Mensen zijn zo fundamenteel sociaal dat het iets doen voor anderen voldoening verschaft. Zie het bericht Door helpen gelukkiger - Alle onderzoek op een rij. Pro-sociaal gedrag was in het verleden zo belangrijk voor overleving, omdat het samenwerken en delen mogelijk maakte, dat er een selectieproces moet hebben plaatsgevonden op de eigenschap om je er beter door te voelen iemand anders bij te staan.
De nieuwe studie Daily Ups and Downs. An Event-Sampling Study of the Mediated Moderation of Prosocial Engagement on Well-Being vertelt iets meer over de aard van dat verband tussen pro-sociaal gedrag en voldoening.
De onderzoekers vroegen de deelnemers aan het onderzoek (383 volwassenen) om een app op hun telefoon te downloaden, die hen gedurende twee weken vier maal per dag vroeg om een kort vragenlijstje te beantwoorden over of ze in de afgelopen uren iets voor iemand anders hadden gedaan en over hoe gelukkig en hoe vitaal ze zich voelden. (Vitaliteit slaat op het zogenaamde eudaimonisch welzijn.) Ook werd hen gevraagd hoe competent, hoe autonoom en hoe verbonden met anderen ze zich voelden (de drie doelen van de zelfbeschikkingstheorie).
Het bleek toen inderdaad dat mensen zich beter (gelukkiger en vitaler) gingen voelen nadat ze in de afgelopen uren meer iets voor een ander of anderen hadden gedaan. En het bleek dat dit er vooral aan lag dat het gevoel van competentie, het gevoel controle te hebben over je lot, werd verhoogd, vooral in die gevallen waarin mensen zich daarvoor weinig competent voelden.
Het is natuurlijk maar een onderzoekje. Maar het geeft toch te denken dat mensen zich door anderen te helpen competenter gaan voelen en niet, zoals je op het eerste gezicht zou verwachten, meer verbonden met anderen.
Ik kwam op de gedachte dat de evolutie kennelijk zo "slim" is geweest om ons gevoel van controle te hebben over ons leven mede afhankelijk te maken van hoeveel we voor anderen doen. Dat kun je wel fundamenteel sociaal noemen.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label zelfbeschikkingstheorie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zelfbeschikkingstheorie. Alle posts tonen
woensdag 19 september 2018
donderdag 8 februari 2018
Terug naar het ambacht? Over ons lage welzijn als we werken - Marx' vervreemding is nog lang niet opgeheven
Ryan Avent, de auteur van THE WEALTH OF HUMANS. Work, Power, and Status in the Twenty-first Century, wijst op de trend dat witte boordenwerknemers hun baan opzeggen en een nieuw leven beginnen als ambachtsman of - vrouw.
Zie Crafting a Life, waarin het gaat over IT-professionals, managers, PR-consultants, juristen en lobbyisten, die nu ambachtelijk whiskey distilleren, bier brouwen, potten bakken, koffie branden, kleren maken, tafelzuur produceren of leer verwerken.
Op de schaal van de gehele economie is het natuurlijk nog slechts een onbeduidende ontwikkeling, maar Avent vraagt zich toch af of het niet het begin zou kunnen zijn van een lange termijn-verandering van de wereld van de arbeid. Waarin mensen weer controle hebben over hun werk en waarin hun prestaties niet voortdurend aan die van hun collega's worden afgemeten. Waarin ze persoonlijke relaties met leveranciers en klanten kunnen hebben. Waarin ze niet in een hiërarchie te hoeven functioneren.
Terug dus naar een tijd waarin je nog niet van je arbeid en van de producten van je arbeid was vervreemd. Die term doet aan Karl Marx (1818-1883) denken en die naam komt dan ook voorbij:
Want als zo'n ontwikkeling als Ryan Avent die schildert inderdaad zou doorzetten, dan is dat niet verrassend als je bedenkt dat werk ons maar een heel laag welzijn oplevert. Ondanks dat de arbeidsomstandigheden over het algemeen veel beter zijn dan in de 19-de eeuw.
Het welzijn dat we ervaren als we aan het werk zijn, kun je meten zoals Kahneman et al dat deden in 2004. Rudi Wielers, Peter van der Meer en ondergetekende haalden dat onderzoek aan in Verhoogt werk ons welzijn? Een bespreking van onderzoeksresultaten. Kahneman c.s. lieten ruim 900 werkende Texaanse vrouwen aangeven welke activiteit ze de vorige dag hadden verricht en hoe ze zich daarbij hadden gevoeld. Daaruit kwam naar voren dat de bezigheid van het werken bij positieve gevoelens (geluk, plezier, warm/vriendelijk) op de op een na onderste plek stond, net boven woon-werkverkeer. En bij negatieve gevoelens (gefrustreerd, depressief, vijandig, bezorgd, bekritiseerd) stond werk onbedreigd bovenaan.
Nu kun je nog denken dat het hier gaat om een merkwaardige onderzoeksgroep, alleen vrouwen en alleen uit Texas.
Maar twee jaar geleden verscheen ook de in Engeland uitgevoerde studie Are You Happy While You Work?, met een veel grotere onderzoeksgroep. (Bij een voorpublicatie ervan stond ik stil in dit bericht.) Het betrof 26.682 personen, die via een op hun telefoon geïnstalleerde app gemiddeld 60 keer, tussen de 2 en 5 keer per dag, aangaven hoe ze zich voelden op een willekeurig gekozen moment. Daarbij ging het om hoe gelukkig ze zich voelden, hoe ontspannen en hoe wakker.
En ook daaruit komt ondubbelzinnig naar voren hoe weinig welzijn werk oplevert in vergelijking met andere activiteiten. Want werk stond op de voorlaatste plaats, net boven "ziek in bed liggen".
Bedenk daarbij dat in de onderzoeksgroep de hogere inkomens waren oververtegenwoordigd. En die hebben over het algemeen banen met betere arbeidsomstandigheden en ze kunnen hogere eisen stellen. In een representatieve steekproef zouden de uitkomsten voor werk dus waarschijnlijk nog slechter zijn uitgevallen.
Sinds de 19-de eeuw zijn de fysieke arbeidsomstandigheden ongetwijfeld sterk verbeterd. Maar arbeid zou natuurlijk aan veel hogere eisen moeten voldoen. Denk even aan de drie fundamentele levensbehoeften volgens de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan: verbondenheid met anderen, gevoel van autonomie en gevoel van competentie. Dan snap je meteen dat verlangen naar ambachtelijkheid waar Ryan Avent op wijst.
Zie Crafting a Life, waarin het gaat over IT-professionals, managers, PR-consultants, juristen en lobbyisten, die nu ambachtelijk whiskey distilleren, bier brouwen, potten bakken, koffie branden, kleren maken, tafelzuur produceren of leer verwerken.
