donderdag 18 juni 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 40 - De sociologische vijver bleef rimpelloos

Van Doorn zag het in 1964 dus als een probleem dat het vak sociologie en dus ook de sociologie-opleidingen zo uitsluitend op het doen van onderzoek geconcentreerd waren. Hier het vorige bericht. En hij pleitte voor een bredere beroepsopvatting, waarin net als in andere academische vakken vanzelfsprekend aandacht uit gaat naar toepassing en advisering. Niet alleen naar het bestuderen van maatschappelijke problemen, maar ook naar het oplossen ervan. Uit het volgende langere citaat mag blijken dat hij dat een belangrijke en urgente kwestie vond (p.147):

Natuurlijk is onderzoek en zelfs diepgaand onderzoek vaak noodzakelijk, wil de socioloog tot bruikbare resultaten komen. Maar dat geldt ook voor andere intellectuele beroepen, waarvan de beoefenaars niettemin primair gericht zijn op het oplossen van problemen en eerst ten dienste hiervan het diepgaand onderzoeken van problemen als beroepstaak zien. Ook de arts, de advocaat, de rechter, de ingenieur en wie niet zouden vaak langer tijd voor studie en diagnose beschikbaar willen hebben. Maar als vervullers van maatschappelijke functies worden zij terecht geacht hun deel te dragen van de last, die de maatschappelijke arbeidsverdeling van allen vraagt. Wáár die last ondraaglijk wordt, moet ieder voor zichzelf vaststellen.

De beroepsrol van de sociaal onderzoeker pur sang is om die reden sociaal gezien slechts in een deel van de geboden posities adequaat. De sociologische gemeenschap kan en moet aandringen op meer fundamenteel onderzoek en op meer ruimte voor wetenschappelijke research ten behoeve van beleidsmaatregelen. Maar zij schiet tezelfdertijd tekort, indien zij deze beroepsrol zou presenteren als norm of ideaal van sociologische werkzaamheid.

Doet zij dit toch, dan verspeelt zij bovendien een belangrijk deel van haar maatschappelijke kansen. Indien de psycholoog, de econoom, de medicus of de technicus hun beroepsinterpretatie zouden beperken tot die van wetenschappelijk onderzoeker, zouden hun maatschappelijke functies tot een fractie van de huidige ineenschrompelen. Het is niet in te zien, waarom uitgerekend de socioloog met die fractie genoegen zou nemen.

Dit praktische en toch niet alleen praktische argument klemt te meer, omdat, naar men aanneemt, in de toekomst een relatief steeds kleiner deel van de afgestudeerde sociologen in onderzoek werkzaam zullen kunnen zijn. Alleen al de wassende stroom van jonge sociologen werpt de vraag op, waarheen zij moeten worden geleid en hoe zij op dit perspectief kunnen worden voorbereid. Het is een dubbele vraag: hoe is de maatschappelijke functie van de socioloog-niet onderzoeker, en hoe ziet een adequate opleiding er dan uit?

Belangrijk en urgent. Ik herinner me dat ik dit destijds las en het er natuurlijk mee eens was. Ik was immers geïnspireerd geraakt door Willem Bannings betoog dat in het vak sociologie de verantwoordelijkheid voor mens en menselijkheid voorop zou moeten staan. Dat het een verbetervak zou moeten zijn, net zo als andere vakken. Van Doorns pleidooi wees ook in de richting van een verbetervak. Er leek iets fundamenteels te mankeren aan dat vak waarin ik was terechtgekomen.

Zoals gezegd, Van Doorn werd en wordt beschouwd als een van de grondleggers van de naoorlogse Nederlandse sociologie. Dit pleidooi voor een bredere beroepsopvatting dan alleen die van onderzoeker is ongetwijfeld door vrijwel iedereen in het vak opgemerkt. Je zou verwachten dat het tot reuring en bezinning had geleid. Tot levendige discussies over de vraag of het vak wel op de goede weg was. 

Maar ik herinner me niets daarvan. Het bleef stil en de sociologische vijver bleef rimpelloos. Er veranderde zo weinig dat Arie Glebbeek en ik in 2000 konden pleitten voor een bredere sociologische beroepsopvatting met vrijwel hetzelfde citaat van Van Doorn uit 1964 als hierboven, dat aan actualiteit nog niets had verloren. En ons pleidooi, Heeft de sociologie een toekomst? Over de hardnekkige onvolledigheid van de sociologische beroepsopvatting, bracht weliswaar enige reuring teweeg, maar geen merkbare verandering (anders dan in de Groningse sociologie-opleiding, waarover later natuurlijk meer).

Hoe kon dat? Daarop terugkijkend denk ik dat het eraan lag dat het Van Doorn ontbrak aan inzicht in de mankementen van het vak zoals het bestond. Hij omarmde het vak zoals het was en vond alleen dat er een oriëntatie op toepassing en beleid aan moest worden toegevoegd. Ik meldde al dat hij invloedrijk was, maar niet in vernieuwende zin. Hij zag niet onder ogen dat die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en de fictie van het eigen domein onvermijdelijk de toeschouwersrol en de waardevrijheid van het vak met zich meebrachten. 

Dat wordt duidelijk als je je verdiept in hoe hij in 1964 die oriëntatie op toepassing en advisering vorm wilde geven. Daarover in het volgende bericht. 

Geen opmerkingen: