Mensen zijn sociale dieren. Bij het opgroeien hechten we ons aan de vertrouwde relaties om ons heen. Evolutionair gezien boden die doorgaans de veiligheid die voor overleving nodig was. En dat opgroeien in die vertrouwde kring zorgt er voor dat we onze moedertaal aanleren en dat we een sociale en morele persoon worden.
Maar terwijl in de Paleo Sociale Omgeving die vertrouwde kring altijd aanwezig was en gedurende de levensloop aanwezig bleef, is dat in onze huidige wijze van samenleven niet meer gegarandeerd.
Daardoor kennen we natuurlijk de problemen van eenzaamheid.
Maar ook zien we dat het voor de ontwikkeling van kinderen uitmaakt of ze in een stabiele en vertrouwde sociale omgeving opgroeien of niet.
In het eerste geval leren ze dat mensen zijn te vertrouwen en ontwikkelen ze een veilige hechtingsstijl. Dat kun je een gunstige sociaal-emotionele en morele ontwikkeling noemen. Omdat mensen zijn te vertrouwen, ben je bereid om anderen bij te staan als ze hulp nodig hebben. Biologen spreken van een langzame levensloopstrategie. De mensen om je heen zijn goedwillend en blijven beschikbaar. Daardoor loont het om te investeren in de toekomst en directe behoeftebevrediging uit te stellen. Kansen die er nu zijn, zullen er in de toekomst ook nog zijn.
Dat ligt heel anders als de omgeving instabiel en onveilig is. De snelle levensloopstrategie is daarop het geëigende antwoord. Wees opportunistisch en sla toe als het kan. Vertrouw niemand. Je weet niet hoe lang je nog te leven hebt.
Bij die snelle levensloop past dat kinderen eerder in de puberteit komen, meisjes vroeger menstrueren en vroeger moeder worden. Dat alles gebeurt later in de langzame levensloop, samengaand met een hogere motivatie om een opleiding te (blijven) volgen. Zie Jay Belski's The Development of Human Reproductive Strategies. Progress and Prospects voor een overzicht van onderzoek.
Die beide levensloopstrategieën kun je zien als aanpassingen aan de aard van de sociale omgeving waar in je terecht bent gekomen. De menselijke sociale natuur is flexibel. Er zijn weliswaar allerlei aanwijzingen dat die langzame strategie aangenamer is en minder stressvol, maar gegeven een instabiele en onveilige omgeving is die snelle strategie dan toch "beter" dan die langzame.
Maar instabiliteit kan ook op een andere wijze tot stand komen, namelijk als mensen vaak van sociale omgeving wisselen. Zoals wanneer ze vaak verhuizen. We weten al dat het in je jeugd vaak verhuisd zijn een risicofactor is voor gezondheid en welzijn op latere leeftijd.
En nu is er de nieuwe studie Generalizing disposability: Residential mobility and the willingness to dissolve social ties die laat zien dat het vaak verhuisd zijn samengaat met een grotere sociale vluchtigheid. Dat wil zeggen, met het gemak waarmee je sociale contacten (partner, vrienden) inwisselt voor andere. Anders gezegd, met het onvermogen of gebrek aan bereidheid om je aan anderen te hechten. Vaak verhuisd zijn zal doorgaans betekenen dat relaties en vriendschappen zijn beëindigd en dat er andere voor in de plaats zijn gekomen. En dat lijkt er toe te leiden dat je een kijk op de sociale wereld ontwikkelt waarin mensen vervangbaar zijn.
En omdat verhuizingen en andere wisselingen van sociale omgeving, zoals door baanveranderingen, wel zo'n beetje bij de huidige samenleving horen, verklaart dat dus de grote mate van sociale vluchtigheid die je soms denkt waar te nemen. Update. En waar je jezelf soms op betrapt.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label levensloop-strategie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label levensloop-strategie. Alle posts tonen
dinsdag 1 maart 2016
vrijdag 23 mei 2014
Door leeftijdssegregatie grotere kans om met geweld in aanraking te komen
We hebben onze maatschappij zo ingericht dat onze jongeren niet alleen op school, maar ook in hun vrije tijd veel in aanwezigheid van uitsluitend leeftijdsgenoten verkeren. Door die sterke leeftijdssegregatie is de peer group het centrale element geworden van de sociale omgeving waarin wij onze kinderen laten opgroeien.
De grote nadelen daarvan voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen zijn bekend of zouden dat moeten zijn.
Zo lokken zulke groepen van leeftijdsgenoten gemakkelijk statuscompetitie uit, wat bevorderlijk is voor pesten. En de schadelijke gevolgen van pesten en gepest worden zijn zo langzamerhand bekend. (Zie nu het boek Alles over pesten van Mieke van Stigt, bij de presentatie waarvan ik deze week aanwezig was en waar ik nog een keer op terug kom.)
Ook is bekend dat het veel uitsluitend verkeren in groepen van leeftijdsgenoten de kans op crimineel gedrag verhoogt. Dat kan het gevolg zijn van het veel blootgesteld zijn aan statuscompetitie, waardoor het vertonen van stoer gedrag aantrekkelijker wordt. En door de afwezigheid van volwassenen die een oogje in het zeil houden, zal dat gedrag dan ook eerder optreden.
Maar nu weten we bovendien dat jongeren die vaker uitsluitend in elkaars gezelschap verkeren, ook vaker getuige zijn van geweldsincidenten. De studie Incorporating Unstructured Socializing Into the Study of Secondary Exposure to Community Violence. Etiological and Empirical Implications (betaalpoort) laat zien dat jongeren in Chicago die meer vrije tijd alleen met elkaar doorbrachten, ook vaker getuige waren van een of meer van de volgende gebeurtenissen:
Opgroeien in een sociale omgeving met veel geweld heeft grote negatieve gevolgen. Het vertelt kinderen en jongeren hoe de wereld in elkaar zit. Het maakt dat ze een leven tegemoet gaan waarin ze op hun hoede zijn en geneigd tot opportunisme en wantrouwen. Zie nog eens Pubers en levensloopstrategie: het positieve en het negatieve ontwikkelingstraject en Mannen zijn opportunistischer als ze in een omgeving met meer geweld zijn opgegroeid. Nog afgezien van de negatieve gezondheidseffecten.
Kortom, laten we eens iets doen aan die grote mate van leeftijdssegregatie. Leeftijdssegregatie is slecht voor kinderen.
De grote nadelen daarvan voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen zijn bekend of zouden dat moeten zijn.
Zo lokken zulke groepen van leeftijdsgenoten gemakkelijk statuscompetitie uit, wat bevorderlijk is voor pesten. En de schadelijke gevolgen van pesten en gepest worden zijn zo langzamerhand bekend. (Zie nu het boek Alles over pesten van Mieke van Stigt, bij de presentatie waarvan ik deze week aanwezig was en waar ik nog een keer op terug kom.)
Ook is bekend dat het veel uitsluitend verkeren in groepen van leeftijdsgenoten de kans op crimineel gedrag verhoogt. Dat kan het gevolg zijn van het veel blootgesteld zijn aan statuscompetitie, waardoor het vertonen van stoer gedrag aantrekkelijker wordt. En door de afwezigheid van volwassenen die een oogje in het zeil houden, zal dat gedrag dan ook eerder optreden.
Maar nu weten we bovendien dat jongeren die vaker uitsluitend in elkaars gezelschap verkeren, ook vaker getuige zijn van geweldsincidenten. De studie Incorporating Unstructured Socializing Into the Study of Secondary Exposure to Community Violence. Etiological and Empirical Implications (betaalpoort) laat zien dat jongeren in Chicago die meer vrije tijd alleen met elkaar doorbrachten, ook vaker getuige waren van een of meer van de volgende gebeurtenissen:
- iemand wordt geduwd, geslagen of geschopt
- iemand wordt met een wapen aangevallen
- iemand wordt gewond werd in een ernstig ongeluk
- iemand wordt achtervolgd met de intentie om te verwonden
- iemand wordt bedreigd
- iemand wordt gedood
- het klinken van een geweerschot
Opgroeien in een sociale omgeving met veel geweld heeft grote negatieve gevolgen. Het vertelt kinderen en jongeren hoe de wereld in elkaar zit. Het maakt dat ze een leven tegemoet gaan waarin ze op hun hoede zijn en geneigd tot opportunisme en wantrouwen. Zie nog eens Pubers en levensloopstrategie: het positieve en het negatieve ontwikkelingstraject en Mannen zijn opportunistischer als ze in een omgeving met meer geweld zijn opgegroeid. Nog afgezien van de negatieve gezondheidseffecten.
Kortom, laten we eens iets doen aan die grote mate van leeftijdssegregatie. Leeftijdssegregatie is slecht voor kinderen.
woensdag 6 november 2013
Contact met de natuur maakt minder kortzichtig
Je bent kortzichtig als je voor de korte termijn-beloningen gaat. Ook als
je door daar van af te zien, op een later tijdstip een grotere beloning zou
kunnen krijgen. Pakken wat je pakken kunt, is dan je devies. Anders gezegd: je
verdisconteert de toekomst in hoge mate bij de bepaling van de waarde van een
beloning.
Dat is een gedragspatroon dat past bij de strategie van de snelle levensloop. Er zijn
aanwijzingen dat mensen "kiezen" voor die strategie als ze opgroeien
of leven in een instabiele en onveilige sociale omgeving, met een daardoor
lagere verwachte levensduur. Onderdeel van die strategie is bijvoorbeeld ook de
snellere reproductie. Zo kregen meisjes in buurten van Chicago met een
gemiddeld lagere levensverwachting eerder hun eerste kind dan meisjes in
buurten met een hogere levensverwachting.
Er is nu onderzoek dat laat zien dat mensen minder kortzichtig worden als
ze in aanraking komen met de natuur. In vergelijking met het in aanraking komen
met een stedelijke omgeving. Het gaat om de studie Do Natural Landscapes Reduce Future Discounting? van onderzoekers
van de Vrije Universiteit, Amsterdam. Proefpersonen deden een test voor de mate
waarin ze de toekomst verdisconteren, zeg maar voor de mate van
kortzichtigheid, nadat ze op het beeldscherm natuurlijke landschappen hadden
voorbij zien komen of beelden van stedelijke scènes. Dus bomen, groen en
bloemen versus straten en gebouwen.
Het bekeken hebben van die natuurlijke of die stedelijke landschappen
blijkt dan van invloed te zijn op de uitslag van die test. Na de natuurlijke
landschappen te hebben gezien, ben je minder kortzichtig. Je kiest meer voor
een grotere toekomstige beloning dan voor een kleinere die je meteen in handen
valt. In het onderzoek ging het om de kans op 100 euro nu of dezelfde kans op
een groter bedrag oplopend tot 170 euro over 90 dagen.
Ook lieten de onderzoekers proefpersonen een stukje door het Amsterdamse
Bos wandelen of een stukje door de Zuidas. Met dezelfde resultaten voor de mate
van kortzichtigheid daarna. Over het hele onderzoek genomen was de mate van
kortzichtigheid na het contact met de natuur 10-16 procent lager dan na contact
met een stedelijke omgeving.
Dit effect kwam niet tot stand door een hogere mate van zelfbeheersing of
doordat mensen zich beter voelden. Er lijkt iets te zijn in dat contact met de
natuur dat maakt dat het ons aanzet tot een langzamere levensloopstrategie. Tot
meer zorg voor de toekomst. Daartegenover brengt een stedelijke omgeving ons
meer op materialistische gedachten en wakkert het onze statuscompetitie aan.
Waardoor we kortzichtiger worden. Laten we dus vaker de natuur in gaan. En
laten we met zijn allen zorgen voor meer groen in de stad.
donderdag 21 februari 2013
Over de verklaring van gruwelijk gedrag - Stanley Milgram en Philip Zimbardo
"Charles" reageerde eergisteren op het bericht Moreel besef en de "fallacy of misplaced concreteness": opvoeders en God, dat handelt over het grotendeels onbewuste ontstaansproces van morele intuïties (vergelijkbaar met het aanleren van taal) en onze neiging om een concrete oorzaak voor ons moreel besef aan te wijzen. En daarmee de fout van de misplaatste concreetheid (fallacy of misplaced concreteness) te maken. In dat bericht ging het over opvoeding en God als zulke concretere oorzaken. "Charles" schreef:
Ontdek dit blog zojuist terwijl ik met een half oog naar Schindler's List kijk. Ik ken de film al en die maakt me niet vrolijk.Of er wetenschappelijk onderzoek over dit onderwerp bestaat? Wat kan ik daar op antwoorden?
Vanwaar het ontbreken van moreel besef bij Duitse officieren en soldaten. Van Duitse krijgsgevangenen in Engelse kampem weten we dat Duitse soldaten het doden (moorden) vrij snel 'onder de knie hadden'. Ze leken er verrassend weinig moeite mee te hebben.
Bestaat er wetenschappelijk onderzoek over dit onderwerp.
(Ik had net Het Misverstand Opvoeding van Harris weer eens ter hand genomen).
Eerst maar over die verwijzing naar Het Misverstand Opvoeding van Judith Rich Harris. Dat boek maakt duidelijk dat kinderen vooral worden beïnvloed door wat ze buiten de sfeer van het eigen gezin observeren en meemaken. En veel minder door wat hun ouders hen vertellen en leren. Vergelijk mijn berichten over de mythe van de opvoedbaarheid. Dat betekent dat het dus veel uitmaakt voor hoe een kind zich sociaal en moreel ontwikkelt, hoe die sociale omgeving buiten het gezin er uit ziet. Heerst daar geen morele gemeenschap, maar een toestand van anonimiteit of zelfs een toestand van statuscompetitie, dan is er weinig kans op een gunstige sociale en morele ontwikkeling. En dus is het morele kompas op volwassen leeftijd, dat ons beïnvloedt via de emoties van goed en kwaad, maar zwak aanwezig. En dat betekent weer dat de drempel die ons moet tegenhouden om gruwelijkheden te verrichten, laag is.
Deze verklaring voor gruwelijk gedrag, voor het moorden en afslachten van medemensen, is een toepassing van de evolutionaire theorie van de socialisering oftewel de theorie van de levensloop-strategie. Deze verklaring wijst er op dat de aard van de sociale omgeving waarin mensen opgroeien de kans op het plegen van dit soort misdaden verhoogt.
Uiteraard is er de aanvullende verklaring die oorzaken zoekt in de omstandigheden waaronder mensen handelen. Ook als bij iemand die morele drempel lager is, dan wil dat nog niet zeggen dat hij of zij voortdurend gruwelijkheden begaat. Deze verklaring wordt daarom ook wel situationeel genoemd. Wat zijn de kenmerken van situaties waarin mensen er toe worden gebracht om vreselijke dingen te doen? Onderzoekers die daar een antwoord op hebben proberen te geven, zijn Stanley Milgram en Philip Zimbardo.
Stanley Milgram voerde in de jaren 60 van de vorige eeuw zijn bekend geworden gehoorzaamheidsexperimenten uit. Onder het mom van het gezag van de wetenschap bleek hij in staat om mensen er toe brengen om anderen zelfs in extreme mate te pijnigen. Althans, de proefpersonen werden in de waan gebracht dat ze de pijn, elektrische schokken, ook echt aan iemand toedienden. Kenmerkend voor de situatie was dat het mensen gemakkelijk werd gemaakt om de verantwoordelijkheid voor hun daden bij iemand anders neer te leggen. Over de interpretatie van de uitkomsten van deze experimenten is veel te doen geweest. Lees daarover de behoorlijk goede wikipedia-tekst waar ik hierboven naar link.
Het andere bekende onderzoek is het Stanford Prison Experiment dat Philip Zimbardo in de jaren 70 van de vorig eeuw uitvoerde. Hij simuleerde een gevangenis door studenten de rollen van gevangen en cipiers te laten spelen. Dat experiment liep volledig uit de hand omdat de cipiers overgingen tot martelingen en de gevangenen daarin leken te berusten en zelfs hun medegevangenen die er tegen in opstand kwamen koeioneerden. Na zes dagen moest het experiment worden afgebroken om nog grotere ongelukken te voorkomen. Zimbardo zelf geraakte in gewetensnood omdat hij zichzelf verweet te lang te hebben gewacht met ingrijpen. Pas decennia later was hij in staat om er uitvoerig over te schrijven, in zijn in 2007 verschenen boek The Lucifer Effect. How Good People Turn Evil. Zie ook de website van het boek.
Wat er nu precies valt te leren van dat Stanford Prison Experiment, weet ik eerlijk gezegd nog niet zo goed. Ik heb dat boek in mijn kast staan, maar ben tot nu toe eigenlijk niet verder gekomen dan de eerste alinea, waarin Zimbardo schrijft:
I wish I could say that writing this book was a labor of love; it was not that for a single moment of the two years it took to complete. First of all, it was emotionally painful to review all of the videotapes from the Stanford Prison Experiment (SPE) and to read over and over the typescripts prepared from them. Time had dimmed my memory of the extent of creative evil in which many of the guards engaged, the extent of the suffering of many of the prisoners, and the extent of my passivity in allowing the abuses to continue for as long as I did - an evil of inaction.Ik ben wel hevig geïnteresseerd en vind dat ik me er in behoor te verdiepen. Maar tot nu toe schuif ik het voor me uit. Datzelfde doe ik met dat boek Soldaten. Over vechten, doden en sterven, waar "Charles" naar verwijst en dat ook in mijn kast staat. Je wilt de dagen ook nog wel wat plezierig door komen. Mocht ik nog een keer moed vatten, dan volgen er aanvullende berichten.
donderdag 6 december 2012
De echte oorzaken van voetbalgeweld en andere geweldsincidenten
Onder de kop 'Als je wordt benadeeld, hijgen vrienden in je nek: Doe er eens wat aan?' staat er vanochtend een aardig stukje van Peter Giesen in de Volkskrant. Zie de link onderaan dit bericht. Hij wijst er terecht op dat de opmars van de straatcultuur in allerlei buurten de beste verklaring lijkt voor de reeks van geweldsincidenten, waarvan het doodslaan van een grensrechter door voetballende adolescenten het laatste is. Ik heb die straatcultuur, die een cultuur is van statuscompetitie, al vele malen op dit blog beschreven. Maar ik citeer nu even Peter Giesen:
bij speelt niet bij speelt:
Maar die statuscompetitie, die bovenal vraagt om 'stoer' gedrag, leidt ook vaak tot gewelddadigheid. En de toevallige omstandigheden kunnen dan van dien aard zijn dat er weer eens een incident is met treurige gevolgen en veel media-aandacht. Dan hebben we de neiging om naar oorzaken, en schuldigen (de KNVB, de omstanders, de ouders), te zoeken die in die directe, en toevallige, omstandigheden zijn gelegen. En daar gaat dan helaas alle aandacht naar uit.
Dat is jammer. Want de echte oorzaken liggen in die maatschappelijke onderstroom van toegenomen sociaal isolement van onze gezinnen en de daarmee gepaard gaande sterke leeftijdssegregatie van kinderen en adolescenten. Anders gezegd, die echte oorzaken liggen in de anonieme buurten waarin wij ons dagelijks leven doorbrengen. Waardoor kinderen die er aan toe zijn om hun ouderlijk gezin achter zich te laten, het maar zelf moeten uitzoeken. Het ontwikkelingstraject waarop ze dan terecht komen, is gelukkig nog vaak positief, maar het kan ook negatief uitpakken. Dus: alstublieft, meer aandacht voor Buurten Voor Kinderen.
'Als je wordt benadeeld, hijgen vrienden in je nek: Doe er eens wat aan!' - Binnenland - VK:
'via Blog this'
Op straat verwerven jongens status door geweld, intimidatie en machogedrag. Wie over zich heen laat lopen, verliest daarentegen zijn positie in de groep.
In Nederland wordt de straatcultuur sterk met Marokkanen geassocieerd maar zij komt in alle landen en alle tijdperken voor, vaak onder minderheden. Het mechanisme is simpel: een achterstandsgroep heeft relatief weinig kansen in de gewone samenleving en vindt op straat alternatieve bronnen van status. (...)
Zo ontwikkelt zich een destructieve cultuur, die de kans op een goede toekomst verder verkleint, maar op korte termijn status en vermaak geeft. In de gewone samenleving doe je het misschien slecht op school en kun je hooguit op een ondergeschikt baantje rekenen, maar op straat ben je de koning door overal schijt aan te hebben, risico's te nemen, iedereen een grote bek te geven en erop los te timmeren als iemand je in de weg staat.
Karakteristiek voor de straatcultuur is de sterke groepsbinding. In groepsverband voelen straatjongens zich sterk. 'Kut-Marokkanen' wordt een geuzennaam: zij zijn de 'leipe Mocro's' voor wie iedereen bang is. De waarden van de groep zijn omgekeerd aan die van de samenleving. Slecht gedrag wordt beloond, goed gedrag gestraft.En hij haalt het proefschrift van Jan Dirk de Jong aan over de rol die de opvoeding door de ouders hier
De rol van opvoeding is betrekkelijk, bleek uit de studie van De Jong. Sommige ouders zijn streng, andere onverschillig, maar vaak hebben ze helemaal geen greep meer op hun kinderen. Ze zijn niet opgewassen tegen de invloed van de straat. 'Op een bepaalde leeftijd zijn je vrienden nu eenmaal belangrijker dan je ouders. Zij bepalen of je meetelt', aldus De Jong. 'Bovendien kunnen ook kinderen uit goede gezinnen ontsporen. In een recent onderzoek van criminoloog Eric Bervoets kwam een Turkse jongen voor die uit een heel goed en warm gezin kwam, maar de schrik van de buurt was.'Ja, precies, als gezinnen sociaal geïsoleerd zijn, dan komen onze kinderen en adolescenten, zodra ze doorkrijgen dat hun toekomst buiten het eigen gezin ligt, terecht in de sociale omgeving van de leeftijdsgenoten. En die omgeving is er nu eenmaal een van een hoge mate van statuscompetitie. Die blijft gelukkig vaak redelijk onschuldig, maar laat ook dan zijn negatieve sporen na op hoe kinderen als volwassenen in het (sociale) leven komen te staan.
Maar die statuscompetitie, die bovenal vraagt om 'stoer' gedrag, leidt ook vaak tot gewelddadigheid. En de toevallige omstandigheden kunnen dan van dien aard zijn dat er weer eens een incident is met treurige gevolgen en veel media-aandacht. Dan hebben we de neiging om naar oorzaken, en schuldigen (de KNVB, de omstanders, de ouders), te zoeken die in die directe, en toevallige, omstandigheden zijn gelegen. En daar gaat dan helaas alle aandacht naar uit.
Dat is jammer. Want de echte oorzaken liggen in die maatschappelijke onderstroom van toegenomen sociaal isolement van onze gezinnen en de daarmee gepaard gaande sterke leeftijdssegregatie van kinderen en adolescenten. Anders gezegd, die echte oorzaken liggen in de anonieme buurten waarin wij ons dagelijks leven doorbrengen. Waardoor kinderen die er aan toe zijn om hun ouderlijk gezin achter zich te laten, het maar zelf moeten uitzoeken. Het ontwikkelingstraject waarop ze dan terecht komen, is gelukkig nog vaak positief, maar het kan ook negatief uitpakken. Dus: alstublieft, meer aandacht voor Buurten Voor Kinderen.
'Als je wordt benadeeld, hijgen vrienden in je nek: Doe er eens wat aan!' - Binnenland - VK:
'via Blog this'
vrijdag 23 november 2012
Kinderen steeds eerder in puberteit: snellere levensloop-strategie door vroege sociale stress?
Er verschijnen met enige regelmaat studies waaruit blijkt dat de leeftijd waarop kinderen in de puberteit komen aan het afnemen is. Laura Bell geeft in Science News een overzicht van enkele onderzoeken. Zie de link onderaan dit bericht.
Voor die trend zijn drie verklaringen te geven: kinderen worden steeds dikker, kinderen staan meer bloot aan schadelijke chemische stoffen en: kinderen ervaren op jonge leeftijd steeds meer psychologische en sociale stress.
Die derde verklaring berust op de theorie van de levensloop-strategie, waarop ik eerder in deze berichten inging:
Mannen opportunistischer en wraakzuchtiger als ze in een omgeving met meer geweld zijn opgegroeid
Pubers en levensloop-strategie
Pubers en levensloop-strategie: het positieve en het negatieve ontwikkelingstraject
Onze pubers, hun brein en onze maatschappij
Instabiliteit van sociale omgeving, niet armoede, maakt kinderen opportunistischer
Leeftijdssegregatie is slecht voor kinderen
Sociale ontwikkeling en pro-sociaal gedrag
Die theorie houdt in dat een instabiele en onveilige sociale omgeving op vroege leeftijd een zogenaamde snelle levensloop uitlokt. Die snelle levensloop heeft als gedragscomponent de geneigdheid tot opportunisme, bedrog en wantrouwen. Als je vroege jeugd je inprent dat je anderen niet kunt vertrouwen, dan "investeer" je niet in stabiele relaties. Maar er is ook een fysieke component, die van dat sneller zich aandienen van de puberteit. Die twee samen zorgen ook voor een eerdere aanvang van seksuele activiteit en het eerder voortbrengen van nageslacht. Als je integendeel in je vroege jeugd krijgt ingeprent dat dat je sociale omgeving stabiel en veilig is, dan "kies" je voor de langzame levensloop. En dus, ook via die latere aanvang van de puberteit, voor uitstel van de voortplanting.
Laura Bell gaat ook in op een aanwijzing voor deze theorie die ik nog niet kende. Ze noemt een onderzoek dat laat zien dat kinderen die meer gevoelig zijn voor hun omgeving (een verhoogde biologische reactiviteit op stress hebben), eerder in de puberteit komen als de relatie met hun ouders slechter is.
Oké, maar als je die theorie als verklaring noemt voor de waargenomen vervroeging van de puberteit, dan moet je ook onder ogen willen zien dat de vroege sociale omgeving van onze kinderen minder stabiel, minder veilig en meer stressvol is geworden. Maar daar besteedt Laura Bell geen aandacht aan. Dat is opvallend, omdat ze wel ingaat op die trends van toegenomen obesiteit en van blootstelling aan schadelijke chemische stoffen.
Dat zie je vaker, dat het moeilijk is om onder ogen te zien dat maatschappelijke veranderingen negatieve effecten kunnen hebben op de sociale omgeving en daarmee op ons gedrag. (Zie ook het tweede comment onder aan het artikel.) Ook meer dan een eeuw na Emile Durkheim, de grootste van de klassieke sociologen, is het nog altijd wat ongemakkelijk om de werking van sociale oorzaken te accepteren.
Early Arrival | Science News
Voor die trend zijn drie verklaringen te geven: kinderen worden steeds dikker, kinderen staan meer bloot aan schadelijke chemische stoffen en: kinderen ervaren op jonge leeftijd steeds meer psychologische en sociale stress.
Die derde verklaring berust op de theorie van de levensloop-strategie, waarop ik eerder in deze berichten inging:
Mannen opportunistischer en wraakzuchtiger als ze in een omgeving met meer geweld zijn opgegroeid
Pubers en levensloop-strategie
Pubers en levensloop-strategie: het positieve en het negatieve ontwikkelingstraject
Onze pubers, hun brein en onze maatschappij
Instabiliteit van sociale omgeving, niet armoede, maakt kinderen opportunistischer
Leeftijdssegregatie is slecht voor kinderen
Sociale ontwikkeling en pro-sociaal gedrag
Die theorie houdt in dat een instabiele en onveilige sociale omgeving op vroege leeftijd een zogenaamde snelle levensloop uitlokt. Die snelle levensloop heeft als gedragscomponent de geneigdheid tot opportunisme, bedrog en wantrouwen. Als je vroege jeugd je inprent dat je anderen niet kunt vertrouwen, dan "investeer" je niet in stabiele relaties. Maar er is ook een fysieke component, die van dat sneller zich aandienen van de puberteit. Die twee samen zorgen ook voor een eerdere aanvang van seksuele activiteit en het eerder voortbrengen van nageslacht. Als je integendeel in je vroege jeugd krijgt ingeprent dat dat je sociale omgeving stabiel en veilig is, dan "kies" je voor de langzame levensloop. En dus, ook via die latere aanvang van de puberteit, voor uitstel van de voortplanting.
Laura Bell gaat ook in op een aanwijzing voor deze theorie die ik nog niet kende. Ze noemt een onderzoek dat laat zien dat kinderen die meer gevoelig zijn voor hun omgeving (een verhoogde biologische reactiviteit op stress hebben), eerder in de puberteit komen als de relatie met hun ouders slechter is.
Oké, maar als je die theorie als verklaring noemt voor de waargenomen vervroeging van de puberteit, dan moet je ook onder ogen willen zien dat de vroege sociale omgeving van onze kinderen minder stabiel, minder veilig en meer stressvol is geworden. Maar daar besteedt Laura Bell geen aandacht aan. Dat is opvallend, omdat ze wel ingaat op die trends van toegenomen obesiteit en van blootstelling aan schadelijke chemische stoffen.
Dat zie je vaker, dat het moeilijk is om onder ogen te zien dat maatschappelijke veranderingen negatieve effecten kunnen hebben op de sociale omgeving en daarmee op ons gedrag. (Zie ook het tweede comment onder aan het artikel.) Ook meer dan een eeuw na Emile Durkheim, de grootste van de klassieke sociologen, is het nog altijd wat ongemakkelijk om de werking van sociale oorzaken te accepteren.
Early Arrival | Science News
zaterdag 3 november 2012
Mannen zijn opportunistischer en wraakzuchtiger als ze in een omgeving met meer geweld zijn opgegroeid - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (17)
Het pas verschenen artikel Harsh childhood environmental characteristics predict eploitation and retaliation in humans (pdf) verschaft nieuwe aanwijzingen voor de evolutionaire theorie van socialisering van Belsky en voor de gedachten achter de Dual Mode-theorie. Zie ook het vorige bericht in de reeks berichten over sociale omgeving en pro-sociaal gedrag: Pubers en levensloopstrategie en dit bericht: Het Hitler-bewind sociaal-wetenschappelijk bekeken.
In deze nieuwe studie lieten de onderzoekers studenten een prisoner's dilemma spelen tegen een voorgeprogrammeerde strategie die sterk coöperatief was. De mannelijke studenten die hadden aangegeven in een meer conflictueus en gewelddadig gezin en in een meer gewelddadige buurt te zijn opgegroeid, beantwoordden die coöperatieve strategie meer met het opportunistisch uit zijn op eigen voordeel. Ook waren ze wraakzuchtiger tegenover een niet-coöperatieve strategie. Beide golden niet voor de vrouwelijke studenten.
Ook bleek dat het verband voor een deel verklaard werd doordat deze groep studenten die in hun jeugd meer met geweld in aanraking was geweest, meer statuscompetitief waren ingesteld. Dat wil zeggen dat ze meer een erecode aanhingen. Ze waren het meer eens met uitspraken als:
In deze nieuwe studie lieten de onderzoekers studenten een prisoner's dilemma spelen tegen een voorgeprogrammeerde strategie die sterk coöperatief was. De mannelijke studenten die hadden aangegeven in een meer conflictueus en gewelddadig gezin en in een meer gewelddadige buurt te zijn opgegroeid, beantwoordden die coöperatieve strategie meer met het opportunistisch uit zijn op eigen voordeel. Ook waren ze wraakzuchtiger tegenover een niet-coöperatieve strategie. Beide golden niet voor de vrouwelijke studenten.
Ook bleek dat het verband voor een deel verklaard werd doordat deze groep studenten die in hun jeugd meer met geweld in aanraking was geweest, meer statuscompetitief waren ingesteld. Dat wil zeggen dat ze meer een erecode aanhingen. Ze waren het meer eens met uitspraken als:
- Als iemand mij slecht behandelt, dan vind ik dat ik hem nog slechter moet behandelen
- Soms moet je vechten om je eer hoog te houden of om iemand op zijn plaats te zetten
- Ik probeer om anderen te vergeven, zelfs als zij zich niet schuldig voelen voor wat ze gedaan hebben
zaterdag 13 oktober 2012
Pubers en levensloop-strategie - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (16a)
Nog enkele passages die me opvielen in het recente overzichtsartikel van Belsky over de theorie van de snelle en de langzame levensloop, dat ik in het vorige bericht besprak.
Het lijkt inderdaad zo te zijn dat een instabiele en riskante sociale omgeving in de vroege jeugd een snelle levensloop, met een vroege aanvang van de puberteit, in de hand werkt. Maar is er dan ook geen erfelijke component die de timing van de puberteit beïnvloedt? Ja, die is er. Maar Belsky noemt onderzoek waarin met die genetische overdracht is rekening gehouden en dat ruimte laat voor een sociale omgevingsinvloed. Er zijn aanwijzingen voor het bestaan van alternatieve en voorwaardelijke reproductieve strategieën, in de zin dat de eerste minder en de tweede meer vatbaar zijn voor omgevingsbeïnvloeding.
Is het nu de sociale omgeving van de vroege jeugd, de eerste 5 tot 7 jaar, of de periode daarna tot het begin van de puberteit (7 tot 10-12 jaar) die cruciaal is voor de snelle of de langzame levensloop? Belsky verwijst naar onderzoek, o.a. dit artikel (fulltext achter de poort), dat er op wijst dat beide perioden van invloed zijn. Dit is de periode waarin (vertaald citaat uit dat artikel):
Het lijkt inderdaad zo te zijn dat een instabiele en riskante sociale omgeving in de vroege jeugd een snelle levensloop, met een vroege aanvang van de puberteit, in de hand werkt. Maar is er dan ook geen erfelijke component die de timing van de puberteit beïnvloedt? Ja, die is er. Maar Belsky noemt onderzoek waarin met die genetische overdracht is rekening gehouden en dat ruimte laat voor een sociale omgevingsinvloed. Er zijn aanwijzingen voor het bestaan van alternatieve en voorwaardelijke reproductieve strategieën, in de zin dat de eerste minder en de tweede meer vatbaar zijn voor omgevingsbeïnvloeding.
