Onze (ambivalente) sociale natuur houdt in dat wij ons snel en spontaan, zonder daar veel over te hoeven nadenken, mengen in de strijd om status. De vraag of we wel genoeg indruk op anderen maken, houdt ons vaak bezig. We proberen krachtig en zelfverzekerd over te komen en we hebben er veel voor over om niet door anderen als loser te worden gezien.
Uiteraard zijn we ook tot heel ander gedrag in staat (gemeenschapsgedrag), maar dat bewaren we voor degenen waarmee we vertrouwd zijn en die ons zo goed kennen dat ze onze toneelstukjes zouden doorzien.
Dat natuurlijke, in de zin van gemakkelijk uitvoerbare, statuscompetitiegedrag kennen we allemaal. Maar het interessante is dat we het, volgens de nieuwe studie Status Is a Four-Letter Word.Self Versus Other Differences and Concealment of Status-Striving (betaalpoort), beter van anderen kennen dan van onszelf. We zien het wel van anderen, maar hebben er moeite mee om toe te geven dat we ons er zelf ook aan over geven.
Want het blijkt dat als je mensen een vragenlijstje voorlegt over het streven naar status, prestige en bewondering van anderen, dat ze dat dan voor zichzelf veel minder instemmend invullen dan voor anderen. Anderen maken zich daar vooral druk om, maar jijzelf, ach, dat valt reuze mee. Je vindt van jezelf dat je niet aan dat "statusgedoe" meedoet. Anderen doen dat. Jij bent wel wijzer.
Maar dat kan dus niet waar zijn, want die anderen vullen dat vragenlijstje net zo in als jij.
Dat is wel intrigerend. Want waarom willen we dat van onszelf niet toegeven?
Een antwoord zou kunnen zijn dat veel van dat statusgedrag zo natuurlijk is, dat we ons er maar weinig van bewust zijn. We zijn al bezig met ons beter voor te doen dan we eigenlijk zijn zonder dat we daar over hebben nagedacht. Het verbergen van onze zwaktes en kwetsbaarheden, dat doen we als vanzelf. En waar je niet bij stilstaat, dat weet je niet van jezelf.
Bij anderen zie je het gemakkelijker, want dan ben je de toeschouwer die even de tijd kan nemen om zich af te vragen waar hij naar kijkt.
Maar toeschouwer zijn van je eigen gedrag, dat is veel moeilijker.
Update. Zie nu ook het vervolgbericht Hoe komt het dat we meer statusgedrag bij anderen zien dan bij ons zelf? Een sociaal informatieprobleem.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
maandag 20 oktober 2014
zondag 19 oktober 2014
Zondagochtendmuziek - Anton Reicha _Woodwind Quintet in Eb major op.88 no.2
Nazomer en herfst associeer je gemakkelijk met het geluid van de fagot. En bij de fagot denk ik niet alleen aan Sergio Azzolini, maar ook aan de muziektheoreticus en componist Anton Reicha (1770-1830), tijdgenoot en vriend van Beethoven. En leermeester van o.a. Liszt en Berlioz.
Nu ruim twintig jaar geleden kocht ik de CD met zijn kamermuziek voor fagot, met Eckart Hübner, het Nomos Quartet en pianiste Susann Römhild. Ideaal om op een nazomerdag, als de tuindeuren voor het laatst open kunnen, op te zetten. Niet te hard, want we hebben buren. De CD dateert uit 1992 en kreeg toen een 10 van het muziektijdschrift Luister.
Nu is er de CD The Stradivari of the Bassoon met Lyndon Watts op een replica van een klassieke fagot, met muziek van Tamplini, Beethoven en Rossini, maar ook met het prachtige duo voor fagot en piano van Reicha.
Aandacht voor Anton Reicha dus. Hier een van zijn 25(!) kwintetten voor blazers.
Nu ruim twintig jaar geleden kocht ik de CD met zijn kamermuziek voor fagot, met Eckart Hübner, het Nomos Quartet en pianiste Susann Römhild. Ideaal om op een nazomerdag, als de tuindeuren voor het laatst open kunnen, op te zetten. Niet te hard, want we hebben buren. De CD dateert uit 1992 en kreeg toen een 10 van het muziektijdschrift Luister.
Nu is er de CD The Stradivari of the Bassoon met Lyndon Watts op een replica van een klassieke fagot, met muziek van Tamplini, Beethoven en Rossini, maar ook met het prachtige duo voor fagot en piano van Reicha.
Aandacht voor Anton Reicha dus. Hier een van zijn 25(!) kwintetten voor blazers.
donderdag 16 oktober 2014
De komende ontknoping van het Europese bezuinigingsdrama - En over de slaafsheid van de financiële pers
Het lijkt er op dat we de ontknoping naderen van het economische drama dat zich nu al jaren in Europa voltrekt. De politici dachten dat ze de financiële crisis en de daardoor in werking gezette eurocrisis te lijf moesten gaan door snel de overheidstekorten terug te dringen. Bezuinigen, veel en snel. Austeriteit, ging dat heten. Of, eufemistischer, consolidatie.
Hun diagnose was verkeerd en daardoor voldeed de gekozen oplossing niet aan de hooggestemde verwachtingen. De optimistische prognoses over de economische groei, die er snel zou komen, moesten keer op keer naar beneden worden bijgesteld. Kleine lichtpuntjes werden aangegrepen om het beleid te rechtvaardigen. Naar alternatieven werd niet gekeken. Naar kritiek werd niet geluisterd.
Nu is dat niet langer vol te houden. Het gaat maar steeds niet beter. Sterker, de eurozone dreigt een derde recessie in te glijden. Bij Italië en Frankrijk daagt het inzicht dat overheidsbezuinigingen averechts werken in een tijd dat private partijen hun schulden terugbrengen. En dat (sommige) neoliberale hervormingen in beter tijden zeker wenselijk zijn, maar onder de huidige omstandigheden de vraag nog verder doen inzakken.
Men komt tot de "ontdekking" dat er ook nog een economische conjunctuur bestaat. En een vak macro-economie, dat daar verstandige dingen over kan zeggen. Die al veel langer bekend waren, maar die, ideologisch gemotiveerd of gewoon door onwetendheid, waren vergeten, genegeerd of hooghartig als achterhaald beschouwd.
Tot voor kort waren het de kleine, perifere, eurozonelanden die zich moesten schikken in het Duitse dictaat van het bezuinigingsbeleid. Van het onverbiddelijke gebod, in wet en regels vastgelegd, dat de sluitende overheidsbegroting het allerhoogste goed zou zijn. Beter een begrotingsevenwicht dan een bloeiende economie. Een opvatting die naar absurditeit al op een lijn is gesteld met het rabiate anti-overheidsdenken van de extreem-rechtse Amerikaanse Tea Party.
Maar nu krijgen ook de grote eurozonelanden Italië en Frankrijk te maken met de negatieve uitwerkingen van het bezuinigingsbeleid. Waardoor beide landen in opstand komen en weigeren nog verder te doen alsof ze zich aan de begrotingsregels wensen te houden. Ze hebben aangekondigd dat ze begrotingen zullen opstellen die niet aan de eisen voldoen, omdat ze, terecht, denken dat dit hun economieën nog verder in het diepe zou duwen. Dat leidt tot een clash met Duitsland en dat lijkt ook precies waar ze op uit zijn.
Dat is een positieve ontwikkeling. Vandaar dat nu misschien de ontknoping nadert. Maar dat zou je niet zeggen als je op de Nederlandse financiële pers afgaat. In De Volkskrant valt Xander van Uffelen vandaag over Frankrijk heen alsof hij een volgeling is geworden van de Duitse Tea Party. Frankrijk zou arrogant zijn en al het geld weggeven aan uitkeringen en overheidsconsumptie. Stereotypering komt in de plaats van analyse en informatie. Maar al langer krijg je de indruk dat de financieel-economische journalisten in hun commentaren niet gehinderd worden door geïnformeerdheid, competentie en een kritische houding.
Een recente aanleiding voor die indruk is dat de Europese onafhankelijke denktank Bruegel begin van deze maand een vernietigend oordeel velde over het Nederlandse bezuinigingsbeleid. Ik besteedde er in het bericht Vernietigend oordeel denktank Bruegel over Nederlands bezuinigingsbeleid aandacht aan. Als het de Nederlandse krantenkoppen gehaald heeft, dan is mij dat niet opgevallen.
Een andere aanleiding is dat nota bene de Duitse televisie in een prachtige bijdrage, waaraan o.a. de economen Heiner Flassbeck en Peter Bofinger meewerkten, aan de kijkers uitlegden waarom het huishoudboekjesdenken van hun eigen regering van geen kant deugt. Ik verzuchtte dat als dat in Duitsland kan, waarom dan niet op de Nederlandse publieke omroep. Zie nog eens Duitse televisie legt kijkers uit wat er niet deugt aan het huishoudboekjesdenken van de Schwäbische Hausfrau (lees: Merkel).
