of onafhankelijke beoordelaars werden geen positieve effecten gevonden. Zie mijn eerdere bericht daarover. En zie ook dit blogbericht. Ik was daarover niet verbaasd. Dat de eigen ouders zich gesteund kunnen voelen door deel te nemen aan zo'n programma, valt te begrijpen. Maar dat dat veel effect heeft op de ontwikkeling van de kinderen zelf, dat valt minder te verwachten.

Het Nederlands Jeugd Instituut, dat verantwoordelijk is voor de invoering van Triple P in Nederland,  reageert nu op de negatieve publiciteit. Ze werpen tegen dat er meer onafhankelijke onderzoekingen zijn die niet in dat overzicht werden meegenomen, die wel positieve effecten laten zien. (De kritiek was dat veel onderzoekers een band hadden met Triple P en dus belangen hadden bij een positieve uitkomst.) Maar die onderzoeken zijn niet Engelstalig gepubliceerd en dat is een aanwijzing, let wel, een aanwijzing, dat ze nog niet een strenge beoordeling hebben doorstaan. Vandaar dat de auteurs van dat overzichtsartikel zich tot Engelstalige publicaties hadden beperkt.

Het belangrijkste punt, namelijk dat er alleen kort durende positieve effecten zijn vastgesteld en dan alleen voorzover gerapporteerd door de moeder, blijft bestaan. En dus ook dat onafhankelijke beoordelaars geen positieve effecten op het kind vast konden stellen. Het lijkt er toch op dat opvoedondersteuning inderdaad enig soelaas kan bieden aan de ouders, maar dat de kinderen zelf er niet beter van worden.