Op de schaal van de gehele economie is het natuurlijk nog slechts een onbeduidende ontwikkeling, maar Avent vraagt zich toch af of het niet het begin zou kunnen zijn van een lange termijn-verandering van de wereld van de arbeid. Waarin mensen weer controle hebben over hun werk en waarin hun prestaties niet voortdurend aan die van hun collega's worden afgemeten. Waarin ze persoonlijke relaties met leveranciers en klanten kunnen hebben. Waarin ze niet in een hiërarchie te hoeven functioneren.
Terug dus naar een tijd waarin je nog niet van je arbeid en van de producten van je arbeid was vervreemd. Die term doet aan Karl Marx (1818-1883) denken en die naam komt dan ook voorbij:
The living conditions of Washington’s professionals are incomparably better than those of the 19th-century workers Karl Marx observed, yet his notion that capitalism deprived labour of the deep satisfaction work can provide has a contemporary resonance in downtown Washington.Stof tot nadenken over hoe wij de wereld van de arbeid hebben georganiseerd en hoe wij die ervaren.
Want als zo'n ontwikkeling als Ryan Avent die schildert inderdaad zou doorzetten, dan is dat niet verrassend als je bedenkt dat werk ons maar een heel laag welzijn oplevert. Ondanks dat de arbeidsomstandigheden over het algemeen veel beter zijn dan in de 19-de eeuw.
Het welzijn dat we ervaren als we aan het werk zijn, kun je meten zoals Kahneman et al dat deden in 2004. Rudi Wielers, Peter van der Meer en ondergetekende haalden dat onderzoek aan in Verhoogt werk ons welzijn? Een bespreking van onderzoeksresultaten. Kahneman c.s. lieten ruim 900 werkende Texaanse vrouwen aangeven welke activiteit ze de vorige dag hadden verricht en hoe ze zich daarbij hadden gevoeld. Daaruit kwam naar voren dat de bezigheid van het werken bij positieve gevoelens (geluk, plezier, warm/vriendelijk) op de op een na onderste plek stond, net boven woon-werkverkeer. En bij negatieve gevoelens (gefrustreerd, depressief, vijandig, bezorgd, bekritiseerd) stond werk onbedreigd bovenaan.
Nu kun je nog denken dat het hier gaat om een merkwaardige onderzoeksgroep, alleen vrouwen en alleen uit Texas.
Maar twee jaar geleden verscheen ook de in Engeland uitgevoerde studie Are You Happy While You Work?, met een veel grotere onderzoeksgroep. (Bij een voorpublicatie ervan stond ik stil in dit bericht.) Het betrof 26.682 personen, die via een op hun telefoon geïnstalleerde app gemiddeld 60 keer, tussen de 2 en 5 keer per dag, aangaven hoe ze zich voelden op een willekeurig gekozen moment. Daarbij ging het om hoe gelukkig ze zich voelden, hoe ontspannen en hoe wakker.
En ook daaruit komt ondubbelzinnig naar voren hoe weinig welzijn werk oplevert in vergelijking met andere activiteiten. Want werk stond op de voorlaatste plaats, net boven "ziek in bed liggen".
Bedenk daarbij dat in de onderzoeksgroep de hogere inkomens waren oververtegenwoordigd. En die hebben over het algemeen banen met betere arbeidsomstandigheden en ze kunnen hogere eisen stellen. In een representatieve steekproef zouden de uitkomsten voor werk dus waarschijnlijk nog slechter zijn uitgevallen.
Sinds de 19-de eeuw zijn de fysieke arbeidsomstandigheden ongetwijfeld sterk verbeterd. Maar arbeid zou natuurlijk aan veel hogere eisen moeten voldoen. Denk even aan de drie fundamentele levensbehoeften volgens de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan: verbondenheid met anderen, gevoel van autonomie en gevoel van competentie. Dan snap je meteen dat verlangen naar ambachtelijkheid waar Ryan Avent op wijst.
woensdag 14 juni 2017
Waardoor hebben adolescenten eigenlijk niet allemaal het gevoel dat ze zichzelf kunnen zijn?
Adolescenten staan in onze manier van samenleven voor grote uitdagingen. Ze moeten voldoen aan de eisen van de school en ze moeten een plek zien te vinden in de sociale omgeving van de leeftijdsgenoten. Adolescenten zijn in onze maatschappij ook altijd scholieren.
Dat zijn uitdagingen die slecht tegemoetkomen aan de menselijke behoefte aan authenticiteit, aan de behoefte om jezelf te kunnen zijn. Het onderwijs blijft nu eenmaal een setting waarin je door een molen gaat van vakken, roosters, proefwerken, huiswerkverplichtingen en examens. En de peer group nodigt uit tot een strijd om wie populair is en in die strijd kun je vaak juist niet jezelf zijn.
In de studie Happy To Be “Me?” Authenticity, Psychological Need Satisfaction, and Subjective Well-Being in Adolescence keken onderzoekers naar het belang van jezelf kunnen zijn voor het welzijn van adolescenten. De mate waarin je van oordeel bent dat je jezelf kunt zijn, werd vastgesteld met de Authenticity Scale, die eruit bestaat dat je van de volgende 12 uitspraken moet aangeven in hoeverre ze op jou van toepassing zijn:
Uit het onderzoek, deels in Nederland en deels in Engeland uitgevoerd, blijkt een duidelijke samenhang tussen de mate van authenticiteit en het welzijn (gemeten aan het ervaren van positieve en negatieve gevoelens en aan de tevredenheid met het leven). Je voelt je beter als je meer jezelf kunt zijn.
Voor alle duidelijkheid, dat wijst erop dat adolescenten/scholieren dus maar beperkt zichzelf kunnen zijn. Hoogstwaarschijnlijk als gevolg van die structuren die wij aan hen opleggen, die van de school en van de groep van leeftijdsgenoten. Een (flink) deel slaagt er desondanks in om toch behoorlijk goed zichzelf te zijn, maar een ander deel lukt dat veel minder. En dat blijkt gevolgen te hebben voor hoe je je voelt. Hoe minder authenticiteit, hoe minder positieve gevoelens, hoe meer negatieve gevoelens en hoe minder tevreden met je leven.
De onderzoekers keken ook naar de samenhang met de mate waarin werd tegemoetgekomen aan de intrinsieke behoeften aan autonomie, verbondenheid met anderen en competentie. (Denk aan de zelfbeschikkingstheorie.) Het bleek toen dat degenen die meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn, ook hoger scoorden op de mate waarin aan die drie behoeften werd tegemoetgekomen.
En dat zegt dus ook iets over de beperkte mate waarin onze adolescenten een leven kunnen leiden waarin die drie fundamentele, intrinsieke behoeften kunnen worden gerealiseerd.
Want zou eigenlijk niet iedereen dat gevoel van autonomie moeten kennen, het gevoel dus van niet alleen maar te moeten doen wat anderen zeggen? En dat gevoel van verbonden te zijn met anderen? En dat gevoel van competentie, van iets te kunnen wat de moeite waard is?
Dat zijn uitdagingen die slecht tegemoetkomen aan de menselijke behoefte aan authenticiteit, aan de behoefte om jezelf te kunnen zijn. Het onderwijs blijft nu eenmaal een setting waarin je door een molen gaat van vakken, roosters, proefwerken, huiswerkverplichtingen en examens. En de peer group nodigt uit tot een strijd om wie populair is en in die strijd kun je vaak juist niet jezelf zijn.
In de studie Happy To Be “Me?” Authenticity, Psychological Need Satisfaction, and Subjective Well-Being in Adolescence keken onderzoekers naar het belang van jezelf kunnen zijn voor het welzijn van adolescenten. De mate waarin je van oordeel bent dat je jezelf kunt zijn, werd vastgesteld met de Authenticity Scale, die eruit bestaat dat je van de volgende 12 uitspraken moet aangeven in hoeverre ze op jou van toepassing zijn:
- I think it is better to be yourself, than to be popular.
- I don’t know how I really feel inside.*
- I am strongly influenced by the opinions of others.*
- I usually do what other people tell me to do.*
- I always feel I need to do what others expect me to do.*
- Other people influence me greatly.*
- I feel as if I don’t know myself very well.*
- I always stand by what I believe in.
- I am true to myself in most situations.
- I feel out of touch with the ‘real me.’*
- I live in accordance with my values and beliefs.
- I feel alienated from myself.*
Uit het onderzoek, deels in Nederland en deels in Engeland uitgevoerd, blijkt een duidelijke samenhang tussen de mate van authenticiteit en het welzijn (gemeten aan het ervaren van positieve en negatieve gevoelens en aan de tevredenheid met het leven). Je voelt je beter als je meer jezelf kunt zijn.
Voor alle duidelijkheid, dat wijst erop dat adolescenten/scholieren dus maar beperkt zichzelf kunnen zijn. Hoogstwaarschijnlijk als gevolg van die structuren die wij aan hen opleggen, die van de school en van de groep van leeftijdsgenoten. Een (flink) deel slaagt er desondanks in om toch behoorlijk goed zichzelf te zijn, maar een ander deel lukt dat veel minder. En dat blijkt gevolgen te hebben voor hoe je je voelt. Hoe minder authenticiteit, hoe minder positieve gevoelens, hoe meer negatieve gevoelens en hoe minder tevreden met je leven.
De onderzoekers keken ook naar de samenhang met de mate waarin werd tegemoetgekomen aan de intrinsieke behoeften aan autonomie, verbondenheid met anderen en competentie. (Denk aan de zelfbeschikkingstheorie.) Het bleek toen dat degenen die meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn, ook hoger scoorden op de mate waarin aan die drie behoeften werd tegemoetgekomen.
En dat zegt dus ook iets over de beperkte mate waarin onze adolescenten een leven kunnen leiden waarin die drie fundamentele, intrinsieke behoeften kunnen worden gerealiseerd.
Want zou eigenlijk niet iedereen dat gevoel van autonomie moeten kennen, het gevoel dus van niet alleen maar te moeten doen wat anderen zeggen? En dat gevoel van verbonden te zijn met anderen? En dat gevoel van competentie, van iets te kunnen wat de moeite waard is?
donderdag 23 juni 2016
Zullen we door het basisinkomen betere keuzes gaan maken over hoeveel we werken?
De vierde en vijfde vraag over het basisinkomen, die ik hier stelde naar aanleiding van Ik werk, dus ik ben, luidden:
Wat zijn de gevolgen als werken een keuze wordt? Is het niet zo dat mensen hun identiteit voor een groot deel ontlenen aan hun werk en hun baan? Komt daar wel iets voor in de plaats als je een basisinkomen invoert?
Wat zijn de gevolgen als mensen niet meer zoals nu gedwongen zijn om slecht betaalde banen en/of banen met slechte arbeidsomstandigheden te accepteren? Zal de invoering van het basisinkomen niet een kwaliteitsverhogend effect hebben op het aangeboden werk?Die vragen hangen met elkaar samen. Het gaat er enerzijds om wat (betaald) werk voor mensen betekent, anders en meer dan dat je er geld mee verdient. Dat behelst overigens meer dan dat je aan je werk, meer of minder, je identiteit ontleent. Het hebben van werk (in plaats van werkloos te zijn) en het werk als bezigheid hebben ook effecten op geluk en welbevinden. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee, waarover zo meteen meer.
Anderzijds hangt het antwoord op die vraag er natuurlijk mede van af wat het werk te bieden heeft. Van de kwaliteit van de banen en van de arbeidsomstandigheden. En een van de verwachte effecten van invoering van een basisinkomen is dat mensen gemakkelijker een baan kunnen weigeren, waardoor werkgevers er toe aangezet worden om betere banen aan te bieden.
Maar wat weten we van de effecten van werk op geluk en welbevinden?
Allereerst weten we dat het hebben van werk in vergelijking met werkloosheid een grote bijdrage levert aan geluk en welbevinden. Maar dat komt vooral door de grote negatieve effecten van werkloosheid. Zie Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders. De ervaring van werkloosheid doet de tevredenheid met het leven ongeveer 2 punten dalen op een schaal van 1-10. Bovendien laat werkloos geweest te zijn een litteken achter. Je houdt er angst en onzekerheid aan over, waardoor het vroegere tevredenheidsniveau niet meer bereikt wordt. En we weten dat werkloosheid van een ouder negatief uitwerkt op de kinderen.
Naast een groot individueel, is werkloosheid ook een maatschappelijk kwaad. Alleen al doordat hoge werkloosheid ook de werkenden ongelukkiger maakt. De vrees voor baanverlies neemt toe en daardoor staan ook de werkenden onzekerder in het leven.
Je kunt een en ander verklaren met behulp van de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan. Volgens die theorie hebben mensen drie basisbehoeften: competentie, autonomie en verbondenheid met anderen. Het hebben van werk betekent dat je iets kunt en dat je in je eigen levensonderhoud kunt voorzien en dat zorgt dus voor competentie en autonomie.
We leven in een maatschappij waarin betaald werk dus van groot belang is voor in ieder geval twee van de drie basisbehoeften.
Maar dit alles betekent bepaald niet dat werk ons zo gelukkig maakt. Het is vooral het schrikbeeld van de werkloosheid dat ons er zo toe aanzet om een baan te hebben, werkzekerheid te hebben en carrière te maken. Dat verklaart ook dat het geluk sterk toeneemt bij werklozen die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Ze zijn dan immers verlost van dat stigma van incompetentie.
Het is misschien vooral dat schrikbeeld dat jong-volwassenen er toe aanzet om zoveel te investeren in opleiding, baan en carrière. Waarna met het ouder worden de opbrengsten van al die inspanningen toch wat blijken tegen te vallen. Neem nu de U-vorm van het geluksniveau gedurende de levensloop. Tot zo ongeveer 40 jaar blijkt de tevredenheid met het leven af te nemen, waarna er weer een toename is. Dat zou kunnen komen doordat we in de eerste helft van ons leven nog teveel verwachten van de opbrengsten van werk en carrière en dat we dat pas later doorkrijgen.
Dat zou goed kloppen met het inzicht van onderzoekers als Easterlin, Layard en Kahneman dat de tevredenheid met ons leven zou toenemen als we minder zouden werken. Want boven een redelijk inkomensniveau maakt meer geld ons niet of nauwelijks duurzaam gelukkiger. En de vrijkomende tijd zouden we goed kunnen besteden aan het onderhouden van sociale contacten, waarvan de bijdrage aan ons geluk groot en wel duurzaam is. Het belang van die basisbehoefte aan verbondenheid met anderen lijken we te onderschatten.
Bij wijze van conclusie: het zou goed kunnen zijn dat de invoering van een basisinkomen een gunstige invloed heeft op onze keuzes met betrekking tot betaald werk en carrière.
woensdag 29 oktober 2014
Materialisme maakt ongelukkig - daarover is nu weinig twijfel meer
Hoe materialistischer mensen zijn ingesteld, dus hoe meer ze geld, bezit en status najagen, hoe minder gelukkig ze zijn.
Er is al veel onderzoek dat daar op wijst. Maar nu hebben onderzoekers al die studies bij elkaar geveegd en met een zogenaamde meta-analyse gekeken wat dat als geheel oplevert. Zie The relationship between materialism and personal well-being: A meta-analysis (betaalpoort).
Het ging om 175 studies, met in totaal 258 verschillende steekproeven. Omdat een derde daarvan niet gepubliceerd was, konden ze het probleem van de publication bias vermijden. Dat slaat op het probleem dat wetenschappelijke tijdschriften artikelen met negatieve resultaten liever niet publiceren. De overgrote meerderheid van de onderzoeken zijn verschenen na 2000.
Uit de analyse blijkt dat hoe je ook materialisme meet en hoe je ook geluk meet, dat dat voor de resultaten weinig uitmaakt. Mensen die meer status najagen door middel van geld en bezit zijn minder gelukkig, minder tevreden met hun leven en hebben meer kans op psychische problemen als depressie en angststoornissen.
En dat blijft staan ook als je rekening houdt met allerlei demografische factoren (samenstelling van de steekproef, opleiding, beroep, inkomen, leeftijd) en landenkenmerken (nationaal inkomen, ongelijkheid).
Interessant is wel dat het verband minder sterk is voor mensen die werkzaam zijn in beroepen waarin materialisme normaler is, zoals in het zakenleven, banken, reclame en marketing. Als je daar materialistischer bent, dan heb je het "voordeel" dat je niet afwijkend bent. En dat draagt weer een beetje bij aan je welbevinden.
Dat komt geheel overeen met de verwachting van de Dual-Mode theorie dat mensen hun sociale strategie (statuscompetitie of gemeenschapsgedrag) aanpassen aan wat in hun sociale omgeving het meeste voorkomt. Ter vermijding van de negatieve reacties op het uit de pas lopen. Person-environment fit noemen de onderzoekers dat.
Strikt genomen kun je op basis hiervan niet meer zeggen dan dat er een (negatieve) samenhang is tussen materialisme en geluk. En dus niet dat materialisme per se de oorzaak is van minder gelukkig zijn, zoals ik wel zeg in de titel van dit bericht. Maar dat oorzakelijke verband is wel erg plausibel. Wat niet uitsluit dat het daarnaast ook zo is dat mensen die om een of andere reden ongelukkiger zijn, daardoor meer geld, status en bezit gaan najagen. Allebei zou waar kunnen zijn. En mocht dat zo zijn, dan krijg je dus een vicieuze cirkel van materialisme dat ongelukkiger maakt en ongelukkig zijn dat materialistischer maakt, enzovoort.
Interessant vond ik bovendien dat in een aantal studies ook was gekeken naar de drie behoeften van de zelfbeschikkingstheorie: autonomie, competentie en verbondenheid met anderen. En het blijkt dan dat het verband tussen materialisme en ongelukkig zijn tot stand komt via een lage mate van bevrediging van die drie behoeften. Hoe materialistischer je bent, hoe minder autonomie, competentie en verbondenheid met anderen je in je leven ervaart. En dat laatste zorgt er dan voor dat je je ongelukkig voelt.
Er is al veel onderzoek dat daar op wijst. Maar nu hebben onderzoekers al die studies bij elkaar geveegd en met een zogenaamde meta-analyse gekeken wat dat als geheel oplevert. Zie The relationship between materialism and personal well-being: A meta-analysis (betaalpoort).
Het ging om 175 studies, met in totaal 258 verschillende steekproeven. Omdat een derde daarvan niet gepubliceerd was, konden ze het probleem van de publication bias vermijden. Dat slaat op het probleem dat wetenschappelijke tijdschriften artikelen met negatieve resultaten liever niet publiceren. De overgrote meerderheid van de onderzoeken zijn verschenen na 2000.
Uit de analyse blijkt dat hoe je ook materialisme meet en hoe je ook geluk meet, dat dat voor de resultaten weinig uitmaakt. Mensen die meer status najagen door middel van geld en bezit zijn minder gelukkig, minder tevreden met hun leven en hebben meer kans op psychische problemen als depressie en angststoornissen.
En dat blijft staan ook als je rekening houdt met allerlei demografische factoren (samenstelling van de steekproef, opleiding, beroep, inkomen, leeftijd) en landenkenmerken (nationaal inkomen, ongelijkheid).
Interessant is wel dat het verband minder sterk is voor mensen die werkzaam zijn in beroepen waarin materialisme normaler is, zoals in het zakenleven, banken, reclame en marketing. Als je daar materialistischer bent, dan heb je het "voordeel" dat je niet afwijkend bent. En dat draagt weer een beetje bij aan je welbevinden.
Dat komt geheel overeen met de verwachting van de Dual-Mode theorie dat mensen hun sociale strategie (statuscompetitie of gemeenschapsgedrag) aanpassen aan wat in hun sociale omgeving het meeste voorkomt. Ter vermijding van de negatieve reacties op het uit de pas lopen. Person-environment fit noemen de onderzoekers dat.
Strikt genomen kun je op basis hiervan niet meer zeggen dan dat er een (negatieve) samenhang is tussen materialisme en geluk. En dus niet dat materialisme per se de oorzaak is van minder gelukkig zijn, zoals ik wel zeg in de titel van dit bericht. Maar dat oorzakelijke verband is wel erg plausibel. Wat niet uitsluit dat het daarnaast ook zo is dat mensen die om een of andere reden ongelukkiger zijn, daardoor meer geld, status en bezit gaan najagen. Allebei zou waar kunnen zijn. En mocht dat zo zijn, dan krijg je dus een vicieuze cirkel van materialisme dat ongelukkiger maakt en ongelukkig zijn dat materialistischer maakt, enzovoort.
Interessant vond ik bovendien dat in een aantal studies ook was gekeken naar de drie behoeften van de zelfbeschikkingstheorie: autonomie, competentie en verbondenheid met anderen. En het blijkt dan dat het verband tussen materialisme en ongelukkig zijn tot stand komt via een lage mate van bevrediging van die drie behoeften. Hoe materialistischer je bent, hoe minder autonomie, competentie en verbondenheid met anderen je in je leven ervaart. En dat laatste zorgt er dan voor dat je je ongelukkig voelt.
dinsdag 23 september 2014
Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out - Dat pleit voor minder hiërarchie op het werk
Als slechte werkomstandigheden langdurig negatieve emoties oproepen, is de kans groot dat werknemers emotioneel uitgeput raken en met een burn-out thuis komen te zitten. Zie het bericht Mensen met burnout kunnen minder goed met negatieve emoties omgaan - Wat zegt dat over werkomstandigheden?
Overbelast zijn en een slecht sociaal klimaat op het werk zijn belangrijke aspecten van slechte werkomstandigheden. Die twee kunnen met elkaar samenhangen. Als je langdurig teveel taken op je bord krijgt, dan betekent dat dat er niet naar je klachten wordt geluisterd. Of dat de verhoudingen zo slecht zijn dat je niet durft te klagen. Als de zaken zo liggen, dan komt het gevoel van autonomie, dat mensen zo broodnodig hebben, in het gedrang. Je zit in de knel en kunt daar niets aan veranderen. Op den duur is dat slopend.
Maar daarnaast kan een tekort aan autonomie er ook aan liggen dat je niet zelf kunt beslissen hoe je je werk uitvoert en indeelt. Je moet het zo doen als iemand boven je heeft beslist hoe het moet. En die persoon of het bedrijf bepaalt wanneer en hoe lang je mag pauzeren. In het algemeen zal gelden dat minder autonomie gepaard gaat met meer hiërarchie in de organisatie.
Ook als je niet overbelast bent, kan dus een grote mate van hiërarchie in een bedrijf en een daarmee samenhangend laag niveau van autonomie op den duur tot emotionele uitputting leiden. Dat dat ook inderdaad zo is, blijkt uit het pas verschenen SCP-rapport Burn-out: verbanden tussen emotionele uitputting, arbeidsmarktpositie en Het Nieuwe Werken van Patricia van Echtelt e.a. Interessant is dat werknemers met meer autonomie ook meer toegewijd zijn aan hun werk. Naast een hoge werkdruk is een tekort aan autonomie een van de factoren die bijdragen aan de kans op emotionele uitputting.
Wat valt meteen op? Zowel die langdurig hoge werkdruk als dat tekort aan autonomie zul je meer aantreffen in sterk hiërarchische organisaties. Waarin werknemers teveel belast worden, zonder dat ze daar iets aan kunnen veranderen of daar over durven te klagen. En waarin van bovenaf gedetailleerd wordt voorgeschreven hoe het werk moet worden uitgevoerd. Zonder inbreng van onderaf.
Dat zelfde SCP-rapport geeft ook een indruk van de grote maatschappelijke kosten van burn-out. Mensen die met emotionele uitputting te kampen hebben gehad, komen in de gezondheidszorg en in een uitkeringssituatie terecht. En gaan minder werken of stoppen met werken.
We zouden er aan kunnen denken om onze arbeidsorganisaties minder hiërarchisch te maken. Waardoor de werkomstandigheden meer tegemoet zouden komen aan wat mensen nodig hebben. Mensen zitten nu eenmaal zodanig in elkaar dat het zonder voldoende autonomie niet lang goed met ze gaat. Denk nog eens aan die zelfbeschikkingstheorie.
Ik ging me afvragen of het nog wat wordt met de opmars van de coöperatie als ondernemingsmodel?
Overbelast zijn en een slecht sociaal klimaat op het werk zijn belangrijke aspecten van slechte werkomstandigheden. Die twee kunnen met elkaar samenhangen. Als je langdurig teveel taken op je bord krijgt, dan betekent dat dat er niet naar je klachten wordt geluisterd. Of dat de verhoudingen zo slecht zijn dat je niet durft te klagen. Als de zaken zo liggen, dan komt het gevoel van autonomie, dat mensen zo broodnodig hebben, in het gedrang. Je zit in de knel en kunt daar niets aan veranderen. Op den duur is dat slopend.
Maar daarnaast kan een tekort aan autonomie er ook aan liggen dat je niet zelf kunt beslissen hoe je je werk uitvoert en indeelt. Je moet het zo doen als iemand boven je heeft beslist hoe het moet. En die persoon of het bedrijf bepaalt wanneer en hoe lang je mag pauzeren. In het algemeen zal gelden dat minder autonomie gepaard gaat met meer hiërarchie in de organisatie.
Ook als je niet overbelast bent, kan dus een grote mate van hiërarchie in een bedrijf en een daarmee samenhangend laag niveau van autonomie op den duur tot emotionele uitputting leiden. Dat dat ook inderdaad zo is, blijkt uit het pas verschenen SCP-rapport Burn-out: verbanden tussen emotionele uitputting, arbeidsmarktpositie en Het Nieuwe Werken van Patricia van Echtelt e.a. Interessant is dat werknemers met meer autonomie ook meer toegewijd zijn aan hun werk. Naast een hoge werkdruk is een tekort aan autonomie een van de factoren die bijdragen aan de kans op emotionele uitputting.
Wat valt meteen op? Zowel die langdurig hoge werkdruk als dat tekort aan autonomie zul je meer aantreffen in sterk hiërarchische organisaties. Waarin werknemers teveel belast worden, zonder dat ze daar iets aan kunnen veranderen of daar over durven te klagen. En waarin van bovenaf gedetailleerd wordt voorgeschreven hoe het werk moet worden uitgevoerd. Zonder inbreng van onderaf.
Dat zelfde SCP-rapport geeft ook een indruk van de grote maatschappelijke kosten van burn-out. Mensen die met emotionele uitputting te kampen hebben gehad, komen in de gezondheidszorg en in een uitkeringssituatie terecht. En gaan minder werken of stoppen met werken.
We zouden er aan kunnen denken om onze arbeidsorganisaties minder hiërarchisch te maken. Waardoor de werkomstandigheden meer tegemoet zouden komen aan wat mensen nodig hebben. Mensen zitten nu eenmaal zodanig in elkaar dat het zonder voldoende autonomie niet lang goed met ze gaat. Denk nog eens aan die zelfbeschikkingstheorie.
Ik ging me afvragen of het nog wat wordt met de opmars van de coöperatie als ondernemingsmodel?
woensdag 10 september 2014
Mensen met burnout kunnen minder goed met negatieve emoties omgaan - Wat zegt dat over werkomstandigheden?
Waardoor krijg je een burn-out en wie krijgt een burn-out? Onderzoekers vergeleken het vermogen om met negatieve emoties om te gaan van werknemers met een diagnose van burn-out met vergelijkbare, gezonde werknemers zonder burn-out. Zie de studie The Influence of Work-Related Chronic Stress on the Regulation of Emotion and on Functional Connectivity in the Brain. Degenen met burn-out waren er slecht aan toe. Ze hadden al tenminste een jaar lang klachten en waren tenminste een half jaar ziek thuis. Bovendien was vastgesteld dat de klachten door het werk waren veroorzaakt.
Uit de vergelijking bleek dat burn-out samengaat met een verminderd vermogen om goed met negatieve emoties om te gaan. Bij het zien van negatief emotioneel geladen afbeeldingen reageerden de burn-out patiënten heftiger. En uit hersenscans (fMRI) bleek dat ze een lagere functionele verbondenheid hadden tussen de amygdala en de delen van de prefrontale cortex, het circuit dat een centrale rol speelt bij de verwerking van weerzinwekkende prikkels en regulatie van angst. Ze bleken dus minder goed bestand te zijn tegen prikkels die sterk negatief geladen emoties oproepen.
Dit kan betekenen dat deze werknemers al kwetsbaarder waren toen ze aan hun arbeidsloopbaan begonnen. En dat hun werkomstandigheden voor hen te stressvol zijn geweest. Terwijl hun minder kwetsbare collega's daar geen last van hadden.
Maar het kan ook betekenen dat bij voortduring stressvolle werkomstandigheden er toe leiden dat je vermogen om negatieve emoties goed te reguleren vermindert. Je circuit voor de goede verwerking van negatieve emoties wordt als het ware overbelast. Vandaar dat burn-out ook wel emotionele uitputting wordt genoemd. Hoe sterk je misschien ook in je schoenen staat, op den duur ga je er onder door.
De onderzoekers laten beide mogelijkheden open, maar noemen onderzoek dat de tweede interpretatie ondersteunt, dus die van de emotionele uitputting.
War zegt dit over de aard van de werkomstandigheden die tot burn-out kunnen leiden? Die moet zodanig zijn dat werknemers veel met prikkels in aanraking komen die negatieve emoties opwekken. Gekoeioneerd worden door je baas. Getreiterd worden door je collega's. Overbelast zijn met taken, zodat je nooit het gevoel hebt dat je je werk goed doet. Niet genoeg zorg kunnen besteden aan je cliënten. En daar dus niets aan kunnen veranderen. Niet een andere baas of andere collega's kunnen kiezen. Niet je werkbelasting kunnen beïnvloeden.
Dat dat alles gemakkelijk leidt tot emotionele uitputting, verbaast niet als je bedenkt dat een gevoel van autonomie een van de drie fundamentele levensbehoeften is, volgens de zelfbeschikkingstheorie van Deci en Ryan.
Dat gevoel van autonomie, het gevoel dat jezelf iets aan je lot kunt veranderen, is in het verleden voor onze overleving belangrijk geweest. Maar nu bevinden we ons in een, laten we zeggen, kapitalistische maatschappij, waarin je voor je overleving bent aangewezen op het verrichten van betaalde arbeid. Waarin je je ondergeschikt moet maken aan werkomstandigheden die extern worden bepaald. Natuurlijk leven we niet meer in de 19e eeuw, maar het woord loonslaaf, is dat helemaal niet meer actueel?
En dat klopt met wat we weten over de werkomstandigheden waarin burn-out het meeste voorkomt. Burn-out komt bij zo'n 13 procent van de werknemers voor. Maar het komt meer voor bij hoge werkdruk en een slecht sociaal klimaat.
Hoe komt het toch dat we nog altijd met zulke negatieve werkomstandigheden te maken kunnen hebben? Dat is toch niet onvermijdelijk? Update. Zie nu het vervolg op dit bericht.
Uit de vergelijking bleek dat burn-out samengaat met een verminderd vermogen om goed met negatieve emoties om te gaan. Bij het zien van negatief emotioneel geladen afbeeldingen reageerden de burn-out patiënten heftiger. En uit hersenscans (fMRI) bleek dat ze een lagere functionele verbondenheid hadden tussen de amygdala en de delen van de prefrontale cortex, het circuit dat een centrale rol speelt bij de verwerking van weerzinwekkende prikkels en regulatie van angst. Ze bleken dus minder goed bestand te zijn tegen prikkels die sterk negatief geladen emoties oproepen.
Dit kan betekenen dat deze werknemers al kwetsbaarder waren toen ze aan hun arbeidsloopbaan begonnen. En dat hun werkomstandigheden voor hen te stressvol zijn geweest. Terwijl hun minder kwetsbare collega's daar geen last van hadden.
Maar het kan ook betekenen dat bij voortduring stressvolle werkomstandigheden er toe leiden dat je vermogen om negatieve emoties goed te reguleren vermindert. Je circuit voor de goede verwerking van negatieve emoties wordt als het ware overbelast. Vandaar dat burn-out ook wel emotionele uitputting wordt genoemd. Hoe sterk je misschien ook in je schoenen staat, op den duur ga je er onder door.
De onderzoekers laten beide mogelijkheden open, maar noemen onderzoek dat de tweede interpretatie ondersteunt, dus die van de emotionele uitputting.
War zegt dit over de aard van de werkomstandigheden die tot burn-out kunnen leiden? Die moet zodanig zijn dat werknemers veel met prikkels in aanraking komen die negatieve emoties opwekken. Gekoeioneerd worden door je baas. Getreiterd worden door je collega's. Overbelast zijn met taken, zodat je nooit het gevoel hebt dat je je werk goed doet. Niet genoeg zorg kunnen besteden aan je cliënten. En daar dus niets aan kunnen veranderen. Niet een andere baas of andere collega's kunnen kiezen. Niet je werkbelasting kunnen beïnvloeden.
Dat dat alles gemakkelijk leidt tot emotionele uitputting, verbaast niet als je bedenkt dat een gevoel van autonomie een van de drie fundamentele levensbehoeften is, volgens de zelfbeschikkingstheorie van Deci en Ryan.
Dat gevoel van autonomie, het gevoel dat jezelf iets aan je lot kunt veranderen, is in het verleden voor onze overleving belangrijk geweest. Maar nu bevinden we ons in een, laten we zeggen, kapitalistische maatschappij, waarin je voor je overleving bent aangewezen op het verrichten van betaalde arbeid. Waarin je je ondergeschikt moet maken aan werkomstandigheden die extern worden bepaald. Natuurlijk leven we niet meer in de 19e eeuw, maar het woord loonslaaf, is dat helemaal niet meer actueel?
En dat klopt met wat we weten over de werkomstandigheden waarin burn-out het meeste voorkomt. Burn-out komt bij zo'n 13 procent van de werknemers voor. Maar het komt meer voor bij hoge werkdruk en een slecht sociaal klimaat.
Hoe komt het toch dat we nog altijd met zulke negatieve werkomstandigheden te maken kunnen hebben? Dat is toch niet onvermijdelijk? Update. Zie nu het vervolg op dit bericht.
maandag 11 februari 2013
Betaald werk hebben maakt gelukkig, maar betaald werken maakt ongelukkig. Was dat niet vervreemding?