Is het nu de sociale omgeving van de vroege jeugd, de eerste 5 tot 7 jaar, of de periode daarna tot het begin van de puberteit (7 tot 10-12 jaar) die cruciaal is voor de snelle of de langzame levensloop? Belsky verwijst naar onderzoek, o.a. dit artikel (fulltext achter de poort), dat er op wijst dat beide perioden van invloed zijn. Dit is de periode waarin (vertaald citaat uit dat artikel):
Een opvallende vooruitgang vindt plaats in de taalontwikkeling, niet alleen in de verbale welbespraaktheid, maar ook in de pragmatische vermogens als roddelen, argumenteren en woordenstrijd; sekseverschillen in taalgebruik worden steeds duidelijker, met meer competitieve woordenwisselingen voor jongens en "specialisatie" van meisjes in roddelen (...). (En deze periode) wordt gekarakteriseerd door een dramatische toename in (1) sociale activiteiten met vriendjes en vriendinnetjes en (2) sekse-differentiatie in deze activiteiten.Hier begint dus de periode van de eigen leefwereld, buiten die van het eigen gezin. Op school, in de straat en de buurt, op het voetbalveld. Van cruciaal belang wordt dan de aard van de peer group en de mate van (seksuele) statuscompetitie in die groepen. De aard van de sociale omgeving dus en de mate van stress die die omgeving oproept. En het zou kunnen dat daar de verklaring gezocht moet worden voor belangrijke veranderingen die dan optreden in de mate waarin kinderen agressief of impulsief zijn of last hebben van angststoornissen. Anders gezegd, ook al is die vroege omgeving van groot belang, die wat latere omgeving van tussen de 7 en 10-12 jaar kan nog cruciaal zijn voor welke levensloop, de snelle of de langzame, het gaat worden.
vrijdag 12 oktober 2012
Pubers en levensloop-strategie: het positieve en het negatieve ontwikkelingstraject - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (16)
Door het historisch gezien sterke sociale isolement van onze gezinnen en door de daarmee samenhangende leeftijdssegregatie waaronder kinderen opgroeien, ligt er voor onze kinderen bij hun geboorte niet alleen een positief, maar ook een negatief ontwikkelingstraject klaar. Zie nog eens het bericht Onze pubers, hun brein en onze maatschappij, waarin ik het overzichtsartikel van Eveline Crone en Ronald Dahl besprak. Door hormonale veranderingen in de adolescentiefase groeit de behoefte aan nieuwe ervaringen, nieuwe beloningen en bronnen van beloningen. Vooral sociale beloningen en bronnen daarvan.
Dus gaan pubers buiten het ouderlijk gezin daarnaar op zoek. Als dan de sociale setting van de school niet genoeg belonend is ("niet boeit"), dan resten er nog de vriendengroepen (peer groups) als bron van sociale beloningen. Alle hormonale veranderingen vertellen je dat je er bij moet horen en dat je populair genoeg moet zijn. En dat je attractief genoeg moet zijn om aan de seksuele competitie met succes mee te kunnen doen. En hoe meer je deel gaat uitmaken van die populariteits- en attractiviteitscompetitie tussen leeftijdsgenoten, los gezongen van de wereld van de school, de wereld van de ouders en de wereld van de volwassenen, hoe groter de kans op een negatief ontwikkelingstraject.
Evolutionair georiënteerde onderzoekers zien dat negatieve ontwikkelingstraject als een strategie van de snelle levensloop of van de strategie van de versnelde reproductie. In het beroemde artikel van Belsky, Steinberg en Draper uit 1991 werd die evolutionaire theorie van de socialisering voor het eerst naar voren gebracht. Kinderen "kiezen" voor een snelle levensloop als ze opgroeien in een instabiel en conflictueus (geïsoleerd) gezin met weinig economische middelen (armoede), waarin ze geen veilige hechtingsstijl ontwikkelen, wantrouwend in het leven komen te staan, met een opportunistische houding tegenover anderen.
Dat is dus een strategie met minder pro-sociaal gedrag. Dat houdt ook in dat de hormonale veranderingen van de puberteit eerder intreden, dat ze eerder seksueel actief zijn, dat ze wisselende seksuele contacten hebben en eerder nageslacht op de wereld zetten. Hun levenshouding is er een van het grijpen van de kansen als ze zich voordoen en het niet investeren in langdurige relaties. Dat laatste is altijd riskant, want je kunt anderen immers niet vertrouwen. Als ouder zijn ze geneigd om weinig te investeren in het goed opgroeien van hun kinderen. Vandaar dat deze strategie gemakkelijk van generatie op generatie wordt overgedragen. (Denk bij die positieve ontwikkelingsstrategie aan het tegengestelde van dit alles.)
Sinds 1991 is het werk aan het onderzoek naar deze theorie van de snelle en de langzame levensloop voortgezet. Recentelijk heeft Belsky daarvan een overzichtsartikel geschreven: The Development of Human Reproductive Strategies: Progress and Prospects (fulltext achter de poort). Enkele passages vielen me op, waarvan ik er nu twee wil doorgeven. Andere komen later.
Dus gaan pubers buiten het ouderlijk gezin daarnaar op zoek. Als dan de sociale setting van de school niet genoeg belonend is ("niet boeit"), dan resten er nog de vriendengroepen (peer groups) als bron van sociale beloningen. Alle hormonale veranderingen vertellen je dat je er bij moet horen en dat je populair genoeg moet zijn. En dat je attractief genoeg moet zijn om aan de seksuele competitie met succes mee te kunnen doen. En hoe meer je deel gaat uitmaken van die populariteits- en attractiviteitscompetitie tussen leeftijdsgenoten, los gezongen van de wereld van de school, de wereld van de ouders en de wereld van de volwassenen, hoe groter de kans op een negatief ontwikkelingstraject.
Evolutionair georiënteerde onderzoekers zien dat negatieve ontwikkelingstraject als een strategie van de snelle levensloop of van de strategie van de versnelde reproductie. In het beroemde artikel van Belsky, Steinberg en Draper uit 1991 werd die evolutionaire theorie van de socialisering voor het eerst naar voren gebracht. Kinderen "kiezen" voor een snelle levensloop als ze opgroeien in een instabiel en conflictueus (geïsoleerd) gezin met weinig economische middelen (armoede), waarin ze geen veilige hechtingsstijl ontwikkelen, wantrouwend in het leven komen te staan, met een opportunistische houding tegenover anderen.
Dat is dus een strategie met minder pro-sociaal gedrag. Dat houdt ook in dat de hormonale veranderingen van de puberteit eerder intreden, dat ze eerder seksueel actief zijn, dat ze wisselende seksuele contacten hebben en eerder nageslacht op de wereld zetten. Hun levenshouding is er een van het grijpen van de kansen als ze zich voordoen en het niet investeren in langdurige relaties. Dat laatste is altijd riskant, want je kunt anderen immers niet vertrouwen. Als ouder zijn ze geneigd om weinig te investeren in het goed opgroeien van hun kinderen. Vandaar dat deze strategie gemakkelijk van generatie op generatie wordt overgedragen. (Denk bij die positieve ontwikkelingsstrategie aan het tegengestelde van dit alles.)
Sinds 1991 is het werk aan het onderzoek naar deze theorie van de snelle en de langzame levensloop voortgezet. Recentelijk heeft Belsky daarvan een overzichtsartikel geschreven: The Development of Human Reproductive Strategies: Progress and Prospects (fulltext achter de poort). Enkele passages vielen me op, waarvan ik er nu twee wil doorgeven. Andere komen later.
- Het grote belang van de aard van de peer group, dat wil zeggen van het wel of niet terechtkomen in een groep die gericht is op statuscompetitie en de snelle levensloop, geldt vooral voor jongens. Voor meisjes lijken de gezinsomstandigheden belangrijker te zijn, met name het wel of niet aanwezig zijn van de vader. En meer in het algemeen de instabiliteit van de sociale omgeving. Zie bijvoorbeeld dit onderzoek (fulltext achter de poort).
- Er is onderzoek dat er op wijst dat de kans op de snelle levensloop-strategie groter is, hoe gevaarlijker de sociale omgeving is waarin kinderen opgroeien. Zo komt uit onderzoek naar voren dat de leeftijd bij de geboorte van het eerste kind lager is in een lokale omgeving met een hogere mortaliteit, een lagere levensverwachting en hogere moordstatistieken. Hoe korter en hoe riskanter het leven lijkt te zijn, hoe sneller je er bij moet zijn en hoe opportunistischer het gedrag. Zie bijvoorbeeld What Teen Mothers Know (fulltext achter de poort).
zaterdag 1 september 2012
Onze pubers, hun brein en onze maatschappij
Onze kinderen groeien op in historisch gezien sterk sociaal geïsoleerde gezinnen en, daarmee, samenhangend, onder omstandigheden van leeftijdssegregatie. Ze brengen veel tijd door met alleen de eigen ouders en met leeftijdsgenoten. Met "onze" bedoel ik de kinderen die opgroeien in het huidige West-Europa en in Noord-Amerika, maar het lijkt er op dat dit moderne patroon zich over de wereld verspreidt. In het verleden, en nu nog in sommige culturen, groeiden kinderen meer op in een sociaal netwerk rondom het gezin van familie, oudere en jongere kinderen en volwassenen. Dat was het spreekwoordelijke "dorp" in de agrarische samenlevingen en de egalitaire jagers-verzamelaarsgroep in het Pleistoceen. Zie voor achtergrond mijn eerdere berichten achter het label "cooperative breeding".
War betekent dat voor kinderen? En wat zegt het over hoe onze kinderen de overgang maken naar volwassenheid, dus over de adolescentie? Inzichten daarin krijgen we uit onderzoek naar de ontwikkeling van het brein van kinderen en pubers. Daarover is nu een mooi overzichtsartikel verschenen van Eveline Crone en Ronald Dahl: Understanding adolescence as a period of social–affective engagement and goal flexibility. Wat blijkt daaruit?
Allereerst wordt duidelijk dat een populair idee niet klopt. Dat is het idee dat pubers te lijden hebben van nog onvoldoende ontwikkelde gebieden van de prefrontale cortex, die belangrijk zijn voor cognitieve controle. Pubers zouden daardoor nog niet goed in staat zijn om doelgericht te werken en om hun doelgerichte gedrag aan te passen aan veranderende omstandigheden. Anders gezegd: ze zijn gemakkelijk af te leiden. Crone en Dahl laten zien dat het onderzoek niet consistent uitwijst dat deze hersengebieden bij pubers in ontwikkeling zijn achtergebleven. Integendeel, de voornaamste neuronale cicuits voor cognitieve controle zijn bij het begin van de adolescentie aanwezig.
Opvallend is dat de onderzoeksresultaten sterk variëren. En dat zou er op kunnen wijzen dat de mate waarin cognitieve controleprocessen bij pubers actief zijn, afhankelijk is van de mate waarin ze gemotiveerd en geboeid zijn. In de woorden van Crone en Dahl: het hangt af van sociale en affectieve factoren. Oké, maar wat betekent dat dan precies?
Als ik het goed begrijp, gaat het dan in de eerste plaats om iets wat in het algemeen geldt voor de fase van de puberteit, ook bij dieren, en in de tweede plaats om iets wat specifiek is voor "onze "pubers.
Onderzoek, ook bij dieren, laat zien dat de adolescentiefase wordt gekenmerkt door hormonale veranderingen die leiden tot een toename van explorerend gedrag. De behoefte aan nieuwe ervaringen groeit en daar lijkt een behoefte aan nieuwe beloningen of nieuwe bronnen van beloningen achter te zitten. Dat is te begrijpen als een noodzakelijke fase in de fenotypische ontwikkeling van zoogdieren. Je wordt aanvankelijk gezoogd en verzorgd, maar daar moet natuurlijk een keer een eind aan komen. Je moet dus voor jezelf gaan zorgen en die hormonale veranderingen zorgen er voor dat je dat dan ook zelf wilt. Dat zijn (kennelijk) die affectieve factoren.
Dan moeten die sociale factoren er mee te maken hebben dat voor groepsdieren, zoals mensen, die beloningen sterk samenhangen met het wel of niet hebben van goede relaties met soortgenoten. Als je voor je welzijn, je overleving en je reproductie van elkaar afhankelijk bent, dan is het beter om het hebben van die relaties als belonend te ervaren. Als gevoelens van veiligheid en geborgenheid. Als je die veiligheid en geborgenheid van het gezin achter je moet laten, dan zetten die hormonale veranderingen je er toe aan om nieuwe bronnen van die gevoelens te zoeken.
Wat betekent dat voor onze pubers? Bepaald niet hetzelfde als voor pubers die opgroeiden in dat dorp of in die jagers-verzamelaarsgroep. Voor hen was het opgroeien veel meer een geleidelijke uitbreiding van de sociale kring van veiligheid en geborgenheid. Er zal niet een cesuur zijn geweest zoals onze pubers die doormaken. Net als nu was er wel een overgangsfase naar de rol van volwassen en verantwoordelijk lid van de groep, maar dat was veel minder een overgang naar een nieuwe sociale kring. In de woorden van Crone en Dahl: "de sociale structuren van adolescenten hebben in de recente menselijke geschiedenis grote veranderingen ondergaan". Precies! Dat slaat, in verhullende, "wetenschappelijke", bewoordingen op dat sociale isolement van onze gezinnen en op de leeftijdssegregatie waaraan wij onze kinderen blootstellen.
Waar heeft dat concreet toe geleid? Dat die toenemende behoefte aan exploratie en aan nieuwe bronnen van beloningen in de adolescentie maar één uitkomst kunnen hebben: de geweldige invloed van de peer group, de groep van leeftijdsgenoten, op het gedrag van onze pubers. En omdat wij, als volwassenen, die peer groups niet in ons sociale leven integreren, omdat wij pubers geen verantwoordelijkheden geven, bevinden ze zich als het ware in een sociaal vacuüm. Daarom moeten we maar afwachten wat daar uit komt en stellen we ons op zich merkwaardige vragen als "Wie zijn pubers?", "Wat gebeurt er met pubers?" en "Hoe kunnen 'wij' er mee omgaan?".
Vandaar dat Crone en Dahl een onderscheid maken tussen een "positief" en een "negatief" ontwikkelingstraject van adolescenten. Als je leeftijdsgenoten bij elkaar zet, dan is de kans dat ze zich gaan toeleggen op statuscompetitie veel groter dan in leeftijdsgemengde groepen. Als pubers dus niet veel anders rest dan zich te oriënteren op die peer group, ja, dan creëer je dus een sociale context van statuscompetitie voor hun toegenomen behoefte aan exploratie en beloningen. En die statuscompetitie kan in een goede richting gaan of in een verkeerde richting (drugsgebruik, extreem risicogedrag). En hij kan verliezers voortbrengen, met sociale terugtrekking en kans op depressie als gevolgen.
Als je er met wat afstand naar kijkt, dan verbaast het wel dat wij met zijn allen dit onze pubers aandoen. En natuurlijk ook onszelf aandoen. We hoeven toch niet een maatschappij te hebben waarin is ingebouwd dat er voor onze pubers, naast een positief, ook een negatief ontwikkelingstraject klaar ligt?
War betekent dat voor kinderen? En wat zegt het over hoe onze kinderen de overgang maken naar volwassenheid, dus over de adolescentie? Inzichten daarin krijgen we uit onderzoek naar de ontwikkeling van het brein van kinderen en pubers. Daarover is nu een mooi overzichtsartikel verschenen van Eveline Crone en Ronald Dahl: Understanding adolescence as a period of social–affective engagement and goal flexibility. Wat blijkt daaruit?
Allereerst wordt duidelijk dat een populair idee niet klopt. Dat is het idee dat pubers te lijden hebben van nog onvoldoende ontwikkelde gebieden van de prefrontale cortex, die belangrijk zijn voor cognitieve controle. Pubers zouden daardoor nog niet goed in staat zijn om doelgericht te werken en om hun doelgerichte gedrag aan te passen aan veranderende omstandigheden. Anders gezegd: ze zijn gemakkelijk af te leiden. Crone en Dahl laten zien dat het onderzoek niet consistent uitwijst dat deze hersengebieden bij pubers in ontwikkeling zijn achtergebleven. Integendeel, de voornaamste neuronale cicuits voor cognitieve controle zijn bij het begin van de adolescentie aanwezig.
Opvallend is dat de onderzoeksresultaten sterk variëren. En dat zou er op kunnen wijzen dat de mate waarin cognitieve controleprocessen bij pubers actief zijn, afhankelijk is van de mate waarin ze gemotiveerd en geboeid zijn. In de woorden van Crone en Dahl: het hangt af van sociale en affectieve factoren. Oké, maar wat betekent dat dan precies?
Als ik het goed begrijp, gaat het dan in de eerste plaats om iets wat in het algemeen geldt voor de fase van de puberteit, ook bij dieren, en in de tweede plaats om iets wat specifiek is voor "onze "pubers.
Onderzoek, ook bij dieren, laat zien dat de adolescentiefase wordt gekenmerkt door hormonale veranderingen die leiden tot een toename van explorerend gedrag. De behoefte aan nieuwe ervaringen groeit en daar lijkt een behoefte aan nieuwe beloningen of nieuwe bronnen van beloningen achter te zitten. Dat is te begrijpen als een noodzakelijke fase in de fenotypische ontwikkeling van zoogdieren. Je wordt aanvankelijk gezoogd en verzorgd, maar daar moet natuurlijk een keer een eind aan komen. Je moet dus voor jezelf gaan zorgen en die hormonale veranderingen zorgen er voor dat je dat dan ook zelf wilt. Dat zijn (kennelijk) die affectieve factoren.
Dan moeten die sociale factoren er mee te maken hebben dat voor groepsdieren, zoals mensen, die beloningen sterk samenhangen met het wel of niet hebben van goede relaties met soortgenoten. Als je voor je welzijn, je overleving en je reproductie van elkaar afhankelijk bent, dan is het beter om het hebben van die relaties als belonend te ervaren. Als gevoelens van veiligheid en geborgenheid. Als je die veiligheid en geborgenheid van het gezin achter je moet laten, dan zetten die hormonale veranderingen je er toe aan om nieuwe bronnen van die gevoelens te zoeken.
Wat betekent dat voor onze pubers? Bepaald niet hetzelfde als voor pubers die opgroeiden in dat dorp of in die jagers-verzamelaarsgroep. Voor hen was het opgroeien veel meer een geleidelijke uitbreiding van de sociale kring van veiligheid en geborgenheid. Er zal niet een cesuur zijn geweest zoals onze pubers die doormaken. Net als nu was er wel een overgangsfase naar de rol van volwassen en verantwoordelijk lid van de groep, maar dat was veel minder een overgang naar een nieuwe sociale kring. In de woorden van Crone en Dahl: "de sociale structuren van adolescenten hebben in de recente menselijke geschiedenis grote veranderingen ondergaan". Precies! Dat slaat, in verhullende, "wetenschappelijke", bewoordingen op dat sociale isolement van onze gezinnen en op de leeftijdssegregatie waaraan wij onze kinderen blootstellen.
Vandaar dat Crone en Dahl een onderscheid maken tussen een "positief" en een "negatief" ontwikkelingstraject van adolescenten. Als je leeftijdsgenoten bij elkaar zet, dan is de kans dat ze zich gaan toeleggen op statuscompetitie veel groter dan in leeftijdsgemengde groepen. Als pubers dus niet veel anders rest dan zich te oriënteren op die peer group, ja, dan creëer je dus een sociale context van statuscompetitie voor hun toegenomen behoefte aan exploratie en beloningen. En die statuscompetitie kan in een goede richting gaan of in een verkeerde richting (drugsgebruik, extreem risicogedrag). En hij kan verliezers voortbrengen, met sociale terugtrekking en kans op depressie als gevolgen.
Als je er met wat afstand naar kijkt, dan verbaast het wel dat wij met zijn allen dit onze pubers aandoen. En natuurlijk ook onszelf aandoen. We hoeven toch niet een maatschappij te hebben waarin is ingebouwd dat er voor onze pubers, naast een positief, ook een negatief ontwikkelingstraject klaar ligt?
vrijdag 17 februari 2012
Instabiliteit van sociale omgeving, niet armoede, maakt kinderen opportunistischer
Wat maakt dat sommige kinderen eerder seksueel actief worden, meer seksuele partners hebben, agressiever zijn en meer met politie en justitie in aanraking komen: opgroeien in een sociale omgeving met armoede of in een sociale omgeving die instabiel is?
Uit dit onderzoek (ondertussen verschenen in Developmental Psychology) blijkt dat het gaat om die instabiliteit. Daaronder werd verstaan: periodes van werkloosheid van een ouder, aantal verhuizingen en aantal keren dat de moeder veranderde van inwonende partner, alles in de periode tot het kind vijf jaar werd. Kinderen die meer instabiliteit hadden meegemaakt, bleken toen ze 23 jaar waren geworden, eerder dan kinderen die minder instabiliteit hadden meegemaakt, eerder met sex te zijn begonnen en meer met wisselende partners seks te hebben gehad. Ook bleken ze agressiever te zijn en meer met politie en justitie in aanraking te zijn geweest. Dit alles gold niet voor kinderen die tot hun vijfde levensjaar meer armoede hadden meegemaakt. Opvallend was ook dat instabiliteit van de sociale omgeving op latere leeftijd (tussen 6 en 16 jaar) niet uitmaakte. Kennelijk vormen de eerste vijf levensjaren een kritiek periode.
Kinderen lijken van een instabiele omgeving op vroege leeftijd op te pikken dat je in het algemeen maar niet teveel op mensen kunt vertrouwen. Ze zijn er vandaag wel, maar dat hoeft voor morgen of volgende week niet te gelden. Als de zaken er zo voor staan, dan blijkt dat kinderen voor een snelle en riskante (opportunistische) levensstrategie "kiezen". Die aanhalingstekens willen zeggen dat die keuze niet het gevolg is van een bewuste afweging. Althans, daar zijn weinig aanwijzingen voor.
Uit dit onderzoek (ondertussen verschenen in Developmental Psychology) blijkt dat het gaat om die instabiliteit. Daaronder werd verstaan: periodes van werkloosheid van een ouder, aantal verhuizingen en aantal keren dat de moeder veranderde van inwonende partner, alles in de periode tot het kind vijf jaar werd. Kinderen die meer instabiliteit hadden meegemaakt, bleken toen ze 23 jaar waren geworden, eerder dan kinderen die minder instabiliteit hadden meegemaakt, eerder met sex te zijn begonnen en meer met wisselende partners seks te hebben gehad. Ook bleken ze agressiever te zijn en meer met politie en justitie in aanraking te zijn geweest. Dit alles gold niet voor kinderen die tot hun vijfde levensjaar meer armoede hadden meegemaakt. Opvallend was ook dat instabiliteit van de sociale omgeving op latere leeftijd (tussen 6 en 16 jaar) niet uitmaakte. Kennelijk vormen de eerste vijf levensjaren een kritiek periode.
Kinderen lijken van een instabiele omgeving op vroege leeftijd op te pikken dat je in het algemeen maar niet teveel op mensen kunt vertrouwen. Ze zijn er vandaag wel, maar dat hoeft voor morgen of volgende week niet te gelden. Als de zaken er zo voor staan, dan blijkt dat kinderen voor een snelle en riskante (opportunistische) levensstrategie "kiezen". Die aanhalingstekens willen zeggen dat die keuze niet het gevolg is van een bewuste afweging. Althans, daar zijn weinig aanwijzingen voor.
woensdag 7 december 2011
Leeftijdssegregatie is slecht voor kinderen
In de powerpoint bij dit bericht maakte ik melding van de sterke leeftijdssegregatie die kenmerkend is voor hoe onze kinderen opgroeien. Het buiten het eigen gezin vrijwel alleen maar in aanraking komen met andere kinderen van vrijwel dezelfde leeftijd, in de kinderopvang, op school en in de vrije tijd, is niet bevorderlijk voor een goede sociale en morele ontwikkeling.
Dit artikel (betaalpoort), verschenen in Developmental Psychology, gaat op dit probleem van leeftijdssegregatie dieper in. Het is onderdeel van een bredere beschouwing over de evolutionaire achtergrond van riskant adolescentengedrag. De gedachte is dat veel problematisch adolescentengedrag niet pathologisch is, maar een aanpassing aan de huidige sociale omgeving waarin kinderen opgroeien. Hoe meer kinderen opgroeien in een veilige, vertrouwde sociale omgeving, hoe meer pro-sociaal ze zich gedragen. Maar hoe minder veilig en vertrouwd die omgeving is, hoe meer kans op statuscompetitiegedrag. Dat berust op een evolutionair "gegroeid" vermogen tot aanpassing aan de aard van de, in dit geval sociale, omgeving. Statuscompetitiegedrag is een goede aanpassing aan een omgeving die door statuscompetitie wordt gekenmerkt. Denk aan de Dual Mode-theorie.
Die veilige en vertrouwde omgeving die nodig is voor wat wij een goede sociale en morele ontwikkeling vinden, is in het verleden altijd een geweest waarin kinderen opgroeiden in een sociaal netwerk van vertrouwde anderen van verschillende leeftijden. Leeftijdsmenging is tot niet zo lang geleden voor opgroeiende kinderen de normale toestand geweest. En dat artikel waar ik hier boven naar link, vermeldt aanwijzingen dat leeftijdsgemengd opgroeien leidt tot minder agressief gedrag en tot meer zorgzaamheid en hulpvaardigheid. Dat werkt twee kanten op. Jongere kinderen zien hoe oudere kinderen en volwassenen elkaar en jongere kinderen ondersteunen en nemen dat over. Maar ook komen oudere kinderen veel in aanraking met jongere en dat op zich roept bij hen de neiging op om te helpen. En dat alles gebeurt spontaan, alleen al door die leeftijdsmenging. Misschien overbodig om te vermelden dat leeftijdsmenging en coöperatief grootbrengen van de kinderen (cooperative breeding) in hoge mate samengaan.
Dit staat in schril contrast met naar leeftijd gesegregeerd opgroeien, ook al omdat in die groepen van dezelfde leeftijd meestal maar beperkte vertrouwdheid heerst. Dat verhoogt de kans op statuscompetitiegedrag.
Als je dat bedenkt en bedenkt hoe wijdverbreid leeftijdssegregatie in onze maatschappij is en hoe normaal wij dat zijn gaan vinden, dan zinkt je de moed in de schoenen als je nadenkt over hoe we dit kunnen veranderen. De auteurs van dat artikel pleiten er daarom voor om in ieder geval te bevorderen dat mensen zich meer bewust worden van het grote belang van leeftijdsmenging. Dat kan er toe leiden dat buurtbewoners een groter belang gaan hechten aan veilige ontmoetingsplekken en daarmee een socialer buurtleven.
