dinsdag 23 juni 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 41 - Persoonlijke standpunten (Van Doorn) of meningen (Schuyt)

Hoewel Van Doorn dus heel kritisch was op de concentratie van het vak sociologie op het doen van onderzoek, met verwaarlozing van toepassing en beleidsadvisering, vroeg hij zich niet af waar die opvallende concentratie op onderzoek vandaan kwam. Hier het vorige bericht. Er was in zijn ogen verder niets mis met het vak. Sociologen zouden zich naast het doen van al dat onderzoek ook eens meer moeten gaan interesseren voor toepassing en beleidsadvisering. Waarom ze dat niet deden, en waardoor sociologie geen verbetervak was, zoals bijvoorbeeld het vak economie dat wel was, die vraag kwam niet bij hem op. 

Daardoor ontging het hem dat die concentratie, ja, fixatie, op onderzoek voortkwam uit het vak zoals het was. Als alles wat sociologen kunnen weten over de menselijke samenleving uitsluitend tot stand kan komen door wetenschappelijk onderzoek en als de menselijke sociale natuur als een tabula rasa dient te worden beschouwd, dan rest er weinig anders dan dat nog onbekende terrein van de maatschappij maar zoveel mogelijk te onderzoeken en te hopen dat zulks op den duur inzichten op zal leveren waar je in de praktijk en in het beleid wat mee kunt. Het alledaagse inzicht dat de menselijke samenleving door mensenwerk tot stand komt en dus als alle mensenwerk kan worden bestudeerd en verbeterd, moet immers als onwetenschappelijk worden genegeerd. 

Het is ook in die trant dat Van Doorn in 1964 probeerde om aan te geven hoe die oriëntatie op toepassing en beleid er uit zou moeten zien. Daarin gaat het niet over mensen, hun gedrag en de mogelijkheden om dat gedrag te beïnvloeden en te veranderen. Het gaat er over (p.110) "dat het functioneren van iedere samenleving en van ieder sociaal systeem, groot en klein, slechts mogelijk is indien bepaalde centrale processen tenminste enigermate geregeld plaats vinden." En het gaat over (p.150-155): richtpunten die gevonden dienen te worden "in de cultuur en inrichting van onze democratische maatschappij", over "institutionele componenten", waarin "de maatschappelijke orde als geheel vorm krijgt en veranderingen verwerkt", over "onderling min of meer samenhangende organisatievormen, die er borg voor staan dat de belangenbehartiging - zo men wil: de vervulling van de specifieke maatschappelijke functies - zo goed mogelijk kan plaats vinden", over "het raamwerk der institutionele normen" waarin ook de socioloog zijn normen vindt, over de "betrokkenheid op de centrale strijdvragen binnen de sector van zijn werkzaamheid", waardoor hij (de socioloog) "de gelegenheid (krijgt) een standpunt te kiezen en te verdedigen, waardoor zijn intellectuele bijdragen tot waarlijk professionele bijdragen kunnen uitgroeien en als zodanig begrepen kunnen worden."

De structuur van de instituties en organisaties dwingt de socioloog zich bezig te houden met de instanties, die de maatschappelijke beslissingen uiteindelijk nemen. Hij moet, gegeven deze realiteit, zich analytisch zo dicht mogelijk wagen in de buurt van de krachtencentra in onze samenleving. Het is één ding via onderzoek aan te tonen, dat arbeiders in bedrijven een eigen groepsgedrag vertonen, los van de gestelde organisatie; het is al iets méér te ontdekken dat dit gedrag een verzet inhoudt tegen alle organisatie; maar uiteindelijk zal de hoofdtaak van deze socioloog moeten bestaan in het helpen opsporen van de meest adequate organisatie van het moderne bedrijf.

Voor de sociologie-opleiding zou dit moeten betekenen dat "niet zozeer de 'scientist' als wel de 'professional'" als model dient. 

Terwijl de eerstgenoemde de maatschappij uitsluitend als studieobject ziet, heeft de tweede de maatschappij als 'cliënt'. Hij gebruikt zijn wetenschappelijke inzichten om maatschappelijke vraagstukken op te lossen, niet slechts om deze te verklaren. Hij beweegt zich niet uitsluitend in de kring der vakgenoten, zoals de wetenschapsbeoefenaar, maar in de diverse maatschappelijke milieus. Zijn problemen en zorgen zijn die van de maatschappelijke sector waar hij werkt, niet van de wetenschappelijke sector die hem leerde werken.

Wat hebben we? We hebben een vak sociologie dat de maatschappij uitsluitend op het macro-niveau bestudeert, als een systeem van bepaalde centrale processen, institutionele componenten, organisatievormen, maatschappelijke functies en institutionele normen. Een systeem is er op ingericht om op "problemen" met terugkoppeling te reageren en zo zichzelf in stand te houden. Als de maatschappij de cliënt is, dan zijn er maatschappelijke sectoren die met problemen te kampen hebben en ze aan de socioloog als professional voorleggen. Die maakt vervolgens die problemen tot de zijne, want "zijn problemen en zorgen zijn die van de maatschappelijke sector waar hij werkt". Dat moet wel betekenen dat hij de overstap maakt van de wetenschap van het systeem naar het systeem zelf.

Dat roept meteen twee vragen op. Waar komen de problemen vandaan? En wat heeft de socioloog-professional te bieden?

Het antwoord op die eerste vraag kennen we al. Het vak sociologie heeft niet een theoretisch kader waarmee het als vak maatschappelijke problemen kan aanwijzen. Het theoretische kader dat er wel is, is dat van het systeemdenken en daarin zijn er eigenlijk geen problemen, want verstoringen van het evenwicht worden door terugkoppeling opgelost. Er is alleen de werking van het systeem en nu citeer ik mezelf:

waarin mensen geacht worden zo flexibel te zijn dat ze zich aanpassen aan wat het systeem vraagt. En waarin wordt genegeerd dat er een menselijke sociale natuur zou kunnen bestaan, met vaardigheden en behoeften, waaraan de uitkomsten van de werking van het sociale systeem kunnen worden beoordeeld. 

Problemen kunnen niet uit het vak zelf tevoorschijn komen, ze worden door de maatschappij aangeleverd. We zagen al dat dit er wel toe moest leiden dat de socioloog weliswaar sociale problemen bestudeert, maar dat die pas kunnen optreden als ze door de mensen zelf als zodanig worden ervaren en opgemerkt.

En wat de socioloog-professional dan te bieden heeft is nog niet eens zo duidelijk. Hij zou eigenlijk vanuit dat systeemdenken standaard kunnen adviseren om gewoon de werking van het systeem, de terugkoppelingen, af te wachten. Maar dat is zo'n zwaktebod dat je je goed kunt voorstellen dat sociologen zich dan maar liever niet aan advisering wagen en zich tot het doen van onderzoek beperken. En een theoretisch kader over de voorwaarden waaronder het systeem zijn werk doet, zoals waar de economen op kunnen terugvallen als het gaat over de werking van het marktmechanisme, staat hen niet ter beschikking. Hoe kan hij "de hoofdtaak" van "het helpen opsporen van de meest adequate organisatie van het moderne bedrijf" uitvoeren als er een sociologisch normatief kader ontbreekt over wat adequaat is?.

Wat dan wel te doen? Wat er lijkt over te blijven is dat je inderdaad de overstap maakt naar het systeem zelf, deel gaat uitmaken van een maatschappelijke sector, daar net als anderen "de gelegenheid (krijgt) een standpunt te kiezen en te verdedigen", en erop hoopt dat jouw standpunt om een of andere reden hoger wordt aangeslagen dan dat van anderen. Maar dat die reden er mee te maken heeft dat jouw standpunt een wetenschappelijk normatief onderbouwd advies is, dat is dan uit het zicht verdwenen.

Je zou denken dat als je hier bent aangekomen, je je zou gaan afvragen of je met dat macrosociologische systeemdenken wel op de goede weg bent. Moet je eigenlijk niet helemaal opnieuw beginnen?. De mens terugbrengen, de maatschappij zien als mensenwerk en als iets wat bestudeerd en beoordeeld moet worden aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen?

Toch hebben de meeste sociologen, laten we zeggen, het vak als geheel, die stap nooit gezet. Ik moet nu denken aan die andere invloedrijke Nederlandse socioloog, C.J. M. (Cees) Schuyt, die zich zo intensief bezighield met de opbouw van de verzorgingsstaat en de latere bijstellingen, versobering en afbraak ervan. Maar zoals ik in Een sociologie die er toe doet liet zien, ontberen zijn beschouwingen (in Steunberen van de samenleving);

een specifiek sociologisch normatief kader. Je komt er wel normatieve stellingnames in tegen, maar die worden als persoonlijke oordelen binnengehaald. Zoals wanneer het gaat om het beginsel van menselijke waardigheid en zelfrespect (p. 51), dat zonder twijfel tot de intuïties van het gemeenschapspatroon kan worden gerekend. Daardoor kom je, als het echt om beoordelingen gaat, vaak de frase “naar mijn mening”  tegen (p. 44, 45, 48, 52, 56, 87). Wat natuurlijk te verwachten is als het vak zelf niet een normatief kader te bieden heeft.

Persoonlijke standpunten (Van Doorn) of meningen (Schuyt), dat is waarop het macrosociologische systeemdenken dat meer wil doen dan alleen maar onderzoek, uiteindelijk op terugvalt.

Geen opmerkingen: