Posts tonen met het label Jonathan Haidt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jonathan Haidt. Alle posts tonen

dinsdag 29 juni 2021

Onze moraal is er om onderlinge horizontale relaties te promoten en het ontstaan van verticale relaties tegen te gaan

De menselijke moraal, de aard en werking van onze morele intuïties, was lang geen erkend onderwerp van sociaalwetenschappelijk onderzoek. Dat zal eraan liggen dat het bij die intuïties om emoties gaat en in de psychologie was alles wat zich in de menselijke geest afspeelt lang een taboe om je mee bezig te houden. Voorlopers die dat wel deden, Charles Darwin (1809 - 1882) en William James (1842 - 1910), werden lang genegeerd.

Maar dat is de laatste tientallen jaren snel aan het veranderen. De moraal wordt wetenschappelijk onderzocht. Denk aan het werk van bioloog Frans de Waal, in het bijzonder aan zijn De aap en de filosoof. Hoe de moraal is ontstaan (2007) en De bonobo en de tien geboden. Moraal is ouder dan de mens (2013).

Maar er is ook de Moral Foundations Theory (MFT) van Jonathan Haidt en anderen, een onderzoekslijn die als ik het goed heb in 2004 begon met Intuitive ethics: how innately prepared intuitions generate culturally variable virtues van Haidt en Craig Joseph. Die MFT is op dit blog al enkele keren langsgekomen. Zoals in Wat is het echte onderscheid tussen de progressief/linkse en de conservatief/rechtse morele intuïties?, waaruit ik citeer:

Volgens de Moral Foundations Theory (MFT) van Jonathan Haidt en anderen kun je in het menselijke morele spectrum zes morele intuïties onderscheiden, die elk met twee tegenstellingen van "goed" tegenover "kwaad" kunnen worden gekarakteriseerd:
    • zorgen / leed toebrengen
    • rechtvaardig zijn / anderen bedriegen
    • vrijheid van anderen respecteren / anderen overheersen
    • loyaal zijn / anderen verraden
    • gezag aanvaarden / gezag ondermijnen
    • heiligheid respecteren / heiligheid onteren
Ik noemde al eerder als bezwaar tegen dat ongedifferentieerde rijtje van zes dat het onderscheid tussen de morele gemeenschapsintuïties ( de eerste vier) en de emoties van de statushiërarchie (de laatste twee) wordt genegeerd. Er ontbreekt een onderliggende theorie. Terwijl de Dual Mode-theorie juist een onderbouwing verschaft voor dat onderscheid tussen het gemeenschapspatroon (de eerste vier) en het statuscompetitiepatroon (de laatste twee). Lees voor die DM-theorie en de onderbouwing ervan Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Daarin verwijs ik ook naar de studie Replacing the Moral Foundations: An Evolutionary-Coalitional Theory of Liberal-Conservative Differences uit 2017, waarin Jeffrey S. Sinn en Matthew W. Hayes (2017) tot de conclusie komen dat er twee aan elkaar tegengestelde “pakketten” van intuïties zijn aan te wijzen: het pakket van Gezag, Ingroup en Zuiverheid, dat wijst op een autoritair motief, en een pakket van Geen kwaad doen en Fairness, dat wijst op een universalistisch motief. Het eerste pakket komt ruwweg overeen met het statuscompetitiepatroon, ook blijkend uit de samenhang met de Sociale Dominantie Oriëntatie, en het tweede pakket met het gemeenschapspatroon.

