Posts tonen met het label uitzwerming. Alle posts tonen
Posts tonen met het label uitzwerming. Alle posts tonen

vrijdag 12 januari 2018

Nog een negatief gevolg van grotere scholen: meer stress bij scholieren die langer onderweg zijn

Update. Zie Minder pesten als leerlingen elkaar beter kennen - daarom moeten scholen kleiner en dichter bij huis en Kleinere scholen doen het beter. Doordat ze een betere sociale omgeving bieden voor andere negatieve gevolgen van grotere scholen.
Der Spiegel meldt dat volgens Duits onderzoek scholieren die langer onderweg zijn naar en van school meer gestresst zijn: Schon Schüler sind vom Pendeln gestresst.

De resultaten van dat onderzoek vond ik in de Nieuwsbrief van de Panelstudie Gesundheitsverhalten und Unfallgeschehen imSchulalter. Daaruit blijkt dat inderdaad scholieren statistisch significant meer melding maken van geïrriteerdheid en van concentratieproblemen hoe meer tijd ze kwijt zijn aan pendelen. Ook schatten ze hun gezondheid slechter in.

De onderzoekers wijzen erop dat de pendelende scholieren vroeger moeten opstaan en daardoor minder uren slapen. Dat slaaptekort kan een oorzaak zijn van die grotere stress.

Der Spiegel wijst erop dat dit probleem samenhangt met de toegenomen schoolgrootte in het voortgezet onderwijs. Het aantal scholen is sinds 1990 met 24 procent gedaald. Waardoor uiteraard de reistijd is toegenomen. Te verwachten valt dat in Nederland, waar de gemiddelde schoolgrootte ook is toegenomen, hetzelfde probleem bestaat.

Dat de woon-werk reisduur negatieve gevolgen heeft, wisten we al. Zo vonden Alois Stutzer en Bruno Frey dat werknemers die langer onderweg zijn systematisch een lager welzijn rapporteren: Stress That Doesn't Pay: The Commuting Paradox.

Naast die slaapproblemen kunnen ook effecten van de reisduur op het sociale leven een oorzakelijke rol spelen.

Want we weten al sinds Robert Putnams Bowling Alone uit 2000 dat de dagelijkse uitzwerming samengaat met fragmentatie van het sociale netwerk. Zie Hoeveel mensen zijn hier nu? Dagelijkse uitzwerming van uur tot uur te volgen. Je kent mensen uit je buurt en je kent collega's op het werk, maar die mensen kennen elkaar niet. En dat blijkt ermee samen te gaan dat je minder een sociaal leven hebt: Hoe verder mensen van hun werk wonen, hoe minder ze een sociaal leven hebben - en over hoe dat komt.

Omdat die Duitse onderzoekers de scholieren ook vroegen naar hun eenzaamheidsgevoelens, zou je verwachten dat scholieren die langer onderweg zijn, zich ook meer eenzaam voelen. Maar of dat zo is, daar maken ze geen melding van.

vrijdag 10 maart 2017

Hoeveel mensen zijn hier nu? Dagelijkse uitzwerming van uur tot uur te volgen

Het CBS heeft een animatie gemaakt op basis van anonieme, geaggregeerde gegevens over de locaties per uur van mobiele telefoons. Als je die gegevens afzet tegen de gegevens over hoeveel mensen waar wonen, kun je verdeeld over de dag zien waar meer mensen aanwezig zijn dan er wonen en waar minder. Zie Hoeveel mensen zijn hier nu? en klik daar de animatie aan.

Wat zich dan voor je ogen afspeelt, is het proces van uitzwerming waar ik het in 2003 over had in Geld en 'de rest'. Over de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Zie Deel I. De perfectionering van het kapitalisme en de teloorgang van gemeenschap en Deel II. Gemeenschapsachteruitgang en richtlijnen voor gemeenschapsbeleid.

Uitzwerming is het proces van toename van dagelijkse verplaatsingen en verplaatsingsafstanden tussen wonen, werk en andere activiteiten, zoals winkelen, onderhouden van face-to-face sociale contacten en vrijetijdsbestedingen. Die toename is een gevolg van de toename van functiescheiding tussen wonen en werken die na de Tweede Wereldoorlog optrad. Die had allerlei oorzaken, maar hing in ieder geval ook samen met processen van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van bedrijven, openbaar bestuur en voorzieningen.


Daardoor is de economie minder ruimtelijk over het land uitgesmeerd. In het dorp waar ik in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw opgroeide waren nog een zuivelfabriek, een slachterij en een veevoederfabriek. En er was een gemeentehuis en er waren gemeentelijke diensten. Veel dorpsbewoners konden daardoor lopend of op de fiets naar hun werk. Die menging van wonen en werken was bevorderlijk voor het elkaar kennen. Door schaalvergroting van bedrijven en door gemeentelijke herindelingen is daar niets meer van over. (Ik vertel er over op Finster op Fryslân.)


Dat hele proces was in puur economisch opzicht goed te rechtvaardigen. Daarom betitelde ik het ook als "perfectionering van het kapitalisme".

Maar het had sociale nadelen. De eerste die daar op wees was Robert Putnam in zijn geruchtmakende Bowling Alone. The Collapse and Revival of American Community (2000). Hoofdstuk 12 van dat boek is er aan gewijd en heeft als titel Mobility and Sprawl. Uitzwerming is mijn vertaling van dat sprawl.


Het resultaat van zijn analyse van onderzoeksgegevens valt te omschrijven als (ik citeer mezelf uit 2003):

Hoe meer tijd mensen besteden aan woon-werkverplaatsingen, hoe minder contact ze hebben met familie, vrienden en buurtgenoten, én hoe minder ze participeren in politiek, verenigingen en vrijwilligerswerk. Het opvallende daarbij is dat dit laatste niet alleen geldt voor de forenzen zelf, maar ook voor hun buurtgenoten die niet forenzen, bijvoorbeeld omdat ze gepensioneerd zijn. Hoe meer, en hoe langer, jouw buurtgenoten forenzen, hoe minder sociaal en maatschappelijk actief jij bent.
Dit zal er deels aan liggen dat forenzen minder tijd overhouden voor sociale en maatschappelijke activiteiten, en daardoor minder beschikbaar zijn om dat samen met buurtgenoten te doen. Maar voor een ander deel zal het komen doordat de sociale contacten van forenzen meer uit elkaar getrokken zijn. Je kent mensen van je werk en je kent mensen uit je buurt. Maar de kans dat mensen van je werk in jouw buurt wonen, is kleiner hoe verder je van je werk woont. En het is makkelijker om contacten met anderen te maken en te houden, hoe vaker, en in hoe meer hoedanigheden, je die personen tegenkomt. Anders gezegd: uitzwerming betekent fragmentatie van relaties en dat is schadelijk voor gemeenschap.
Afijn, dat proces van uitzwerming kun je dus nu in die animatie van het CBS van uur tot uur volgen. Ik stond daar al bij stil in de berichten Hoe verder mensen van hun werk wonen, hoe minder ze een sociaal leven hebben - en over hoe dat komt en Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie.

Dat er ook nadelen zijn voor het fysieke milieu blijft dan nog buiten beschouwing.

woensdag 23 september 2015

Meer over de sociale voordelen van banenruil

Dit is een vervolg op het bericht Banenruil? Ja, banenruil! En over de sociale voordelen er van.

Dat vervolg is nodig omdat ik verzuimde de link te leggen met het eerdere bericht Hoe verder mensen van hun werk wonen, hoe minder ze een sociaal leven hebben - en over hoe dat komt. Daarin gaat het over een Zweeds onderzoek dat aantoont dat mensen die langer onderweg zijn naar en van hun werk, minder een sociaal leven hebben. Ze participeren minder in verenigingen, komen minder in bioscopen en cafés (wat je meestal met anderen doet) en gaan minder naar familiebijeenkomsten en feestjes bij mensen thuis.

