woensdag 2 januari 2019

Judith Rich Harris overleden. Ze dwong ons om anders en beter te kijken naar de rol van ouders in het opgroeien van kinderen

Update. Meer lezen over en van Judith Rich Harris? Edge besteedt nu uitgebreid aandacht aan haar werk en haar invloed: Judith Rich Harris: 1938 - 2018.
Judit Rich Harris is vorige week zaterdag overleden. Ze is 80 jaar geworden. Nadat ze als psycholoog cum laude was afgestudeerd, liep haar academische carrière vast. Mede doordat ze door een slepende ziekte aan huis gebonden was, ging ze inleidende handboeken psychologie schrijven. Dat bracht haar ertoe om zich op een breed terrein te oriënteren en de wetenschappelijke literatuur bij te houden. 
Door de vergaande specialisering is dat aan de universiteiten een zeldzaamheid geworden. En dat verklaart misschien dat zij wel en de universitaire onderzoekers niet, tot een belangrijke ontdekking kwam. 
De ontdekking namelijk dat een omvangrijk terrein van onderzoek, dat naar de invloed van ouders op hun kinderen, op een heel verkeerd spoor zat. En zit, want veel van dat soort onderzoek is gewoon doorgegaan.
Daarover publiceerde ze in 1998 het boek The Nuture Assumption. Why Children Turn Out The Way They Do, dat veel ophef teweegbracht.Ik schreef daarover in 2015 het bericht dat je hieronder in zijn geheel kunt (her)lezen.
Het is mijn eerbetoon aan Judith Rich Harris. Lees ook het in memoriam dat gisteren in de New York Times verscheen: Judith Rich Harris, Who Played Down the Role of Parents, Dies at 80.

Nieuwe aanwijzingen voor het misverstand opvoeding en de de mythe van de opvoedbaarheid


Ooit hebben we eens bedacht dat bij de goede ontwikkeling van kinderen alles draait om de goede opvoeding door de ouders. Het is in onze maatschappij niet gegarandeerd dat kinderen zich gunstig ontwikkelen, dat ze verantwoordelijkheid leren dragen voor zichzelf en voor anderen. Het is niet zeker dat ze in een positief ontwikkelingstraject terecht komen, wat o.a. wil zeggen dat ze het goed doen op school en dat ze geen last krijgen van gedragsproblemen of van depressie, eetstoornissen, zelfbeschadiging en suïcidale gedachten. Maar om voor elkaar te krijgen dat het met kinderen goed gaat, is het eerst en vooral nodig dat ze goed worden opgevoed.

Ik noemde dat eerder de mythe van de opvoedbaarheid. Zie Moreel besef en de "fallacy of misplaced concreteness": opvoeders en God en De hechtingstheorie van Bowlby en de mythe van de opvoedbaarheid. Met de achterliggende gedachte dat kinderen in onze maatschappij al heel snel doorhebben dat ze hun toekomstige leven niet in het ouderlijk gezin zullen doorbrengen en zich dus oriënteren op de buitenwereld. Wat vooral de wereld is van de leeftijdsgenoten, de peers. Waardoor de invloed van die buitenwereld op hun latere gedrag veel groter is dan de invloed van de ouders. En dat heeft er natuurlijk mee te maken dat onze gezinnen vergaand sociaal zijn geïsoleerd.

Toch is de neiging groot om te denken dat ouders heel veel invloed op hun kinderen hebben. En dat het dus goed is om te bevorderen dat ouders hun kinderen goed opvoeden. Die gedachte ligt ook ten grondslag aan ons jeugdbeleid, aan de opvoedondersteuning en aan al die andere opvoedinterventies. Zie Jeugdzorg en de taaie mythe van de opvoedbaarheid.

Mijn betoog over die mythe van de opvoedbaarheid is sterk beïnvloed door het voor het eerst in 1998 verschenen boek The Nurture Assumption. Why Children Turn Out The Way They Do van Judith Rich Harris, vertaald als Het misverstand opvoeding. Harris laat in dat boek zien dat het vele onderzoek dat suggereert dat ouders door hen op te voeden (of niet) zoveel invloed op hun kinderen hebben, er aan lijdt dat geen rekening is gehouden met de genetische component. Door de genetische overeenkomst tussen ouders en hun kinderen ontstaat ook altijd een deel van de overeenkomsten in hun gedrag. Als bijvoorbeeld ouders snel agressief zijn, dan dragen ze die aanleg over op hun kinderen. Rechtstreeks, via de gemeenschappelijke genen, en daarbovenop via de huiselijke omgeving, waar geweld nogal eens wil voorkomen.

Wat zou er gebeuren als je onderzoek zou kunnen doen waarin je biologische kinderen en geadopteerde kinderen vergelijkt? Als de stelling van het misverstand opvoeding klopt, dan zou je moeten zien dat je bij die biologische kinderen wel effecten ziet van het opvoedingsgedrag van de ouders, maar bij de geadopteerde kinderen niet. En dan zou dus blijken dat het hele "opvoedingseffect" weg verklaard wordt door de genetische component.

Precies zulk onderzoek is nu net verschenen. Het gaat om de studie The role of parenting in the prediction of criminal involvement: Findings from a nationally representative sample of youth and a sample of adopted youth (betaalpoort). De onderzoekers keken naar de invloed van verschillende kenmerken van de ouders op de kans dat hun kinderen met de politie in aanraking kwamen, werden veroordeeld of gedetineerd waren geweest. De kans zeg maar op een vorm van negatief ontwikkelingstraject. Bij die ouderkenmerken ging het om zaken als betrokkenheid bij de kinderen, de zorg voor de kinderen en de mate van intimiteit (alles zoals gezien door het kind).

Het blijkt dan dat er bij de biologische kinderen wel significante verbanden bestaan tussen de ouderkenmerken en de kans op dat negatieve ontwikkelingstraject, maar bij de geadopteerde kinderen in het geheel niet.

En dat is dus een aanwijzing dat die invloed van de biologische ouders op hun kind bovenal tot stand komt door de genetische component. Dat is interessant, want eerdere aanwijzingen kwamen vooral uit het bekende tweelingenonderzoek, waarin broers/zussen, twee-eiige en een-eiige tweelingen worden vergeleken. Er valt wat voor te zeggen dat de beste vergelijking is die tussen biologische en geadopteerde kinderen. En de uitkomst daarvan blijkt dus overeen te komen met de stelling van het misverstand opvoeding en met die van de mythe van de opvoedbaarheid.

Geen opmerkingen: