Posts tonen met het label sociale evenwichten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale evenwichten. Alle posts tonen

vrijdag 12 april 2019

Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 2

Dit is deel 2 van een reeks berichten over het vak sociologie. Hier lees je deel 1.
En hier lees je deel 3 en hier deel 4. 
Het vorige bericht besloot ik met de constatering dat de twee stellingen van de Dual Mode-theorie aanvulling behoeven met een derde stelling. Dit bericht gaat over die derde stelling.

Maar eerst maar even voor het gemak die eerste twee stellingen aangehaald:
Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee aan elkaar tegengestelde bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.
Die twee gaan over wat mensen wat hun sociale gedrag betreft kunnen. Maar wil de theorie dienstig zijn aan het vergroten van het maatschappelijk belang van het vak sociologie, dan moet hij ook iets te zeggen hebben over wat mensen willen, over hun behoeften. Daarover gaat de derde stelling;
Stelling 3. De combinatie van de twee vorige stellingen impliceert dat er in een menselijke samenleving twee evenwichten mogelijk zijn: een waarin iedereen handelt volgens het gemeenschapspatroon en een waarin iedereen handelt volgens het statuscompetitiepatroon. Van die twee evenwichten komt het gemeenschapsevenwicht beter tegemoet aan de menselijke behoeften dan het statuscompetitie-evenwicht.
De rest van dit bericht en de berichten die er nog wel op zullen volgen, dienen om deze derde stelling toe te lichten.

Eerst maar even over dat begrip evenwicht. Dat slaat op een toestand waarin niemand het een goed idee vindt om voor het andere gedragspatroon te kiezen dan wat hij nu uitvoert. Dat is hetzelfde evenwichtsbegrip als dat van de economie en de speltheorie. Een toestand dus waarin alleen exogene factoren, dus invloeden van buitenaf, kunnen zorgen voor veranderingen.

Waarom dat zo is, blijkt uit Stelling 2. Als iedereen alleen maar in aanraking komt met het gemeenschapspatroon, dan zal iedereen precies daarvoor kiezen. En als iedereen alleen maar in aanraking komt met het statuscompetitiepatroon, dan zal iedereen ook daarvoor kiezen. (Kiezen steeds tussen aanhalingstekens, want veel van de invloed die anderen uitoefenen, voltrekt zich onbewust.)

Van die twee evenwichten die mogelijk zijn, is dus het gemeenschapsevenwicht het beste. In de zin dat het beter tegemoetkomt aan de menselijke behoeften. En dus een hoger welzijn verschaft.

Dat betekent dat we Stelling 3, sterk gestileerd, in het plaatje hieronder kunnen afbeelden. Lees door onder het plaatje.
Het plaatje beeldt de situatie af waarin een persoon i, een lid van een groep of samenleving, zich bevindt. Vanaf het punt linksonder zie je op de horizontale as het aantal andere personen van die groep of samenleving die kiezen voor het gemeenschapspatroon (NG - 1). Stel dat we het hebben over de Nederlandse samenleving, dan staat N - i dus voor alle Nederlanders behalve de persoon i. Helemaal rechts kiezen alle andere Nederlanders voor gemeenschapsgedrag en helemaal links kiezen nul andere Nederlanders voor gemeenschapsgedrag, en dus voor statuscompetitiegedrag.

Op de verticale as is afgebeeld hoeveel welzijn de persoon i ontleent aan oftewel de keuze voor het  gemeenschapspatroon (G) oftewel de keuze voor het statuscompetitiepatroon (S). We zien dat het welzijn heel laag is (C) als i de enige is die kiest voor gemeenschapsgedrag, maar toeneemt met het aantal anderen dat voor het gemeenschapspatroon kiest. Het maximale welzijn (A) is bereikt als alle anderen dat doen.

En we zien dat het welzijn dat i zou ontlenen aan statuscompetitiegedrag (B) behoorlijk hoog is als alle anderen voor datzelfde gedrag kiezen, maar afneemt met het aantal anderen dat kiest voor gemeenschapsgedrag. i komt dan steeds meer in aanraking met gemeenschapsgedrag en heeft dan steeds minder een goed gevoel als hij doorgaat met statuscompetitiegedrag (en dus een lager welzijn) en/of krijgt steeds meer te maken met sociale afwijzing en afkeuring (en dus een lager welzijn).