Het sterke punt van dat onderscheid tussen de gemeenschapsintuïties en de statuscompetitie-intuïties is dat het inzicht geeft in de oorsprong van onze moraal. Die morele gemeenschapsintuïties zijn namelijk in de menselijke evolutie ontstaan om precies de statuscompetitie-intuïties te onderdrukken. En dat was nodig om het samenwerken en delen, dat nodig was om als jagers-verzamelaars te overleven, mogelijk te maken. Zie Over de oorsprong van de moraal en volg daarin de link naar de powerpoint.
Die oorsprong maakt ook duidelijk dat het bij de gemeenschapsintuïties gaat om horizontale relaties en bij de statuscompetitie-intuïties om verticale relaties tussen mensen. Voor samenwerking en delen is onderlinge gelijkheid noodzakelijk. Zorg voor elkaar. Iedereen telt mee. Terwijl het bij de statuscompetitie en -hiërarchie juist gaat om het rechtvaardigen van ongelijkheid. Aanvaard het gezag en respecteer de heiligheid van de boven je gestelden. Berust in je ondergeschikte positie.

Anders gezegd: onze moraal is er om onze onderlinge horizontale relaties te promoten en het ontstaan van verticale relaties tegen te gaan.

Een en ander komt overeen met de inzichten van de Theory of Dyadic Morality (TDM), die inhoudt dat onze moraal draait om het afkeuren van het toebrengen van leed, van het iemand beschadigen, kwetsen of benadelen. Voor samenwerken en delen is het nodig dat je er op kunt rekenen dat anderen jou goedgezind zijn, er niet op uit zijn om van jou te profiteren. Die TDM werd ontwikkeld door Kurt Gray en anderen en eerlijk gezegd was het bestaan ervan mij tot voor kort ontgaan. Een vroege studie is The Unifying Moral Dyad: Liberals and Conservatives Share the Same Harm-Based Moral Template uit 2015 van Chelsea Schein and Kurt Gray.

En ook die studie is een kritiek op de Moral Foundations Theory van Jonathan Haidt. In het bijzonder gaat het dan om de toepassing daarvan op het verschil in de morele intuïties van politiek-progressieven en politiek-conservatieven. Haidt denkt te hebben aangetoond dat de links-progressieven alleen  de eerste drie morele intuïties kennen (geen leed toebrengen, rechtvaardigheid en vrijheid van anderen respecteren), terwijl de rechts-conservatieven daarnaast ook de andere intuïties omarmen. Waarop hij de stelling baseert dat de links-progressieven geen begrip kunnen opbrengen voor de rechts-conservatieven terwijl dat andersom wel het geval is. Links zou in zijn opvatting meer moeite moeten doen om rechts te begrijpen, maar is daartoe niet in staat omdat ze niet alle morele intuïties "kennen".

Daarop kwam dus al die kritiek van Sinn en Hayes, die erop neerkomt dat de tegenstelling tussen links-progressief en rechts-conservatief er een is tussen de morele gemeenschapsintuïties en de intuïties van de statuscompetitie en de statushiërarchie. En dat is een echte tegenstelling, die van morele intuïties tegenover het ontbreken van de moraal in het statuscompetitiepatroon.

Daarmee komt overeen het inzicht van de TDM van Gray en anderen dat de kern van de menselijke moraal bestaat uit het afkeuren van het toebrengen van leed. Morele afkeuring slaat altijd op het gedrag van iemand (de dader) die willens en wetens leed of schade toebrengt aan een andere persoon (het slachtoffer). Dat willens en wetens is essentieel, evenals de negatieve ervaring (leed) van het slachtoffer. Dat is het sjabloon waar alle morele oordelen van zijn afgeleid, zowel die van links-progressieven als die van rechts-conservatieven.

Verschillen ontstaan in de percepties van wat leed of schade is en wie dader en slachtoffer kan zijn. En die percepties kunnen sterk uiteenlopen. Als je gelooft dat de geest van voorouders blijft voortbestaan, dan kun je het moreel afkeuren dat bepaalde rituelen die bedoeld zijn om voorouders te eren, niet worden uitgevoerd. Als je in een God gelooft, dan vind je het een morele kwestie dat zijn heiligheid geëerd wordt. Je mag de geest van je voorouders of God geen leed toebrengen. Dan kan hoe je je kleedt voor de kerkgang een morele kwestie worden. 

Natuurlijk is wat leed of schade is, ook altijd een feitelijke kwestie. Maar als mensen morele oordelen vellen, laten ze zich vaak leiden door hun eigen subjectieve percepties of door waar ze in geloven. Schein en Gray daarover:

The subjectivity of harm is perhaps revealed best in modern political discourse, such as when one person sees gay marriage as an expression of love, and another sees the destruction of families, souls, and the minds of children (Adam, 2003; Anderson, 2013; Comer, 2012). Compared with liberals, conservatives are more likely to be religious and nationalistic (Layman, 2001), explaining in part why they might see both souls and America as vulnerable to harm (Haidt, 2012). Political disagreements about harm also appear in moral debates about transgender bathroom use (Carcaño v. McCrory, 2016), masturbation (Laqueur, 2004), and pornography, which the Republican National Committee has labeled “a public health crisis” (Peters, 2016). One might argue that one side of each debate is wrong, and that there is an objective fact about harm, such that pornography either causes harm or not. However, we suggest that claims of “objective” harm are misplaced, at least as they concern moral psychology.

Natuurlijk kunnen zulke verschillen in percepties door objectieve waarheden worden opgelost. Maar ze kunnen ook hardnekkig zijn, zeker in het post truth-tijdperk waarin we ons nu lijken te bevinden.

Het punt is dat de menselijke moraal bestaat uit de horizontale, morele gemeenschapsintuïties, van iedereen telt mee en dus van het verbod op anderen leed toebrengen. En dat verschillen in morele oordelen, zoals die tussen links-progressieven en rechts-conservatieven, eruit voortkomen dat percepties van wat leed is en wie slachtoffer kan zijn, kunnen verschillen.

En daaraan tegengesteld, zijn er de verticale intuïties van het statuscompetitiepatroon, van ongelijkheid, gezag, overheersing, onderdrukking en berusting en onderdanigheid.

zaterdag 10 april 2021

De morele luchtledigheid van het vak economie geïllustreerd aan een economisch leerboek over beleid

Maurizio Meloni geeft in Moralizing biology: The appeal and limits of the new compassionate view of nature een fraai overzicht van al het psychologisch, biologische, en neurowetenschappelijke onderzoek dat erop wijst dat morele gemeenschapsintuïties inherent zijn aan de menselijke sociale natuur. Je komt er een sectie in tegen over het Moral Intuitionist Model van de psycholoog Jonathan Haidt en anderen, een sectie over de evolutionaire bouwstenen van moraliteit van de primatoloog Frans de Waal en een sectie over de neurowetenschap van de menselijke morele gevoeligheid (moral sensitivity).

Al dat onderzoek, dat dateert van de laatste tientallen jaren, wijst in een diametraal andere richting dan wat eerder gemeengoed was in het denken over de menselijke moraal. In dat denken stond de stellige overtuiging voorop dat in de natuur alles draait om competitie en om de overwinning van de sterkste en de nederlaag van de zwakste. 

Vertegenwoordigers van dat denken waren bijvoorbeeld Michael Ghiselin (The Economy of Nature and the Evolution of Sex, 1974) en Richard Dawkins (The Selfish Gene, 1976). In die overtuiging was al het morele gedrag van mensen slechts een "vernislaagje". In de woorden van Ghiselin: Scratch an altruist and watch a hypocrite bleed. En Dawkins ging er van uit dat als het gen zelfzuchtig is, dat dat dan ook wel moet gelden voor het organisme. (Ik herinner mij een discussie in een online-groep van alweer jaren geleden, waarin Dawkins deze stellingname ontkende, maar door De Waal steeds maar geconfronteerd werd met citaten uit The Selfish Gene).

Dat denken is dus door het nieuwere onderzoek volledig onderuitgehaald. Waarmee we eigenlijk weer terug zijn bij Charles Darwin, die wel degelijk oog had voor de menselijke morele natuur. Maar die vernislaagtheorie was tot eind vorige eeuw dus gemeengoed in het sociaalwetenschappelijke denken. Voor zover moraliteit daarin al aan de orde kwam, moet je daar meteen bij zeggen, want tot aan dat recente onderzoek werden morele gevoelens eigenlijk niet beschouwd als legitiem onderwerp van onderzoek.

Het is goed om dit alles te bedenken als we terugkeren naar die waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw zoals Karl Polanyi die zag in het wetenschappelijk denken over de rol van de moraal in de inrichting van de maatschappij. Hier het vorige bericht. Na die waterscheiding heerste het wat ik het moreel luchtledige economische denken noemde. Niet de moraal, maar de markt moest de maat der dingen worden. 

Het was juist niet (moreel) goed om de armen en de paupers te helpen, zoals voorafgaand aan de waterscheiding nog min of meer gebeurde, want dat zou alleen maar in de weg staan van het bereiken van een nieuw evenwicht tussen de omvang van de bevolking en de beschikbare hulpbronnen. De wet van vraag en aanbod moest onbelemmerd zijn werk kunnen doen. Honger was nodig om alleen de sterkeren te laten overleven en om hen te motiveren om het werk te verrichten. Dat laatste deden ze in dienst van de bezittende klasse, wat meteen met zich meebracht dat de overheid niet veel meer hoefde te doen dan het bezit te beschermen. De moraal, de impuls om de zwakken te helpen, het gevoel van rechtvaardigheid, dat hoorde geen rol te spelen.

Dat was in de woorden van Polanyi de liberale "utopie" van de vrije, ongereguleerde markt. En precies dat was het begin van het vak economie. En hoewel zich dat vak sindsdien natuurlijk geweldig ontwikkelde, gebeurde dat toch tot vandaag de dag met instandhouding van die morele luchtledigheid. In het theoretische bouwwerk van het vak bleef de markt de maat der dingen. En dus de maat voor welvaart. Overheidsuitgaven worden gemakshalve beschouwd als consumptie in plaats van als mogelijkerwijs welvaart scheppend. Gemakshalve, omdat de waardemaatstaf van de markt ontbreekt. 

Hoe dat uitpakt, valt fraai te illustreren aan een leerboek over beleid op economische grondslag. Ik doel op Policy Analysis. Concepts and Practice van David L. Weimer en Aidan R. Vining. (Ik gaf jarenlang college over dat boek.) Daarin is de markt de maatstaf voor welvaart, dat wil zeggen voor efficiëntie. Kies in je beleid altijd voor de markt, tenzij je een goede reden hebt om dat niet of maar beperkt te doen. 

In dat laatste geval moet er een aanwijsbaar geval zijn van "marktfalen". De markt schiet tekort omdat het om een publiek goed gaat (zoals tegengaan van klimaatverandering), omdat de productie met externe effecten gepaard gaat (vervuiling), vanwege een natuurlijk monopolie (waterleidingnet) of vanwege het bestaan van informatie-asymmetrie (medische zorg). In zulke gevallen is er een reden voor overheidsproductie of overheidsregulering. Maar dus geheel afgeleid van het primaat van de markt als waarden scheppend. En met het streven om de markt zoveel mogelijk te benaderen.

Dat alles valt nog binnen het economische theoretische kader. Maar dan moeten de auteurs zich ook buigen over problemen die, zeg maar, uit de beleidspraktijk komen. Waar ze niet omheen kunnen, wil hun boek voor de praktijk geschikt zijn. 

Problemen echter die helemaal niet met dat theoretische kader geanalyseerd kunnen worden. Zoals het probleem dat mensen niet alleen maar in hun eigen positie geïnteresseerd zijn, maar ook in hoe die positie uitvalt in vergelijking met anderen. Anders gezegd, het probleem dat mensen geneigd zijn tot statuscompetitie. Of het probleem dat er ook nog zoiets bestaat als menselijke waardigheid, van gelijkheid van kansen, van de behoefte aan bestaanszekerheid en aan gelijkheid (iedereen telt mee). (Dit gebeurt in de hoofdstukken 6 en 7 van mijn editie van 1998). 

En dan komt naar voren dat als je als economen een leerboek schrijft over beleid, je heel wezenlijke problemen, die met morele intuïties te maken hebben, helemaal niet met je theoretische apparaat kunt behandelen. Anders gezegd, de utopie, de fantasiewereld, van de econoom loopt tegen zijn grenzen aan. En dat ligt er dus aan dat al vanaf die waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw het vak economie de mens als moreel wezen buiten de deur heeft gehouden. Waarbij je natuurlijk meteen bedenkt hoe merkwaardig dat eigenlijk is. Had dat niet anders gekund? En was dat niet veel beter geweest?

Dit is natuurlijk een breder wetenschappelijk probleem. Zie voor het vak sociologie Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Meer daarover in het volgende bericht.

dinsdag 6 september 2016

Wat is het echte onderscheid tussen de progressief/linkse en de conservatief/rechtse morele intuïties?

Gedurende het opgroeien in het sociale domein van de persoonlijke relaties (familie, vrienden), leren mensen morele intuïties aan. Die intuïties beïnvloeden ons gedrag. Maar doordat wij in een maatschappij leven met naast dat persoonlijke domein ook het publieke domein, is de mate en de richting van beïnvloeding niet vanzelfsprekend.

Volgens de Moral Foundations Theory (MFT) van Jonathan Haidt en anderen kun je in het menselijke morele spectrum zes morele intuïties onderscheiden, die elk met twee tegenstellingen van "goed" tegenover "kwaad" kunnen worden gekarakteriseerd:
  • zorgen/leed toebrengen
  • rechtvaardig zijn/anderen bedriegen 
  • vrijheid van anderen respecteren/anderen overheersen 
  • loyaal zijn/anderen verraden
  • gezag aanvaarden/gezag ondermijnen
  • heiligheid respecteren/heiligheid onteren
Volgens diezelfde theorie beïnvloeden die intuïties ons politieke denken, het denken dus over de juiste inrichting van het publieke domein.

Maar er is differentiatie. Want in dat politieke denken is er het onderscheid tussen "progressief/links" en "conservatief/rechts". En de MFT-onderzoekers menen te hebben aangetoond dat het progressief-linkse denken zich concentreert op zorg voor elkaar, op rechtvaardigheid en op vrijheid, terwijl het conservatief-rechtse denken het hele spectrum van intuïties bestrijkt. Dat zou verklaren dat conservatief-rechts progressief-links wel begrijpt en dat dat andersom niet het geval is.

Of dat zo is? In het bericht Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein betoogde ik dat je, uitgaande van de Dual Mode-theorie, zou zeggen dat het onderscheid tussen de gemeenschapsintuïties (de eerste vier) en de statuscompetitie-intuïties (de laatste twee) meer voor de hand ligt. Volgens dat onderscheid zou progressief/links het publieke domein als een gemeenschap willen inrichten en zou conservatief/rechts van oordeel zijn dat daar de statuscompetitie zijn werk moet doen.

De uitkomsten van de pas verschenen studie Replacing the Moral Foundations: An Evolutionary-Coalitional Theory of Liberal-Conservative Differences lijken in dezelfde richting te wijzen. Ik citeer:
We here provide evidence reinterpreting the Harm and Fairness scales as reflecting a universalizing motive and evidence suggesting Authority, Ingroup, and Purity scales reflect an authoritarian motive. Additionally, we provide evidence of a third dominating motive structuring conservatism.
Kort gezegd: er is een progressief/links denken dat de gemeenschapsintuïties in het publieke domein voor iedereen geldigheid behoren te hebben (universalisme) en er is een conservatief/rechts denken dat onderscheid maakt tussen ingroup en outgroup en dat gezag, heiligheid (zuiverheid) en overheersing (hiërarchie) voorop stelt. En dat laatste is het thema van de statuscompetitie en statushiërarchie, binnen de groep en tussen groepen.

dinsdag 13 mei 2014

Over de oorsprong van de moraal: Kunnen we de Tien Geboden missen?

Morgen naar Groningen om een gastcollege te geven voor sociologiestudenten. Over de oorsprong van de Moraal: Kunnen we de Tien Geboden missen?

Volg de link voor de powerpointdia's.

Over de oorsprong van de moraal - Google Presentaties:



'via Blog this'

zaterdag 31 augustus 2013

Frans de Waal terug naar Utrecht - Een goede aanleiding om weer eens Chimpanseepolitiek op te slaan

Frans de Waal keert terug naar de Universiteit Utrecht. Hij gaat daar colleges geven en misschien onderzoek doen. Hij blijft daarnaast verbonden aan de Emory universiteit in Atlanta, waar hij ook directeur is van het Living Links Center van het Yerkes National Primate Research Center. Zie het bericht in NRC/Handelsblad en zijn Facebookpagina.

Frans de Waal begon zijn wetenschappelijke carrière aan de Universiteit Utrecht met zijn beroemd geworden onderzoek naar de chimpanseekolonie van Burgers Dierenpark in Arnhem. Hij schreef daarover dat prachtige boek Chimpanseepolitiek. Macht en seks bij mensapen, dat in 1982 verscheen. Dat was een baanbrekend onderzoek, omdat hij, tegen de wetenschappelijke consensus van die tijd in, chimpansees nauwgezet en langdurig observeerde en hun gedrag interpreteerde als dat van een soort die heel dicht bij de mens staat. Het was een tijd waarin het behaviorisme nog invloedrijk was en waarin het niet werd gewaardeerd als je gedrag beschreef in termen van motieven en doelen. Want dat was niet objectief.

Daar denken we nu heel anders over, met goede redenen. Frans de Waal was dus zijn tijd ver vooruit. Ik sloeg dat boek Chimpanseepolitiek zopas nog even op en kwam al bladerend op een passage achterin waarin hij stilstaat bij de vraag of die chimpansees ook bewust handelen als ze motieven of doelen hebben. En de vraag wat dan het verschil is met mensen. En het is opvallend dat hij hier vooruitloopt op de resultaten van het latere onderzoek naar bewust en onbewust gedrag, zoals dat van Jonathan Haidt. (Zie ook dit bericht.)

De terugkeer van Frans de Waal naar zijn alma mater is een mooie aanleiding om die passage opnieuw onder de aandacht te brengen. Ik schrijf hem hier over (p. 189-190 van de eerste druk):
Hoewel men zich moeilijk kan voorstellen hoe het uitstippelen van strategieën onbewust kan plaatsvinden, wil ik herhalen dat de aanvaarding van rationeel denken bij chimpansees nog niet hoeft in te houden dat ze ook bewustzijn hebben. Anderzijds wil ik de mogelijkheid van bewustzijn bij dieren ook niet uitsluiten.
Heruitgave 2010
Het komt vaak voor dat mensen het doel van hun gedrag pas achteraf ontdekken. Zo komen we in de puberteit in verzet tegen onze ouders. Dan provoceren we hen en dagen hen uit. Later kunnen we dit gedrag verklaren met de opmerking: 'Ik wilde mijn onafhankelijkheid,' maar toch mogen we niet vergeten dat we het generatieconflict niet met dat motief voor ogen zijn aangegaan. Het motief was onbenoemd en onbewust. Evenzo kan het gebeuren dat we anderen willen beïnvloeden en daartoe tactieken ontwikkelen zonder ook maar een moment te beseffen waar het ons om te doen is. We kunnen zelfs vermijden erover te denken of te spreken. De Nederlandse sociaal-psycholoog Mauk Mulder heeft met vele reeksen proeven bewezen dat mannen voldoening vinden in het uitoefenen van macht en dat ze ervoor ijveren invloed op anderen te vergroten. Tegelijkertijd constateert hij echter een taboe rondom het woord 'macht': 'Wanneer we over macht spreken, hebben we het over iemand anders...' Als we het over onszelf hebben, noemen we het liever 'het nemen van verantwoordelijkheid', 'het hebben van gezag' of 'het helpen van anderen door hun beslissingen uit handen te nemen'.
 Bij het besluipen van een vogel moet een kat zijn uiteindelijke sprong 'berekenen'. Hij heeft veel ervaring nodig om de reactie van de vogel nauwkeurig te voorspellen. Er bestaat in dit opzicht dan ook een groot verschil tussen jonge en volwassen katten. Als regel beschouwen de de berekening van de kat niet als een bewust proces. Ik denk dat onze eigen strategieën voor een groot deel op soortgelijke intuïtieve berekeningen gebaseerd zijn. Hoewel ze afhangen van ervaring en veel intelligentie vereisen, hoeven ze niet tot ons bewustzijn door te dringen. Evenzo kunnen chimpansees een rationele handelwijze volgen zonder dat ze hun strategie bewust van te voren uitstippelen.
De mens is een sprekende aap, maar zijn gedrag verschilt in wezen niet veel van dat van een chimpansee. Mensen houden zich bezig met verbale gevechten, provocerend of imponerend woordvertoon, verontwaardigde interrupties, verzoenende opmerkingen en al die andere gedragspatronen die chimpansees zonder begeleidende tekst uitvoeren. Als de mens zijn toevlucht neemt tot handelingen in plaats van woorden is de overeenkomst nog groter. Chimpansees krijsen en schreeuwen, slaan met deuren, gooien met voorwerpen, roepen om hulp en maken het na afloop met een vriendelijke aanraking of omhelzing goed. Wij mensen vertonen al deze patronen ook, gewoonlijk zonder een bewuste beslissing om zo te doen, en het zou best kunnen dat onze motieven niet zo veel van die van chimpansees verschillen.

maandag 6 februari 2012

Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein

Jonathan Haidt is bekend geworden met de volgende twee inzichten die hij met zijn onderzoek meer of minder (de meningen verschillen) heeft onderbouwd:
  1. onze morele oordelen komen voort uit met emotie geladen intuïties over "wat deugt" en "wat niet deugt". Die intuïties leren we grotendeels onbewust aan gedurende het opgroeien in een morele gemeenschap. Het vermogen om ze makkelijk aan te leren is aangeboren. Verstandelijk redeneren komt er alleen bij kijken als morele oordelen over een handeling tussen mensen verschillen en als mensen dan proberen om elkaar te overtuigen.
  2. er zijn zes van zulke morele intuïties, die elk met twee tegenstellingen van "goed" tegenover "kwaad" kunnen worden gekarakteriseerd: zorgen/leed toebrengen, rechtvaardigheid/bedrog, vrijheid/overheersing, loyaliteit/verraad, gezag aanvaarden/gezag ondermijnen en heiligheid/ontering.
In het artikel over Haidt waar ik naar link in het bericht waar ik hierboven naar link (!), gaat het vooral over de toepassing van deze inzichten op onze oordelen over politiek en maatschappij. Dus over het publieke, onpersoonlijke domein. Het gaat dan bijvoorbeeld over hoe groot de verschillen tussen arm en rijk mogen zijn en over hoe streng misdrijven moeten worden bestraft.

Maar die morele intuïties verwerven we in het persoonlijke domein, in het sociale netwerk van familie en vrienden waarin we opgroeien. En het zijn vooral de intuïties van het gemeenschapsgedrag die we daar leren: je hoort voor elkaar te zorgen (of elkaar in ieder geval de ander geen leed berokkenen), je moet eerlijk zijn tegenover elkaar (in ieder geval de ander niet bedriegen), je moet elkaar in elkaars vrijheid laten (in ieder geval niet de ander willen overheersen) en je hoort onderling loyaal te zijn zodat je op elkaar kunt rekenen (in plaats van de ander te verraden en te laten vallen).

De resterende twee (gezag aanvaarden/gezag ondermijnen en heiligheid/ontering) zijn, lijkt mij, eigenlijk meer morele intuïties die ons er toe aanzetten om in een statushiërarchie te functioneren. Gezag komt van boven en het is maar beter om het te respecteren. En alles wat van boven komt heeft ook altijd een zweem van heiligheid en dat hoor je dus niet te onteren.

Als Haidt gelijk heeft dat wij ze aanleren gedurende het opgroeien, zou dat er dan een gevolg van zijn dat onze maatschappij ambivalent is tussen gemeenschap en statushiërarchie. Dat kleine gemeenschapsnetwerkje waarin onze kinderen opgroeien, is ingebed in een maatschappij waarin statuscompetitie en statushiërarchie een prominente rol spelen. Daar krijg je als kind natuurlijk van alles van mee. Je ouders functioneren in een statushiërarchie als ze een betaalde baan hebben. En zodra je onderwijs gaat genieten, heb je met gezagsverhoudingen te maken. Terwijl de gemeenschappen van lang geleden, die van de jagers/verzamelaars, in zekere zin in "zuivere vorm" functioneerden, dat wil zeggen dat ze onze neiging tot statuscompetitie succesvol onderdrukten, leven we nu in een maatschappij waarin gemeenschap en statuscompetitie (en-hiërarchie) veel in allerlei mengvormen aanwezig zijn.

Maar in grote lijnen kun je wel zeggen dat gemeenschapsgedrag veel gemakkelijker getriggerd wordt in het domein van de persoonlijke relaties. In relaties tussen vrienden ben je gelijkwaardig en is het not done om gezag te willen uitoefenen. Terwijl de uitoefening van gezag in een bedrijf vaak, met meer of minder tegenzin, geaccepteerd wordt. In het onpersoonlijke, publieke domein, dat van bedrijf, overheid en openbare ruimte, overheerst dus de ambivalentie van de intuïties van gemeenschap en statushiërarchie.

Dat maakt dat we in ons denken over politiek en maatschappij veel minder automatisch op onze intuïties kunnen varen. Er komt ook een input bij van ons goed informeren en verstandelijk redeneren. Zo ontstaan ideologieën, maatschappijvisies die wel berusten op bepaalde morele intuïties, maar waar ook denkwerk aan te pas komt. En volgens Haidt is de progressieve ("liberal") ideologie vooral gebaseerd op de intuïties van zorg, rechtvaardigheid en vrijheid. Terwijl de conservatieve ideologie daarnaast óók gebaseerd is op de intuïties van gezag en heiligheid. En daaruit zou volgen dat de conservatieven de progressieven beter begrijpen (omdat ze dezelfde intuïties delen) dan andersom (omdat de progressieven de intuïties van gezag en heiligheid niet kennen of niet willen kennen). Zie dit artikel, dat ondertussen is verschenen in de Journal of Personality and Social Psychology.

woensdag 1 februari 2012

Jonathan Haidt over morele intuïties en politiek

Een mooi artikel over Jonathan Haidt. Over zijn onderzoek naar onze morele intuïties en hoe we met die intuïties over maatschappij en politiek denken. Nu geen tijd voor toelichting en commentaar. Volgt later.
Jonathan Haidt Decodes the Tribal Psychology of Politics - The Chronicle Review - The Chronicle of Higher Education:

'via Blog this'