Maar wat ook uit dat onderzoek naar voren kwam, is dat ze minder vertrouwen hebben in andere mensen. Wat overigens klopt met ander onderzoek dat het hebben van meer familie- en vriendencontacten samengaat met meer vertrouwen in andere mensen.

Bovendien liet ik in dat bericht zien dat in Nederland de gemiddelde woon-werkafstand nog steeds toeneemt.Dat wil zeggen, tot 2007-2008, de laatste jaren waarvoor ik cijfers kon vinden.

En tenslotte leg ik daar de link met de achterliggende oorzaak van die toename, die er in gelegen is dat we een economische ontwikkeling hebben doorgemaakt en misschien nog wel doormaken, die sterk berust op schaalvergroting en ruimtelijke scheiding van wonen en werken.

Tja, banenruil is natuurlijk maar een uiterst bescheiden poging om de nadelen daarvan tegen te gaan. Een grondiger aanpak zou er uit bestaan dat we een veel meer gelokaliseerde economie gaan ontwikkelen. Maar hoe dat zou moeten?

woensdag 1 juli 2015

Hoe verder mensen van hun werk wonen, hoe minder ze een sociaal leven hebben - en over hoe dat komt

Er is nieuw onderzoek, uitgevoerd in Zuid-Zweden, dat bevestigt dat hoe langer mensen onderweg zijn naar en van hun werk, hoe minder ze sociaal participeren. Zie Relationships BetweenCommuting and SocialCapital Among Men andWomen in SouthernSweden.

Het ging om een breed scala aan sociale activiteiten, zoals participatie in vakbond, kerk en sportvereniging en bioscoop- en cafébezoek, maar ook om familiebijeenkomsten en feestjes bij mensen thuis. Dat alles deden degenen minder die langer onderweg waren naar en van hun werk, vooral als ze hun eigen auto gebruikten.

Een grotere woon-werkafstand is dus niet bevorderlijk voor een sociaal leven. Dat wisten we al, omdat Robert Putnam dat in 2000 al liet zien in zijn monumentale Bowling Alone. Ik stond daar bij stil in mijn Geld en ‘de rest’ : Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid uit 2003. Een citaat daaruit:
Hoe meer tijd mensen besteden aan woon-werkverplaatsingen, hoe minder contact ze hebben met familie, vrienden en buurtgenoten, én hoe minder ze participeren in politiek, verenigingen en vrijwilligerswerk. Het opvallende daarbij is dat dit laatste niet alleen geldt voor de forenzen zelf, maar ook voor hun buurtgenoten die niet forenzen. Hoe meer, en hoe langer, jouw buurtgenoten forenzen, hoe minder sociaal en maatschappelijk actief jij bent (Putnam 2000).
Dit zal er deels aan liggen dat forenzen minder tijd overhouden voor sociale en maatschappelijke activiteiten, en daardoor minder beschikbaar zijn om dat samen met buurtgenoten te doen. Maar voor een ander deel zal het komen doordat de sociale contacten van forenzen meer uit elkaar getrokken zijn. Je kent mensen van je werk en je kent mensen uit je buurt. Maar de kans dat mensen van je werk in jouw buurt wonen, is kleiner hoe verder je van je werk woont. En het is makkelijker om contacten met anderen te maken en te houden, hoe vaker, en in hoe meer hoedanigheden, je die personen tegenkomt. Anders gezegd: uitzwerming betekent fragmentatie van relaties en dat is schadelijk voor gemeenschap.
Want ja, voor een sociaal leven heb je een sociaal netwerk nodig van mensen die niet alleen jou kennen, maar ook elkaar kennen. En hoe meer jouw netwerk gefragmenteerd is over verschillende locaties en trefpunten, hoe meer van elkaar gescheiden en dus losse sociale contacten je hebt.

Opvallend aan dat Zweedse onderzoek is dat dat langere woon-werkverkeer ook samengaat met minder vertrouwen in andere mensen. Dit was sterker het geval voor autobestuurders dan voor reizigers met het openbaar vervoer, maar ook de laatsten hadden minder vertrouwen als ze lang onderweg waren. Meer onder de mensen komen, ook al zijn dat slechts medepassagiers, helpt dus wel, maar is niet afdoende.

