De "theoretische onbestemdheid" van de variabelensociologie (hier het vorige bericht) kwam voort uit het streven naar zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie. Het streven dat op zijn beurt voortkwam uit het zo goed mogelijk proberen te voldoen aan de eisen van een eigenaardige opvatting van wetenschappelijkheid en van het eigen sociologische domein. Want als je uitsluitend "sociale feiten" in de beschouwing mag betrekken, en de onderliggende sociale processen als een black box dient te beschouwen, dan is het lastig theoretiseren.
Nadat ik het vorige bericht had verzonden, bedacht ik me dat die variabelensociologie niet alleen gekenmerkt werd door een bepaalde vorm van onderzoek (zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie), .maar ook door een voorkeur voor bepaalde verklaringsproblemen. Ik kwam daarop doordat ik nog eens door dat vriendenboek voor Reinhard Wippler bladerde, waar ook mijn bijdrage De twee talen van de sociologie deel van uitmaakte. Mijn oog viel op het hoofdstuk waarin Wout Ultee en Henk Flap hypothesen ontwikkelen over verschillen tussen Nederlandse gemeenten tijdens de Duitse bezetting in het percentage Joodse inwoners dat door de Duitsers opgepakt, afgevoerd en vermoord werd (De Nederlandse paradox. Waarom overleefden zoveel Nederlandse Joden de Tweede Wereldoorlog niet?)
De aanleiding daartoe was het bekende gegeven dat in Nederland een hoger percentage Joodse inwoners vermoord werden dan in andere door de Duitsers bezette landen. De poging om dat verschil door middel van onderzoek te verklaren, wordt erdoor gehinderd dat het om slechts weinig onderzoekseenheden gaat (22 landen of gebieden) waardoor je moeilijk kunt uitsluiten dat toevalligheden een rol spelen. Maar dat probleem is veel kleiner als je Nederlandse gemeenten vergelijkt, want dan kom je op 100 onderzoekseenheden, namelijk de 100 gemeenten (van in totaal 1000) met 25 of meer Joodse inwoners (volgens de volkstelling van 1930).
Daar kun je statistiek op loslaten. En kun je hypothesen ontwikkelen over onafhankelijke variabelen, zoals de politieke voorkeur (wel of niet NSB-lidmaatschap) van de burgemeester en de hoogste politie-ambtenaar, de bevolkingsdichtheid van de gemeente (hoe hoger, hoe meer mogelijkheden om onder te duiken), de wel of niet aanwezigheid van een vestiging van de Joodsche Raad, het percentage NSB-stemmers, de mate van verzuildheid (hoe meer verzuild, hoe minder contacten tussen Joods en niet-Joods inwoners en hoe minder onderduikmogelijkheden) en het percentage gereformeerde inwoners. Later onderzoek waarin sommige van deze en andere hypothesen werden getoetst (De Duitse bezetting, de verzuildheid van Nederlandse gemeenten, de overlevingskansen van hun joodse inwoners), leverde wisselende resultaten op.
De ontwikkeling van die hypothesen en het latere onderzoek zijn zonder meer voorbeeldig, creatief en degelijk wetenschappelijk werk. Maar wel binnen de grenzen van die variabelensociologie. Zoveel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie. Ultee en Flap vullen weliswaar de black box van het onderliggende proces op met een theorie van doelgericht handelen, maar die speelt bepaald geen cruciale rol in het denkproces. De "theoretische onbestemdheid" van de variabelensociologie wordt niet opgeheven. (Op die theorie, ook wel de rationele keuzetheorie genoemd, en op de plaats die die theorie een tijd in mijn eigen werk innam, kom ik in latere berichten uitvoerig terug.)
Maar waar het mij nu om gaat, is de probleemkeuze. Want mij valt op hoe het indringende probleem van hoe Nederlanders reageerden op de Duitse bezetting en hoe het kon gebeuren dat ze in overgrote meerderheid passief toekeken bij het uitsluiten, oppakken, afvoeren en vermoorden van hun Joodse medeburgers, eigenlijk naar de achtergrond verdwijnt. Het probleem van de aard van de menselijke sociale natuur die maakt dat dit passief toekijken tot de mogelijkheden behoort. Het probleem onder welke voorwaarden die mogelijkheid ook werkelijkheid wordt. Het probleem waar ik me mee bezighield in de reeks berichten die begon met Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 1.
In plaats daarvan wordt gekozen voor het toch bepaald veel minder indringende probleem van verschillen tussen gemeenten in de overlevingskans van Joodse inwoners. Minder indringend, omdat het de black box van de menselijke sociale natuur en van de sociale processen waar die natuur toe kan leiden, gesloten houdt.
Anders gezegd, de variabelensociologie stuurt niet alleen de aard van het onderzoek, maar ook de aard van de probleemkeuze.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten