Er was dus interne kritiek op het vak sociologie dat ik van 1965 tot 1971 studeerde, de kritiek namelijk van George C. Homans en James S. Coleman. En er was eerder al, in 1952, de kritiek van buiten het vak, door de econoom Friedrich Hayek. Hier het vorige bericht. In die kritiek stond kort gezegd voorop dat de mens moest worden teruggebracht in het vak. En daarmee samenhangend dat de maatschappij niet als een eigenstandig sociaal systeem diende te worden bestudeerd, maar als de voortdurend veranderende uitkomst van mensenwerk.
Maar als je er nu op terugkijkt, moet je wel constateren dat die kritiek niet zo veel effect heeft gehad. Ik noemde al dat ik Hayek niet in mijn studie was tegengekomen. En de kritiek van Homans en Coleman leidde weliswaar tot het omarmen, ook door mijzelf, van de rationele keuzetheorie als "mensbeeld", maar de invloed daarvan op de rest van het vak bleef zeer beperkt. In de International Sociological Association kwam er als een van de tientallen een Research Committee on Rational Choice. En dat moet al lang weer zijn opgeheven, want ik kom het in het huidige overzicht niet tegen. Later, zoals gezegd, meer over die rationele keuzetheorie.
Er was nog een andere kritiek die eveneens weinig effect heeft gehad, namelijk die van de Nederlandse socioloog Jacques van Doorn (1925 - 2008). Van Doorn wordt beschouwd als een van de grondleggers van de naoorlogse Nederlandse sociologie. Hij was inderdaad invloedrijk, maar niet in vernieuwende zin. We kwamen hem al tegen in aflevering 19 van deze reeks: Het vak dat ik studeerde, was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan. Daarin ging het over zijn betoog uit 1955 dat de integratie van mensen in hun buurt zonder problemen kon worden vervangen door de zogenaamde functionele integratie, de contacten met collega's. De maatschappij, het sociale systeem, veranderde, stelde andere eisen aan mensen en mensen zouden zich aan sociale vluchtigheid moeten en kunnen aanpassen. De menselijke sociale natuur had op zichzelf zo weinig te betekenen, dat je hem kon opvatten als een afgeleide van de steeds veranderende maatschappelijk sociale en economische "structuren".
Daarmee bevond Van Doorn zich natuurlijk meteen in het centrum van die top-down benadering van het structureel-functionalistische systeemdenken. Ik ben geen groot kenner van zijn werk, maar mijn indruk is dat hij daar altijd gebleven is. Je treft bij hem geen kritiek aan op het mankement van die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting, noch op het mankement van de fictie van het eigen domein, noch op het mankement, dat van de zogenaamde waardevrijheid van het vak.Maar hij constateerde wel een consequentie van het bestaan van die mankementen op, namelijk dat het vak en de opleiding zich concentreerden op het doen van onderzoek. Hij deed dat al vroeg, in 1964 in zijn Beeld en betekenis van de Nederlandse sociologie, dat ik in 1967 als tweedejaars aanschafte. Als ik het me goed herinner, speelde dat boek in ons studieprogramma geen enkele rol, maar ik was nieuwsgierig.
We hebben gezien waar die concentratie op onderzoek vandaan kwam. De sociologie moest de maatschappij benaderen als een nog onbekend terrein, met als voorbeeld de natuurwetenschapper. Alles wat je al meende te weten, je alledaagse kennis, diende te worden genegeerd. Dat de processen die zich daar afspelen door gedrag van mensen gegenereerd worden, vergeet het. Van de principes van dat gedrag zijn we nog onkundig, de menselijke natuur moet als een tabula rasa worden opgevat. Alle kennis die wetenschappelijk genoemd mag worden, rijst pas op uit het onderzoek dat we verrichten. En dat onderzoek is dat van de variabelensociologie, van de "sociale feiten". Als we nu maar veel onderzoek doen, dan zullen we gaandeweg dat ons nu nog onbekende domein beter leren kennen.
Dat sociologie ook als een verbetervak zou kunnen worden beoefend, als een vak dat in een democratie beleidsvoorstellen doet met het oog op verbetering van het mensenwerk, dat komt daarin helemaal niet aan de orde. Want daarvoor zou je het alledaagse inzicht moeten toelaten dat je met mensenwerk te maken hebt, en dat is nu juist niet de bedoeling. Je mag de opgelegde beperking tot het domein van de variabelentaal, van de "sociale feiten", niet opheffen.
Van Doorn merkte dus in 1967 die concentratie op onderzoek op. Hij zag in dat de sociologie-opleidingen onderzoekersopleidingen waren, maar dat slechts een klein deel van het toen toenemende aantal afgestudeerde sociologen in het onderzoek terechtkwamen (p. 144-5):
Hoewel de ongeëvenaarde uitgroei van het sociologisch wetenschappelijk onderwijs en onderzoek aan heel wat sociologen de gelegenheid geeft deze beroepsrol te adapteren blijft daarbuiten uiteraard de veel grotere categorie van andere sociologen, die hun weg in de maatschappij moeten zoeken. Voor hen is de confrontatie met actuele maatschappelijke vraagstukken onvermijdelijk. Het is om de oplossing van die problemen dat zij maatschappelijk gevraagd zijn.
Maar:
Getrouw aan de Nederlandse traditie - en aan die van de internationaal dominerende sociologie-opvatting - zien zij hun werkzaamheid als socioloog in de eerste plaats als sociaal onderzoeker. Niet advies en zeker niet beleid, maar onderzoek is hetgeen zijn hebben te offreren.
Hun opleidingen hebben dit beroepsbeeld helpen opbouwen en bevestigen. De geleidelijke verandering der studieprogramma's en de benoemingspolitiek wijzen in de richting van een onderzoekersopleiding.
Dat Van Doorn dit als een probleem zag, dat valt in hem te prijzen. Hij had, ik denk eigenlijk als enige, door dat er iets mis was met het vak. Maar wat deed hij met dat inzicht? En wat werd er in het vak mee gedaan? Daarover meer in het vervolg.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten