Posts tonen met het label Vance Packard. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vance Packard. Alle posts tonen

dinsdag 30 november 2021

Over het statuscompetitiepatroon in de populair-sociaalwetenschappelijke literatuur

Als het klopt dat 

  1.  er in de menselijke sociale natuur twee tegenstrijdige gedragspatronen als "toestanden van voorbereid zijn" gereed liggen, het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon, en 
  2. dat mensen zich in hun gedrag, meestal onbewust, aansluiten bij het gedragspatroon dat in hun sociale omgeving overheerst, en
  3. dat een groep of maatschappij waarin het gemeenschapspatroon overheerst beter tegemoetkomt aan wat mensen kunnen en willen dan waarin het statuscompetitiepatroon overheerst,

dan zou je verwachten dat je die twee gedragspatronen en het overheersen en de (on)wenselijkheid van het ene dan wel het andere ook zult tegenkomen in populair-sociaalwetenschappelijke beschouwingen. 

Dat bedacht ik me toen ik las dat van bestsellerauteur Will Storr, die eerder succes oogstte met Selfie. How we became so self-obsessed and what it's doing to us, nu The Status Game. On social position and how we use it is verschenen. 

Storr wordt daarover op Vox geïnterviewd: The status games we all play Author Will Storr on our universal obsession with status and how it distorts so much of human behavior. De interviewer, Sean Illing, begint zo:

You have a pretty provocative claim in the book. You offer a definition of tyranny as something that happens when status games go bad or wrong. You write that, “We must accept that tyranny isn’t a left thing or a right thing. It’s a human thing. It doesn’t arrive goose-stepping down the streets. It seduces us with stories.”

I used to study ideologies and how they transformed into political religions. The question that always vexed me, particularly about a case like Nazi Germany, is how does one of the most sophisticated, developed, and well-educated societies on the planet become so deranged?

Your answer seems to be that they were playing a status game that went disastrously wrong. That’s not to obviate or diminish the role of ideology or racism or whatever. Those are all real, and they matter. But it’s also true that our beliefs are often props for much deeper psychological drives. However insane Nazi Germany appeared from the outside, and it was indeed insane, for lots of people inside, they were just jockeying for position within a social hierarchy. That has a way of blinding our moral intuitions in really disturbing ways.
 
En daarin wordt de essentie van het boek misschien wel aardig samengevat. Als het statuscompetitiepatroon gaat overheersen, dan kan dat overgaan in de meest extreme vorm er van: de tirannie, de dictatuur, de failed state. In het antwoord heeft Storr het over de rol van narcisme en van vernederd zijn in de verbreiding van dat statuscompetitiepatroon. Zie ook mijn berichten op dit blog over de nationale statushiërarchie van het Hitler-bewind. Maar in het boek lijkt het ook te gaan over de minder extreme vormen van statuscompetitie, zoals die op sociale media.. 
 
Dat statuscompetitie niet goed is voor ons, maar dat we er toch toe geneigd zijn, is natuurlijk een bekend thema in de populaire sociaalwetenschappelijke literatuur. Ik stond al eens stil bij de bestsellers die Vance Packard schreef in de jaren zestig van de vorige eeuw: The Status Seekers en The Pyramid Climbers. Ik zocht de paperbacks in de boekenkast en maakte bijgaande foto.

Er is vast nog wel meer. Ik houd me aanbevolen voor suggesties.

Net zo is er natuurlijk ook populaire sociaalwetenschappelijke literatuur over het gemeenschapspatroon en de wenselijkheid daarvan. Daarover een volgende keer.

dinsdag 1 december 2020

Montesquieu over de begrensde statuscompetitie van de monarchie en de onbegrensde statuscompetitie van de despotie

Wat was de visie van Montesquieu op de democratie en is daar iets in terug te vinden van wat ik de gemeenschapsvisie noemde? De democratische republiek is een van de drie staatsvormen die Montesquieu onderscheidt. Om zijn visie op de democratie op waarde te kunnen schatten, leek het me interessant om eerst te kijken naar hoe hij de andere twee staatsvormen, de monarchie en de despotie, karakteriseert.

We zagen in het vorige bericht dat je Montesquieu's visie op de monarchie kunt opvatten als een tweeledige statushiërarchie. Er is allereerst de grote kloof tussen de rijke bovenlaag, de elite, waar Montesquieu zelf toe behoorde, en de grote, arme onderlaag, het gewone volk. 

Aan die kloof besteedt Montesquieu weinig woorden. Als het gaat om hoe de burgers in een monarchie moeten worden opgevoed, dat hen eer, hoffelijkheid en beschaving dient te worden bijgebracht, dan betreft dat alleen de leden van de bovenlaag. Zonder dat met zoveel woorden te zeggen, komt her erop neer dat het gewone volk gewoon "zijn eigen ding doet". Dus bezig is met van dag tot dag in het levensonderhoud te voorzien en de middelen op te brengen die de rijke bovenlaag een comfortabel leven verschaffen. Hoe ze zich gedragen, is nagenoeg van geen belang, omdat de contacten met de bovenlaag so wie so minimaal zijn. Als ze maar hard genoeg werken en zich onderdanig genoeg gedragen, dan is er verder niets aan de hand. Maar zelfs dat is voor Montesquieu niet interessant genoeg om aandacht aan te besteden.

Bedenk dat het hier gaat om de achttiende-eeuwse landbouwsamenleving, waarin de statuscompetitie is uitgekristalliseerd in de stabiele hiërarchie van een standenmaatschappij. Die Karl Marx er in de volgende eeuw toe zou brengen om te voorspellen dat de industrialisering en de verstedelijking de klassenstrijd in gang zouden zetten. 

Daarnaast heb je binnen de bovenlaag de statuscompetitie waarin het draait om eer en hoffelijkheid. Daarin komt het erop aan om altijd de goede indruk te maken, er blijk van te geven dat je weet hoe het hoort en om precies de juiste mate van vrijmoedigheid in acht te nemen. Je moet je onderscheiden, van het gewone volk, wat nauwelijks moeite kost, maar vooral van elkaar. Waardoor een wapenwedloop in gang wordt gezet van uiterlijk vertoon in gedrag, gevatheid, voorkomendheid, kleding, opsmuk, oprijlanen en facades. Die een voortdurende alertheid vereist in het opmerken en bijhouden van de nieuwste trends. 

Een van de gevolgen van de toegenomen welvaart in de twintigste eeuw was dat deze verschijningsvorm van de statuscompetitie, die eerder was voorbehouden aan de rijke bovenlaag, zich kon uitbreiden tot "het gewone volk", tot iedereen. Ik moet even denken aan de nu totaal vergeten Amerikaanse journalist en maatschappijcriticus Vance Packard (1914-1996), die in de jaren zestig van de vorige eeuw furore maakte met bestsellers als The Status Seekers en The Pyramid Climbers. Academische sociologen keken wat op hem neer, maar zijn boeken speelden wel een rol in mijn beslissing om in 1965 sociologie te gaan studeren.

Terug naar Montesquieu. Het is duidelijk dat de monarchie, als een van de twee niet-democratische staatsvormen, gekenmerkt wordt door statuscompetitie en statushiërarchie. Waarbij het verschil met de despotie eruit bestaat dat de statuscompetitie nog enigszins aan banden wordt gelegd. Dat roept de associatie op met de standenmaatschappij, waarin de ongelijkheid aanzienlijk kan zijn, maar soms toch verzacht wordt door de aanwezigheid van langdurige, persoonlijke relaties. Denk aan de boer waar Chris van Esterik van vertelt dat hij zich moreel verplicht voelde om de zoon van zijn overleden knecht in dienst te nemen voor hetzelfde loon dat hij aan de vader betaalde, terwijl de zoon fysiek niet sterk was en alles nog moest leren (Een jongen van het dorp. Honderd jaar Ingen, een dorp in de Betuwe). Wat duidt op een "arbeidsmarkt" waar nog morele gemeenschapsintuïties geldigheid kunnen hebben.

In de staatsvorm van de despotie is zoals al duidelijk is geworden de statuscompetitie op geen enkele manier aan banden gelegd. Montesquieu (p.76-7):

Terwijl in een monarchie de opvoeding het hart alleen maar wil verheffen, is ze er in een despotie alleen maar op gericht het hart te verlagen. Er is hier behoefte aan opvoeding tot onderdanigheid. Zelfs voor leidinggevenden is het goed om zo te zijn opgevoed, want niemand is er tiran zonder tegelijkertijd slaaf te zijn.

Verregaande gehoorzaamheid veronderstelt onwetendheid bij degene die gehoorzaamt, maar evenzeer bij degene die commandeert, want een commandant hoeft niet te overleggen, te twijfelen of te redeneren, hij hoeft allen te willen.

(...) De opvoedingsactiviteit, die vooral tot haar recht kan komen in het leven met anderen, blijft hier een sterk begrensde aangelegenheid: er gebeurt niet meer dan dat de angst wordt binnengebracht in het hart en dat het verstand in kennis wordt gesteld van een aantal simpele godsdienstige principes. Inzicht is er gevaarlijk, rivaliteit funest. En wat de deugden betreft: in de visie van Aristoteles kunnen er voor slaven geen deugden zijn.

(...) In zekere zin is er dus zo goed als geen opvoeding.

(...) Ach ja, waarom zou de opvoeding er hier op gericht zijn goede burgers te vormen, mensen die zich betrokken zouden voelen bij de tegenspoed van het grotere geheel? Zouden ze het land liefhebben, dan zouden ze geneigd zijn een versoepeling van het regime na te streven. Zouden ze daarin niet slagen, dan waren ze verloren.

Wat hebben we? De monarchie, met de elite, waarin het gaat om de eer, en het gewone volk. En de despotie, waarin het gaat om onderdanigheid en angst. Statuscompetitie dus. Op naar de democratie. Wordt vervolgd. Zie hier het volgende bericht.