Wat Stelling 3 zegt is dat punt A hoger ligt op de welzijnsas dan punt B. Het gemeenschapsevenwicht A komt meer tegemoet aan de menselijke behoeften dan het statuscompetitie-evenwicht B. A is het optimale evenwicht en B het sub-optimale evenwicht. Bedenk dat wat in het plaatje voor persoon i wordt afgebeeld, net zo geldt voor alle andere personen.
Ingewijden in de speltheorie zullen het plaatje hebben herkend als een variant van het plaatje waarmee het N-persoons gevangenendilemma vaak wordt afgebeeld. In dat dilemma gaat het om de keuze tussen Cooperate en Defect (vergelijkbaar met gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag), waarbij Defect altijd een hoger welzijn (in de speltheorie "nut") oplevert dan Cooperate. In dat geval is er dus alleen meer het sub-optimale evenwicht waarin iedereen kiest voor Defect. We zagen al dat proefpersonen zich niet zo goed houden aan de voorspelling van de speltheorie dat iedereen kiest voor Defect. Zie het bericht Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen. 
Natuurlijk geeft het plaatje een sterk gestileerd beeld van een heel ingewikkelde sociale situatie. Het is ook niet meer dan een geraamte dat voor concrete toepassingen veel vlees en bloed nodig heeft. Zoals inzichten in de geïnformeerdheid van mensen over het gedrag van anderen. En dus in welke signalen ze daarvan krijgen, zoals via de media. En inzicht in mogelijke verschillen tussen mensen in hun geneigdheid tot het ene dan wel het andere patroon en verschillen in hun beïnvloedbaarheid door wat anderen doen.

En het cruciale punt is dus de "welzijnswinst" die geboekt wordt bij een verschuiving van evenwicht B naar evenwicht A. In het volgende bericht ga ik in op alle empirische aanwijzingen die we hebben voor de stelling dat die welzijnswinst er inderdaad is.

maandag 4 november 2013

Statushiërarchie en gemeenschap: de innerlijk tegenstrijdige ("flexibele") sociale menselijke natuur. En de evolutionaire achtergrond daarvan

De menselijke sociale natuur is innerlijk tegenstrijdig. Aan de ene kant hebben we een aanleg tot gemeenschapsgedrag. Tot het aanleren van morele intuïties van elkaar bijstaan als dat nodig is, van gelijkheid en autonomie en van afkeer van (pogingen tot) overheersing en uitbuiting.

Maar aan de andere kant hebben we ook een drang om ons in een statuscompetitie met anderen te meten. En om ons in een bestaande statushiërarchie onderdanig te gedragen naar boven en overheersend en neerbuigend naar beneden. En om coalities te sluiten, altijd tijdelijke, als middel om hoger op te klimmen.

Die innerlijke tegenstrijdigheid is eigenlijk een vorm van sociale flexibiliteit. Het is verstandig om je gedrag aan te passen aan het gedrag van anderen. In een sociale gemeenschap kun je beter gemeenschapsgedrag vertonen, en aanleren als je er in opgroeit. Doe je dat niet, dan stuit je op de afkeer die anderen van jouw gedrag hebben. Die laten ze je merken. Het is dan beter om dat gemeenschapsgedrag in de vorm van morele intuïties aan te leren (te internaliseren).

Maar bestaat je sociale omgeving uit een toestand van statuscompetitie of uit een statushiërarchie dan kom je niet ver met gemeenschapsgedrag. Als je geen alternatieven hebt, dan rest je niets anders dan mee te doen. Afhankelijk van je fysieke en sociale (manipulatieve en strategische) vaardigheden zul je lager of hoger in de hiërarchie terecht komen.

Kortom, mensen hebben twee sociale gedragspatronen gemakkelijk tot hun beschikking. En ze zijn in staat om zich aan te passen aan de aard van hun sociale omgeving. Eerder noemde ik dit de Dual Mode-theorie. Zie bijvoorbeeld hier en hier. En ging ik in op de vraag hoe deze menselijke sociale natuur in de evolutie heeft kunnen ontstaan. Van belang daarin is de Paleo Sociale Omgeving geweest, waarin onze verre voorouders, die het statuscompetitiegedrag van de gemeenschappelijke voorouder van Homo sapiens en chimpansee geërfd hadden, zich collectief zo aanpasten dat ze door middel van gemeenschapsgedrag met veel succes wisten te overleven. En dat hield dus in dat dat "oude" statuscompetitiegedrag collectief werd onderdrukt.