De nieuwe studie Are You Happy While You Work? bevestigt dat het verrichten van betaald werk een bezigheid is die van alle andere bezigheden die mensen op een dag hebben, het geringste geluksgevoel oplevert (en de meeste stress). Alleen het ziek in bed liggen wordt nog minder gewaardeerd. Betaald werk is een last. Maar tegelijk zijn mensen met een betaalde baan gelukkiger dan werklozen. Het hebben van betaald werk geeft zin en waarde aan het leven. Zie eerder het bericht Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee.
Je zou hier schouderophalend kennis van kunnen nemen. Maar het lijkt mij iets om over na te denken. Want wat verlangen wij van de inrichting van een maatschappij? Dat hij ons de mogelijkheden verschaft om de middelen van bestaan te verwerven. Maar in de biologie is het zo dat organismen er zo op geselecteerd zijn dat de handelingen en bezigheden waarmee ze overleven en zich reproduceren ook precies die handelingen en bezigheden zijn die genoegen verschaffen. Dat is het fundamentele biologische mechanisme, althans vanaf de periode in de evolutie dat organismen emoties hadden en zo beoordeelden wat goed voelt en wat niet.
Met dat fundamentele biologische mechanisme hebben wij tot nu toe niet voldoende rekening gehouden bij de inrichting van onze maatschappij. En bovenal bij de inrichting van ons werk en van de arbeidsorganisatie. Want de bezigheid van het betaalde werk blijkt stress op te leveren. En meer stress, hoe hoger de werkdruk en hoe geringer de mogelijkheid om het werk zelf in te richten. En ook het moeten werken in afwezigheid van gezelschap blijkt het werk onaangenamer te maken.
Volgens de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan hebben mensen drie fundamentele levensbehoeften: verbondenheid met anderen, een gevoel van competentie en een gevoel van autonomie. Zie ook dat artikel van Rudi Wielers, Peter van der Meer en mijzelf, waar dat bericht over gaat waar ik in de eerste alinea naar link. Als we inderdaad die drie dingen willen, waarvoor veel empirische evidentie is, dan is het hebben van betaald werk, in plaats van werkloos zijn, inderdaad een goed middel om je een gevoel van competentie te verschaffen. Je kunt voor jezelf zorgen en hoeft je hand niet op te houden.
Maar de bezigheid van betaald werk bestaat er doorgaans uit dat je deel uit maakt van een statushiërarchie, waarbinnen verbondenheid met anderen altijd precair is als hij er al is. En je hebt maar beperkt zeggenschap over de indeling van je werk. Betaald werk komt dus slecht tegemoet aan de behoeften aan verbondenheid en autonomie.
Kortom, daar mee is verklaard dat we allemaal graag een betaalde baan willen, vanwege dat gevoel van competentie, maar dat tegelijkertijd het werk zelf ons niet gelukkig maakt, vanwege de gebrekkige verbondenheid met anderen en de gebrekkige autonomie.
Kortom, daar mee is verklaard dat we allemaal graag een betaalde baan willen, vanwege dat gevoel van competentie, maar dat tegelijkertijd het werk zelf ons niet gelukkig maakt, vanwege de gebrekkige verbondenheid met anderen en de gebrekkige autonomie.
De voor de hand liggende conclusie hoort nu te worden getrokken: er is natuurlijk sinds de tijd van Karl Marx (1818-1883) veel verbeterd, maar nog altijd is de vervreemding niet opgeheven. Ik citeer voor de aardigheid maar even hoe Wikipedia dat begrip uitlegt:
De vervreemding kan op verschillende gebieden plaatsvinden:
- de arbeider heeft geen controle over het productieproces, maar wordt gecontroleerd door de kapitalist. De arbeider kan alleen maar zijn arbeidskracht aanbieden op de markt;
- doordat de arbeider slechts een middel is en geen controle heeft over het arbeidsproces, gaat een groot deel van de meerwaarde naar de kapitalist en heeft hij ook geen inspraak op de productie. Hierdoor is het arbeidsproces een sleur en verliest hij de arbeidsvreugde;
- ook is hij vervreemd van de maatschappij in het geheel. Vroeger draaide alles meer rond sociale relaties, maar nu is louter het financieel aspect belangrijk;
- de creatieve bezigheid in het arbeiden gaat eveneens verloren. De arbeider moet zich schikken naar de wil van de kapitalist.
donderdag 5 januari 2012
Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee
Rudi Wielers, Peter van der Meer en ondergetekende hebben het onderzoek naar de welzijnseffecten van betaald werk op een rij gezet en gekeken wat je daar uit nu kunt concluderen. Wat opvalt is dat het werk als activiteit ons weinig welzijn oplevert. Dat wil zeggen dat werk gepaard gaat met minder positieve gevoelens en meer negatieve gevoelens dan alle andere activiteiten, met uitzondering van woon-werk verkeer. Maar wat dan ook meteen opvalt is dat het hebben van werk veel meer welzijn (tevredenheid met het leven) oplevert dan het werkloos zijn. Dat zou betekenen dat werk nodig is om je tevreden te voelen. Maar huisvrouwen en gepensioneerden zijn ook erg tevreden met hun leven.
Het artikel (Verhoogt werk ons welzijn?) Een bespreking van onderzoeksresultaten) is vorige maand verschenen in het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken. Ik citeer hieronder de afsluitende samenvatting en onze interpretatie.
Afsluiting: omstandigheden en aspiraties
Om het effect van betaald werk op welzijn te bepalen is het noodzakelijk te onderscheiden tussen werk als activiteit en het hebben van werk als toestand. De bijdrage van werk als activiteit aan het (hedonisch) welzijn van werkenden is klein en nog lager bij een hoge werkdruk. Vrijwel alle andere activiteiten die werkenden verrichten leveren meer welzijn op. Ook voor de sociale contacten op de werkvloer geldt dat ze minder welzijn genereren dan andere contacten.
Daar staat tegenover dat het hebben van werk veel levenssatisfactie verschaft. Dit blijkt uit onderzoek waarin de levenssatisfactie van werkenden en werklozen wordt vergeleken. Een opvallend gegeven is echter ook dat gepensioneerden en huisvrouwen niet een lager niveau van levenssatisfactie realiseren dan werkenden. De lage levenssatisfactie van werklozen in vergelijking met werkenden, huisvrouwen en gepensioneerden vloeit waarschijnlijk voort uit gefrustreerde aspiraties van werklozen. Niet het werk zelf, maar de daaraan verbonden aspiraties lijken de meeste invloed op de levenssatisfactie te hebben. De resultaten voor huisvrouwen en gepensioneerden laten zien dat een hoog niveau van welzijn ook zonder betaald werk valt te realiseren, maar dit impliceert ook het afzien van de aspiraties behorende bij dat betaalde werk.
Voor mensen met betaald werk hangt de levenssatisfactie nauwelijks af van het aantal uren werk of het inkomen. Een groter aantal uren werk heeft een klein negatief effect op de levenssatisfactie. Met name vrouwen die in deeltijd werken bereiken vaak een iets hoger niveau van levenssatisfactie dan voltijd werkende vrouwen. Het effect van inkomen op de levenssatisfactie is klein. Gewenning, statuscompetitie en stijgende aspiraties zijn de gebruikelijke verklaringen voor dit verschijnsel.
Deze onderzoeksresultaten zijn aanwijzingen dat de aan werk verbonden aspiraties belangrijker zijn voor het welzijn dan de omstandigheden waaronder het werk wordt verricht. Het effect van omstandigheden op het welzijn is klein (Lykken & Tellegen, 1998) en dat lijkt dus ook te gelden voor werkomstandigheden.
Daarentegen lijken juist aspiraties van invloed op de levenssatisfactie. Over de wijze waarop aspiraties met betrekking tot betaald werk tot stand komen en zich ontwikkelen is nog maar weinig bekend. We zien belangrijke aanknopingspunten in de literatuur over de wijze waarop verschillende levensdoelen het welzijn beïnvloeden. We willen dit toelichten voor de posities van werkenden en van werklozen.
Een interessant gegeven met betrekking tot aspiraties in het werk is dat prominente onderzoekers als Easterlin, Layard en Kahneman concluderen dat de levenssatisfactie zou toenemen als mensen minder tijd aan inkomensverwervende activiteiten zouden besteden. De onderliggende redenering is dat inkomen de levenssatisfactie nauwelijks doet toenemen. Goederen die kunnen worden verkregen met inkomen leiden door gewenning, statuscompetitie en bijstelling van aspiraties niet tot een duurzame verhoging van de levenssatisfactie. Als mensen beter geïnformeerd zouden zijn over die geringe duurzaamheid en het vermogen zouden hebben om die kennis aan te wenden, dan zouden ze minder tijd besteden aan het nastreven van die goederen. In plaats daarvan zouden ze zich meer kunnen richten op andere wenselijkheden die een duurzamer effect hebben op levenssatisfactie, zoals een goed huwelijk, verbondenheid met familie en vrienden (‘companionship’; Lane, 2000; Layard, 2005) en zelfontplooiing.
Deze redenering wordt niet sterk ondersteund door onderzoek naar objectieve determinanten van welzijn, want de samenhang tussen het aantal arbeidsuren en de levenssatisfactie is zwak. Maar onderzoek naar de welzijnseffecten van levensdoelen ondersteunt de stelling wel. Volgens dat onderzoek verschillen mensen in de mate waarin ze oftewel meer streven naar financieel succes, status en beroemdheid (extrinsieke doelen) oftewel meer naar verbondenheid met anderen en zelfontplooiing (intrinsieke doelen). Het blijkt dat mensen die vooral gericht zijn op extrinsieke doelen minder welzijn en meer gezondheidsproblemen ervaren dan mensen die vooral zijn gericht op intrinsieke doelen (Kasser & Ryan, 1993; Pöhlman, 2001; Kasser & Ahuvia, 2002).
Dat veel mensen de intrinsieke doelen belangrijker vinden dan de extrinsieke wijst erop dat mensen al veel inzicht hebben in de beperkingen van het nastreven van extrinsieke doelen voor het genereren van levenssatisfactie (Sheldon et al., 2003). Hoewel de populariteit van prestatiegerelateerde beloning in het HRMbeleid van organisaties in het verdere verleden wel eens groter is geweest, bestaat er nog steeds een geloof in de goede werking ervan en is het gebruik de laatste decennia in sommige bedrijfstakken, zoals de bankensector, zelfs toegenomen. Prestatiebeloning blijkt maar zeer beperkt en onder strikte voorwaarden een gunstig effect te hebben op de bedrijfsresultaten (Jenkins et al., 1998; Bucklin & Dickinson, 2001; Thierry, 2002) en kan voor het bedrijf ongunstige praktijken in de hand werken (Brick et al., 2006; Denis et al., 2006). Maar daar komt dus nog bij dat deze vorm van beloning aspiraties bij werknemers veronderstelt die niet duurzaam de levenssatisfactie verhogen. Prestatiebeloning is dus meestal niet gunstig voor het bedrijf en bovendien niet welzijnsverhogend voor werknemers.
Een andere vraag is die naar de aard van de aspiraties van werklozen die zo sterk van invloed zijn op hun lage levenssatisfactie. Volgens het besproken onderzoek kunnen de daling van het inkomen en het minder maatschappelijk geaccepteerd zijn van werkloosheid de daling van de levenssatisfactie niet verklaren. Mogelijk spelen ook hier intrinsieke aspiraties een rol.
We vermeldden reeds dat werklozen een lagere levenssatisfactie hebben naarmate werk een meer centrale plaats inneemt in hun persoonlijke waardesysteem. De kern van de frustratie van werklozen is mogelijk dat het juist basale intrinsieke levensdoelen zijn die niet voldoende worden vervuld. Deci en Ryan (2000) onderscheiden op basis van onderzoek, naast verbondenheid met anderen, competentie en autonomie als intrinsieke levensdoelen. Voor een bevredigend niveau van welzijn zou elk van deze drie aspiraties voldoende vervuld moeten zijn. Voor werklozen lijken in ieder geval de behoefte aan autonomie en competentie slecht bevredigd te worden: ze zijn afhankelijk van een uitkering en gaan twijfelen aan hun competentie. Die behoeften aan competentie en autonomie liggen zo diep verankerd dat de beoordelingen en gevoelens die eruit voortvloeien, weinig onderhevig zijn aan beïnvloeding door maatschappelijke normen. Voor een werkloze is het prettiger als werkloosheid maatschappelijk meer geaccepteerd is, maar die acceptatie vermindert niet zijn twijfel over zijn competentie en zijn gevoel van afhankelijkheid.
Die intrinsieke behoeftes aan competentie en autonomie maken het ook begrijpelijk dat het toch al lage hedonisch welzijn van werk bij hoge werkdruk nog lager is. In niet-werk situaties zijn mensen veel meer in staat om hun inspanningen naar eigen inzichten en mogelijkheden in te delen en te doseren dan in hun werkomgeving. Ook in de vrije tijd kan er druk zijn om te presteren, maar die druk komt van binnenuit en is zelf opgelegd en dus ook zelf te doseren. Een hoge werkdruk op het werk komt van buiten, door bijvoorbeeld prestatiebeloning en het voortdurend moeten halen van targets. Een toestand van blijvend hoge werkdruk moet dus, door de vrees tekort te schieten en door gebrek aan controle, wel ten koste gaan van de behoefte aan competentie en autonomie.
Daarmee komen we tot een tentatieve conclusie. Het besproken onderzoek lijkt erop te wijzen dat zowel het betaalde werk als tijdsbesteding als het hebben van betaald werk ons welzijn meer verhogen als ze meer aan onze intrinsieke aspiraties appeleren dan aan onze extrinsieke. En het is de vraag of dat inzicht wel voldoende wordt benut bij de heersende inrichting van het werk, de werkduur en de beloningspraktijken.
Abonneren op:
Posts (Atom)