Maar ook zijn er meer specifieke "interventies" die leeftijdsmenging bevorderen en die bewezen gunstige effecten hebben. Ze noemen "mentoring" programma's, wij noemen dat maatjesprojecten, waarin jongeren die in de problemen zijn gekomen, gekoppeld worden aan een oudere mentor. En ze noemen programma's waarin oudere kinderen de gelegenheid krijgen om jongere kinderen te helpen. Daarbij moest ik denken aan die jongens in Parkwijk-Leidsche Rijn, die elke week een speelmiddag organiseren voor de kleintjes. Ik vond later uit dat iets dergelijks in meer buurten gebeurt, maar kan de bron niet terugvinden.
Dit artikel (betaalpoort), verschenen in Developmental Psychology, gaat op dit probleem van leeftijdssegregatie dieper in. Het is onderdeel van een bredere beschouwing over de evolutionaire achtergrond van riskant adolescentengedrag. De gedachte is dat veel problematisch adolescentengedrag niet pathologisch is, maar een aanpassing aan de huidige sociale omgeving waarin kinderen opgroeien. Hoe meer kinderen opgroeien in een veilige, vertrouwde sociale omgeving, hoe meer pro-sociaal ze zich gedragen. Maar hoe minder veilig en vertrouwd die omgeving is, hoe meer kans op statuscompetitiegedrag. Dat berust op een evolutionair "gegroeid" vermogen tot aanpassing aan de aard van de, in dit geval sociale, omgeving. Statuscompetitiegedrag is een goede aanpassing aan een omgeving die door statuscompetitie wordt gekenmerkt. Denk aan de Dual Mode-theorie.
Die veilige en vertrouwde omgeving die nodig is voor wat wij een goede sociale en morele ontwikkeling vinden, is in het verleden altijd een geweest waarin kinderen opgroeiden in een sociaal netwerk van vertrouwde anderen van verschillende leeftijden. Leeftijdsmenging is tot niet zo lang geleden voor opgroeiende kinderen de normale toestand geweest. En dat artikel waar ik hier boven naar link, vermeldt aanwijzingen dat leeftijdsgemengd opgroeien leidt tot minder agressief gedrag en tot meer zorgzaamheid en hulpvaardigheid. Dat werkt twee kanten op. Jongere kinderen zien hoe oudere kinderen en volwassenen elkaar en jongere kinderen ondersteunen en nemen dat over. Maar ook komen oudere kinderen veel in aanraking met jongere en dat op zich roept bij hen de neiging op om te helpen. En dat alles gebeurt spontaan, alleen al door die leeftijdsmenging. Misschien overbodig om te vermelden dat leeftijdsmenging en coöperatief grootbrengen van de kinderen (cooperative breeding) in hoge mate samengaan.
Dit staat in schril contrast met naar leeftijd gesegregeerd opgroeien, ook al omdat in die groepen van dezelfde leeftijd meestal maar beperkte vertrouwdheid heerst. Dat verhoogt de kans op statuscompetitiegedrag.
Als je dat bedenkt en bedenkt hoe wijdverbreid leeftijdssegregatie in onze maatschappij is en hoe normaal wij dat zijn gaan vinden, dan zinkt je de moed in de schoenen als je nadenkt over hoe we dit kunnen veranderen. De auteurs van dat artikel pleiten er daarom voor om in ieder geval te bevorderen dat mensen zich meer bewust worden van het grote belang van leeftijdsmenging. Dat kan er toe leiden dat buurtbewoners een groter belang gaan hechten aan veilige ontmoetingsplekken en daarmee een socialer buurtleven.
Maar ook zijn er meer specifieke "interventies" die leeftijdsmenging bevorderen en die bewezen gunstige effecten hebben. Ze noemen "mentoring" programma's, wij noemen dat maatjesprojecten, waarin jongeren die in de problemen zijn gekomen, gekoppeld worden aan een oudere mentor. En ze noemen programma's waarin oudere kinderen de gelegenheid krijgen om jongere kinderen te helpen. Daarbij moest ik denken aan die jongens in Parkwijk-Leidsche Rijn, die elke week een speelmiddag organiseren voor de kleintjes. Ik vond later uit dat iets dergelijks in meer buurten gebeurt, maar kan de bron niet terugvinden.
donderdag 15 september 2011
Sociale ontwikkeling en pro-sociaal gedrag
Een belangrijke uitkomst van vele studies naar de evolutie van pro-sociaal gedrag is dat dit gedrag verwacht kan worden als het maar genoeg voorkomt in de sociale omgeving. Als jij hulpvaardig bent, maar de mensen waarmee je omgaat denken alleen aan zichzelf, dan heb je een slecht leven. Maar als anderen ook hulpvaardig zijn én als ze dat gedrag van jou verwachten, dan zou je een slecht leven hebben als je alleen aan jezelf zou denken.
Dat is in een notendop de evolutionaire benadering van pro-sociaal gedrag. En met die benadering kijken onderzoekers ook naar de sociale ontwikkeling van kinderen. Als ze opgroeien in een ondersteunende sociale omgeving, met verwachtingen van pro-sociaal gedrag en dus negatieve reacties op egoïsme, dan zullen kinderen gemakkelijk pro-sociale waarden en gedrag ontwikkelen.
Deze en deze onderzoeksresultaten van het Binghamton Neighborhood Project komen met deze benadering overeen. De pro-socialiteit van adolescenten blijkt samen te hangen met de mate van sociale steun afkomstig uit vijf sociale domeinen waarin ze actief zijn: het eigen gezin, de school, buitenschoolse activiteiten, kerk en buurt. Naast het gezin zijn er dus die vier sociale domeinen buiten het gezin die lijken bij te dragen tot pro-socialiteit. "Lijken", omdat je uit die samenhang geen oorzakelijk verband kunt afleiden. Dat elk van de domeinen zelfstandig samenhangt met pro-socialiteit, zien de auteurs als een aanwijzing voor de noodzakelijkheid van meerdere bronnen van sociale steun. Kennelijk is er inderdaad "een dorp" nodig om een pro-sociaal kind groot te brengen.
Interessant is verder dat adolescenten uit verschillende buurten konden worden vergeleken. Iedereen was ook gevraagd naar de sociale cohesie van de eigen buurt, zodat per buurt een gemiddelde kon worden bepaald. Het blijkt dan dat de meest pro-sociale kinderen in de buurten wonen met de hoogste sociale cohesie. En dat lag er niet aan dat die buurten een hoger gemiddeld inkomen hadden.
Een citaat uit de conclusies van de tweede studie:
Dat is in een notendop de evolutionaire benadering van pro-sociaal gedrag. En met die benadering kijken onderzoekers ook naar de sociale ontwikkeling van kinderen. Als ze opgroeien in een ondersteunende sociale omgeving, met verwachtingen van pro-sociaal gedrag en dus negatieve reacties op egoïsme, dan zullen kinderen gemakkelijk pro-sociale waarden en gedrag ontwikkelen.
Deze en deze onderzoeksresultaten van het Binghamton Neighborhood Project komen met deze benadering overeen. De pro-socialiteit van adolescenten blijkt samen te hangen met de mate van sociale steun afkomstig uit vijf sociale domeinen waarin ze actief zijn: het eigen gezin, de school, buitenschoolse activiteiten, kerk en buurt. Naast het gezin zijn er dus die vier sociale domeinen buiten het gezin die lijken bij te dragen tot pro-socialiteit. "Lijken", omdat je uit die samenhang geen oorzakelijk verband kunt afleiden. Dat elk van de domeinen zelfstandig samenhangt met pro-socialiteit, zien de auteurs als een aanwijzing voor de noodzakelijkheid van meerdere bronnen van sociale steun. Kennelijk is er inderdaad "een dorp" nodig om een pro-sociaal kind groot te brengen.
Interessant is verder dat adolescenten uit verschillende buurten konden worden vergeleken. Iedereen was ook gevraagd naar de sociale cohesie van de eigen buurt, zodat per buurt een gemiddelde kon worden bepaald. Het blijkt dan dat de meest pro-sociale kinderen in de buurten wonen met de hoogste sociale cohesie. En dat lag er niet aan dat die buurten een hoger gemiddeld inkomen hadden.
Een citaat uit de conclusies van de tweede studie:
Prosociality and the relationships it creates are essential to society, and our study suggests that a prosocial society perpetuates itself by providing an environment that encourages such behavior in youth. Prosociality is not exclusively a function of the individual, or even of parenting practices, as it is also impacted by the broader community.En een citaat over het praktische belang:
... nearly any intervention that provides a young person with a constructive environment will have some measurable effect on attitudes and behavior.
Abonneren op:
Posts (Atom)