Bedenk bij dit alles dat de gemiddelde woon-werkafstand en de tijd die we met woon-werkverkeer kwijt zijn, nogal zijn toegenomen. Nog een citaat uit 2003:
Over de verandering in woon-werkafstand hebben we cijfers over de periode tussen 1978 en 1990 (Batenburg en Knulst 1993). In die periode nam de gemiddelde afgelegde afstand tussen woning en werk toe van 6, 2 naar 8,1 kilometer, een toename van ruim 30%. Achter die cijfers kunnen we iets vermoeden van het verdwijnen van het verschijnsel dat werkenden tussen de middag thuis aten, omdat in ongeveer dezelfde periode het aantal keren dat men zich verplaatst ten behoeve van werk iets is afgenomen. Ook is tussen 1975 en 1990 de tijdsbesteding aan woon-werkverkeer toegenomen: elke 8 uur buitenshuis werken vergde in 1975 gemiddeld 50 minuten reistijd en in 1990 een vol uur. Een toename van 20%.
Ik vroeg me af of die toename ook na 1990 nog is doorgegaan. En ja, dat is inderdaad het geval. Volgens Nederlandheeft werk.nl is de woon-werkafstand (enkele reis) van autogebruikers toegenomen van 15 kilometer in 1985 naar 20 kilometer in 2000 en bijna 22 kilometer in 2008.

En de gemiddelde woon-werkafstand met de auto van pendelaars moet zijn gegroeid van 23 kilometer in 1987 naar bijna 29 kilometer in 2007. Pendelaars zijn daardoor tegenwoordig ook veel langer onderweg voor woon-werkreizen. In 1987 had een kwart van de pendelaars een reistijd van meer dan 30 minuten, in 2007 is dit bijna de helft.

De oorzaken van die toename liggen natuurlijk op het vlak van het soort economische ontwikkeling die we hebben doorgemaakt. Die is voor een (groot?) deel gebaseerd op processen van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van voorzieningen. (Update. En natuurlijk de toegenomen ruimtelijke scheiding van woon- en werkgebieden, bekend als functiescheiding.) Waardoor wij steeds meer moeten uitzwermen. Volg nog eens de link naar Geld en 'de rest' voor een nadere beschouwing.

En zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie.

vrijdag 27 maart 2015

Door toename vrije tijd gingen we vooral meer televisiekijken. En wat deden we met onze sociale contacten?

We zijn met zijn allen in een maatschappij beland waarin we met betaalde arbeid in ons levensonderhoud moeten voorzien. Maar in de afgelopen anderhalve eeuw is het aantal uren arbeid dat daarvoor nodig is, sterk afgenomen. Hieronder zie je de afname van het aantal gewerkte uren per week voor verschillende landen sinds 1870. (Bedenk overigens wel dat de verticale as niet bij nul begint.) Business Insider, waaraan ik dit plaatje ontleen, schat dat we door de toegenomen arbeidsproductiviteit gemiddeld 30 uur per week minder betaald zijn gaan werken.

Hours Worked Per Week

Wat zijn we met die toegenomen vrije tijd gaan doen? Wat voor prachtige en zinvolle dingen zijn we gaan doen om al die vrije tijd te vullen? Hebben we die besteed aan persoonlijke ontwikkeling? Aan een rijker sociaal leven?

Vergeet het maar. Volgens dat bericht van Business Insider zijn we bovenal televisie gaan kijken. Want kijk maar: gemiddeld genomen kijken we ongeveer vier uur per dag televisie en dat is 28 uur per week. Die 30 uur meer vrije tijd gaat dus bijna geheel op aan het staren naar al die onzinprogramma's op de beeldbuis.

