vrijdag 16 maart 2018

Hoe ons streven naar economische welvaart ten koste kan gaan van onze sociale welvaart - en van ons geluk

De nieuwe studie Consume More, Work Longer, and Be Unhappy: Possible Social Roots of Economic Crisis?, die ik net onder ogen kreeg, gaat in op de ingewikkelde relatie tussen economische welvaart en sociale welvaart

Denk bij economische welvaart aan de behoeftebevrediging die je ontleent aan goederen waarvan de waarde in geld is uit te drukken. En denk bij sociale welvaart aan de behoefte bevrediging die ontstaat door het hebben van persoonlijke relaties met anderen die "om elkaar geven".

De onderzoekers laten zich inspireren door het werk van Karl Polanyi (The Great Transformation, 1944) en Fred Hirsch (Social Limits to Growth, 1977). Zie ook het bericht Is groei BBP een noodzakelijke voorwaarde voor groei Brede Welvaart? 

Ze gaan na welke aanwijzingen er zijn voor het vermoeden dat de groei van economische welvaart, via de toename van ongelijkheid, kan leiden tot een afname van sociale welvaart en daarmee tot een afname van welbevinden (geluk). En voor het vermoeden dat mensen die afname van geluk proberen te compenseren door meer te gaan consumeren en dus meer uren te gaan werken en meer geld te lenen. Waardoor weer meer economische welvaart en weer minder sociale welvaart. Een paradoxaal zichzelf versterkend proces dus, dat mensen steeds maar ongelukkiger maakt.

Globaal gezien zijn de aanwijzingen voor deze vermoedens sterker voor de Verenigde Staten dan voor de meeste Europese landen, met uitzondering van Groot-Brittannië.

Ik ga er nog preciezer naar kijken en kom er nog een keer op terug. Boeiend, omdat het in dezelfde lijn ligt als mijn Geld en 'de rest'. Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid uit 2003. Waarin geld stond voor economische welvaart en 'de rest' voor sociale welvaart.

woensdag 14 maart 2018

Is de mens van nature goed? Ja. Maar hij is ook van nature slecht. Hij is dus van nature flexibel

Rutger Bregman bespreekt in het lezenswaardige essay Dit is de vraag waar bijna al onze politieke debatten om draaien (en het antwoord geeft hoop) wat er zoal, sinds Rousseau en Hobbes, is bedacht en geschreven over de vraag of de mens van nature goed of slecht is. Rousseau betoogde dat de mens van nature goed is en Hobbes dat hij integendeel van nature slecht is.

Aan het eind neigt Rutger tot de conclusie dat Rousseau gelijk had:
Toch denk ik dat het tijd is om terug te gaan naar de oude boeken van die Franse dromer.
Jean-Jacques Rousseau herinnert ons waar we vandaan komen. Hij helpt ons te onthouden wat we van nature zijn, en waar we van nature naar verlangen. We zijn geen onbeschreven blad. Als mens hebben we 95 procent van onze geschiedenis in een vreedzame en egalitaire wereld geleefd. We zijn geëvolueerd om samen te werken en om te zorgen voor elkaar.
Maar dan blijft natuurlijk de vraag hoe te verklaren dat er zoveel ellende op de wereld is die mensen elkaar aandoen. Dat moet Rutger zich tot ook hebben afgevraagd, want een zin later lezen we:
Mensen kunnen elkaar verschrikkelijke dingen aandoen, maar als je nuchter naar de wereldgeschiedenis kijkt, blijken we ons hart meestal op de juiste plaats te hebben.
En belangrijker nog: als we aannemen dat mensen bovenal verlangen naar vriendschap, verbinding en vertrouwen, en als we onze economie, democratie en onderwijs dáárop inrichten, halen we het beste in elkaar naar boven.
Anders gezegd, soms hebben we het hart niet op de juiste plaats en soms moeten we het beste in elkaar naar boven halen.

Dat wijst erop dat we niet alleen maar van nature tot het goede geneigd zijn, maar ook tot het slechte. Want er moet iets gebeuren om het goede naar boven te halen en dus om het andere, het slechte, te onderdrukken.

Hoe kan dat? Dat kan als je je er rekenschap van geeft dat de menselijke sociale natuur flexibel is. Dat zowel goed gedrag, dus het pro-sociale of gemeenschapsgedrag, dat op samenwerking en zorg gericht is, als het slechte gedrag, dus het vijandige, egoïstische, statuscompetitieve gedrag, tot het natuurlijke menselijke gedragsrepertoire behoren. Anders gezegd, de menselijke sociale natuur is innerlijk tegenstrijdig.

Aangevuld met het vermogen om de sociale omgeving te kunnen scannen op de mate waarin hij veilig en zorgzaam is dan wel onveilig en vijandig is. En afhankelijk van de uitslag van die scan te kiezen voor het goede dan wel het slechte gedrag. De menselijke sociale natuur is flexibel.

De volgers van dit blog weten dan dat we zijn aanbeland bij de Dual Mode-theorie, die ik hier in twee stellingen samenvatte:
Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.
Die menselijke flexibiliteit is een bijzonder geval van wat biologen fenotypische plasticiteit noemen. Het idee daarachter is dat er op plasticiteit geselecteerd wordt als een soort langdurig met een wisselende, veranderende omgeving wordt geconfronteerd. Dan is het voor overleving en reproductie van belang om flexibel te kunnen reageren.

In de mensheidsgeschiedenis zijn die omgevingsveranderingen aan te wijzen. Onze laatste gemeenschappelijke voorouder met de chimpansees zal nog het van de meeste primaten bekende alfa-mannetjesmodel van statuscompetitie en statushiërarchie gekend hebben. Gekenmerkt door weinig samenwerking, waarbij zorggedrag zich beperkt tot de zorg van de moeder voor haar eigen nageslacht.

De eerste mensen, Homo sapiens, hebben kunnen overleven en zich zelfs over de aardbol kunnen verspreiden doordat ze in staat waren om bij het verwerven van voedsel door jagen en verzamelen, bij het bieden van bescherming tegen roofdieren en bij het grootbrengen van de kinderen samen te werken en te delen. Dat was een soort sociale uitvinding, die er ook uit bestond dat de nog steeds aanwezige neigingen tot statuscompetitie collectief werden onderdrukt. We werden geselecteerd op de ontwikkeling van de morele intuïties van eerlijk delen en rechtvaardigheid, maar ook op het vermogen om moreel verontwaardigd (en agressief) te reageren op egoïsme en bedrog.

Vanaf die tijd, de tijd van de Paleo Sociale Omgeving, zijn mensen dus toegerust met die twee gedragspatronen, het "nieuwe" gemeenschapsgedrag en het "oude" statuscompetitiegedrag. In die Paleo Sociale Omgeving kon je maar het beste "kiezen" voor dat gemeenschapsgedrag, want anders werd je door je groepsgenoten wel duidelijk gemaakt dat de baas willen spelen en meer willen hebben dan de anderen niet op prijs werd gesteld. Daar kon je maar beter naar luisteren, want in je eentje redde je het niet.

Met de komst van de landbouwsamenlevingen, vanaf zo'n 10.000 jaar geleden, veranderde dat alles ingrijpend. Want er kwam de mogelijkheid om eigendom te hebben en dat vormde de basis voor ongelijkheid. De deur voor statuscompetitie, economische ongelijkheid en ongelijkheid tussen mannen en vrouwen werd wijd opengezet.

En dat is waar we nu nog steeds mee te maken hebben. Wat zich tegenwoordig in onze maatschappij afspeelt is een voortdurend wisselende uitkomst van de werking van onze aan elkaar tegengestelde neigingen tot gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag. Denk aan het bericht De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie. En soms denk je dat we in een tijd leven waarin het statuscompetitiepatroon het wint van het gemeenschapspatroon.

Kortom, die innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur houdt in dat onze competitieve neigingen even natuurlijk zijn als onze hang naar gemeenschap. We zijn allemaal beter af als iedereen zou kiezen voor gemeenschapsgedrag, maar individueel blijft steeds de verleiding bestaan om de statuscompetitie aan te gaan. Om meer te willen dan anderen, om anderen te overheersen.

Dat verklaart waarom wij mensen ertoe zijn veroordeeld om een onophoudelijke sociale en maatschappelijke en politieke strijd te voeren. Als het even kan natuurlijk graag binnen de kaders van de democratie en de mensenrechten. Maar ook voor de handhaving daarvan is strijd onvermijdelijk.

maandag 12 maart 2018

Competitie maakt competitiever ook als je er niet zelf aan meedoet

Volgens de Dual Mode-theorie hebben mensen twee sociale gedragspatronen klaar liggen om snel uit te voeren, statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag, en laten ze zich bij de (meestal onbewuste) keuze tussen die twee, leiden door wat ze het meest in hun omgeving waarnemen.

Voor die laatste hypothese zijn er op dit blog al verschillende aanwijzingen voorbijgekomen. Zo hebben we gezien dat pro-sociaal (gemeenschaps-)gedrag pro-sociaal gedrag gemakkelijk uitlokt. Het laatste bericht in dat verband was Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk - Nieuwe aanwijzingen.

En er zijn allerlei aanwijzingen dat kinderen die opgroeien in een meer conflictueuze en gewelddadige omgeving in hun latere leven in hun gedrag opportunistischer en egoïstischer zijn. Zie een van de berichten in dat verband: Mannen zijn opportunistischer en wraakzuchtiger als ze in een omgeving met meer geweld zijn opgegroeid. In diezelfde richting wijst het onderzoek dat laat zien dat agressie op televisie adolescenten agressiever maakt en onderzoek dat hetzelfde effect laat zien van competitieve videogames.

De nieuwe studie The influence of a competition on noncompetitors versterkt deze aanwijzingen als het gaat om competitie. De onderzoekers gaven bezoekers van een dierentuin de vrijheid om zelf te bepalen hoeveel ze voor de entree wilden betalen. De meesten gaven een vrijwillige bijdrage, die wel lager was dan de normale entreeprijs. Een deel van de bezoekers kreeg te horen dat er een competitie was om wie de hoogste entreeprijs zou betalen. Daar kon voor de winnaar ook een prijs aan vastzitten, zoals een jaarkaart voor de dierentuin.

Een ander deel van de bezoekers kreeg niets over die competitie te horen. Vervolgens bleek dat de bezoekers die wel van de competitie te horen hadden gekregen, maar er voor kozen om er niet aan mee te doen, een hogere vrijwillige bijdrage als entree betaalden dan degenen die geheel niet op de hoogte waren van de competitie.

Het kennis hebben van het plaatsvinden van een competitie, zonder zelf daaraan mee te doen, bleek dus het gedrag te beïnvloeden. In die zin dat het gedrag meer ging lijken op degenen die wel aan de competitie deelnamen.

De onderzoekers vermoeden dat eenvoudigweg het beeld dat bij je wordt opgeroepen als je hoort dat er een competitie plaatsvindt, competitieve emoties bij je uitlokt, die vervolgens je gedrag gaan beïnvloeden.

Dat zet je aan het nadenken over het effect op ons van al die competitie die we in ons dagelijks leven, op ons werk of in de media, om ons heen waarnemen. We worden er door beïnvloed, ook als we zelf geen deelnemers zijn.

zondag 11 maart 2018

Zondagochtendmuziek - Brilliant timbre Toccata and fugue in d minor Bach Sofia Kiprskaya Harp

Olga de Kort geeft een mooie recensie van het boek Bart Stouten over Bach. Een chaconne in woorden van Klara-presentator Bart Stouten. Mooie programma's maakt die Bart Stouten.

Laten we dus weer naar Bach luisteren. En wat zo bijzonder aan zijn muziek is, is dat ook de overbekende stukken blijven boeien. Zo is er deze overbekende Toccata en fuga, hier gespeeld op harp door Sofia Kiprskaya, de eerste harpiste van het Orkest van het Mariinski Theater. Klik ook even de mooie speellijst op haar website aan.

vrijdag 9 maart 2018

Beloningen CEO's groeien sneller door bias in keuze van peer group - Een geval van statuscompetitie

Thijs Bol geeft een mooi inkijkje in onderzoek naar hoe de beloningen van CEO's van grote bedrijven tot stand komen. Zie Waarom het loon van CEOs zoveel sneller groeit dan bedrijfswinst.

Het blijkt dat bij de keuze van de groep collega-CEO's waarmee de beloning wordt vergeleken, vooral wordt gekeken naar bedrijven die groter zijn, meer omzet hebben of meer klanten bedienen. Een referentiegroep dus met een positieve bias. Daardoor ontstaat een haasje-over effect. Iedereen vergelijkt zich met meerverdieners en gaat er daardoor in beloning op vooruit. Daardoor komen er nog weer meer veelverdieners, die weer als referentie fungeren voor minderverdieners. Enzovoort.

En zo is het sociale proces in werking getreden waardoor de verschillen in beloningen binnen bedrijven zo sterk zijn gestegen.

Hier is duidelijk het sociale mechanisme van de statuscompetitie werkzaam. Het gaat niet meer om bedragen die mensen nodig hebben om rond te komen of om een comfortabel leven te leiden. Is het leven met de 1,5 miljoen, de beloning die ING-topman Hamers kreeg, minder comfortabel dan het leven met de 3 miljoen die hij gaat krijgen?

Nee natuurlijk. Het gaat erom dat je als je topman bent, ook de status wilt die daarbij hoort. En dan voldoen niet meer de uiterlijkheden van het dure pak, de dure auto en het luxueuze office. Je moet op borrels een bedrag kunnen laten vallen waarmee je met de anderen kunt meedingen. Elk bedrag dat lager is dan je gesprekspartner is dan, althans in die kringen, een handicap. Stevo Akkerman omschrijft dat proces mooi in Trouw:
Hij was het lulletje rozewater geworden onder de collega’s. Niet dat ze het openlijk lieten merken, maar de indirecte signalen konden hem moeilijk ontgaan.
Het gaat hier om gewichtigdoenerige heren, maar het proces is hetzelfde als dat wat zich op veel  schoolpleinen afspeelt. Dan noemen we dat pesten. Hamers moet nu 3 miljoen, omdat hij anders gepest wordt.

woensdag 7 maart 2018

Paul de Grauwe herinnert er nog eens aan dat de euro zonder gezamenlijke aansprakelijkheid niet levensvatbaar is

De euro is uitgedacht in de neoliberale fantasiewereld waarin "hervormingen" en gedereguleerde financiële markten er altijd voor zouden zorgen dat alles goed komt. Crises zouden niet meer optreden of zouden als vanzelf snel weer oplossen.

Die fantasiewereld stortte ineen met de Grote Financiële Crisis van 2008-2010, waaraan al enkele waarschuwingen vooraf waren gegaan. Toen bleek hoe ondoordacht de euro in elkaar was gezet. En bleek hoe groot het risico was dat landen lopen die tot een muntunie toetreden en daarmee een eigen centrale bank opgeven.

Op de ontwerpfout die toen aan het licht kwam, heeft Paul de Grauwe als eerste gewezen. Ik stond daar in 2012 bij stil in het bericht Waarom je met hervormingen de eurocrisis niet oplost.

Wat is het geval? Na de introductie van de euro ontstond de indruk, die ook niet werd weersproken, dat de obligaties van de eurozonelanden allemaal even veilig waren. Daardoor ontstonden er grote kapitaalsstromen naar de zuidelijke eurolanden. Denk aan de prachtige tolwegen die in Spanje werden aangelegd, waar nauwelijks op wordt gereden.

Toen de crisis uitbrak, bleek ineens dat de leningen aan die landen niet gegarandeerd werden. Ze hadden immers geen eigen centrale bank meer en de Europese Centrale Bank mocht niet te hulp schieten. Het had toen misschien nog goed kunnen worden opgelost, met wat goede wil van Duitsland en Nederland. Maar het werd al snel duidelijk hoe de zaken er voor stonden na de verklaring van Angela Merkel dat elk land afzonderlijk, en niet Europa gezamenlijk, garant moest staan voor zijn financiële instituties. Geen gezamenlijke aansprakelijkheid, dat was de voorwaarde waaronder Duitsland met de euro akkoord was gegaan.

Goed doordacht was dat natuurlijk niet. Want toen kwamen de problemen. De kapitaalsstromen gingen retour naar de landen die de fondsbeheerders veilig vonden, dus naar Duitsland en Nederland. Die daardoor heel lage rentes konden gaan betalen, waar snel stijgende rentes voor de zuidelijke landen tegenover stonden. Er kwam een run uit de landen die als zwak werden gezien. Zo zwak waren ze ook weer niet, maar waarom zou je hun obligaties opkopen als je binnen dezelfde muntunie ook bij veiliger landen terecht kunt?

Die run had tot het uiteenvallen van de euro kunnen leiden, als niet Mario Draghi had ingegrepen met zijn whatever it takes. Waar Duitsland en Nederland zich wel bij moesten neerleggen.

Maar het probleem zelf is daarmee niet afdoende opgelost. En dat roept de vraag op of de laatste ontwikkelingen, de plannen die Duitsland en Frankrijk samen lijken te gaan ontwikkelen, wel voor die oplossing zullen zorgen. Verschillende voorstellen doen nu de ronde, zoals dat van een aantal Franse en Duitse economen.

En daar komt Paul de Grauwe weer in beeld. Want samen met Yuemei Ji herinnert hij er nog maar eens aan dat een oplossing echt alleen maar kan bestaan uit de aanvaarding van gezamenlijke aansprakelijkheid van alle deelnemende landen in de vorm van Eurobonds. Zie How safe is a safe asset. Zolang die er niet is, zal in een volgende crisis aan het licht komen dat de eurozone inherent instabiel is. De rentes op de overheidsobligaties zullen weer snel uiteen gaan lopen. Anders gezegd, als je een muntunie wilt, dan moet je die ook echt willen, dus met gezamenlijke aansprakelijkheid.

Merkwaardig dat de huidige politici, met Nederland voorop, dat maar niet willen of kunnen inzien. En dus ook niet inzien dat daarzonder de euro op den duur niet levensvatbaar is.

dinsdag 6 maart 2018

Is onvoldoende politiek weerwerk tegen ambtelijke beleidsadviezen een oorzaak van het verval van het politieke midden?

Her en der hebben de politieke middenpartijen het moeilijk. Kiezers wijken uit naar de randen van het politieke spectrum, vooral naar rechts.

In het complex van oorzaken voor deze ontwikkeling zou wel eens een rol kunnen spelen dat de middenpartijen te weinig weerwerk bieden tegen de gedachte dat er een economisch beleid bestaat dat objectief en wetenschappelijk gezien het juiste beleid is. In concreto is dat dan het beleid zoals dat door "de economen" geadviseerd wordt.

Natuurlijk bestaat er binnen het vak economie vaak verschil van inzicht over wat op een bepaald moment het beste beleid is. Maar de politiek oriënteert zich vooral op een bepaalde groep, meestal niet-academische, deskundigen die speciaal voor advisering zijn aangesteld. Denk wat Nederland betreft aan het Centraal Planbureau.

Maar denk ook aan de Studiegroep Begrotingsruimte, een groep van topambtenaren die voorafgaand aan verkiezingen advies uitbrengt over de begrotingsdoelstellingen en de begrotingsregels.

Vooral de middenpartijen maken er een gewoonte van om dat advies als het eerste en het laatste woord te beschouwen. De deskundigen hebben gesproken en het is maar beter om je daar aan te houden. Het gewicht ervan is zo groot dat je het gevaar loopt dat je niet serieus wordt genomen als je daar te veel van zou afwijken. Dat zal er mede aan liggen dat die partijen het economische denkwerk grotendeels aan die deskundigen hebben uitbesteed.

Gevolg daarvan is dat de middenpartijen qua economische beleidsvoorstellen sterk op elkaar zijn gaan lijken. De verschillen zijn niet altijd onbelangrijk, maar toch vaak nauwelijks waarneembaar voor de niet-ingewijde. Dat maakt dat verkiezingsdebatten vaak gaan over personen en over hoe ze overkomen.

Dat brengt me op de grote invloed van die Studiegroep Begrotingsruimte, waar ik eerder (in 2012) over schreef in het bericht De Studiegroep Begrotingsruimte bepaalt onze economische politiek. Dat is niet vertrouwenwekkend. Daarin ging het erom dat die Studiegroep een merkwaardige theorie over economische groei bleek te hanteren, die tot het advies leidde dat vooral snel de begroting op orde moest worden gebracht. Terwijl het macro-economisch gezien meer voor de hand had gelegen om, in een tijd van recessie, juist een expansief beleid te voeren.

Maar, zoals gezegd, de politiek nam het advies klakkeloos over en besloot tot bezuinigen, met aanzienlijke economische schade en een langer durende recessie dan nodig was geweest. Zie uit 2015: Voorpaginanieuws: schade bezuinigingsbeleid 20-30 miljard euro per jaar, 200.000 tot 300.000 banen.

Dit alles bedacht ik me na het lezen van de analyse van Wimar Bolhuis in de ESB van gisteren van de invloed van de adviezen van de Studiegroep Begrotingsruimte op de regeerakkoorden: Begrotingsadvies en regeerakkoord versterken conjunctuurcyclus.

Want daaruit komt wel heel duidelijk naar voren wat de gevaren zijn als de politieke middenpartijen het economisch denkwerk teveel uitbesteden aan de deskundige topambtenaren. Want hoe deskundig ook, die kunnen het wel eens mis hebben.

Het blijkt namelijk dat de Studiegroep een sterke voorkeur heeft voor "veilige" begrotingsdoelstellingen. Dat klinkt mooi, maar leidt er in feite toe dat in perioden van laagconjunctuur geadviseerd wordt tot procyclisch beleid. Dus inderdaad tot beleid dat de recessie erger en langduriger maakt. En in de regeerakkoorden wordt dat advies verregaand opgevolgd.

Conclusie: politiek partijen zouden er meer werk van moeten maken om zelf economische deskundigheid in huis te hebben. Als dat in de afgelopen jaren meer het geval was geweest, dan hadden de verschillen tussen de middenpartijen groter kunnen zijn.

Dan had, om maar wat te noemen, de PvdA in 2012 niet zo gemakkelijk een regering gevormd met de VVD als de partij toen deed. En dat was niet alleen beter geweest voor de sociaal-democratie, maar ook voor de politiek in het algemeen.

maandag 5 maart 2018

Ook pro-sociaal gedrag in de media lokt pro-sociaal gedrag uit

Het is bekend dat competitie, geweld en sociale agressie in media (televisieprogramma's en videogames) de kans op hetzelfde gedrag bij consumenten van die media vergroten. Zie de laatste berichten op dit blog daarover: Sociale agressie op televisie maakt adolescenten sociaal agressiever en Competitieve videogames versterken agressieve gevoelens en daardoor meer agressief gedrag.

Maar net zoals in het gewone leven zou je verwachten dat het in aanraking komen met pro-sociaal gedrag in media ook meer pro-sociaal gedrag uitlokt. Dat is immers de verwachting van de Dual mode-theorie, dat mensen zowel statuscompetitiegedrag als gemeenschapsgedrag gemakkelijk tot hun beschikking hebben en dat de mate van statuscompetitie- dan wel gemeenschapsgedrag in hun omgeving van invloed is op het soort gedrag waar ze voor "kiezen" (tussen aanhalingstekens, omdat die beïnvloeding vaak onbewust verloopt).

Dat media inderdaad die positieve invloed kunnen hebben, komt naar voren uit de vorig jaar verschenen studie A Meta-Analysis of Prosocial Media on Prosocial Behavior, Aggression, and Empathic Concern: A Multidimensional Approach. De onderzoekers zochten, in een meta-analyse, alle studies bij elkaar die uitsluitsel kunnen geven. Dat bleken er 72 te zijn. Het ging om televisieprogramma's, films, videogames en muziek(video's).

Het bleek toen dat een pro-sociale media-inhoud (anderen helpen, aardig zijn, compassie hebben, altruïsme, empathie) meer pro-sociaal gedrag en meer empathische bezorgdheid (empathic concern) uitlokte en minder agressief gedrag.

Het lijkt soms, of vaak, dat de media ons vooral een competitieve, agressieve wereld voorhouden. Maar ze kunnen ons dus ook een betere wereld voorhouden en daarmee een gunstige invloed uitoefenen.

zondag 4 maart 2018

Zondagochtendmuziek - THE WAR AFTER THE WAR

Mary Gauthier maakte haar nieuwe CD Rifles & Rosary Beads samen met Amerikaanse oorlogsveteranen en hun familie.

Hier het nummer The War After The War. De lyrics vind je hier.

vrijdag 2 maart 2018

Sekse-ongelijkheid als verschijningsvorm van statuscompetitie

In het bericht De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie gaf ik dit lijstje van sociale verschijningsvormen van statuscompetitie en statushiërarchie, onvolledig en in willekeurige volgorde:
  • Een vorm van statuscompetitiegedrag is het gedrag van narcisten. Narcisten gedijen bij de statuscompetitie; het is hun natuurlijke werkterrein. We zien veel narcistisch gedrag om ons heen, bovenal in het publieke domein (in het persoonlijke domein zijn we vaak in staat om narcisten te ontwijken).
  • Statuscompetitie gaat gepaard met verhoogde stress en daarmee samenhangende gezondheidsproblemen. In de sociale omgeving van arbeidsorganisaties uit zich dat in een verhoogd risico op burn-out en daarmee samenhangend ziekteverzuim.
  • Statuscompetitie resulteert, als het onbelemmerd zijn gang kan gaan, in de ongelijkheid van een statushiërarchie of zelfs in de ongelijkheid van de brute onderdrukking (Marxistisch: uitbuiting). Dus in de hoge mate van inkomens- en vermogensongelijkheid die we nu om ons heen zien.
  • Die grote mate van ongelijkheid resulteert ook in bedreigingen voor de democratie. De democratie is een uitingsvorm van de gemeenschapsgedachte dat iedereen meetelt en dus dezelfde rechten heeft. Maar statushiërarchie en machtsongelijkheid leiden onvermijdelijk tot een aantasting van die rechtsgelijkheid.
  • Het om zich heen grijpen van statuscompetitie gaat gepaard met wij-zij denken. Waarbij "wij" het recht, ja, de plicht, hebben om de anderen te domineren en te onderdrukken. Vandaar nationalisme, anti-immigrantensentiment en vijandigheid tegen andersdenkenden en andersgelovigen. In een woord: rechts-extremisme.
  • Het als vanzelfsprekend beschouwen van de nationale staat of "het volk" als een statushiërarchie houdt in dat ongelijkheid als een natuurlijk en gewenst verschijnsel wordt beschouwd. De verzorgingsstaat en de daaruit voortvloeiende sociale zekerheid en sociale bescherming van de zwakkeren zijn daarmee in strijd. Vandaar de roep om afbouw van de verzorgingsstaat en de denigrerende of zelfs vijandige bejegening van armen en uitkeringstrekkers. En vandaar dat voedselbanken een geaccepteerd verschijnsel zijn geworden.
  • Als statuscompetitie vanzelfsprekend is, dan is het ook vanzelfsprekend dat iedereen jouw vijand kan zijn. Dus moet je je altijd kunnen verdedigen. En dat kan er weer toe leiden dat wapenbezit normaal wordt, zoals in de Verenigde Staten.
Daar valt sekse-ongelijkheid, of anders gezegd, de ondergeschikte positie van vrouwen aan toe te voegen. Dat ligt eigenlijk zo voor de hand, dat ik er het lijstje ook mee had kunnen beginnen.

