Posts tonen met het label bonussen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bonussen. Alle posts tonen

maandag 7 augustus 2017

Deregulering en zelfverrijking in de financiële sector

Vaak spreekt een plaatje boekdelen. Thomas Philippon en Ariell Resheff onderzochten de ontwikkelingen van de beloningen in de financiële sector in de Verenigde Staten: Wages and Human Capital in the U.S. Finance Industry: 1909–2006. Met de bedoeling om na te gaan in hoeverre de veranderingen in de hoogte van die beloningen, in vergelijking met de beloningen in de rest van het bedrijfsleven, uit reguliere economische factoren verklaard kunnen worden. Denk aan factoren als vereiste opleiding en vereiste vaardigheden.

Eenvoudig gezegd is hun conclusie dat een flink deel van die verklaring gezocht moet worden in veranderingen in de mate waarin de financiële sector onderhevig is aan regulering. In het plaatje zie je de ontwikkeling van de relatieve beloningshoogte (blauwe lijn) en de mate van (de-)regulering (rode lijn). Denk bij die regulering aan regels omtrent de scheiding van commerciële banken en investeringsbanken en van banken en verzekeringsmaatschappijen, aan restricties van het werkgebied van banken en aan regels omtrent renteplafonds.



Zie hoe de beloningshoogte sterk reageert op verandering in de mate van regulering. Nadat in de jaren 30 meer werd gereguleerd, zoals met de invoering van de Glass-Steagall Act, die speculatieve activiteiten aan banden legde, namen ook de relatieve beloningen met enige vertraging sterk af. Er begon een tot 1980 durende periode van regulering en lagere, normale en economische te verklaren, beloningen.

Maar toen met de opkomst van het neoliberalisme de gedachte postvatte dat deregulering veel beter zou zijn (laat de markt zijn weldadige werk doen!), waardoor o.a. die Glass-Steagall Act weer werd ingetrokken, keerden ook de excessieve beloningen terug.

En dat werkt door tot vandaag de dag. De vraag is dus of de lessen uit dit plaatje nog wel zullen worden geleerd. Zoals de les dat bonussen in de financiële sector gewoon een slecht idee is. Philippon en Resheff daarover:
regarding earnings profiles, we find that the finance wage bill could be significantly reduced if incentives were the same as in the rest of the private sector. One challenge for future research is to understand why today’s finance industry requires higher powered incentives than other industries and than the finance industry of the 1960s.
Anders gezegd, dat uitgerekend bankiers zo nodig met bonussen moeten worden verleid om hun werk goed te doen, dat valt niet goed te begrijpen.

De bredere les is dat mensen, ook als ze bij een bank werken, best bereid zijn om hun morele intuïties te volgen en zich maatschappelijk verantwoordelijk te gedragen, als ze maar door regels en wetten eraan worden herinnerd dat zulks van hen verwacht wordt.

Maar als dat laatste niet gebeurt, dan is zelfverrijking op grote schaal het gevolg. Scroll even door de berichten op dit blog waarin dat woord zelfverrijking voorkomt.

vrijdag 27 mei 2016

Bonuscultuur in leven geroepen door verlaging hoogste tarieven inkomstenbelasting

Simon Wren-Lewis reageert op een artikel van Diane Coyle in de Financial Times, waarin die zich afvraagt waardoor juist onder ondernemingsbestuurders een bonuscultuur ontstond.

Terwijl onderzoek toen al uit had gewezen dat bonussen alleen dan goed uitwerken op de prestaties als het gaat om eenvoudige taken en prestaties die gemakkelijk kunnen worden gemeten. Zie eerder ook mijn overzicht van dat onderzoek: Stop de bonussen! En een overzicht van onderzoek.

Dat zou doen verwachten dat bonussen (prestatie-afhankelijke beloning) eerder zouden zijn geïntroduceerd voor werknemers en dan nog voor slechts een beperkt deel van de werknemers. Want zoveel eenvoudig en gemakkelijk meetbaar werk is er niet.

Maar nee, juist de bestuurders kregen het voor elkaar om (hoge, wat zeg ik, exorbitant hoge) bonussen toegekend te krijgen. En zo ontstond aan de top van de bedrijven de bonuscultuur. Waar we nu maar zo moeizaam vanaf komen.

Waardoor gebeurde dat? Werden CEO's ineens inhalig en egoïstischer? Maar waarom dan toen en niet al eerder?

Wren-Lewis wijst op een eenvoudiger verklaring, die eerder door Piketty, Saez en Stantcheva is geopperd. Want het lijkt plausibel dat de bonuscultuur in de hogere kringen van het bedrijfsleven is uitgelokt door de er aan voorafgegane verlaging van de hoogste tarieven van de inkomstenbelasting. Om de gedachten te bepalen en uit het blote hoofd: in veel landen werd het hoogste tarief verlaagd van 80-90 procent naar 50-60 procent.
Update. Zie ook het bericht Was de explosie van CEO-beloningen een kwestie van normverandering? uit mei 2015, waarin meer informatie over de snelle daling van de hoogste tarieven na eind jaren 60 in de Verenigde Staten. En stel vast dat ze daalden van 90 procent naar 30 tot 40 procent.
Dat had tot gevolg dat het voor ondernemingsbestuurders ineens veel aantrekkelijker werd om zich in te spannen voor een verhoging van hun inkomen. De opbrengsten van die inspanning namen ineens sterk toe.

En het leek toen opportuun om dat te doen in de vorm van bonussen. Dat creëerde de schijn dat er tegenover die hogere beloningen ook betere prestaties stonden.

We weten ondertussen beter. Maar wat we er van hebben geleerd, of zouden moeten hebben geleerd, is dat een sterk progressieve inkomstenbelasting, dus hoge tarieven voor de hoge inkomens, het voordeel heeft dat je de veelverdieners minder in de verleiding brengt om hun inkomens via slinkse wegen te verhogen. Update. Waardoor ze zich er weer wat meer op kunnen concentreren om hun werk gewoon goed te doen. Zoals normale stervelingen dat gewend zijn te doen.

vrijdag 9 oktober 2015

Bonussen: beloningsbeleid als zelfverrijking - nieuw onderzoek

Het is al lang bekend dat zogenaamd resultaatafhankelijk beloning (bonussen) van ondernemingsbestuurders kwetsbaar is voor risico’s van zelfverrijking en fraude. Zie het bericht Stop de bonussen! En een overzicht van onderzoek van eind 2011.

Die kwetsbaarheid voor zelfverrijking verklaart dat onderzoek tot nu toe niet heeft kunnen aantonen dat beloning door middel van bonussen de prestaties van een bedrijf verbeteren. Bonussen werken niet zoals ze bedoeld zijn. Of beter gezegd, zoals ons wordt voorgehouden dat ze bedoeld zijn. Want in feite blijken ze dus bedoeld te zijn als middel tot zelfverrijking.

Nu is er weer het onderzoek TSR, Executive Compensation, and Firm Performance, dat betrekking heeft op de 500 grootste ondernemingen in de Verenigde Staten. Van de bedrijven die in 2014 waren opgenomen in de S&P 500 index, hadden de onderzoekers gegevens beschikbaar over de wijze van belonen in de periode 2004-2013. Ook hadden ze informatie over de prestaties van deze bedrijven, zoals de hoogte van de afdrachten aan aandeelhouders, de rentabiliteit eigen vermogen en de omzetgroei.

Het blijkt dan dat tussen 2004 en 2013 het aandeel bedrijven dat zijn bestuurders beloonde met bonussen toenam van 16 procent naar 50 procent.

Dat zal dan wel betekenen dat het goed is voor de bedrijfsprestaties om bestuurders met bonussen te belonen, denk je dan misschien in je onschuld.

Maar nee, daar is geen sprake van. Integendeel, de data laten eerder aanwijzingen zien dat die prestaties er op achteruitgaan.

Dat zegt natuurlijk wat over die bestuurders. Die dus gewoon bezig zijn met zichzelf te verrijken.

Maar het zegt ook wat over de markten waarop deze bedrijven opereren. Dat die niet overeenkomen met dat ideaalbeeld van de vrije markt met volledige concurrentie, dat is wel duidelijk.

Dus, overheid, doe er wat aan. Stop de bonussen!

zaterdag 6 juni 2015

Klopt het wat Rabobank topman Duijzer zegt dat de universiteiten de bonussen toejuichten? Over een onwetenschappelijke hype

Rabobank topman Dirk Duijzer zegt vandaag in het Nederlands Dagblad (zie het bericht op NUzakelijk) dat hij de bonuscultuur bij de banken onzin vindt:
Het argument dat je zonder hoge beloningen geen goede mensen kunt krijgen is volgens hem onzin. ''Als je de top van de Rabobank twintig procent minder betaalt en de top van de ABN en de top van de ING, dan gaat er geen een weg", meent Duijzer.
En daar heeft hij natuurlijk helemaal gelijk in. Maar hoe kwam die bonuscultuur dan tot stand? Omdat iedereen dat in de jaren tachtig een goed idee begon te vinden. En ook daar heeft Duijzer gelijk in.

Maar of hij ook gelijk heeft met de bewering dat "de universiteiten schreven dat het geweldig was", dat staat nog wel te bezien. De resultaten van sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de werking van variabele beloning hebben nooit uitgewezen dat het uitkeren van bonussen in de financiële sector een goed idee zou zijn. Integendeel,

Slechts onder heel bepaalde voorwaarden, waaraan zeker niet in de financiële sector voldaan is, kan prestatiebeloning goed werken. En dan nog is dat effect te bereiken met een uiterst geringe resultaatafhankelijke beloning. Bovendien zijn er grote nadelige effecten. Zie mijn bericht uit november 2011 (Stop de bonussen! En een overzicht van onderzoek).

Nee, er is nooit een wetenschappelijke onderbouwing geweest van de bonuscultuur. Het was een onwetenschappelijke hype. Update. Zie vandaag ook nog eens Simon Wren-Lewis daarover, naar aanleiding van een recent IMF-paper.

Net zoals het idee dat overheden in een economische depressie moeten gaan bezuinigen, niets anders dan een onwetenschappelijke hype is. Zie nog eens Wat het meest blijft verbazen: het eurozoneschandaal.

maandag 2 juni 2014

Hoe kan bandeloze hebzucht ontstaan? Over kapitalisme en moraal

Joop Böhm, de onvermoeibare bepleiter van het Onvoorwaardelijk Basis Inkomen, wees me op het mooie betoog Greed Is Good: A 300-Year History of a Dangerous Idea van John Paul Rollert in The Atlantic.

Rollert geeft daarin een bondig overzicht van het denken over de morele status van hebzucht. Lees het even, want het is zeer de moeite waard. Hij staat kort stil bij de aanvankelijke weerstand tegen de opkomende handel in de agrarische samenlevingen, omdat die het erg verleidelijk maakte om het domein van de morele gemeenschapsintuïties achter je te laten. En je in plaats daarvan door bandeloze hebzucht te laten leiden.

Door die opkomende commercie begon het historische proces van de fragmentatie van de gemeenschapsnetwerken die tot dan gezorgd hadden voor de sociale onderdrukking van de egoïstische zelfverrijking. En zo ontstonden de religieuze pogingen om de hebzucht aan banden te leggen. Rollert noemt Thomas van Aquino, die hebzucht tot de zeven doodzonden rekende.

Maar het "geleerde denken" is daarna vaak veel minder afwijzend tegenover hebzucht als sociaal motief. Men ontdekte dat die nieuwe sociale vorm, het marktmechanisme, ruimte laat voor veel meer egoïsme dan de oude vorm van de gemeenschap, zonder dat dat altijd strijdig hoeft te zijn met het algemeen belang.

Bernard de Mandeville vond zelfs, we hebben het nu over de achttiende eeuw, dat voor het vergroten van de maatschappelijke welvaart juist hebzucht noodzakelijk zou zijn. Weg dus met die morele gemeenschapsintuïties. Waartegenover Adam Smith juist weer betoogde dat die intuïties prijzenswaardig bleven. Ook al konden de onbedoelde gevolgen van hebzucht soms de maatschappij vooruit helpen, dan nog zou het voor de koopman zaak moeten zijn om zich in zijn gedrag morele beperkingen op te leggen.