Time Spent Watching Television
Dat is nogal ontnuchterend. Maar eigenlijk is het nog erger. Want die televisie is er natuurlijk pas vanaf ongeveer 1950, 1960. En de grootste afname van de werkweek was toen al achter de rug. Als je in die grafiek naar Nederland kijkt (de roodbruine lijn), dan zie je een afname van de werkweek van ongeveer 15 uren na 1950. Dat komt neer op ruim twee uur per dag minder betaald werken.

En we kijken 195 minuten per dag televisie, dus bijna drie en een half uur. Sinds 1950 zijn we dus zelfs meer televisie gaan kijken dan we er aan vrije tijd bij hebben gekregen. Dat moet betekenen dat die vermaledijde televisie zelfs in de plaats is gekomen voor iets anders wat we in onze vrije tijd doen.

Wat zou dat kunnen zijn? Geen moeilijke vraag, want we weten dat, in ieder geval vanaf 1975, onze tijdsbesteding aan sociale contacten buitenshuis is afgenomen. Zie We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd. Sinds 1975 is het aantal uren dat we bij elkaar (buren, familie, vrienden) over de vloer komen, meer dan gehalveerd.

Die televisie, die er in Putnams Bowling Alone al zo slecht afkwam, heeft dus nogal wat aangericht. Hij heeft niet alleen onze toegenomen vrije tijd opgeslorpt, maar bovendien nog onze sociale contacten doen afnemen.

En dat zet je aan het denken over die eerste helft van de vorige eeuw. Die was misschien zo slecht nog niet. De toename van de vrije tijd was toen het grootst. Kijk maar weer naar die grafiek bovenaan dit bericht. Met het grote voordeel dat er toen nog geen televisie was. Als je bovendien bedenkt dat er toen nog maar weinig schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van voorzieningen was, met nog maar weinig autobezit, dan vermoed je dat familie en vrienden toen dichter bij elkaar woonden. En bovendien dichter bij hun werk woonden. Wat een sociale tijd moet dat zijn geweest, die eerste helft van de vorige eeuw.

donderdag 6 maart 2014

Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie

Aan de onvervulde behoefte aan ontmoetingsplekken in wijken en buurten zouden commerciële voorzieningen tegemoet kunnen komen, zoals horeca en detailhandel. Hoe kleiner die voorzieningen en hoe meer gespreid, hoe groter de kans dat ze een sociale functie krijgen. Klanten wonen dan dichtbij en treffen herhaaldelijk medebuurtbewoners. Dan is een praatje gauw gemaakt en kan van alles worden uitgewisseld. Kortom, commerciële voorzieningen kunnen een sociale functie hebben.

Maar daarvoor zijn kleinschaligheid en ruimtelijke spreiding nodig. En die zijn niet gegarandeerd als ondernemers en winkelketens zich bij hun vestigingskeuzes onbelemmerd door louter bedrijfseconomische overwegingen kunnen laten leiden.

Wat we dan zien, en wat we de afgelopen halve eeuw hebben gezien, is een proces van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie. Zie (nog) eens Geld en ‘de rest’ : Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Winkels en horeca concentreren zich in de binnensteden, omdat ze zo van de aanwezigheid van elkaars klanten profiteren. En hoe hoger de concentratie van klanten, hoe groter je vestiging kan zijn en hoe lager je kosten.

Dat dit proces nog steeds doorgaat, blijkt vandaag uit de cijfers die het CBS verstrekt over de ontwikkeling van de winkeldichtheid (aantal winkels per 100.000 inwoners) in gemeentes tussen 2008 en 2013.  Daaruit kun je opmaken dat het aantal vestigingen van de detailhandel (fysieke goederen voor persoonlijk gebruik) in alle gemeentes (verdeeld naar aantal inwoners) is afgenomen. Daartegenover staat dat het aantal supermarkten en warenhuizen vooral in de grotere gemeentes is toegenomen.

Deze cijfers geven bij benadering aan dat inderdaad de schaalvergroting en concentratie doorgaande ontwikkelingen zijn. Je zou natuurlijk liever gedetailleerdere cijfers hebben, bijvoorbeeld over de gemiddelde afstand van woonplaats tot de dichtstbijzijnde winkels. En je zou liever het proces verder terug in de tijd dan tot 2008 voor ogen zien. Maar Statline blijkt het begrip winkeldichtheid niet te kennen.