Want de ondergeschikte positie van vrouwen kwam de mensheidsgeschiedenis binnen met de overgang van de jagers-verzamelaars- naar de landbouwsamenlevingen. Uit het bericht Het afscheid uit het paradijs was niet goed voor vrouwen:
Dat veranderde met de introductie van eigendom in de landbouwsamenleving. Bezit moest worden beschermd en dat leidde er toe dat zonen bij hun vader bleven. Dus werden dochters uitgehuwelijkt en werden vrouwen van elders gehaald. Het fenomeen van de bruidsschat ontstond, waarmee vrouwen handelswaar werden.
Waardoor vrouwen ondergeschikt moesten worden aan mannen. En trouw aan hun man. Want omdat je bezit had en dat wilde doorgeven aan je kinderen, wilde je als man zekerheid over het vaderschap. Waar jagers-verzamelaarsmannen niet om maalden, werd voor landbouwers een prioriteit.
Bovendien leidde de toegenomen ongelijkheid er toe dat een man meer vrouwen kon nemen ('kopen"). Voor vrouwen hield dat in dat ze voor de keus konden komen te staan om een van de vrouwen van een rijke man te worden of de enige vrouw van een arme man. Het eerste was dan vaak aantrekkelijker.
Hoe zit dat dan met de tegenwoordige positie van vrouwen? Die is natuurlijk met de komst van de democratie en het vrouwenkiesrecht (in 1919) al behoorlijk verbeterd. Maar we beseffen ook dat vrouwen tot 1957 voor de wet als handelingsonbekwaam werden beschouwd. Het huwelijk was tot die tijd een onderwerpingsverdrag: door te trouwen verloor een vrouw
haar baan en had ze niets meer te zeggen over haar geld en haar kinderen. Ze behield alleen haar vrijheid om in haar eentje boodschappen te doen.
Zie Handelingsonbekwaamheid van vrouwen van Alies Pegtel in het Historisch Nieuwsblad.

Oké, dat ligt achter ons. Maar hoewel vrouwen nu in juridisch opzicht niet meer ondergeschikt zijn, zijn ze dat in materieel opzicht nog wel degelijk.

Want er is nog altijd geen gelijke beloning tussen mannen en vrouwen, ook als je met allerlei verschillen in andere kenmerken (zoals opleiding, werkervaring, deeltijd of voltijd) rekening houdt. Zie het CBS daarover: Krijgen mannen en vrouwen gelijk loon voor gelijk werk? En volgens het Nationaal Salaris Onderzoek 2017 verdienen vrouwen  jonger dan 36 jaar 4% en vrouwen ouder dan 35 jaar 8% minder dan mannen. En zijn mannen 1,7 maal zo vaak werkzaam in een leidinggevende functie. Dat suggereert dat de competitie om de betere banen, een vorm van statuscompetitie, in het nadeel van vrouwen uitvalt. Dat daar qua wetgeving iets tegen valt te doen, bewijst IJsland, waar bedrijven moeten bewijzen dat ze gelijk loon bieden voor gelijk werk.

Maar ook als je wel rekening houdt met een belangrijk verschil in dat ene "achtergrondkenmerk", namelijk dat vrouwen de kinderen baren, dan komt er een grote mate van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen naar voren. Want vrouwen stellen weliswaar de geboorte van het eerste kind uit, om eerst te proberen om op de arbeidsmarkt voet aan de grond te krijgen, maar daarmee zijn ze niet in staat om te voorkomen dat ze na het moeder geworden zijn een blijvende beloningsachterstand op mannen oplopen. Zie Weer minder kindvriendelijk - Weer toename leeftijd vrouwen bij geboorte eerste kind.

En zie het mooie bericht dat Tamar Stelling vandaag schrijft op De Correspondent: Vrouw, wil je gelijkheid? Stop met baren. De titel zegt het al.

Nee, we hebben de statuscompetitie in onze maatschappij nog niet zover gereguleerd en teruggedrongen dat we kunnen spreken van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Er komt dus een bullet bij:
  • Statuscompetitie produceert niet alleen inkomens-, vermogens- en machtsongelijkheid, maar ook sekse-ongelijkheid.gen over haar geld en haar kinderen. Ze behield