Je zou kunnen zeggen dat dat idee van de noodzaak van morele beperkingen in het denken over het kapitalistische stelsel tot voor enkele decennia terug overheerste. Rollert noemt het werk van Berle en Means in de jaren 30 van de vorige eeuw en uiteraard dat van Keynes. Hij haalt Berle en Means aan (The Modern Corporation and Private Property, 1932), die betogen dat de grote ondernemingen rekening zouden moeten houden met een veelheid van belangen in de gemeenschap en dat ze hun inkomensstroom zouden moeten verdelen op basis van aan het publieke belang georiënteerde argumenten in plaats van op private inhaligheid. En van Keynes is het mooie citaat dat we, als de economische problemen zo rond 2030 zouden zijn opgelost(!), de werkelijke waarde van het najagen van geld zouden gaan zien als
a somewhat disgusting morbidity, one of those semi-criminal, semi-pathological propensities which one hands over with a shudder to the specialists in mental disease. 
Maar zulk denken is in de loop van de tweede helft van de vorige eeuw naar de achtergrond verdwenen. Rollert noemt het werk van de romanschrijfster Ayn Rand (1905-1982), dat zo populair is geworden in de kringen van de Amerikaanse conservatieven. Zo zelfs dat de leiders van de Republikeinse partij hun economische inzichten daaraan rechtstreeks ontlenen. Volgens Rand zou het kapitalisme volledig in dienst moeten staan van de vrijheid om niet door anderen te worden belemmerd in het najagen van het eigen belang. Dat zou het enige morele imperatief moeten zijn van de huidige maatschappij.

Maar interessant is dat Rollert ook ingaat op de rol die de Agency theory (de principaal-agent theorie) in de economie en het managementdenken heeft gespeeld. In die benadering ontbreek elke notie van een mogelijk gemotiveerd zijn door een publiek belang. Een ieder in het economische (of politieke of bestuurlijke) proces wordt geacht uitsluitend door individueel eigenbelang gemotiveerd te zijn. Dat betekent dat gedrag alleen door een juiste toediening van financiële prikkels kan worden beïnvloed. In feite heeft die principaal-agent theorie de intellectuele of zelfs "wetenschappelijke" basis gelegd voor die zo populair geworden prestatiebeloning. En voor de bonuscultuur die we zo goed, te goed, hebben leren kennen. En daarmee ook voor de grote toename van inkomens- (en vermogens-)ongelijkheid, die nu gelukkig door Thomas Pikkety's Capital in the Twenty-First Century zoveel aandacht krijgt.

Dat brengt me er op dat ik vanochtend ook de studie Explaining Pay Disparities between Top Executives and Nonexecutive Employees: A Relative Bargaining Power Approach van Taekjin Shin onder ogen kreeg.

Shin analyseert hoe de grote toename van de inkomensverschillen tussen bestuurders en werknemers van Amerikaanse grote ondernemingen zich kon ontwikkelen. En hij komt tot de conclusie dat vooral de zwakker geworden rol van de vakbeweging verantwoordelijk was voor het geheel uit de pas gaan lopen van de inkomens van de bestuurders. Maar bovendien "hielp het" als die bestuurders een financiële achtergrond hadden en als ze niet uit het bedrijf zelf afkomstig waren. Als tegenkrachten ontbreken en als een vanuit de wereld van "geleerde" ideeën aangewakkerde cultuur van bandeloze hebzucht het bedrijfsleven overstroomt, ja, dan slaat de zelfverrijking om zich heen. Het blijft een fascinerend en verontrustend maatschappelijk proces.

maandag 10 maart 2014

Hoe te verklaren dat Europese leiders een evident fout economisch beleid voeren? Verkeerde ideeën? Of verkeerde belangen?

Na de vele berichten op dit blog over de eurocrisis en de bezuinigingszeepbel, heeft al een tijd geleden de moedeloosheid toegeslagen. Steeds maar weer gedacht dat de Europese leiders wel van hun economische dwaalwegen zouden terugkeren en steeds maar weer teleurgesteld. Het lijkt wel of er binnen die Europese en economische elite nooit een eind komt aan dat vermaledijde When Prophecy Fails mechanisme. Je begrijpt het niet.

Hoe hier meer inzicht in te krijgen? Zijn het gewoon de verkeerde ideeën waaraan halsstarrig wordt vastgehouden? Of moet je een verklaring zoeken in de belangen die op het spel staan? Is er een ordinaire belangenstrijd gaande?

Eerst nog maar even over degenen die het bezuinigingsbeleid als oplossing voor de economische crisis blijven verdedigen. Die ontlenen enige steun aan de recente voorspellingen dat het economisch ietsje beter zal gaan. Zoals de voorspellingen voor Nederland van het Centraal Plan Bureau. Sommigen zien dat als een aanwijzing dat de ingeslagen weg van bezuinigen en aandringen op "hervormingen" de juiste was en dat de Keynesianen, die pleiten voor stimulering van de economie, het helemaal verkeerd hadden.

Zoals de columnist van het Financieel Dagblad Matthijs Bouman. Weerlegd door Jesse Frederik, in een wel heel cynisch, maar informatief en onderbouwd, commentaar: Je hebt gelijk, Mattijs. En zoals Wouter Bos in zijn column vorige week in De Volkskrant. Weerlegd door Bas Jacobs, evenzeer evidence-based, en met als aanhef: "Beste Wouter, waardig erfgenaam van Colijn": Het ongelijk van Wouter Bos. Nog niet gelezen? Snel doen.

Afijn, hoe dat denken van die Europese elite te begrijpen? Ik dacht vanochtend een antwoord te vinden in de Wall Street Journal, al lang een betrouwbare bron voor neoliberaal denken. Simon Nixon probeert te verklaren hoe het kan dat de Europese leiders zo flagrant ingaan tegen wat de mainstream economen aan beleid voorstaan: Why Euro-Zone Chiefs Buck the Trend. Currency Zone Defies Mainstream Economics Profession With Continued Controversial Policies. Zo ver zijn we al gekomen, dat zelfs de Wall Street Journal opmerkt dat het Europese beleid van bezuinigen en hervormen economisch gezien controversieel is.

Maar wat geeft Simon Nixon als verklaring? Eerst oppert hij dat de Europese Centrale Bank, die een heel lage, te lage, inflatie tolereert, waardoor de schuldaflossing wordt bemoeilijkt, het gewoon niet eens is met het IMF, dat heeft gewaarschuwd voor de gevaren van deflatie en/of een te lage inflatie. De ECB heeft daar voor weliswaar argumenten, maar die vertellen niet het hele verhaal. Het IMF zou wel eens gelijk kunnen hebben.

Dus waarom dan toch aan dat beleid vastgehouden? Welnu, dat zou met de problemen van de eurozone te maken hebben. De geldende fiscale regels, zoals de regel dat het begrotingstekort niet hoger mag zijn dan 3%, verzetten zich tegen een ruimer monetair en begrotingsbeleid. Vanuit een Keynesiaans vraagbeheersingsbeleid is die regel niet zinnig. Waarom dan toch tegen die mainstream economische opvatting ingegaan? Omdat (volgens Simon Nixon) die tekortregel de financiële markten er van overtuigd zou hebben dat de eurozonelanden het serieus menen met het terugdringen van de tekorten en met verdere integratie, zoals het tot stand brengen van de bankenunie en gemeenschappelijke bailout fondsen.

Daar duiken dus (weer) de financiële markten op, die altijd ergens van overtuigd moeten worden. (Denk nog eens terug aan Jan Kees de Jager.) Maar die zijn toch bovenal overtuigd geraakt door de What ever it takes -verklaring van de ECB-voorzitter Mario Draghi in juli 2012. Dat de euro nog bestaat is er aan te danken dat de ECB sinds dat moment enigszins geloofwaardig als een normale bank, met een lender-of-last-resort functie, opereert. Ik weet het niet, maar die 3% regel heeft daar niets mee te maken. Die was er voor 2012 immers ook al. En die verdere integratie, die bankenunie en zo, daar komt tot nu toe zo weinig van terecht dat niemand, ook de financiële markten niet, daar van onder de indruk kan zijn. Nee, dit overtuigt niet als verklaring voor dat controversiële economische beleid.

Vervolgens geeft Simon Nixon toe dat er in veel landen genoeg ruimte is voor een groeivriendelijk begrotingsbeleid. Lees: voor het stimuleren van de economie. Waarom dat dan niet gedaan? Kennelijk omdat die "hervormingen" er door moeten worden gedrukt. Het zou goed kunnen dat je door de teugels wat te laten vieren de ellende van werkloosheid en armoede in de zuidelijke landen zou verminderen. Maar: dat moet niet, want die ellende is juist nuttig. De lonen moeten daar omlaag en de arbeidsmarkt moet flexibeler en er moet worden gedereguleerd. De bevolkingen worden gegijzeld ten behoeve van een beleid dat op de lange duur vruchten zou moeten afwerpen.

Kan dat niet anders? Met minder ellende? Nee, want daar voor ontbreekt het vertrouwen. Dat is het moral hazard argument. Je zou er niet op kunnen vertrouwen dat die zuidelijke landen dat hervormingsbeleid zouden uitvoeren als niet hun bevolkingen zijn gegijzeld.

Maar dat getuigt toch van een wantrouwen en een wreedheid, waarin je je maar moeilijk kunt inleven? Zou het nu echt zo onoverkomelijk zijn om de ellende wat te verminderen? Door een beleid dat sowieso door het gros van de economische professie wordt aanbevolen. Zou je je partners in de muntunie niet iets meer kunnen vertrouwen? En zou je niet iets meer kunnen vertrouwen op de uitkomsten van overleg en overtuiging? Waarmee je, toegegeven, de mogelijkheid open zou laten dat niet iedereen zo absoluut te overtuigen valt van de weldaden van het neoliberale hervormingsdenken. Dat je misschien wel wat water in de wijn zou moeten doen.

Maar nee, liever wantrouwen en wreedheid. (Nee, wreedheid is in dit verband niet een overdreven woord. Zie Greece’s health crisis: from austerity to denialism (pdf).)

Kortom, dat beleid van die Europese leiders valt gewoon niet te begrijpen als een redelijk en rationeel beleid. Aangenomen, dat die leiders, zoals het in een democratie betaamt, het beste voor hebben met de bevolking. Met, ja, met het algemeen belang.

Maar dat laatste is misschien wel het punt. Je gaat je afvragen of die leiders niet meer door deelbelangen geleid worden. Want terwijl het beleid voor grote delen van de bevolking rampzalig uitpakt, komen de grote ondernemingen en de investeerders er behoorlijk goed vanaf. En nog dagelijks lees je in de krant over weer een schandaal met hoge bonussen voor directeuren van grote ondernemingen. Nee, die hebben goed voor zichzelf weten te zorgen. Die hebben geen belang bij hogere inflatie en schuldkwijtschelding. En, zeker op korte termijn, ook niet bij stimulering van de economie.

Hoe wel dat kortzichtig zou zijn (denk aan die economen), zou het kunnen dat hun belangen een behoorlijke factor vormen in de afwegingen die die Europese leiders maken en gemaakt hebben. Dat is een horror scenario. Maar je gaat er aan denken als je het vandaag verschenen rapport Profiting from crisis - How corporations and lawyers are scavenging profits from Europe’s crisis countries leest. Daarover een volgende keer meer.

donderdag 16 januari 2014

Belangrijkste reden om een bank niet te vertrouwen? Bonussen

Medewerkers van De Nederlandse Bank hebben onderzocht waar het vertrouwen in banken vanaf hangt en daar het rapport When does the general public lose trust in banks? over uitgebracht.

Dat is natuurlijk een belangrijk onderwerp na een financiële crisis met grote negatieve gevolgen voor velen en met een daarmee overeenkomende forse daling van vertrouwen in de financiële sector.

De onderzoekers legden in 2010 en 2012 een steekproef van de bevolking de volgende scenario's voor, met de vraag aan te geven in hoeverre elk scenario het vertrouwen in de bank zou doen afnemen. De scenario's worden in het rapport gepubliceerd in het Engels en ik probeer ze zo goed mogelijk in het Nederlands terug te vertalen:
  1.  De bank wordt geleid door een dominante persoon
  2. De directeuren van deze bank ontvangen hoge bonussen
  3. De uitleg bij de financiële producten van deze bank is lang en moeilijk leesbaar
  4. De aandelen van deze bank dalen sterk in prijs
  5. Familie en vrienden adviseren u om uw geld bij deze bank op te nemen
  6. Er zijn berichten in de media dat klanten van deze bank hun geld opnemen
  7. De bank krijgt overheidssteun om financieel gezond te blijven
  8. De overheid nationaliseert de bank
Het resultaat van het onderzoek is dat er duidelijk één reden uitspringt om een bank niet te vertrouwen en dat is dat de directeuren hoge bonussen ontvangen. Meer nog in 2012 dan in 2010.