Herbert Gintis en Carel van Schaik gaan nu op de evolutionaire wortels van deze twee gedragspatronen in en de daarmee samenhangende sociaalpolitieke systemen. Ze doen dat in de studie Zoon Politicon: The Evolutionary Roots of Human Sociopolitical Systems (pdf), dat deze maand verschijnt in het boek Cultural Evolution van Peter J. Richerson en Morton H. Christianson. Wat mij er vooral in trof was het mooie overzicht van de voorwaarden waaronder de gemeenschap en het gemeenschapsgedrag van die Paleo Sociale Omgeving in de mensheidsgeschiedenis kon ontstaan. Ik probeer dat heel kort samen te vatten. Met enkele toevoegingen van eigen hand.

Er is natuurlijk niet precies één oorzaak die alles in werking stelde, maar in ieder geval was het rechtop gaan lopen (bipedalism) als een eerste voorwaarde belangrijk. Dat opende een groot aantal nieuwe mogelijkheden.

Een mogelijkheid was het gebruik van dodelijke wapens, zoals stenen en stokken. Dat had als belangrijk gevolg dat alfa-mannetjes, wier heerschappij vooral op fysieke kracht berustte, kwetsbaarder werden. Ze konden door ieder ander van de groep met een goed gerichte klap worden uitgeschakeld. Waardoor het moeilijker werd om de bestaande hiërarchie in stand te houden. Dat droeg bij aan de ontwikkeling naar meer gelijkheid.

Maar die dodelijke wapens, die bovendien verbeterd konden worden omdat je immers vanwege dat rechtop lopen de handen vrij had, konden natuurlijk ook gebruikt worden voor de jacht en dan vooral de jacht op grotere prooidieren. En dat had ook grote sociale gevolgen. Want het risico van die jacht en de kans op succes konden door te gaan samenwerken beïnvloed worden. En die samenwerking had ook zin, want een gedood prooidier leverde genoeg voedsel op voor een grotere groep.

Dat voedsel moest dan wel eerlijk verdeeld worden. Net als al het voedsel dat gezocht en verzameld werd en op een centrale plaats werd bijeengebracht. Maar waarom zou je dat niet meteen opeten als je het had gevonden? Omdat mensen ondertussen door hadden gekregen hoe je een vuurtje maakte en hoe je dus voedsel kon koken. Gekookt voedsel had het voordeel van snellere vertering, waardoor een kleiner darmkanaal nodig was. Maar als je voedsel kookte kon je dat ook gemakkelijker in grotere hoeveelheden dan voor een of enkele personen doen. Ook daarvoor was natuurlijk eerlijk delen nodig.

Dat eerlijk delen werd vergemakkelijkt door de toegenomen gelijkheid. Die maakte het ook mogelijk dat kinderen coöperatief werden grootgebracht, dus minder exclusief door alleen de eigen moeder, zoals bij de chimpansees, waar de moeder het jong jarenlang bij zich heeft. De zorg werd met vader, grootouders, oudere kinderen en andere groepsleden gedeeld. Dat had het voordeel dat kinderen langer afhankelijk konden blijven. Waardoor ze ook vroeger konden worden geboren, wat een goede aanpassing was aan de sneller groeiende hersenomvang. Die weer een aanpassing was aan het complexer geworden sociale leven in een egalitaire groep. Door hersenen ook na de geboorte nog lang te laten doorgroeien, faciliteer je het sociale leerproces.

En precies dat laatste behelsde de ontwikkeling van de morele gemeenschapsintuïties. Op basis van het vermogen van de gedeelde intentionaliteit: het besef dat jij en de ander een bedoeling hebben en het besef dat beide dat van elkaar weten (Tomasello). Op grond daarvan is de typisch menselijke coördinatie en coöperatie mogelijk.

Dat alles laat onverlet dat het vermogen en de neiging tot statuscompetitie nog aanwezig zijn. Maar zolang dat gemeenschapsgedrag in de groep domineert, en daarmee de afkeer van onderdrukt worden en van bazig gedrag van anderen, zullen incidentele neigingen tot statuscompetitie collectief onderdrukt worden. Door sociale sancties, zoals ridiculisering en ostracisme (negéren), dus door sociale controle. Leiderschap, zo het er al is, is altijd gebaseerd op vaardigheden en gedrag die in dienst staan van de groep. Niet op de zucht naar status en eigen gewin.

Kortom, mensen zijn onder de passende omstandigheden heel goed in staat om een een op gelijkheid en onderlinge solidariteit gebaseerde groep tot stand te brengen en in stand te houden. Als die omstandigheden er niet zijn, ja, dan zien we snel een statushiërarchie ontstaan.

Overigens, als je hier welvaartstheoretisch naar kijkt, dan zie je een sociaal systeem met twee sociale evenwichten: het evenwicht van de gemeenschap en het evenwicht van de statushiërarchie. Met de veronderstelling dat het gemeenschapsevenwicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht.

Volgens dit scenario begon het dus met het rechtop lopen. Zo eenvoudig zal het wel niet zijn gegaan, maar stel dat, waardoor gingen onze voorouders rechtop lopen?

Een plausibele verklaring daarvoor is dat er in Oostelijk Afrika in dat verre verleden een periode, of meer periodes, waren van toenemende droogte. Waardoor het regenwoud zich terugtrok en het landschap van de savanne zich uitbreidde. Meer grasland dus, met meer verspreid voedsel én meer roofdieren en grotere prooidieren. Maar om de voordelen daarvan te kunnen benutten, en beter tegen de nadelen er van gewapend te zijn, was het gunstiger om rechtop te gaan lopen. Die niche werd benut door een van de primaten die hun leefgebied, dat van het regenwoud, zagen inkrimpen. En dat waren onze voorouders. Dat had overigens natuurlijk net zo goed niet kunnen gebeuren.

zaterdag 2 februari 2013

Het sociale evenwicht van "het zwijgen" en dat van "het er over praten" - De dag dat het water kwam

In de eerste van twee afleveringen van De dag dat het water kwam komt het verhaal voor van Jos de Boet, die als dienstplichtig soldaat op de avond voor de nacht van de Watersnoodramp van 1 februari 1953 uit Oude-Tonge vertrekt om naar de kazerne in Den Helder te gaan. Zie de link naar Uitzending Gemist onderaan. Zijn ouders en zijn negen broertjes en zusjes komen die nacht om. Hun huis staat pal achter een grote dijkdoorbraak. Pas drie dagen later hoort Jos in Den Helder van de ramp.

We zijn 1953, nauwelijks telefoon, geen televisie. Dat kun je snappen. Jos wil meteen terug om te weten te komen hoe het met zijn familie is. Maar hij krijgt geen verlof. Drie weken na de ramp krijgt hij van de kapitein het slechte nieuws te horen. Waarna hij naar zijn barak terug wordt gestuurd. Verder gebeurt er niets. Hij vertelt dat hij heel veel heeft gehuild, maar zo dat niemand dat zag. Twee maanden na de ramp mag hij de kazerne verlaten. Hij gaat in Oude-Tonge helpen bij het opruimen. Twee jaar later trouwt hij en sticht een gezin. Als hij er nu over vertelt, is hij overmand door de emotie.

Het was een passage waar ik met dichtgeknepen keel naar keek. Ik denk dat veel van ons die daar nu naar kijken, zich niet kunnen voorstellen dat dat toen zo ging. Dat iemand zo iets gruwelijks te horen krijgt en dat het dan daar bij blijft. Maar dat was gebruikelijk in die tijd. Ik was toen negen jaar en zou dus nog uit eigen ervaring voorbeelden kunnen geven van dat gebruik. Als er "erge" dingen gebeurden, dan praatte je daar zo weinig mogelijk over. En je kunt dat als een sociaal evenwicht zien. Een toestand van een onuitgesproken vanzelfsprekendheid dat je de dingen doet zoals ze gedaan worden. Omdat iedereen het zo doet, zal het wel normaal zijn. Het is het evenwicht van het zwijgen.

Maar veel later blijkt dat een ander evenwicht ook mogelijk is en in dat evenwicht lijken we tegenwoordig te zitten. Het is het evenwicht van het er zoveel mogelijk over praten. Als je er niet genoeg over praat, dan is dat niet goed voor de verwerking, vinden we. Zou de verschuiving van dat evenwicht van dat zwijgen naar het evenwicht van het er over praten zijn veroorzaakt door de televisie? De emo-televisie?

Hoe dan ook, eigenlijk weet ik niet zeker, als ik heel eerlijk ben, of het huidige evenwicht echt beter is dan het vorige. Dat moet toch haast wel. Eens nagaan of daar onderzoek naar is gedaan.

De dag dat het water kwam: 60 jaar watersnoodramp: De dag dat het water kwam: deel 1 - Uitzending Gemist:

'via Blog this'