Posts tonen met het label hechtingsstijlen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hechtingsstijlen. Alle posts tonen

dinsdag 1 maart 2016

Leidt het vaak verhuisd zijn tot sociale vluchtigheid?

Mensen zijn sociale dieren. Bij het opgroeien hechten we ons aan de vertrouwde relaties om ons heen. Evolutionair gezien boden die doorgaans de veiligheid die voor overleving nodig was. En dat opgroeien in die vertrouwde kring zorgt er voor dat we onze moedertaal aanleren en dat we een sociale en morele persoon worden.

Maar terwijl in de Paleo Sociale Omgeving die vertrouwde kring altijd aanwezig was en gedurende de levensloop aanwezig bleef, is dat in onze huidige wijze van samenleven niet meer gegarandeerd.

Daardoor kennen we natuurlijk de problemen van eenzaamheid.

Maar ook zien we dat het voor de ontwikkeling van kinderen uitmaakt of ze in een stabiele en vertrouwde sociale omgeving opgroeien of niet.

In het eerste geval leren ze dat mensen zijn te vertrouwen en ontwikkelen ze een veilige hechtingsstijl. Dat kun je een gunstige sociaal-emotionele en morele ontwikkeling noemen. Omdat mensen zijn te vertrouwen, ben je bereid om anderen bij te staan als ze hulp nodig hebben. Biologen spreken van een langzame levensloopstrategie. De mensen om je heen zijn goedwillend en blijven beschikbaar. Daardoor loont het om te investeren in de toekomst en directe behoeftebevrediging uit te stellen. Kansen die er nu zijn, zullen er in de toekomst ook nog zijn.

Dat ligt heel anders als de omgeving instabiel en onveilig is. De snelle levensloopstrategie is daarop het geëigende antwoord. Wees opportunistisch en sla toe als het kan. Vertrouw niemand. Je weet niet hoe lang je nog te leven hebt.

Bij die snelle levensloop past dat kinderen eerder in de puberteit komen, meisjes vroeger menstrueren en vroeger moeder worden. Dat alles gebeurt later in de langzame levensloop, samengaand met een hogere motivatie om een opleiding te (blijven) volgen. Zie Jay Belski's The Development of Human Reproductive Strategies. Progress and Prospects voor een overzicht van onderzoek.

Die beide levensloopstrategieën kun je zien als aanpassingen aan de aard van de sociale omgeving waar in je terecht bent gekomen. De menselijke sociale natuur is flexibel. Er zijn weliswaar allerlei aanwijzingen dat die langzame strategie aangenamer is en minder stressvol, maar gegeven een instabiele en onveilige omgeving is die snelle strategie dan toch "beter" dan die langzame.

Maar instabiliteit kan ook op een andere wijze tot stand komen, namelijk als mensen vaak van sociale omgeving wisselen. Zoals wanneer ze vaak verhuizen. We weten al dat het in je jeugd vaak verhuisd zijn een risicofactor is voor gezondheid en welzijn op latere leeftijd.

En nu is er de nieuwe studie Generalizing disposability: Residential mobility and the willingness to dissolve social ties die laat zien dat het vaak verhuisd zijn samengaat met een grotere sociale vluchtigheid. Dat wil zeggen, met het gemak waarmee je sociale contacten (partner, vrienden) inwisselt voor andere. Anders gezegd, met het onvermogen of gebrek aan bereidheid om je aan anderen te hechten. Vaak verhuisd zijn zal doorgaans betekenen dat relaties en vriendschappen zijn beëindigd en dat er andere voor in de plaats zijn gekomen. En dat lijkt er toe te leiden dat je een kijk op de sociale wereld ontwikkelt waarin mensen vervangbaar zijn.

En omdat verhuizingen en andere wisselingen van sociale omgeving, zoals door baanveranderingen, wel zo'n beetje bij de huidige samenleving horen, verklaart dat dus de grote mate van sociale vluchtigheid die je soms denkt waar te nemen. Update. En waar je jezelf soms op betrapt.

dinsdag 21 oktober 2014

Sociale afwijzing leidt tot de spagaat van afstand houden èn contact zoeken

We gaan in ons dagelijks leven niet alleen maar om met vertrouwde anderen door wie we ons als vanzelfsprekend geaccepteerd voelen. Een flink deel van ons sociale leven speelt zich af in kringen van mensen waarmee we slechts een oppervlakkige band hebben. Kringen waarin het vaak onduidelijk is hoe anderen ons waarderen. We moeten er dan mee leven dat anderen ons beoordelen en dat zulke oordelen ook negatief kunnen zijn.

Kortom, in ons sociale leven kunnen we er mee te maken krijgen dat anderen ons niet zien zitten.

Wat zijn de gevolgen van het sociaal afgewezen worden? Hoe zou je reageren als anderen je niet zien staan? Als je niet bent uitgenodigd? Als je bent gepasseerd?

Het onderzoek Minimizing the Pain and Probability of Rejection. Evidence for Relational Distancing and Proximity Seeking Within Face-to-Face Interactions (betaalpoort) geeft daar enig inzicht in. Paren studenten vulden na een gesprekje een vragenlijstje in over hoe aardig ze de ander vonden en of ze het gevoel hadden wel bevriend te willen worden. En kregen daarna elkaars antwoorden te zien. Althans, in die veronderstelling verkeerden ze. Want de een werd geconfronteerd met sociale afwijzing, dus met nogal negatieve antwoorden, en de ander met sociale acceptatie, dus met positieve antwoorden.

Daarna voerden ze een, van te voren aangekondigd, gesprekje met een andere medestudent (die noch was afgewezen, noch was geaccepteerd), voorafgegaan en afgesloten met weer een vragenlijstje. De gesprekken werden bovendien gefilmd en de filmpjes, en de gesproken tekst, werden geanalyseerd.

Wat kwam daaruit? Na dat eerste gesprekje, waarna dus afwijzing of acceptatie volgde, waren degenen die waren afgewezen negatiever in hun verwachtingen van het nieuwe gesprek en onverschilliger over hoe het zou verlopen. Nadien beoordeelden ze hun gesprekspartner als minder aardig, hadden ze minder het gevoel dat het tussen hen had geklikt en dat ze betrokken waren geweest. Maar hun gesprekspartner was eigenlijk alleen opgevallen dat ze weinig kritisch waren.

En uit de analyses van de filmpjes bleek dat de sociaal afgewezenen in hun taalgebruik en onderwerpkeuze meer die van hun gesprekspartners matchten. Anders gezegd, ze waren meer bezig met te proberen met de ander op een lijn te komen, om zich aan te passen en te zoeken naar het gemeenschappelijke. Dat is interessant, want we weten dat zulk gedrag dient om nabijheid te creëren, om een band met de ander tot stand te brengen. Proximity seeking, zoals de onderzoekers dat noemen.

De combinatie van die resultaten wijst dus op een spagaat. Enerzijds waren de afgewezenen in hun verwachtingen en oordelen achteraf negatiever, afstandelijker en onverschilliger over het sociale contact. Maar anderzijds waren ze in hun feitelijke gedrag juist bezig met te proberen om contact te maken, om een band te creëren.

En dat doet sociale afwijzing dus met ons. Het reactiepatroon lijkt overeen te komen met de gevolgen van de onveilige hechtingsstijl. Op bewust niveau zijn we er op uit om afstand tot anderen te houden, uit vrees voor nieuwe afwijzing en teleurstelling. We proberen onszelf als het ware voor te houden dat we een band met anderen niet (meer) moeten nastreven.

Maar in ons onbewuste, automatische gedrag laten we daarentegen zien dat we er op uit zijn om die band met anderen juist wel tot stand te brengen, om de sociale afstand te verkleinen.

Een vervelende spagaat dus. En als je daar over nadenkt, dan is die spagaat er misschien niet alleen als we daadwerkelijk zijn afgewezen, maar ook als er alleen maar het risico is van afgewezen te worden. Dus in al die contacten waarin er geen of maar weinig vertrouwdheid is.

We weten dan niet waar we aan toe zijn. En denken dan dat we maar beter wat afstand kunnen houden. Terwijl ons gedrag laat zien dat we die afstand juist zouden willen overbruggen.

Een groot deel van ons sociale leven zou dus een worsteling zijn met afstand houden en contact zoeken. Daar zit wat in, lijkt me.

woensdag 12 maart 2014

Zijn we bezig het sociale leven te verwaarlozen?

Het Duitse weekblad Der Spiegel geeft zo nu en dan aardige informatie over sociaalwetenschappelijk onderzoek. Vandaag is dat een artikel over twee studies naar vriendschappen.

Die eerste studie, Peer Relationships Across the Preschool to School Transition (betaalpoort), gaat over vriendschappen bij kinderen van vier jaar (in Dublin, Ierland) die de overgang maakten van de kleuterschool (preschool) naar de basisschool.

Het gaat maar om een klein aantal kinderen, die bovendien een bijzondere groep vormden omdat ze een Head Start programma volgden. Maar de resultaten wijzen uit dat de vriendschappen die de kinderen op de kleuterschool hadden ("beste vrienden") vrijwel geheel ophielden te bestaan na de overgang naar de basisschool. En dat lag er aan dat die vrienden naar verschillende scholen gingen of in verschillende klassen van dezelfde school terecht kwamen.

Dat patroon zou wel eens veel algemener kunnen zijn. Kinderen hebben al vroeg "vriendjes". En het schijnt (ik ben de bron kwijt) dat als je kinderen vraagt waarom een ander kind hun vriend is, ze antwoorden geven in de trant van "Omdat hij/zij naast ons woont". Anders gezegd: ze hebben de neiging om andere kinderen als vriend te beschouwen eenvoudig omdat ze er nu eenmaal zijn. Vrienden zijn andere kinderen waarmee je samen speelt. Vertrouwdheid is de eerste basis voor vriendschap. Kinderen zijn er op "geprogrammeerd" om vertrouwdheid te herkennen en te waarderen.

En in de Paleo Sociale Omgeving (zie ook Angst voor vreemden en het sociale isolement van gezinnen) was er ook altijd die vertrouwdheid en bleef die gedurende het leven bestaan. De mensen die je kende, die waren je ook vertrouwd. En vreemden ontmoette je zelden. Die alomtegenwoordige vertrouwdheid zal met zich hebben meegebracht dat mensen zich gemakkelijk veilig voelden, dat ze veilig gehecht waren, zoals wij dat tegenwoordig noemen.

Onze manier van samenleven leidt er toe dat een op de drie mensen niet veilig gehecht is, dus vermijdend of angstig. Wat inhoudt dat ze moeilijk contacten aangaan en in stand kunnen houden. Dat heeft vele oorzaken, maar een daarvan zou kunnen zijn dat we jonge kinderen al snel de les bijbrengen dat een vertrouwde sociale omgeving altijd tijdelijk en precair is.

Want we hebben het onderwijs zo georganiseerd dat de behoefte van kinderen aan een vertrouwde sociale omgeving daarin slechts bijzaak is. En onze economie, onze ruimtelijke ordening en onze arbeidsmarkt zijn zo ingericht dat geografische mobiliteit (verhuizen) normaal en wenselijk is. Dat gaat ten koste van de voordelen van vertrouwdheid en dat heeft negatieve gezondheidseffecten, die overigens wel afhankelijk zijn van hoe introvert mensen zijn.

Wat al op jonge leeftijd begint, vriendschappen verliezen en proberen nieuwe vrienden te maken, dat gaat verder een leven lang door. Dat laat die tweede studie die vandaag in Der Spiegel besproken wordt, Social Network Changes and Life Events Across the Life Span: A Meta-Analysis (pdf), goed zien. Terwijl het sociale netwerk van vrienden tot de jongvolwassen leeftijd groeit, neemt het daarna alleen nog maar gestaag af.

Maar tegenwoordig hebben we bovendien minder vrienden dan in 1980-1985. De meta-analyse van onderzoeken die sinds die tijd en tot 2000-2005 werden uitgevoerd, laat zien dat het aantal leden van het zogenaamde persoonlijke netwerk (familie, vrienden en andere vertrouwde relaties) in elke 5 jaar met gemiddeld 1,6 personen afnam. En dat het vriendschapsnetwerk in elke 5-jaarsperiode gemiddeld afnam met 0,9 personen. In 1980-1985 hadden mensen gemiddeld 6,3 personen meer in hun persoonlijke netwerk. En gemiddeld 3,6 vrienden meer.

We slagen er dus met zijn allen steeds minder in om tegemoet te komen aan onze behoefte aan vertrouwde sociale contacten. Zijn we bezig het sociale leven te verwaarlozen?

maandag 19 augustus 2013

Wat betekent onveilige gehechtheid voor je morele intuïties?

We leven in een maatschappij waarin gezinnen historisch gezien behoorlijk sociaal geïsoleerd zijn en waarin het niet vanzelf spreekt dat kinderen in een veilige sociale omgeving opgroeien. Daardoor kennen we het probleem dat kinderen bij het opgroeien een onveilige hechtingsstijl ontwikkelen. Ze hebben dan oftewel een vermijdende oftewel een angstige hechtingsstijl. Zie ook dit bericht, waaruit ik het volgende citeer:
Als we in onze vroege jaren vertrouwde anderen om ons heen hebben die beschikbaar zijn en op onze behoeften reageren, dan hebben we een sociale omgeving die een veilige basis verschaft. We leren dat we in tijd van nood anderen kunnen vertrouwen en dat die anderen ons "de moeite waard vinden". Anders gezegd: we ontwikkelen een veilige hechtingsstijl.
Maar als die anderen om ons heen minder op onze behoeften reageren of als ze daarin wisselvallig zijn, dan ontwikkelen we een onveilige hechtingsstijl. Ons hechtingssysteem wordt dan gedeactiveerd, zodat we een vermijdende hechtingsstijl ontwikkelen, of gehyperactiveerd, en dan ontwikkelen we een angstige hechtingsstijl.
In het geval van de vermijdende hechtingsstijl zien we het zoeken van nabijheid en intimiteit als vruchteloos of zelfs gevaarlijk, omdat we verwachten teleurgesteld te worden. We gaan er van uit dat anderen ons niets te bieden hebben en we proberen om onafhankelijk te zijn en onze behoeften aan intimiteit en gehechtheid te onderdrukken. Daarbij past dat we proberen om een positief zelfbeeld in stand te houden. We deactiveren ons hechtingssysteem.
In het geval van de angstige hechtingsstijl denken we niet op eigen benen te kunnen staan en dus nabijheid van anderen nodig te hebben. Maar door de ervaringen van afgewezen te zijn, zijn we ons hulpeloos en kwetsbaar gaan voelen. Met twijfel over of we wel genoeg waard zijn. Daardoor zijn we hypergevoelig voor potentiële bedreigingen en afwijzingen. We hebben de neiging om dubbelzinnige sociale signalen vooral als negatief te interpreteren.
Datzelfde bericht noemt enkele bekende gevolgen van het onveilig gehecht zijn, zoals op het gebied van emotieverwerking, aandachtssturing en toenadering of juist afstand zoeken. Er is nu het nieuwe onderzoek The Moral Compass of Insecurity: Anxious and Avoidant Attachment Predict Moral Judgment (pdf) dat wijst op de relaties tussen onveilige gehechtheid en morele intuïties.

De onderzoekers vinden er aanwijzingen voor dat mensen die meer vermijdend gehecht zijn, minder sterk de morele intuïtie aanhangen dat je anderen geen schade en leed mag toebrengen en dat je dat soort gedrag van anderen hoort af te wijzen. Ook is de intuïtie van eerlijkheid en rechtvaardigheid bij hen minder sterk. Dit lijkt er aan te liggen dat mensen die vermijdend gehecht zijn, een cynische en pessimistische opvatting hebben over de menselijke natuur en dus ook minder vertrouwen hebben in anderen. Dat klopt met de bevinding in dit onderzoek dat het verband tussen vermijdende gehechtheid en die zwakkere morele intuïties deels tot stand komt door een geringere neiging tot empathie. Als je vermijdend gehecht bent, voel je minder empathie tegenover anderen en dat verklaart weer die zwakkere morele intuïties.

Hoe zit dat dan met het angstig gehecht zijn? Je hebt wel het gevoel anderen erg nodig te hebben, maar je twijfelt of anderen je wel genoeg de moeite waard vinden. In dat geval, zo komt uit het onderzoek naar voren, hang je die twee morele intuïties juist sterker aan. Je onderschrijft sterker dat je anderen geen schade of leed mag toebrengen en je bent misschien zelfs wel wat geobsedeerd door de eisen van eerlijkheid en rechtvaardigheid. En ook hier is je neiging tot empathie de tussenliggende factor. Die angstige hechting maakt dat je erg geneigd bent tot empathie en daardoor juist sterk die morele intuïties aanhangt. Het lijkt alsof je daarmee hoopt meer door anderen geaccepteerd te worden, hoewel dat niet een bewust motief hoeft te zijn.

Dat we niet allemaal veilig gehecht zijn, werkt dus op moreel vlak verschillend uit. Vermijdende gehechtheid lijkt de kans op immoreel gedrag te vergroten, wat overeenkomt met een grotere kans op psychopathische trekken. Dat wijst op de schadelijke gevolgen er van. De negatieve gevolgen van angstige gehechtheid lijken er uit te bestaan dat de obsessie met die morele intuïties het moeilijker maakt om met anderen ontspannen relaties aan te gaan en te onderhouden.

Al met al krijgen we steeds meer inzicht in de nadelen van het opgroeien en leven in een maatschappij waarin veilige gehechtheid niet vanzelfsprekend is. Zie ook nog eens het bericht over culturele verschillen in hechting.

woensdag 20 maart 2013

Verbondenheid met anderen beschermt tegen zwakke emotionele zelf-regulering

Hoe reageer je meestal op tegenslag en op teleurstellingen? Ben je helemaal van je stuk en kun je je er moeilijk over heen zetten? Ben je er nog lang over aan het piekeren? Of zet je je er snel overheen en ben je dan in staat om je weer met andere dingen bezig te houden?

Hoe mensen reageren op tegenslag en teleurstelling zegt iets over hun emotionele zelf-regulatie. Een hoge emotionele zelf-regulatie is het vermogen om zelf te beïnvloeden hoe je je voelt. Dus om je positieve emoties in stand te houden of te versterken en je negatieve emoties te verminderen. Mensen verschillen nogal in dat vermogen. Degenen onder ons die er niet zo goed in zijn, worden wel omschreven als toestand-georiënteerd: ze beschouwen hun negatieve emotie als een onveranderlijke toestand. Daartegenover zijn anderen juist actie-georiënteerd: ze zetten zich er gemakkelijk overheen, piekeren niet en beschouwen dus hun negatieve gevoel als door henzelf beïnvloedbaar. Ze stellen zich actief op.

Uit onderzoek blijkt dat toestand- en actie-georiënteerdheid ongeveer gelijk over de bevolking zijn verdeeld. En ook weten we dat toestand-georiënteerde mensen het in het leven moeilijker hebben. Ze functioneren minder goed, hebben meer psychosomatische klachten en voelen zich minder gelukkig en tevreden. Vooral als ze meer met tegenslag en teleurstelling, anders gezegd, met stressvolle gebeurtenissen, te maken hebben.

Maar er blijkt een bescherming te zijn tegen deze negatieve gevolgen van toestand-georiënteerdheid. En dat is de mate waarin je je verbonden voelt met anderen. Of omgekeerd gezegd: de mate waarin je het gevoel hebt er niet alleen voor te staan. Of nog anders gezegd, de lasten van de toestand-oriëntatie komen pas tevoorschijn als mensen zich niet verbonden weten of voelen met anderen.

In de studie You Are Not Alone: Relatedness Reduces Adverse Effects of State Orientation on Well-Being Under Stress (betaalpoort) vonden onderzoekers hiervoor aanwijzingen. De eerste aanwijzing is dat mensen die meer toestand-georiënteerd zijn, minder last hebben van de stressvolle gebeurtenissen die ze meemaken, als ze meer pro-sociale waarden onderschrijven. Dat laatste houdt o.a. in dat ze het belangrijker vinden om anderen te helpen en om loyaal en vergevingsgezind te zijn. Het blijkt dat die pro-sociale waarden een compensatie zijn voor hun toestand-oriëntatie. Bij het meemaken van stressvolle gebeurtenissen is hun welbevinden even hoog als dat van de actie-georiënteerden. Dit geldt niet voor de minder pro-sociale toestand-georiënteerden die stressvolle gebeurtenissen meemaken, want hun welbevinden is wel lager.

Nu is het aanhangen van pro-sociale waarden natuurlijk niet hetzelfde als het gevoel verbonden te zijn met anderen, maar de twee lijken wel met elkaar samen te hangen. Een tweede aanwijzing verkregen de onderzoekers door het gevoel van verbondenheid met anderen bij proefpersonen te manipuleren. Hen werd gevraagd om een goede vriend(in) mee naar het experiment te nemen. In de ene conditie moesten deelnemers zoveel mogelijk overeenkomsten tussen henzelf en hun vriend(in) opschrijven en in de andere conditie juist zoveel mogelijk verschillen. Het opschrijven van (en nadenken over) die overeenkomsten werd gezien als het opwekken of saillant maken (primen) van verbondenheid. En het opschrijven en nadenken over de verschillen als het juist niet saillant maken daarvan. Had dit gevolgen voor hoe ze met een negatieve emotie omgingen?

Die negatieve emotie werd teweeggebracht door het zien naar een film over de gruwelijke leefomstandigheden van Roemeense weeskinderen. Tegenover de neutrale conditie van het kijken naar een film over zonne-energie. Vervolgens bleek dat de toestand-georiënteerden die naar die gruwelijke film hadden gekeken, zich na afloop niet slechter voelden dan de actie-georiënteerden deden, als hun verbondenheid met hun vriend(in) was opgewekt. Die verbondenheid had gemaakt dat ze zich van die negatieve emotie net zo snel herstelden dan de actie-georiënteerden. En dit gold niet voor de toestand-georiënteerden bij wie die verbondenheid niet was opgewekt.

Dit alles laat zien dat mensen weliswaar qua vermogen tot emotionele zelf-regulatie sterk van elkaar kunnen verschillen, maar dat die verschillen alleen bij afwezigheid van onderlinge verbondenheid aan het licht komen. Eenzaamheid en sociaal isolement maken dat een zwakke emotionele zelf-regulatie ook echt een last wordt die je moet dragen.

Dit komt er mee overeen dat de verschillen tussen mensen in emotionele stabiliteit ook alleen maar onder bepaalde omstandigheden aan het licht komen. Zie het bericht Waarom zijn we eigenlijk niet allemaal emotioneel stabiel? Doordat in onze huidige maatschappij verbondenheid met anderen niet vanzelfsprekend is en er altijd de uitdaging is van de onderlinge statuscompetitie, moeten we meer dan in de Paleo Sociale Omgeving emotioneel stabiel en actie-georiënteerd zijn om ons gelukkig en tevreden te kunnen voelen. En om goed te kunnen functioneren en gezond te blijven. Zie trouwens ook nog eens het bericht Waarom zijn we niet allemaal veilig gehecht? over onveilige gehechtheid als een product van onze huidige maatschappij.

Kortom, je zou zeggen dat hier een patroon zichtbaar wordt.

woensdag 6 februari 2013

Waarom zijn we niet allemaal veilig gehecht?

Net zo als je je kunt afvragen waarom we niet allemaal emotioneel stabiel zijn, kun je ook stilstaan bij de vraag waarom we niet allemaal veilig gehecht zijn.

Ik kwam daarop door het overzichtsartikel Neuroscience of human social interactions and adult attachment styles van Pascal Vrticka en Patrick Vuilleumier van de Universiteit van Genève. De auteurs geven een mooi overzicht van het recente neurobiologisch onderzoek naar hechtingsstijlen en de effecten daarvan op sociaal en emotioneel gedrag. Het feit dat er verschillende hechtingsstijlen bestaan is eigenlijk iets om over na te denken.

Maar eerst even de basics. Mensen zijn sociale dieren en zijn er dus op voorbereid om relaties met anderen te waarderen, te hebben en zo nodig te zoeken. Dat gaat dan om de ouder-kindrelatie en de relatie tussen partners, maar ook om relaties met vertrouwde anderen, vrienden en bekenden. Ons aangeboren hechtingssysteem heeft als biologische functie om nabijheid te zoeken of te handhaven met voor ons belangrijke anderen, niet alleen in tijden van nood of bedreigingen, maar ook met het oog op toekomstige bedreigingen. Onderdeel van dat hechtingssysteem is daarom dat we de nabijheid van die anderen meestal als aangenaam en veilig ervaren. En vandaar onze behoefte aan sociaal contact en gezelligheid. We worden door die behoefte geleid, ook zonder dat we daar bewust over nadenken.

Dat hechtingssysteem is in het bijzonder voor ons, mensen, belangrijk omdat wij zo onrijp geboren worden dat we nog lang na onze geboorte zorg en hulp nodig hebben. Zo lang en zo veel zorg dat het coöperatief grootbrengen van kinderen, in plaats van de exclusief moederlijke zorg, een kenmerk werd van de menselijke soort. Een kenmerk overigens dat we in onze huidige samenleving behoorlijk laten verwateren. Daarover aan het eind van dit bericht meer.

Dat onrijpe geboren worden verruimt tegelijk de mogelijkheden voor onze hersenen om te leren hoe de sociale omgeving waarin we geboren worden in elkaar steekt en om zich daarop aan te passen. De omgang met de mensen om ons heen in onze vroege jaren, en de wijze waarop zij reageren op ons zoeken naar nabijheid en veiligheid, laten verschillende cognitieve schema's ontstaan voor hoe je met anderen kunt omgaan, ook in het volwassen leven. Interne werkmodellen voor hechting worden die schema's wel genoemd. Ze beïnvloeden hoe wij ons in intieme relaties gedragen, maar ook hoe we ons opstellen in vriendschappen of zelfs in interacties met vreemden.

En daar komen die verschillende hechtingsstijlen om de hoek. Als we in onze vroege jaren vertrouwde anderen om ons heen hebben die beschikbaar zijn en op onze behoeften reageren, dan hebben we een sociale omgeving die een veilige basis verschaft. We leren dat we in tijd van nood anderen kunnen vertrouwen en dat die anderen ons "de moeite waard vinden". Anders gezegd: we ontwikkelen een veilige hechtingsstijl.

Maar als die anderen om ons heen minder op onze behoeften reageren of als ze daarin wisselvallig zijn, dan ontwikkelen we een onveilige hechtingsstijl. Ons hechtingssysteem wordt dan gedeactiveerd, zodat we een vermijdende hechtingsstijl ontwikkelen, of gehyperactiveerd, en dan ontwikkelen we een angstige hechtingsstijl.

In het geval van de vermijdende hechtingsstijl zien we het zoeken van nabijheid en intimiteit als vruchteloos of zelfs gevaarlijk, omdat we verwachten teleurgesteld te worden. We gaan er van uit dat anderen ons niets te bieden hebben en we proberen om onafhankelijk te zijn en onze behoeften aan intimiteit en gehechtheid te onderdrukken. Daarbij past dat we proberen om een positief zelfbeeld in stand te houden. We deactiveren ons hechtingssysteem.

In het geval van de angstige hechtingsstijl denken we niet op eigen benen te kunnen staan en dus nabijheid van anderen nodig te hebben. Maar door de ervaringen van afgewezen te zijn, zijn we ons hulpeloos en kwetsbaar gaan voelen. Met twijfel over of we wel genoeg waard zijn. Daardoor zijn we hypergevoelig voor potentiële bedreigingen en afwijzingen. We hebben de neiging om dubbelzinnige sociale signalen vooral als negatief te interpreteren.

In dat artikel vind je een mooi overzicht van de bekende effecten van die verschillende hechtingsstijlen. Het gaat dan om manieren van emotieverwerking en emotieregulatie, om aandachtssturing, om geheugen, om sociale toenadering en sociaal afstand houden en om het meer impliciet of meer expliciet verwerken van sociale ervaringen. Ik sta nu even stil bij die sociale toenadering versus het sociale afstand houden.

Ons hechtingssysteem is, net als dat van zoogdieren in het algemeen, een evolutionaire toevoeging aan een ouder, primitiever overlevingssysteem, namelijk dat van het "vechten of vluchten", dus dat van de statuscompetitie. Volgens dat oudere systeem zijn soortgenoten in principe altijd bedreigend en is het dus altijd zaak om op je hoede te zijn. Dat systeem kan tijdelijk uitgeschakeld worden, waardoor de onderlinge tolerantie toeneemt, maar dan alleen in speciale omstandigheden zoals in geval van paring en zorg voor nageslacht. Maar bij mensen, en bij veel andere in groepen levende zoogdieren, heeft zich daarnaast dat hechtingssysteem als een tegenkracht ontwikkeld. Om samenleven en samenwerking mogelijk te maken, is er dat vermogen ontstaan om er alert op te zijn dat naast sociale bedreiging ook sociale veiligheid tot de mogelijkheden behoort. En het vermogen om de nabijheid van vertrouwde anderen als aangenaam te ervaren. Dus het vermogen tot sociale toenadering. (Zie ook Dual Mode-theorie.)

Onderzoek laat nu zien dat met een vermijdende hechtingsstijl dat vermogen minder aanwezig is of minder is ontwikkeld door vroege ervaringen. Daardoor zijn mensen met die hechtingsstijl minder dan de veilig gehechten onder ons in staat om sociale situaties zonder voorbehoud als aangenaam te ervaren. En dat leidt dus tot dat sociale afstand houden en een geringere gevoeligheid voor sociale afwijzing. De hechtingsbehoefte wordt zo goed als mogelijk gedeactiveerd.

Daartegenover zijn de angstige gehechten onder ons voor afwijzing juist zeer gevoelig. Terwijl ze zich tegelijkertijd sneller sociaal bedreigd voelen en voortdurend alert zijn op zulke bedreigingen. Bij hen is de hechtingsbehoefte gehyperactiveerd, tegelijk met het gevoel geen controle te hebben over de mogelijkheden om aan die behoefte tegemoet te komen.

Het ligt voor de hand om te denken dat die onveilige hechtingsstijlen samenhangen met psychopathologie en daar zijn ook aanwijzingen voor. Maar je kunt ze daarnaast ook zien als aanpassingen aan minder warme en minder veilige sociale omgevingen. Op basis van vroege ervaringen met zulke sociale omgevingen, die als aanwijzingen dienen voor waar je later in je leven mee geconfronteerd zult worden.

En dat betekent weer dat wij met zijn allen en onze voorouders een maatschappij tot stand hebben gebracht waarin zulke minder warme en minder veilige sociale omgevingen bestaan. We hebben allemaal wel dat hechtingssysteem, als het tegenwicht tegenover dat oudere "vechten of vluchten"- systeem, maar onze sociale omgevingen zijn niet consistent op dat hechtingssysteem toegesneden. Zoals dat wel het geval was in de Paleo Sociale Omgeving, waarin onze verre voorouders, de jagers-verzamelaars, op de vermogens tot samenwerking en coöperatief grootbrengen van de kinderen werden geselecteerd. Niet alles is vooruitgang.
Update. De links in dit bericht linken naar berichten met het betreffende label. Dat label kan ook aan dit bericht zijn toegevoegd. Dan zie je eerst dit bericht als je de link aan klikt. Scroll naar beneden voor al die andere berichten.

maandag 14 januari 2013

Culturele verschillen in hechting - effecten van sociaal isolement versus sociale integratie van gezinnen

Heidi Keller heeft een mooi overzichtsartikel over hechting en cultuur in de Journal of Cross-Cultural Psychology (fulltext achter de poort). Ze vindt het hoog tijd om het onderzoek naar hechting uit te breiden naar andere culturen dan die van de westerse landen. Want het meeste hechtingsonderzoek is uitgevoerd in (de midden-klasse van) westerse culturen met een hoge mate van sociaal isolement van gezinnen. Daardoor is er sterk de nadruk komen te liggen op de (veilige, vermijdende of ambivalente) hechting van het kind aan de moeder. En kon het idee ontstaan dat een veilige hechting aan de moeder als voorwaarde voor een goede ontwikkeling universeel is. Zie eerder mijn bericht over hechtingstheorie en de mythe van de opvoedbaarheid.

Maar dat idee van die exclusieve veilige hechting aan de eigen moeder is een cultureel ideaal in maar een heel klein deel van de wereld, minder dan 5 procent van de wereldbevolking. Het gaat samen met een nadruk op het ontwikkelen van zelfvertrouwen en onafhankelijkheid, belangrijk voor het leven in een individualistische maatschappij. En het is duidelijk dat die ontwikkeling vaak niet goed gaat, vooral bij een onstabiele sociale omgeving in de vroege jaren, en dat veel opgroeiende kinderen een vermijdende of ambivalente hechtingsstijl ontwikkelen. Evolutionair gezien lijken dat strategieën te zijn die zijn aangepast aan onstabiele en onveilige sociale omgevingen.

Maar hoe zit dat met de hechting van kinderen in culturen waarin gezinnen veel meer sociaal zijn geïntegreerd? Waarin kinderen veel meer coöperatief worden grootgebracht, niet alleen door de zorg van de eigen moeder, maar ook die van de vader, oudere broers en zussen, grootouders en verdere familie en andere vertrouwde personen? Het kan niet anders dan dat kinderen onder die omstandigheden veel minder exclusief gehecht zijn aan de eigen moeder. Heidi Keller vertelt bijvoorbeeld over de Efe in Zaïre, waar pasgeborenen tussen vrouwen van hand tot hand gaan en waar kinderen van zes weken oud meer tijd doorbrengen met anderen dan met de eigen moeder. En de kinderen van de Aka in het regenwoud van de Congo hebben per dag zo'n twintig personen die voor hen zorgen. Uiteraard is er meestal een speciale rol weggelegd voor de eigen moeder, maar moeders kunnen er juist ook voor waken dat hun kind zich te veel exclusief aan hen hecht.

Dit heeft interessante gevolgen. Zo blijkt dat de angst voor vreemden, die kinderen in westerse maatschappijen bijna standaard rond de 8 maanden oud ontwikkelen, vrijwel niet voorkomt in culturen waarin gezinnen sociaal geïntegreerd zijn. Zo leren de kinderen van de Beng in Ivoorkust al van jongs af aan om zich comfortabel te voelen in aanwezigheid van vreemden. Dat verklaart ook de vaak grote gastvrijheid die in dat soort culturen tegenover vreemden aan de dag wordt gelegd.

Een ander gevolg is dat het geven van zorg veel meer een over een grotere sociale kring verspreide levenservaring is dan wanneer alleen de moeder die rol op zich neemt. Zo leren oudere kinderen met vanzelfsprekende zorgtaken als vanzelf alles wat met zorg en verantwoordelijkheid te maken heeft. Ze groeien daardoor anders op dan kinderen die zulke taken niet of nauwelijks hebben. En ze creëren daardoor ook een meer zorgzame, volwassen sociale omgeving.

Een gevolg van dat sociale isolement van gezinnen, waar wij in onze maatschappij zo mee vertrouwd zijn, is natuurlijk ook dat wij een door de overheid gefinancierde en georganiseerde jeugdzorg hebben moeten laten ontstaan. In plaats van die vertrouwde sociale kring van oudere kinderen, grootouders, familieleden en anderen kennen wij jeugdhulpverleners en opvoedondersteuners en gezinsvoogden en andere professionals. Er is een aanzienlijke verschuiving geweest van wat mensen gewoon onderling doen naar wat opgeleide en collectief gefinancierde professionals doen. Met de vrij grote zekerheid dat we er door die verschuiving in overwegende mate op achteruit zijn gegaan. Update. Zie ook het bericht Overheidsonmacht in de jeugdzorg.

woensdag 10 oktober 2012

Hebben we een celebrity-cultuur omdat we elkaar niet meer kennen?

De Volkskrant wijdde op 6 oktober een lang artikel over de sterke groei van de celebrity-cultuur (Het roemscenario van Daan Dijksman en Gert Hage). Waar hebben we die groei aan te danken wijten?

Een mogelijke verklaring verschaft dat artikel zelf, in de vorm van een citaat uit een boek van Raoul Heertje (dat boek ken ik niet):
We kennen elkaar nauwelijks nog. Maar we willen nog steeds de intimiteit van vroeger. Dus gaan we een zogenaamde relatie aan met bekende mensen. Die spelen daar ook op in door allerlei zogenaamde persoonlijke details te openbaren.
Die verklaring slaat op de zogenaamde parasociale relaties, een soort als-of persoonlijke relaties die mensen aangaan met televisiepersoonlijkheden die ze volgen.

Doen mensen dat en doen ze dat als een vervanging voor het echte persoonlijke contact dat ze niet meer of minder hebben? Ja, daar zijn aanwijzingen voor. Ik citeer mezelf uit het bericht Zijn televisiepersoonlijkheden wel goed voor ons?:
Er zijn (...) aanwijzingen voor het "gebruik" van een imaginaire, persoonlijke band met televisiepersoonlijkheden als compensatie voor de negatieve ervaring van het alleen zijn of van het verlies van echte relaties. Ook zijn mensen met een grotere behoefte om ergens bij te horen (need to belong) meer geneigd om het alleen zijn te ervaren als het gemis van anderen en meer geneigd tot het ontwikkelen van parasociale relaties. Dat lijkt er dus wel op te wijzen dat we parasociale relaties ontwikkelen als een substituut voor echte relaties.
Naast het onderzoek waarnaar ik in dit citaat link, is er nu ook dit onderzoek, dat daar meer licht op werpt.

Want enerzijds vinden de onderzoekers dat het juist de mensen zijn die in het echte leven al een persoonlijke, intieme band hebben met een goede vriend(in) van hetzelfde geslacht, ook meer geneigd zijn om een imaginaire, intieme band te hebben met een televisiepersoonlijkheid van het zelfde geslacht. Dat wijst er op dat mensen die in het echte leven gemakkelijker banden met anderen aangaan, dat ook doen als het gaat om bekende persoonlijkheden. Ze zijn misschien gewoon meer sociabel, in het echt en in het imaginaire.

Maar anderzijds zijn er ook aanwijzingen voor parasociale relaties als compensatie voor het gemis aan echte relaties. Want het bleek ook dat alleenstaanden meer een imaginaire, intieme band aangingen met televisiepersoonlijkheden van het andere geslacht dan mensen met een partner. Daar kwam bij dat in die groep alleenstaanden de mate van angstige (of afwijzende) hechting en die need to belong voorspellend waren voor dat aangaan van zo'n imaginaire band.