Ik las vanochtend dan ook met grote instemming de column van Coen Teulings, de vorige directeur van het Centraal Plan Bureau en nu hoogleraar aan de universiteiten van Cambridge en Amsterdam, die gisteren verscheen in NRC/Handelsblad. Zie Hoe ons economisch beleid een fiasco werd (voor abonnees of met registratie). Hij legt daarin niet alleen uit wat voor slecht beleid de opvolgende Nederlandse regeringen hebben gevoerd en voeren, maar ook hoe onkritisch de journalisten dat beleid hebben gevolgd. Ik citeer de laatste alinea:
Hun diagnose was verkeerd en daardoor voldeed de gekozen oplossing niet aan de hooggestemde verwachtingen. De optimistische prognoses over de economische groei, die er snel zou komen, moesten keer op keer naar beneden worden bijgesteld. Kleine lichtpuntjes werden aangegrepen om het beleid te rechtvaardigen. Naar alternatieven werd niet gekeken. Naar kritiek werd niet geluisterd.
Nu is dat niet langer vol te houden. Het gaat maar steeds niet beter. Sterker, de eurozone dreigt een derde recessie in te glijden. Bij Italië en Frankrijk daagt het inzicht dat overheidsbezuinigingen averechts werken in een tijd dat private partijen hun schulden terugbrengen. En dat (sommige) neoliberale hervormingen in beter tijden zeker wenselijk zijn, maar onder de huidige omstandigheden de vraag nog verder doen inzakken.
Men komt tot de "ontdekking" dat er ook nog een economische conjunctuur bestaat. En een vak macro-economie, dat daar verstandige dingen over kan zeggen. Die al veel langer bekend waren, maar die, ideologisch gemotiveerd of gewoon door onwetendheid, waren vergeten, genegeerd of hooghartig als achterhaald beschouwd.
Tot voor kort waren het de kleine, perifere, eurozonelanden die zich moesten schikken in het Duitse dictaat van het bezuinigingsbeleid. Van het onverbiddelijke gebod, in wet en regels vastgelegd, dat de sluitende overheidsbegroting het allerhoogste goed zou zijn. Beter een begrotingsevenwicht dan een bloeiende economie. Een opvatting die naar absurditeit al op een lijn is gesteld met het rabiate anti-overheidsdenken van de extreem-rechtse Amerikaanse Tea Party.
Maar nu krijgen ook de grote eurozonelanden Italië en Frankrijk te maken met de negatieve uitwerkingen van het bezuinigingsbeleid. Waardoor beide landen in opstand komen en weigeren nog verder te doen alsof ze zich aan de begrotingsregels wensen te houden. Ze hebben aangekondigd dat ze begrotingen zullen opstellen die niet aan de eisen voldoen, omdat ze, terecht, denken dat dit hun economieën nog verder in het diepe zou duwen. Dat leidt tot een clash met Duitsland en dat lijkt ook precies waar ze op uit zijn.
Dat is een positieve ontwikkeling. Vandaar dat nu misschien de ontknoping nadert. Maar dat zou je niet zeggen als je op de Nederlandse financiële pers afgaat. In De Volkskrant valt Xander van Uffelen vandaag over Frankrijk heen alsof hij een volgeling is geworden van de Duitse Tea Party. Frankrijk zou arrogant zijn en al het geld weggeven aan uitkeringen en overheidsconsumptie. Stereotypering komt in de plaats van analyse en informatie. Maar al langer krijg je de indruk dat de financieel-economische journalisten in hun commentaren niet gehinderd worden door geïnformeerdheid, competentie en een kritische houding.
Een recente aanleiding voor die indruk is dat de Europese onafhankelijke denktank Bruegel begin van deze maand een vernietigend oordeel velde over het Nederlandse bezuinigingsbeleid. Ik besteedde er in het bericht Vernietigend oordeel denktank Bruegel over Nederlands bezuinigingsbeleid aandacht aan. Als het de Nederlandse krantenkoppen gehaald heeft, dan is mij dat niet opgevallen.
Een andere aanleiding is dat nota bene de Duitse televisie in een prachtige bijdrage, waaraan o.a. de economen Heiner Flassbeck en Peter Bofinger meewerkten, aan de kijkers uitlegden waarom het huishoudboekjesdenken van hun eigen regering van geen kant deugt. Ik verzuchtte dat als dat in Duitsland kan, waarom dan niet op de Nederlandse publieke omroep. Zie nog eens Duitse televisie legt kijkers uit wat er niet deugt aan het huishoudboekjesdenken van de Schwäbische Hausfrau (lees: Merkel).
Ik las vanochtend dan ook met grote instemming de column van Coen Teulings, de vorige directeur van het Centraal Plan Bureau en nu hoogleraar aan de universiteiten van Cambridge en Amsterdam, die gisteren verscheen in NRC/Handelsblad. Zie Hoe ons economisch beleid een fiasco werd (voor abonnees of met registratie). Hij legt daarin niet alleen uit wat voor slecht beleid de opvolgende Nederlandse regeringen hebben gevoerd en voeren, maar ook hoe onkritisch de journalisten dat beleid hebben gevolgd. Ik citeer de laatste alinea:
De internationale economische gemeenschap heeft het Nederlandse beleid met verbazing aanschouwd. Het thema is in mijn columns eerder aan de orde geweest: hoe komt het dat de Nederlandse financiële pers zich daar veelal weinig aan gelegen heeft laten liggen? Het doet denken aan de dagen van Colijn toen Nederland ook standvastig was, helaas met het verkeerde beleid. Zo bezien heeft SEO de verkeerde titel gekozen voor haar verjaardagsfeest. Beter was: ‘Luistert de financiële pers wel naar economen?’We hebben niet alleen een analyse nodig van hoe het kon gebeuren dat de Nederlandse economische politiek zo grondig en eensgezind de verkeerde weg insloeg, maar ook van de slaafsheid waarmee dat proces door de financieel-economische pers werd begeleid.
maandag 13 oktober 2014
Statuscompetitie is bij mensen nooit ver weg - maar gemeenschap ook niet
De menselijke sociale natuur is ambivalent. Enerzijds zijn we in staat tot zorg voor elkaar, hulpvaardigheid en goedgeefsheid. Maar anderzijds ook tot competitie om status, vijandschap en overheersing, of complementair daaraan, gehoorzaamheid en ondergeschiktheid. De neiging tot gemeenschapsgedrag kennen we, maar evenzeer de neiging tot statuscompetitie en tot het creëren van een statushiërarchie. Dat is een inzicht dat deel uitmaakt van wat ik eerder de Dual-Modetheorie noemde.
Toegerust met die innerlijke ambivalentie kunnen mensen heel verschillende samenlevingsvormen tot stand brengen. Waarvan je je twee uitersten kunt voorstellen: een zuivere gemeenschap, met alleen maar gemeenschapsgedrag, en een zuivere statuscompetitie/statushiërarchie, met alleen maar statuscompetitiegedrag. In die zuivere gemeenschap zou de statuscompetitie geheel onderdrukt worden en in de zuivere statuscompetitie/statushiërarchie zou gemeenschapsgedrag geen kans krijgen. Maar dat zijn abstracte voorstellingen, want die twee polen lijken in de werkelijkheid niet voor te komen.
We krijgen nu een interessant kijkje in een samenlevingsvorm die heel dicht tegen die gemeenschapspool aanligt, maar waarin de statushiërarchie toch ook weer niet geheel blijkt te ontbreken. Het gaat om het bericht Anthropologists find that even among egalitarian forager-farmers, social status can impact health and happiness. Antropologen deden onderzoek bij de Tsimane, een egalitaire jagers/verzamelaarssamenleving in het Boliviaanse Amazonegebied. Ik schreef eerder over de Tsimane in het bericht Persoonlijkheid en maatschappij: de Big Five en de Big Two.
De onderzoekers gingen, over een periode van vier jaar jaar, na wie er in die Tsimane-samenleving de meeste invloed had in de gezamenlijke besluitvorming. Dus naar welke personen meer werd geluisterd als ze wat te berde brachten en naar welke minder. Waren er informele "leiders" en zo ja, wie waren dat? Daarnaast stelden ze periodiek, via urinemonsters, de niveau's van het stresshormoon cortisol vast. Hoe hoger dat niveau, hoe groter de psychosociale stress. En artsen voerden medische check-ups uit.
Het bleek toen dat degenen die minder invloed hadden, naar wie minder werd geluisterd, een hoger cortisolniveau hadden. Bovendien bleek dat het cortisolniveau steeg bij degenen die in het verloop van die vier jaar hun invloed zagen afnemen. Daar kwam mee overeen dat hun kans op luchtweginfecties toenam.
Dat betekent dat je de gezondheidsverschillen naar status die wij in onze maatschappij kennen, toch ook aantreft in deze voor het overige sterk egalitaire samenleving. Gemeenschap, eerlijk delen, elkaar ondersteunen, samen zorgen voor de kinderen, dat alles domineert, maar de statushiërarchie is niet volledig uitgebannen. En die vinden we dus terug in die verschillen in cortisolniveau's en gezondheid.
Nu kun je daar wel tegenin brengen dat de Tsimane al niet meer uitsluitend leven van jagen en verzamelen. Ze doen ook al wat aan landbouw (bananen en maniok) en blijven langer op een plek. Het kan zijn dat de bij hen gevonden verschillen kleiner zijn bij de meer zuivere jagers-verzamelaarssamenlevingen.
De andere kant van het verhaal is natuurlijk dat we in de huidige kapitalistische maatschappijen weliswaar een hoge mate van statuscompetitie en statushiërarchie kennen, maar dat gemeenschapsgedrag daarin natuurlijk niet ontbreekt.
Ik moest nog even terugdenken aan Debt. The First 5,000 Years van David Graeber, waarin hij de zelforganisatie van de jagers-verzamelaars, de Paleo Sociale Omgeving, aanduidt als de sociale vorm van het baseline communism ("van iedereen naar vermogen, voor iedereen naar behoefte"). Zie mijn eerdere bericht Zelf-organisatie en het baseline communisme van David Graeber.
En waarin hij vervolgens laat zien dat die sociale vorm natuurlijk tegelijk ook niet is weg te denken uit het economische systeem van het kapitalisme. Mensen hebben hun netwerk van persoonlijke relaties, waarin ze elkaar zo goed mogelijk proberen bij te staan en contact met elkaar te houden. En in veel landen proberen ze om een verzorgingsstaat te vestigen en in stand te houden, waarin de onderlinge hulpbereidheid een institutionele vorm krijgt. Het kapitalisme zou daarzonder niet kunnen bestaan. (Update. Zie ook nog eens het bericht Participatiesamenleving in plaats van verzorgingsstaat? Niet of-of, maar en-en.)
Kortom, statuscompetitie is bij mensen nooit ver weg. Maar gemeenschap ook niet.
Toegerust met die innerlijke ambivalentie kunnen mensen heel verschillende samenlevingsvormen tot stand brengen. Waarvan je je twee uitersten kunt voorstellen: een zuivere gemeenschap, met alleen maar gemeenschapsgedrag, en een zuivere statuscompetitie/statushiërarchie, met alleen maar statuscompetitiegedrag. In die zuivere gemeenschap zou de statuscompetitie geheel onderdrukt worden en in de zuivere statuscompetitie/statushiërarchie zou gemeenschapsgedrag geen kans krijgen. Maar dat zijn abstracte voorstellingen, want die twee polen lijken in de werkelijkheid niet voor te komen.
We krijgen nu een interessant kijkje in een samenlevingsvorm die heel dicht tegen die gemeenschapspool aanligt, maar waarin de statushiërarchie toch ook weer niet geheel blijkt te ontbreken. Het gaat om het bericht Anthropologists find that even among egalitarian forager-farmers, social status can impact health and happiness. Antropologen deden onderzoek bij de Tsimane, een egalitaire jagers/verzamelaarssamenleving in het Boliviaanse Amazonegebied. Ik schreef eerder over de Tsimane in het bericht Persoonlijkheid en maatschappij: de Big Five en de Big Two.
De onderzoekers gingen, over een periode van vier jaar jaar, na wie er in die Tsimane-samenleving de meeste invloed had in de gezamenlijke besluitvorming. Dus naar welke personen meer werd geluisterd als ze wat te berde brachten en naar welke minder. Waren er informele "leiders" en zo ja, wie waren dat? Daarnaast stelden ze periodiek, via urinemonsters, de niveau's van het stresshormoon cortisol vast. Hoe hoger dat niveau, hoe groter de psychosociale stress. En artsen voerden medische check-ups uit.