En je zou graag dezelfde cijfers zien voor de horeca. Nee, Statline kent ook het begrip horecadichtheid niet.

Een ding is duidelijk: door dat louter economische overwegingen mogen overheersen bij vestigingskeuzes, benutten we niet de mogelijkheden om economische en sociale functies te combineren. Daardoor zien we dat er in buurten te weinig ontmoetingsplekken zijn. Die alleen met veel inspanningen van beroepskrachten en vrijwilligers soms toch nog succesvol tot stand komen. En met subsidies van diezelfde gemeenten die dat proces van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie vrij baan geven.

dinsdag 26 november 2013

We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd

De beste indicator voor het toenemende sociaal isolement van gezinnen is waarschijnlijk de tijd die we besteden aan het bij elkaar op bezoek gaan. Een belangrijk element van een persoonlijke relatie is dat je elkaar niet alleen op het werk treft of op de voetbalclub of alleen communiceert via telefoon, email of Facebook, maar dat je ook bij elkaar over de vloer komt. Een persoon kennen betekent ook hem/haar in de huiselijke sfeer meemaken.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau houdt al sinds 1975 om de vijf jaar bij hoeveel tijd wij gemiddeld per week besteden aan het bij elkaar op bezoek gaan. Dat gaat steeds over een week per jaar, altijd in oktober. Een steekproef van de Nederlandse bevolking houdt dan een dagboek bij.

In 2003, in Geld en 'de rest'. Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid (pdf), verbaasde ik me er al over dat die tijdsbesteding tussen 1975 en 2000 alleen maar was afgenomen. Niet dat ik dat niet had verwacht, maar het komt in de sociale wetenschappen weinig voor dat een vermoeden zo ondubbelzinnig door de cijfers wordt gestaafd.

Vandaag publiceert het SCP de cijfers tot en met 2011, in de publicatie Met het oog op de tijd. Een blik op de tijdsbesteding van Nederlanders. Heeft die trend zich doorgezet? Ik zocht meteen de tabel op (Tabel 4.6 op p. 94). En heb er deze grafiek van gefabriceerd (let op de verspringing in jaren na 2005):

Toon Grafiek

En ja, de trend zet zich door. En hij versnelt, zo lijkt het. Sinds 1975 is het aantal uren dat we bij elkaar op bezoek gaan met meer dan de helft afgenomen.

Natuurlijk kun je ook nog kijken naar andere vormen van sociale contacten, zoals die met huisgenoten en de contacten via telefoon en internet. Dan zie je dat die laatste, de gemediëerde contacten, inderdaad zijn toegenomen. Maar praten met huisgenoten is sterk afgenomen, waarschijnlijk samenhangend met televisiekijken en internetgebruik. Per saldo is er een daling van "sociale contacten" van 11,3 in 1975 naar 7,2 uren in 2011.

vrijdag 20 september 2013

Participatiesamenleving in plaats van verzorgingsstaat? Niet of-of, maar en-en

Is de verzorgingsstaat doorgeschoten? En moeten we toe naar een "participatiesamenleving"? Het lijkt er op dat Ronald Plasterk, minister van Binnenlandse Zaken, vanochtend in de Volkskrant die vragen bevestigend beantwoordt (De overheid kan niet elke grasspriet bijknippen).

Lijkt, want een heel helder stuk is het niet. Aan de ene kant betoogt hij dat mensen meer moeten, en kunnen, doen en dat de overheid minder moet doen. Dat laatste omdat die daar de komende decennia niet het geld voor zou hebben.

Maar aan de andere kant zegt hij dat de overheid als achtervang altijd volledig moet klaarstaan om er voor te zorgen dat "iedereen een fatsoenlijk leven kan leiden". Dat laatste, die opvatting dat het een zorg voor de overheid is dat iedereen een fatsoenlijk leven moet kunnen leiden, ja, dat is precies de ratio voor de verzorgingsstaat.