Die angstige of afwijzende hechting wijst op het mechanisme dat mensen die in het echte leven moeilijk relaties aangaan uit angst voor afwijzing, gemakkelijk hun "toevlucht" nemen tot een imaginaire band. En dat wijst er weer op dat de vele televisieprogramma's met een sociale inhoud fungeren als supernormale stimuli. Wij zijn er op aangepast om in een intensieve sociale leefwereld te functioneren. Maar als die maar gebrekkig aanwezig is, dan zijn al die persoonlijkheden op de televisie voor ons net zoiets als die kunstmatige en overdreven grote of fel gekleurde eieren waar de vogels van Tinbergen op gingen zitten broeden. In plaats van op hun echte eieren.

Wat Raoul Heertje zegt, daar zit dus wel wat in. Er is wel degelijk een vraag naar parasociale relaties en die komt voort uit een gebrek aan echte relaties. En ja, als er een vraag is, dan is er ook al snel een aanbod. Want hoe anders te verklaren dat we op de televisie steeds maar dezelfde gezichten zien? Dat is nodig omdat wij met die mensen een band willen kunnen aangaan. Je zou ook kunnen denken dat wij uit verveling elke avond wel iemand anders zouden willen zien. Maar nee, zo zitten wij niet in elkaar.

Als laatste dan: dat we elke avond dezelfde gezichten zien, kan er natuurlijk ook mee te maken hebben dat televisiepersoonlijkheid een beroep is geworden. En zoals dat voor elk beroep geldt, je moet wel genoeg uren maken om er een boterham aan te kunnen overhouden.

maandag 30 januari 2012

Gezondheid en sociale omgeving (2): sociale steun ontvangen, waarnemen en geven

Het onderzoek naar de effecten van de sociale omgeving op gezondheid en ziekte heeft zich vooral gericht op het wel of niet verschaffen van sociale steun. Het overheersende idee was aanvankelijk dat de kans op ziekte groter is als mensen onvoldoende sociale steun krijgen uit hun omgeving. Dat zou er dan aan kunnen liggen dat mensen te weinig persoonlijke relaties hebben (eenzaam zijn) die steun kunnen verschaffen. Of dat de contacten die ze wel hebben, te weinig ondersteunend zijn. In het onderzoek werd dan vooral gevraagd naar hoe vaak iemand in een tijdsperiode, bijvoorbeeld de voorafgegane maand, emotionele of materiële steun heeft ontvangen.

Gaandeweg is gebleken dat het gezondheidseffect van sociale steun minder te maken heeft met hoeveel steun iemand daadwerkelijk heeft gekregen, maar veel meer met het gevoel dat er anderen zijn waar je op kunt rekenen als je iemand nodig hebt. Dit wordt dan het gevoel van potentiële steun of waargenomen steun genoemd. Of iemand in die betekenis steun waarneemt, zal er natuurlijk van afhangen of hij/zij ook inderdaad persoonlijke relaties heeft die te hulp zouden schieten als dat nodig is. Maar het lijkt ook af te hangen van de mate van veilige gehechtheid die iemand in de loop van het leven, en vooral in de vroege jeugd, heeft ontwikkeld.

Als je in een veilige en warme omgeving bent opgegroeid is de kans op de ontwikkeling van veilige gehechtheid groter. Dat betekent dat je een soort "werkmodel" hebt van de sociale wereld dat inhoudt dat over het algemeen mensen te vertrouwen zijn (en dat anderen ook jou vertrouwen). Het hebben van dat werkmodel maakt dat je gemakkelijker potentiële steun in je omgeving waarneemt, dan wanneer je een andere hechtingsstijl hebt ontwikkeld, zoals die van de onveilige gehechtheid (de meeste mensen zijn niet te vertrouwen) of die van de vermijdende gehechtheid (vrees voor afwijzing door anderen). En het klopt dat mensen met een veilige hechtingsstijl meer steun in hun omgeving waarnemen.

Maar tegelijk gaat veilige gehechtheid samen met betere sociale vaardigheden, met het gemakkelijker aangaan van sociale contacten en het onderhouden van die contacten. Dus hebben mensen die veilig gehecht zijn ook meer persoonlijke relaties (vriendschappen). Anders gezegd: weinigen van hen zijn eenzaam.

Het gaat er dus niet om dat mensen veel steun van hun omgeving moeten ontvangen om gezond te kunnen blijven. Cruciaal is of ze deel uitmaken van een sociale omgeving van persoonlijke relaties waarin mensen het gevoel hebben dat ze er voor elkaar zijn als dat nodig is. (Een ouderwets maar toepasselijk woord daarvoor is: gemeenschap.) Dat gevoel heeft wel degelijk een reëel substraat, dat wil zeggen: die mensen moeten er ook echt zijn. Maar het is vooral het gevoel van veiligheid dat belangrijk is voor dat positieve gezondheidseffect. Hoe minder dat gevoel er is, hoe meer kans op stress en op gezondheidsproblemen. Over wat die stress dan precies is en over de aard van die gezondheidsproblemen een andere keer meer. Nu alvast: het gaat vooral over chronische aandoeningen, zoals hart- en vaatproblemen, hormonale stoornissen en problemen van het immuunsysteem.

De informatie hierboven ontleen ik vooral aan dit artikel van Bert Uchino uit 2009. Dat het er om gaat deel uit te maken van zo'n gemeenschapsomgeving blijkt er ook dat uit het geven van hulp aan anderen, het voor anderen zorgen, een positief gezondheidseffect kan hebben en de levensduur kan verlengen. Kan, want iemand kan ook overbelast raken. Zie bijvoorbeeld dit onderzoek en  dit onderzoek van Stephanie Brown e.a. En zie dit onderzoek van Piliavin en Siegl dat laat zien dat het doen van vrijwilligerswerk een alternatief kan zijn voor zo'n gemeenschapsomgeving.