Het bleek toen dat degenen die minder invloed hadden, naar wie minder werd geluisterd, een hoger cortisolniveau hadden. Bovendien bleek dat het cortisolniveau steeg bij degenen die in het verloop van die vier jaar hun invloed zagen afnemen. Daar kwam mee overeen dat hun kans op luchtweginfecties toenam.
Dat betekent dat je de gezondheidsverschillen naar status die wij in onze maatschappij kennen, toch ook aantreft in deze voor het overige sterk egalitaire samenleving. Gemeenschap, eerlijk delen, elkaar ondersteunen, samen zorgen voor de kinderen, dat alles domineert, maar de statushiërarchie is niet volledig uitgebannen. En die vinden we dus terug in die verschillen in cortisolniveau's en gezondheid.
Nu kun je daar wel tegenin brengen dat de Tsimane al niet meer uitsluitend leven van jagen en verzamelen. Ze doen ook al wat aan landbouw (bananen en maniok) en blijven langer op een plek. Het kan zijn dat de bij hen gevonden verschillen kleiner zijn bij de meer zuivere jagers-verzamelaarssamenlevingen.
De andere kant van het verhaal is natuurlijk dat we in de huidige kapitalistische maatschappijen weliswaar een hoge mate van statuscompetitie en statushiërarchie kennen, maar dat gemeenschapsgedrag daarin natuurlijk niet ontbreekt.
Ik moest nog even terugdenken aan Debt. The First 5,000 Years van David Graeber, waarin hij de zelforganisatie van de jagers-verzamelaars, de Paleo Sociale Omgeving, aanduidt als de sociale vorm van het baseline communism ("van iedereen naar vermogen, voor iedereen naar behoefte"). Zie mijn eerdere bericht Zelf-organisatie en het baseline communisme van David Graeber.
En waarin hij vervolgens laat zien dat die sociale vorm natuurlijk tegelijk ook niet is weg te denken uit het economische systeem van het kapitalisme. Mensen hebben hun netwerk van persoonlijke relaties, waarin ze elkaar zo goed mogelijk proberen bij te staan en contact met elkaar te houden. En in veel landen proberen ze om een verzorgingsstaat te vestigen en in stand te houden, waarin de onderlinge hulpbereidheid een institutionele vorm krijgt. Het kapitalisme zou daarzonder niet kunnen bestaan. (Update. Zie ook nog eens het bericht Participatiesamenleving in plaats van verzorgingsstaat? Niet of-of, maar en-en.)
Kortom, statuscompetitie is bij mensen nooit ver weg. Maar gemeenschap ook niet.
zaterdag 11 oktober 2014
Meer aanwijzingen voor wat een sociale buurt bijdraagt aan morele ontwikkeling van kinderen
Nieuw onderzoek versterkt het vermoeden dat buurten kunnen bijdragen aan de morele ontwikkeling van kinderen. Zie voor eerdere aanwijzingen het bericht Sociale ontwikkeling en pro-sociaal gedrag.
Nu is er de studie Social Antecedents of Children’s Trustworthiness (betaalpoort), die verslag doet van een onderzoek dat werd uitgevoerd in de Zwitserse stad Zürich. Het blijkt dat kinderen die meer in sociale buurten wonen, waarin mensen elkaar wel eens bijstaan, eerlijker en betrouwbaarder zijn dan kinderen in minder sociale buurten.
Hoe sociaal die buurten waren, werd vastgesteld met vier uitspraken die aan de ouders werden voorgelegd en waarvan ze konden aangeven in hoeverre ze het er mee eens of oneens waren. Het ging om:
Bovendien werd aan de ouders gevraagd of ze hun kind wel eens fysiek straften, dus een klap gaven of, ja, zeg maar, aftuigden.
Het bleek toen dat kinderen waarvan de ouders hun buurt als socialer en hulpvaardiger beoordeelden, hoger scoorden op eerlijkheid en betrouwbaarheid. Omdat het onderzoek na een jaar werd herhaald, konden de onderzoekers er een aanwijzing voor vinden dat het verband ook inderdaad oorzakelijk is. Hoe sociaal de buurt was aan het begin van het jaar bleek namelijk te voorspellen hoe eerlijk en betrouwbaar de kinderen aan het eind van het jaar waren.
Het lijkt er dus op dat het opgroeien in een sociale en hulpvaardige buurt, een buurt waar mensen elkaar kennen en elkaar wel eens bijstaan, kinderen helpt bij hun morele ontwikkeling. Ze leren er door dat kennelijk mensen elkaar vertrouwen en voegen zich naar wat ze om zich heen zien. En in minder sociale buurten voegen ze zich naar heel ander gedrag.
Daarnaast werd ook gevonden dat kinderen die meer fysiek gestraft werden, zich minder goed moreel ontwikkelden, dus meer logen en bedrogen en minder betrouwbaar waren. Dat is er een aanwijzing voor dat fysiek straffen niet zo goed werkt om kinderen op het goede pad te krijgen. Maar het kan natuurlijk zijn dat er een gemeenschappelijke onderliggende eigenschap is van die ouders en hun kinderen die verantwoordelijk is voor zowel het slaan als het oneerlijke en onbetrouwbare gedrag. Dat weten we niet.
Wel is interessant dat het fysieke straffen meer voorkwam in de minder sociale en hulpvaardige buurten. Dat wijst er weer op dat ouders die minder contact met buren hebben en minder op steun uit de buurt kunnen rekenen, eerder zover komen dat ze hun kinderen slaan. Een van de vele negatieve gevolgen van het sociale isolement van gezinnen.
Kortom, nieuwe aanwijzingen voor het belang van buurten voor kinderen.
Nu is er de studie Social Antecedents of Children’s Trustworthiness (betaalpoort), die verslag doet van een onderzoek dat werd uitgevoerd in de Zwitserse stad Zürich. Het blijkt dat kinderen die meer in sociale buurten wonen, waarin mensen elkaar wel eens bijstaan, eerlijker en betrouwbaarder zijn dan kinderen in minder sociale buurten.
Hoe sociaal die buurten waren, werd vastgesteld met vier uitspraken die aan de ouders werden voorgelegd en waarvan ze konden aangeven in hoeverre ze het er mee eens of oneens waren. Het ging om:
- De mensen in deze buurt kun je vertrouwen
- Het huis van de buren in de gaten gehouden als ze op reis waren
- Met buren over persoonlijke zaken gepraat
- Voor kinderen van buren gezorgd als de ouders er niet waren
Bovendien werd aan de ouders gevraagd of ze hun kind wel eens fysiek straften, dus een klap gaven of, ja, zeg maar, aftuigden.
Het bleek toen dat kinderen waarvan de ouders hun buurt als socialer en hulpvaardiger beoordeelden, hoger scoorden op eerlijkheid en betrouwbaarheid. Omdat het onderzoek na een jaar werd herhaald, konden de onderzoekers er een aanwijzing voor vinden dat het verband ook inderdaad oorzakelijk is. Hoe sociaal de buurt was aan het begin van het jaar bleek namelijk te voorspellen hoe eerlijk en betrouwbaar de kinderen aan het eind van het jaar waren.
Het lijkt er dus op dat het opgroeien in een sociale en hulpvaardige buurt, een buurt waar mensen elkaar kennen en elkaar wel eens bijstaan, kinderen helpt bij hun morele ontwikkeling. Ze leren er door dat kennelijk mensen elkaar vertrouwen en voegen zich naar wat ze om zich heen zien. En in minder sociale buurten voegen ze zich naar heel ander gedrag.
Daarnaast werd ook gevonden dat kinderen die meer fysiek gestraft werden, zich minder goed moreel ontwikkelden, dus meer logen en bedrogen en minder betrouwbaar waren. Dat is er een aanwijzing voor dat fysiek straffen niet zo goed werkt om kinderen op het goede pad te krijgen. Maar het kan natuurlijk zijn dat er een gemeenschappelijke onderliggende eigenschap is van die ouders en hun kinderen die verantwoordelijk is voor zowel het slaan als het oneerlijke en onbetrouwbare gedrag. Dat weten we niet.
Wel is interessant dat het fysieke straffen meer voorkwam in de minder sociale en hulpvaardige buurten. Dat wijst er weer op dat ouders die minder contact met buren hebben en minder op steun uit de buurt kunnen rekenen, eerder zover komen dat ze hun kinderen slaan. Een van de vele negatieve gevolgen van het sociale isolement van gezinnen.
Kortom, nieuwe aanwijzingen voor het belang van buurten voor kinderen.
vrijdag 10 oktober 2014
Vertrouwen van Amerikanen in elkaar en in instituties sinds 1976 sterk gedaald
Analyses van representatieve databestanden die tussen 1976 en 2012 in de Verenigde Staten zijn verzameld, wijzen uit dat Amerikanen elkaar in deze periode minder zijn gaan vertrouwen. Ook is hun vertrouwen in instituties afgenomen. Zie het plaatje, dat afkomstig is uit de pas verschenen studie Declines in Trust in Others and Confidence in Institutions Among American Adults and Late Adolescents, 1972–2012 (betaalpoort).

Er zijn sterke fluctuaties in dat vertrouwen in instituties. Maar de daling is duidelijk. Tegen de eeuwwisseling lijkt de daling van het vertrouwen in elkaar zich wat te herstellen, maar sinds 2007 zet de daling door.
Wat houdt dat vertrouwen in elkaar in? Het ging om de volgende drie vragen::
Eerdere onderzoeken wezen uit dat in de V.S. ook het sociale kapitaal is afgenomen, dus de hoeveelheid sociale contacten die mensen hebben. En er zijn sterke aanwijzingen dat Amerikanen narcistischer zijn geworden. (Denk aan The Narcissism Epidemic.)
Er is bij sommigen wel eens twijfel over deze bevindingen, maar het gaat steeds om serieus en zorgvuldig onderzoek. Bovendien versterken de uitkomsten elkaar. Als sociale contacten afnemen, zou je ook verwachten dat het vertrouwen afneemt en narcisme toeneemt. En dat blijkt dus ook zo te zijn.
Hoe zou het komen? Dit onderzoek kan laten zien dat het samenhangt met hoe het met de economie gaat en met de maatschappelijke ongelijkheid. Als de inkomensongelijkheid toeneemt, gaan mensen elkaar minder vertrouwen. (Ja, dan denk je aan de aangewakkerde statuscompetitie.) En als de armoede toeneemt, gaat het vertrouwen in instituties achteruit.
Het is niet verrassend. Maar het lijkt niet prettig om dat alles om je heen te zien gebeuren. En goed voor de democratie kan het niet zijn. In ons land hebben we (nog) minder ongelijkheid en armoede dan in de Verenigde Staten. Maar is er in Nederland eigenlijk al eens op een rij gezet hoe het vertrouwen zich in de tijd heeft ontwikkeld?
Er zijn sterke fluctuaties in dat vertrouwen in instituties. Maar de daling is duidelijk. Tegen de eeuwwisseling lijkt de daling van het vertrouwen in elkaar zich wat te herstellen, maar sinds 2007 zet de daling door.
Wat houdt dat vertrouwen in elkaar in? Het ging om de volgende drie vragen::
- Zou je in het algemeen gesproken zeggen dat de meeste mensen zijn te vertrouwen of dat je niet voorzichtig genoeg kunt zijn in de omgang met mensen?
- Zou je zeggen dat mensen meestal proberen om behulpzaam te zijn of dat ze meestal alleen maar naar zichzelf kijken?
- Zou je denken dat de meeste mensen van je zouden profiteren als ze de kans kregen of zouden ze proberen om eerlijk te zijn?
Eerdere onderzoeken wezen uit dat in de V.S. ook het sociale kapitaal is afgenomen, dus de hoeveelheid sociale contacten die mensen hebben. En er zijn sterke aanwijzingen dat Amerikanen narcistischer zijn geworden. (Denk aan The Narcissism Epidemic.)
Er is bij sommigen wel eens twijfel over deze bevindingen, maar het gaat steeds om serieus en zorgvuldig onderzoek. Bovendien versterken de uitkomsten elkaar. Als sociale contacten afnemen, zou je ook verwachten dat het vertrouwen afneemt en narcisme toeneemt. En dat blijkt dus ook zo te zijn.
Hoe zou het komen? Dit onderzoek kan laten zien dat het samenhangt met hoe het met de economie gaat en met de maatschappelijke ongelijkheid. Als de inkomensongelijkheid toeneemt, gaan mensen elkaar minder vertrouwen. (Ja, dan denk je aan de aangewakkerde statuscompetitie.) En als de armoede toeneemt, gaat het vertrouwen in instituties achteruit.
Het is niet verrassend. Maar het lijkt niet prettig om dat alles om je heen te zien gebeuren. En goed voor de democratie kan het niet zijn. In ons land hebben we (nog) minder ongelijkheid en armoede dan in de Verenigde Staten. Maar is er in Nederland eigenlijk al eens op een rij gezet hoe het vertrouwen zich in de tijd heeft ontwikkeld?
Abonneren op:
Posts (Atom)