Dus vraag je je af wat er nu eigenlijk aan de hand is. Wat zijn nu eigenlijk de redenen om te denken dat die verzorgingsstaat die Plasterk wil, en die wij met zijn allen willen en waarvoor we bereid zijn belasting te betalen, zo is doorgeschoten dat het een onsje minder moet? En we weer meer voor elkaar moeten doen?

Allereerst, dat de verzorgingsstaat kan doorschieten is natuurlijk een gerechtvaardigde zorg. We hebben dat in het verleden meegemaakt. De Algemene Bijstandswet (ABW) die in 1965 het recht op bijstand regelde, maakte het al te gemakkelijk om bijstand te krijgen en te behouden. De wet moest daardoor veelvuldig worden aangepast. Datzelfde gold voor de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering van 1966. Beide maakten duidelijk dat de verzorgingsstaat ook te royaal en te naïef kan zijn ingericht. Zo ontstond het probleem van het misbruik en oneigenlijk gebruik van de sociale voorzieningen. Net als in de Paleo Sociale Omgeving zijn er in de verzorgingsstaat niet alleen rechten, maar ook plichten. En is er controle op profiteergedrag, het niet nakomen van die verplichtingen, nodig.

Maar waarom zou de verzorgingsstaat nu, in 2013, een stapje terug moeten doen? Als ik het goed zie, nogmaals, zo helder is dat betoog niet, geeft Plasterk daar voor twee redenen: (1) het geld is er niet meer, en (2) door schaalvergroting en professionalisering van het maatschappelijk middenveld is de onderlinge hulpverlening en de zelforganisatie (de participatiesamenleving) verdrongen. Laten we bij beide redenen stilstaan.

Dat het geld er niet meer is en er in de toekomst niet meer zal zijn, klopt niet. Die bewering kom je vaker tegen en hij lijkt gebaseerd op de gedachte dat het geld alleen in de particuliere sector, de markt, verdiend wordt en dat overheidsuitgaven alleen maar bestaan uit consumptie. Maar dat is natuurlijk niet zo. De aanwijzingen zijn juist dat de verzorgingsstaat een grote bijdrage heeft geleverd en levert aan onze economische welvaart. De verzorgingsstaat is niet een kostenpost, maar een investering. Zie nog eens mijn bericht met de link naar Chris Dillow, die de aanwijzingen in die richting noemt. In de periode dat de verzorgingsstaten werden opgebouwd, was de economische groei hoog. Datzelfde geldt voor de Scandinavische landen met een omvangrijke verzorgingsstaat. En de grotere inkomensgelijkheid van verzorgingsstaten blijkt er ook voor te zorgen dat die economische groei stabieler is. Die eerste reden vervalt. (En het is curieus om hem uit de mond te horen van een sociaaldemocraat.)

Met die tweede reden gaat Plasterk er van uit dat de verzorgingsstaat de onderlinge hulpverlening zou verdringen. Dat is het bekende crowding out-effect. Het veronderstelt dat de menselijke motivatie om anderen te helpen alleen instrumenteel is. In de zin dat als anderen, de overheid, die hulp al geeft, dat dan de motivatie verdwijnt. De overheid doet het al, dus dan hoef ik niet meer.

Maar de aanwijzingen zijn dat de menselijke sociale natuur anders in elkaar zit. Mensen willen graag helpen omdat de daad van het helpen hen voldoening geeft. Dat is het zogenaamde warm glow-model. Bovendien werkt daarbij de sociale beïnvloeding: jouw neiging om te helpen wordt bevorderd als je anderen ziet helpen. Dat versterkt gevoelens van onderlinge solidariteit en van "dat doen wij voor elkaar". Pro-sociaal gedrag is besmettelijk. En dus kan ook de overheid het goede voorbeeld geven. Want de overheid, dat zijn wij met zijn allen.

Dat pleit voor het bestaan van het crowding in effect: de verzorgingsstaat gaat juist samen met meer onderlinge hulpverlening. Zie ook, met dank aan Chris Dillow, Peter Linderts' Private Welfare and the Welfare State (pdf).

Dit alles laat onverlet dat er andere maatschappelijke ontwikkelingen kunnen zijn die onderlinge hulpverlening en "participatie" hebben tegengewerkt. Zoals schaalvergroting van voorzieningen en openbaar bestuur, uitzwerming, woon-werkafstand, functiescheiding en de televisie, allemaal ontwikkelingen die eenzaamheid en sociaal isolement van gezinnen hebben bevorderd. De belangrijkste factor die pro-sociaal gedrag in de hand werkt, is het hebben van een groot sociaal netwerk van persoonlijke relaties. Maar dat zijn andere ontwikkelingen dan die van de groei van de verzorgingsstaat.
Update. Zie ook het vervolgbericht voor meer aanwijzingen voor en-en: Participatiesamenleving en verzorgingsstaat: niet of-of, maar en-en? Meer aanwijzingen voor en-en.

zondag 13 mei 2012

Meer horeca, en dus ontmoetingsplekken, in de wijken - gemeente Utrecht

De gemeente Utrecht wil het "horecakader" aanpassen. Dat houdt onder meer in dat er in de wijken meer daghoreca en restaurants moeten komen.

Dit voornemen is toe te juichen. We hebben een periode van zo'n halve eeuw achter ons van schaalvergroting en concentratie van bedrijvigheid en voorzieningen. Dat heeft geleid tot een sterke functiescheiding, dat wil zeggen tot de ruimtelijke scheiding van wonen, werken en uitgaan. We wonen in een wijk waar nog alleen maar gewoond wordt, werken in een gebied waar alleen gewerkt wordt en winkelen en gaan uit in gebieden waar alleen gewinkeld en uitgegaan wordt.

De negatieve sociale gevolgen daarvan heb ik eerder met de term uitzwerming aangeduid. Zie daarover ook hoofdstuk 12 van het beroemde Bowling Alone. The Collapse and Revival of American Community van Robert D. Putnam. Die gevolgen houden in dat we meer tijd kwijt zijn aan het ons verplaatsen en dat is niet goed voor het milieu en voor onze gezondheid. Maar ze houden ook in dat onze sociale netwerken meer gefragmenteerd zijn geraakt. We hebben minder ongeplande ontmoetingen met andere buurtbewoners. De belangrijke sociale functie van economische voorzieningen (winkels, horeca) valt weg als die voorzieningen grootschaliger en meer ruimtelijk geconcentreerd zijn. In plaats van bekenden tegen te komen, gaan we meer op in een anonieme massa. En daardoor is het sociale leven verarmd.

Die ontwikkeling is vanuit een strikt economisch perspectief goed te begrijpen. Ondernemers die er van afhankelijk zijn dat klanten naar hen toe komen, hebben er belang bij om zich te vestigen waar al andere ondernemers zijn gevestigd die al klanten aantrekken. Ieder die zich ergens vestigt, oefent een positieve externaliteit uit op nieuwkomers. En iedere ondernemer probeert dus om te voorkomen dat hij zich ergens als enige vestigt. Vandaar dat je als je de markt zijn werk laat doen, alles naar de binnenstad en de grote winkelcentra gaat. En alles uit de woonwijken verdwijnt. En precies dat is ook gebeurd.

Je verwacht dus dat er in de wijken behoefte is aan meer horeca en aan de sociale functie van zulke voorzieningen. En volgens de gemeente Utrecht is die behoefte er ook. Uiteraard moet er iets gedaan worden om overlast voor omwonenden te beperken. Ik begrijp dat de raad er in juni definitief over beslist. Nogmaals: vanuit een sociale welvaartsperspectief toe te juichen.

Overigens: ik ben wel benieuwd hoe de gemeente dit nu precies gaat aanpakken. En welke juridische mogelijkheden ter beschikking staan.
Nieuwsberichten:

'via Blog this'