En dat is toch wel opvallend. Want bonussen waren toch nodig om de beste mensen aan te kunnen trekken? En ligt het dan niet meer voor de hand om af te gaan op onduidelijkheid van informatie over de producten, op dalende aandelenkoersen of op berichten dat klanten hun geld opnemen?

Nee, dat ligt blijkbaar niet voor de hand. Voor vertrouwen lijkt minimaal nodig dat je integriteit mag veronderstellen. Al die andere scenario's achten we kennelijk nog mogelijk ook als de bankdirecteuren integer zijn. Maar bij hoge bonussen weten we het meteen: hier zijn mensen bezig zichzelf te verrijken. En daarmee is het vertrouwen weg.

Hebben al die directeuren toen ze begonnen met die bonussen te incasseren, nooit zien aankomen dat het publiek dat zou gaan zien als wat het is: ordinaire zelfverrijking?

donderdag 29 november 2012

Bevordert publicatiedruk onderzoekscultuur van sloppyness en fraude? De affaire-Stapel

De Commissie-Levelt, die de fraude door de sociaal-psycholoog Diederik Stapel onderzocht en daarvan gisteren verslag uitbracht, is ook nagegaan in hoeverre de werkwijze van Stapel onderdeel was van een onderzoekscultuur, dus niet alleen maar een geïsoleerd incident is. Hierover is de conclusie van de Commissie glashelder:
Het gaat om een meer algemeen falen van de wetenschappelijke kritiek en om een onderzoekscultuur die te zeer gericht is op het onkritisch vaststellen van het eigen gelijk en, zoals uit de gesprekken met de Commissies bleek, op het vinden van interessante maar theoretisch oppervlakkige ad hoc resultaten. (p. 49 van het eindrapport)
De Commissies kunnen niet anders concluderen dan dat er van laag tot hoog sprake was van een algemene veronachtzaming van fundamentele wetenschappelijke standaarden en methodologische eisen. (p. 55) 
Die cultuur zoals die uit de bevindingen van de Commissie naar voren komt, kun je beschrijven als een waarin het doel, publiceren, de middelen heiligt. Waarin van alles gedaan mag worden om interessante resultaten te behalen en gepubliceerd te krijgen, ook als dat met wetenschappelijke eisen van transparantie, controleerbaarheid en repliceerbaarheid onverenigbaar is. Het verzinnen van data en het rapporteren van niet uitgevoerd onderzoek, waar Stapel zo bedreven in was, blijkt een extreem geval te zijn van een gedragspatroon dat veel meer voorkwam.

Hoe kan zo een cultuur ontstaan? In een tak van sport die juist het bestaansrecht ontleent aan de idealen van integriteit en waarheidsvinding? Waarvan het de bedoeling is om mensen aan te trekken die het als een roeping voelen om die idealen te verwezenlijken? (Ik denk even aan Max Webers Wissenschaft als Beruf, waarvan net een nieuwe Nederlandse vertaling is verschenen en waarop ik aan het slot terugkom.)

Is deze cultuur bevorderd door de sterk toegenomen publicatiedruk aan de universiteiten? Die publicatiedruk heeft er toe geleid dat onderzoekers meer worden afgerekend op de meetbare resultaten van hun werk (hun output). Dat kan, net als in de bankensector waar prestatiebeloning en bonussen werden ingevoerd, leiden tot een oriëntatie op het gemeten eindproduct samen met een puur instrumentele houding tegenover de middelen waarmee dat tot stand is gekomen. En het is bekend dat daarmee in de bankensector fraude en onethisch gedrag in de hand zijn gewerkt. Zie ook nog eens dit bericht en dit bericht.

Nu is aan de universiteiten de financiële beloning niet direct gekoppeld aan de prestaties (de publicaties), maar het prestige en de reputatie zijn dat wel. (Trouwens, uit het eindrapport van de Commissie-Levelt blijkt dat de "top-onderzoeker" Stapel behoorlijk financieel werd "gefaciliteerd".)

Het zou dus goed kunnen dat die publicatiedruk een rol heeft gespeeld. Wat zegt de Commissie-Levelt daarover? Het woord publicatiedruk komt op twee plekken in het eindrapport voor, hier:
In gesprekken met betrokkenen en met de heer Stapel kwam duidelijk naar voren dat veel van de hiervoor genoemde procedures, die overigens door hen niet als onzorgvuldig onderzoek werden gekwalificeerd, vooral gericht waren op een snelle positieve afhandeling van dataverzameling, -analyse en -rapportage, met het oog op het halen van publicatiecriteria. Ook het nauwelijks uitvoeren van replicatieonderzoek kan hieronder worden gerangschikt. De publicatiedruk werd door velen genoemd als belangrijke oorzakelijke verklaring voor de door hen gevolgde werkwijzen. De Commissies doen geen uitspraak over of deze verklaring steek houdt, dan wel alleen als excuus wordt gebezigd. Het verdient aanbeveling hiernaar in groter verband nader onderzoek te verrichten.( p. 53)
en hier:
Visitatiecommissies die de sociale psychologie hebben beoordeeld hebben er onvoldoende blijk van gegeven een aantal van de in dit rapport gesignaleerde feiten te hebben doorzien. Te denken valt aan het onkritisch volgen van de door tijdschriften verrichte beoordelingen zowel op het punt van de methodologie als de bijdrage aan de theorievorming. Een ander aandachtspunt in dit verband is voorts in hoeverre de visitatiecommissies bijdragen aan het in stand houden van de veronderstelde grote publicatiedruk en daarmee verbonden conventies. Met name betreft dit conventies ten aanzien van het aantal, de volgorde en de verantwoordelijkheid van de coauteurs en het meervoudig publiceren van soortgelijke onderzoeksresultaten.
De Commissies adviseren de VSNU extra aandacht te besteden aan die aspecten van het SEP-protocol die de inhoudelijke kwaliteit voorop stellen. (p. 63)
Hoewel de Commissie dus zelf geen standpunt inneemt, dringt ze wel aan op nader onderzoek naar de ongewenst effecten van die publicatiedruk. En ze vindt dat die Visitatiecommissies niet alleen maar publicaties moeten tellen, maar ook moeten beoordelen naar inhoudelijke kwaliteit.

Dat de Commissie het punt van die publicatiedruk serieus genoeg neemt om nader onderzoek aan te bevelen, lijkt mij van groot belang. Want als je een keer prestaties beoordeelt op grond van gemeten output, dan zet je een proces in werking waarmee de onderzoekers die daarmee het beste scoren, aan de top van de statushiërarchie terecht komen. En zij zijn dus ook precies degenen die bij het in standhouden van dit beoordelingssysteem belang hebben. Als er dus terechte kritiek op het systeem mogelijk is, dan is de kans klein dat die kritiek gehoor vindt. De Commissie heeft gelijk om nader onderzoek te laten doen.

Datzelfde proces van het ontstaan van die statushiërarchie zorgt er trouwens ook voor dat verdenkingen van wangedrag van "top-onderzoekers" niet gemakkelijk gemeld worden. De Commissie maakt zich juist daarover behoorlijk druk:
Er zijn in 2010 en 2011 drie meldingen verricht aan leden van de wetenschappelijke staf binnen de psychologie. De eerste twee hebben in eerste of tweede instantie niet geleid tot follow-up. Daarin heeft de haast onaantastbare positie van de heer Stapel wellicht een rol gespeeld. De derde melding, aan de departementsvoorzitter en buitengewoon zorgvuldig voorbereid door een drietal jonge en zeker in hun positie kwetsbare klokkenluiders, is wel direct professioneel opgepakt met het bekende resultaat.
Ook bij collega-hoogleraren zijn gedurende het laatste jaar tweemaal verdenkingen gerezen ten aanzien van door de heer Stapel aangereikte data. Aan die verdenkingen is geen follow-up gegeven. De Commissie concludeert dat de drie jonge klokkenluiders meer moed, alertheid en speurzin hebben getoond dan zittende hoogleraren. (p.46-47)
Ja, als je statushiërarchieën laat ontstaan, dan heb je die "onaantastbare posities" er altijd gratis en voor niets bij. En die kunnen heel subtiel werken. Ik had zelf enige twijfel toen ik dat destijds net verschenen Science-artikel las waarin het (gefingeerde) onderzoek naar het verband tussen chaos en geneigdheid tot discriminatie werd gerapporteerd. Hoe kon dat, op het Utrechtse Centraal Station, zijn uitgevoerd? Hoe kon je precies tellen hoeveel plekken stationsbezoekers van iemand met een donkere huidskleur af gaan zitten? Als de nabijgelegen plekken wisselend bezet kunnen zijn? Ik zocht in het artikel en in het Supplement naar nadere uitleg, maar vond die niet. Maar mijn twijfel werd volledig overheerst door ontzag voor het prestige van de onderzoekers.

Wat dat nadere onderzoek zal uitwijzen, ik weet het niet. Rudi Wielers wijst in zijn bespreking in Sociologie Magazine van de nieuwe vertaling van Webers Wissenschaft als Beruf op het gevaar dat door de affaire-Stapel niet de publicatiedruk wordt verminderd, maar dat de universitaire bureaucratie door meer en meer regels gaat proberen om desondanks integer gedrag af te dwingen:
Op dergelijke regels zit geen inhoudelijk geïnteresseerde wetenschapper te wachten, en die regels zullen het bedrijven van wetenschap ook bepaald niet aantrekkelijker maken. Een wetenschappelijke praktijk, waarin goede trouw moet worden afgedwongen door bureaucratische regels, is geen prettig vooruitzicht.
Een terugkeer van het door Weber benoemde ideaal van wetenschap als beargumenteerde bezinning over de werkelijkheid zou daarom meer dan welkom zijn. Het zou helpen voorkomen dat collega’s de verkeerde afslag nemen, en wetenschap waarschijnlijk ook voor jonge mensen weer tot een aantrekkelijke praktijk kunnen maken. We zouden als wetenschappers moeten beginnen dat ideaal uit te dragen.

dinsdag 8 november 2011

Stop de bonussen! En een overzicht van onderzoek

Nassim Nicholas Taleb, auteur van The Black Swan, pleit er in de New York Times van vandaag voor om te stoppen met bonussen bij die financiële instellingen die in geval van nood door overheidssteun op de been moeten worden gehouden.

Dat lijkt me heel verstandig. Maar er zijn goede redenen om veel verder te gaan. Onderzoek wijst uit dat prestatie-afhankelijke beloning in het algemeen veel nadelen heeft en alleen goed werkt in heel specifieke omstandigheden. Hieronder het overzicht van al het onderzoek dat ik kon vinden. Aan het eind volgen conclusies en een literatuurlijstje. Het is een wat langer verhaal, dus neem er een keer de tijd voor.

Aansturing door variabele financiële beloning gebeurt in de praktijk op twee manieren: door geleverde prestaties te beoordelen en (een deel van) de beloning afhankelijk te maken van die beoordeling en door (een deel van) de beloning afhankelijk te maken van de behaalde resultaten op individueel, groeps- of bedrijfsniveau.

Onderzoek naar het succes van prestatiebeoordeling en –beloning laat zien dat de hantering van dit systeem grote problemen oplevert. Beoordelingen zijn vaak gebrekkig en kunnen beïnvloed worden door belangen van de beoordelaars. Verder zijn de beoordelingen vaak niet duidelijk voor de beoordeelden, waardoor ze leiden tot ontevredenheid. Tenslotte kan het systeem strategisch gedrag bij de beoordeelden uitlokken, waaronder pogingen om de beoordelaars te beïnvloeden. Onderzoek naar de effecten van het systeem laat overwegend zien dat de resultaten van het bedrijf er eerder door verslechteren dan verbeteren (Thierry 2002).

Van de resultaatafhankelijke beloning wordt om twee redenen een positief effect verwacht. De eerste is die van het verwachte inspanningseffect: een werknemers zal zich bij prestatiebeloning meer inspannen omdat die extra inspanning een hogere beloning oplevert. En de tweede is die van het verwachte selectie-effect (of magneetwerking): bij prestatiebeloning wordt het werk aantrekkelijker voor werknemers en sollicitanten die op grond van inzicht in hun vaardigheden verwachten goede prestaties te kunnen leveren (en minder aantrekkelijk voor anderen) (Lazear en Shaw 2007, Thierry 2002). De zittende werknemers zullen dus harder werken en de kans neemt toe dat de vaardigen onder hen blijven, evenals de kans dat het juist de meest vaardigen zijn die solliciteren.

Er is onderzoek dat aanwijzingen oplevert dat het overgaan van vaste beloning (uurloon) naar individuele resultaatafhankelijke beloning (stukloon) inderdaad productieverhogend werkt, deels door het inspanningseffect en deels door het selectie-effect (Thierry 2002; Lazear en Shaw 2007). Het gaat dan wel om werkzaamheden die eenvoudig zijn te meten en waarvan de kwaliteit niet erg kan variëren, zoals bijvoorbeeld het vervangen van autoruiten. Uit een overzichtsartikel uit 2001 (Bucklin en Dickinson 2001) komt naar voren dat door de invoering van resultaatafhankelijke individuele beloning de prestaties in kwantitatieve zin verbeteren als het gaat om eenvoudige taken in laboratoriumstudies en om functies als chauffeur, inkoper, ober, productiearbeider, persoonlijke dienstverlener en psychotherapeut in veldstudies. In eerder onderzoek was al vastgesteld dat individuele resultaatafhankelijke beloning niet de kwaliteit van de prestaties verhoogt (Jenkins, Mitra, Gupta en Shaw 1998). Verder gaat het  meer om het bestaan van de resultaatafhankelijke beloning op zich en minder om de hoogte van die variabele beloning. Al bij resultaatafhankelijke beloningen van drie tot negen procent van het totale loon traden de positieve effecten op (Bucklin en Dickinson 2001).

Onderzoek naar de effecten van resultaatafhankelijke teambeloning laat positieve resultaten zien als de teamleden positief oordelen over de procedurele rechtvaardigheid en de rechtvaardigheid van de verdeling van de beloning over de teamleden. Als aan die voorwaarden niet voldaan is, zijn de resultaten negatief (Thierry 2002).

Tenslotte is er onderzoek naar de effecten van verschillende vormen waarin beloning  afhankelijk is gemaakt van de bedrijfsresultaten. Het gaat hier om winstdeling en om beloningen in de vorm van aandelen en opties in het eigen bedrijf.

Thierry (2002) vermeldt een onderzoek dat een zwak positief verband laat zien tussen winstdeling en productiviteit en een ander onderzoek waaruit naar voren komt dat de winstgevendheid na het invoeren van winstdeling eenmalig hoger is. Uit dat laatste onderzoek komen ook aanwijzingen voor een geringe toename van betrokkenheid bij de onderneming, blijkend uit een lager verloop en verzuim. Een probleem met onderzoek waarin bedrijven met winstdeling worden vergeleken met bedrijven zonder winstdeling is dat het vooral de bedrijven kunnen zijn met een relatief hoge winstgevendheid die er voor kiezen om winstdeling in te voeren. Maar ook als bedrijven worden vergeleken die op belangrijke kenmerken overeenkomen en als enige verschil hebben dat de ene groep wel winstdeling heeft ingevoerd en de andere groep niet, dan blijkt dat winstdeling samen gaat met een hogere winstgevendheid (Kraft en Ugarković 2006).

Verder noemt Thierry (2002) een aantal onderzoeken die er op wijzen dat het belonen van werknemers met aandelen in het eigen bedrijf (“employee ownership”) de productiviteit verhoogt, zeker in die gevallen waarin dit wordt gecombineerd met meer medezeggenschap in de besluitvorming. Overeenkomstige resultaten werden gevonden door Robinson en Wilson (2006) en Blasi, Freeman, Mackin en Kruse (2008).

Ook het belonen van bestuurders (CEO’s) met opties zou volgens twee onderzoeksresultaten de bedrijfsresultaten verbeteren, maar Thierry noemt daarnaast een onderzoek dat laat zien dat opties en andere incentives voor CEO’s wel tot hogere inkomens voor de CEO’s leiden, maar juist tot lagere prestaties van de onderneming (Thierry 2002).

Omdat beloningen voor CEO’s vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw sterk zijn gaan stijgen, in de vorm van cash bonussen en/of opties (Klok en Van Uffelen 2009; Philippon en Reshef 2009), is er onderzoek gedaan naar aanwijzingen of deze beloningen wel echt resultaatafhankelijk waren. Daarbij speelde een rol of de bedrijfsresultaten wel of niet worden gerelateerd aan de marktomstandigheden en daarmee aan de gemiddelde bedrijfsresultaten van de bedrijfstak. Als dat niet gebeurt, dan worden CEO’s deels of helemaal beloond voor resultaten die geen verband houden met de geleverde inspanningen. Bertrand en Mullainathan (2001) laten zien dat dat laatste in grote mate het geval was en meer in die gevallen waarin CEO’s minder door aandeelhouders gecontroleerd werden. Bovendien blijkt dat bestuurdersbeloningen meer positief samenhangen met verbeterende marktomstandigheden dan (negatief) samenhangen met verslechterende marktomstandigheden (Garvey en Milbourn 2006).

Verder blijkt dat de beloningen voor bestuurders sneller toenamen dan door de verbetering van de bedrijfsresultaten verklaard kon worden (Bebchuk en Grinstein 2005) en dat hoge beloningen van bestuurders én commissarissen van hetzelfde bedrijf samen gingen met juist slechtere bedrijfsresultaten (Brick, Palmon en Wald 2006).

Deze bevindingen wijzen er op dat de toegenomen variabele beloningen van bestuurders (en soms ook commissarissen) misschien als resultaatafhankelijke beloningen bedoeld waren, maar dat deze bedoeling niet of nauwelijks gerealiseerd werd. Dit komt overigens geheel overeen met wat Jensen en Murphy (1990) in hun klassiek geworden artikel over resultaatafhankelijke beloning van topmanagers al constateerden. Het wekt de indruk dat de beloningen excessief waren, in de zin dat ze ten koste gingen van de bedrijfsresultaten. In die gevallen waarin er meer controle werd uitgeoefend, waren de beloningen lager. Variabele beloningen op het niveau van het ondernemingsbestuur, het niveau dus waarop de personen die de beloningen ontvangen en de personen die over de hoogte ervan beslissen sterk samenvallen, lijkt dus de schaduwzijde van de zelfverrijking te hebben. Die schaduwzijde blijkt er ook in tot uitdrukking te komen dat de intensiteit waarmee in bedrijven met opties beloond wordt, samenhangt met de kans op vervolging van het bedrijf wegens fraude (Denis, Hanouna en Sarin 2006).

Conclusies

In de eerste plaats heeft variabele beloning op basis van prestatiebeoordeling grote uitvoeringsproblemen, waardoor de bedrijfsresultaten er in ieder geval niet door verbeteren.

In de tweede plaats werkt individuele resultaatafhankelijke beloning inderdaad productieverhogend als het om kwantiteit gaat, dus als de kwaliteit van de geleverde prestaties niet erg varieert of als aangenomen mag worden dat deze tenminste voldoende hoog is. Voor het bereiken van dit positieve effect is een geringe resultaatafhankelijke beloning voldoende. En het gaat hier om het uitvoeren van taken waarbij weinig samenwerking nodig is.

In de derde plaats verhoogt teambeloning de prestaties, maar alleen als voldaan wordt aan eisen van rechtvaardigheid.

In de derde plaats werken beloningen door middel van winstdeling en “employee ownership” gunstig uit voor de bedrijfsresultaten, maar dit is meer het geval naarmate deze beloningssystemen gepaard gaan met medezeggenschap van werknemers in de besluitvorming over het werk.

In de vierde plaats is variabele (als resultaatafhankelijk bedoelde) beloning van ondernemingsbestuurders, die beslissen over hun eigen beloningen of op die beslissingen grote invloed kunnen uitoefenen, kwetsbaar voor risico’s van zelfverrijking en fraude.

De derde en de vierde conclusie samen leiden tot het inzicht dat het succes van resultaatafhankelijke beloning als voorwaarde heeft dat het ontvangen van de beloning en het beslissen over de hoogte ervan strikt dient te worden gescheiden. Als dat laatste niet het geval is, dan kan er niet zonder meer op worden vertrouwd dat personen tot een juiste afweging komen van hun individuele belang en het ondernemingsbelang.

Genoemde literatuur

Bebchuk, L. en Y. Grinstein (2005). The Growth of Executive Pay. National Bureau of Economic Research: Working Paper: 11443

Bertrand, M. en S. Mullainathan (2001). Are CEO's rewarded for luck? The ones without principals are. Quarterly Journal of Economics 116: 901-932

Blasi, J.R., R.B. Freeman, C. Mackin en D.L. Kruse (2008). Creating a bigger pie? The effects of employee ownership, profit sharing, and stock options on workplace performance. National Bureau of Economic Research: Working Paper 14230

Brick, I.E., O. Palmon en J.K. Wald (2006). CEO compensation, director compensation, and firm performance: Evidence fo cronyism? Journal of Corporate Finance 12: 403-423

Bucklin, B.R. en A.M. Dickinson (2001). Individual monetary incentives: A review of different types of arrangements between performance and pay. Journal of Organizational Behavior Management 21(3): 45-137

Denis, D.J., P. Hanouna en A. Sarin (2006). Is there a dark side to incentive compensation? Journal of Corporate Finance 12: 467-488

Garvey, G.T. en T.T. Milbourn (2006). Asymmetric benchmarking in compensation: Executives are rewarded for good luck but not penalized for for bad. Journal of Financial Economics 82: 197-225

Jenkins, , Jr., G.D., A. Mitra, N. Gupta en J.D. Shaw (1998). Are financial incentives related to performance? A meta-analytic review of emoirical research. Journal of Applied Psychology 83(5): 777-787

Jensen, M. en K. Murphy (1990). Performance pay and top-management incentives. Journal of Political Economy 98(2): 225-264

Klok, P. en X. van Uffelen (2009). Bonus! Waarom bankiers de grote winnaars zijn van deze crisis. Amsterdam: Volkskrant/Meulenhoff

Kraft, K. en M. Ugarkovic (2006). Profit sharing and the financial performance of firms: Evidence from Germany. Economics Letters 92: 333-338

Lazear, E.P. en K.L. Shaw (2007). Personnel economics: The economist's view of human resources. Journal of Economic Perspectives 21(4): 91-114

Philippon, T. en A. Reshef (2009). Wages and human capital in the U.S. financial industry. 1909-2006. National Bureau of Economic Research: Working Paper 14644

Robinson, A.M. en N. Wilson (2006). Employee participation and productivity: An empirical reappraisal. British Journal of Industrial Relations 44(1): 31-50

Thierry, H. (2002). Beter belonen in organisaties. Assen: Koninklijke Van Gorcum

dinsdag 4 oktober 2011

Het belang van Occupy Wall Street als een moreel oordeel

De Occupy Wall Street beweging lijkt te groeien. Zie het bericht hieronder uit de New York Times van vandaag. Het lijkt mij een belangrijke ontwikkeling. Het is zo langzamerhand overduidelijk dat de excessen in de financiële wereld (misleiding, riskant gedrag, bonussen, zelfverrijking) en de ideologische rechtvaardiging daarvan door het ongefundeerde geloof in ongebreidelde marktwerking, in aanmerking komen voor een moreel oordeel. En dat oordeel is vernietigend.

Eerder schreef ik over de mankementen die kunnen kleven aan de toepassing van morele overtuigingen uit het persoonlijke domein op handelingen in het publieke domein. Een voorbeeld daarvan is dat je het overheidshandelen niet altijd op precies dezelfde wijze moreel kunt beoordelen als je het handelen van een gezin zou doen. Maar ik begin steeds meer te denken dat een morele beoordeling van het gedrag in de financiële sector dat de kredietcrisis voortbracht en aan de huidige economische problemen heeft bijgedragen, zonder voorbehoud gerechtvaardigd is. Het gevoel dat het niet deugde lijkt mij een gepast gevoel. En velen die het beter kunnen weten dan ik, vinden dat ook. Denk aan James Galbraith, de zoon van de grote John Kenneth Galbraith, die tot dit oordeel komt:
Fraud was not a bug in the system, it was a feature.
Een citaat dat het waard is om te onthouden. Het komt uit deze lezing, voor de kennisname waarvan iedereen even de tijd zou moeten nemen.

Mijn indruk is dat de morele verontwaardiging bij velen bestaat, maar dat uitingen daarvan nog tegengehouden worden door onzekerheid over hoeveel anderen hem delen. De Occupy Wall Street beweging mankeert het aan concrete eisen, zoals door sommigen is opgemerkt. Maar daar gaat het even niet om. Ze hebben vooral de functie om de informatie te verspreiden over het wijd verbreid zijn van de morele beoordeling.

Anti-Wall Street Protests Spreading to Cities Large and Small - NYTimes.com:

'via Blog this'