dinsdag 15 mei 2012

Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen

In het eerste bericht in deze serie besprak ik onderzoek waaruit bleek dat de bereidheid van mensen tot pro-sociaal gedrag afhankelijk is van het vertrouwen dat ze hebben in het pro-sociale gedrag van anderen. Als dat vertrouwen minder is, als ze de wereld als onverschillig of zelfs vijandig ervaren, dan gedragen ze zich minder pro-sociaal. De mate waarin die afhankelijkheid bestaat, verschilt wel tussen mensen. Sommigen zijn over de hele linie pro-socialer, en sommigen a-socialer, dan anderen, maar voor de grote meerderheid geldt dat hun pro-sociale gedrag sterk afhankelijk is van  de vraag of ze er op vertrouwen dat anderen zich ook pro-sociaal gedragen. Dat betekent dat we met zijn allen gemakkelijk een grote mate van onderlinge hulpbereidheid tot stand kunnen brengen, maar ook even gemakkelijk een toestand van wederzijdse onverschilligheid of zelfs vijandigheid. Vandaar dat pro-sociaal gedrag niet zozeer een individuele, maar een collectieve prestatie is. Zie nog eens dit bericht.

Dit is eigenlijk een eenvoudig en intuïtief aansprekend inzicht. Toch is het niet wijdverbreid. Mensen hebben niet noodzakelijkerwijs een grote mate van zelfinzicht, niet in hun individuele eigenaardigheden, maar ook niet in de algemeen menselijke gedragsprincipes. De eerste keer dat het inzicht tot mij doordrong, moet ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn geweest. Het was toen ik dit artikel van de sociaal-psychologen Kelley en Stahelski uit 1970 onder ogen kreeg (fulltext helaas achter de poort). Het is een beroemd artikel geworden, met tot vandaag 716 citaties.

Kelley en Stahelski bespreken in dat artikel een groot aantal laboratoriumexperimenten, waarin proefpersonen het zogenaamde gevangenendilemma moesten spelen. (Zie de link voor uitleg over de naam van het dilemma.) In dat "spel" uit de speltheorie hebben mensen de keuze om, met een andere persoon, samen te werken of  niet. Als A en B (zie de figuur) allebei kiezen voor samenwerken, hebben ze allebei een hoge opbrengst (allebei 3 in de figuur). Maar als een van de twee er voor kiest om niet samen te werken en de ander daar wel voor kiest (linksonder en rechtsboven), dan heeft de eerste een nog hogere opbrengst (5) en de tweede juist een lagere (0). De niet-samenwerker profiteert van de inspanningen van de ander. Beide willen natuurlijk voorkomen dat ze de lage opbrengst krijgen als de ander van hen profiteert. Als ze dus allebei kiezen om niet samen te werken, hebben ze allebei een lagere opbrengst (beide 1, rechtsonder) dan wanneer ze allebei wel zouden samenwerken.

Volgens de speltheorie, die er van uitgaat dat mensen rationeel kiezen, zeg maar, hun eigen belang nastreven, zullen mensen in dit spel niet samenwerken. Dat is namelijk altijd beter dan dat wel te doen. Want als je niet samenwerkt (Defect):
  1. en de ander doet dat wel, dan profiteer je van de inspanning van de ander en is je opbrengst (5) hoger dan wanneer je wel had samengewerkt (3),
  2. en de ander doet dat ook niet, dan heb je met een opbrengst van 1 voorkomen dat je de laagste opbrengst hebt (0) doordat de ander van jouw inspanning profiteert.
Niet samenwerken is dus de zogenaamde dominante strategie. En dat is tragisch, want de opbrengst is dan voor beide 1 en die was hoger geweest als ze wel allebei hadden samengewerkt (beide 3).

Een voorbeeld van dit dilemma uit het echte leven, maar dan met meer dan twee personen, is het ontstaan van files. Als we allemaal met het openbaar vervoer zouden gaan (en het openbaar vervoer zou voldoende capaciteit hebben), dan waren we beter af dan wanneer we allemaal met de auto gaan, want dan stonden we in de file. Tegelijk geldt voor elk van ons dat we nog beter af zijn als alle anderen met het openbaar vervoer gaan en wij zelf met de auto. Maar als we dat allemaal doen, dan staan we dus allemaal in de file.

Toen Kelley en Stahelski dit artikel in 1970 schreven, was al wel bekend dat mensen in zulke laboratoriumexperimenten anders handelen dan de rationale keuzetheorie voorspelde. Veel mensen blijken namelijk wel bereid te zijn om samen te werken, ook al is dat niet hun "dominante strategie". Mensen lijken meer tot samenwerking bereid, en zijn dus pro-socialer, dan volgens die theorie verwacht mocht worden. En datzelfde bleek ook uit de experimenten van Kelley en Stahelski.

Maar Kelley en Stahelski deden ook een interessante ontdekking doordat ze de proefpersonen hadden ondervraagd wat ze in het spel wilden nastreven. Er waren spelers die samenwerking zeiden te willen nastreven, wat inhield dat ze zowel met de eigen opbrengst als met de opbrengst van de ander rekening wilden houden. Maar anderen gaven aan competitie op het oog te hebben, inhoudende dat ze alleen in hun eigen opbrengsten geïnteresseerd waren. Het bleek toen dat als je degenen die op samenwerking gericht waren liet spelen met degenen die op competitie gericht waren, ze met competitie reageerden op het competitieve gedrag van hun medespeler. Hoewel samenwerking hun doel was, ontdekten ze dat de ander daarin niet mee ging en pasten ze hun gedrag daar op aan. Datzelfde gold echter niet voor degenen die op competitie gericht waren. Die begonnen competitief en bleven daarin volharden.

De onderzoekers trokken daaruit, en uit verdere ondervraging van de spelers, de conclusie dat samenwerkers er van uitgaan dat andere mensen ook op samenwerking gericht kunnen zijn, maar ook competitie kunnen nastreven. Als ze nog niet weten met wat voor iemand ze te maken hebben, stellen ze zich eerst coöperatief op. Maar als de ander zich competitief gedraagt, passen ze hun gedrag aan door dat ook te doen. Samenwerkers hebben een gedifferentieerd beeld van hoe mensen kunnen zijn, coöperatief of competitief.

Daarentegen blijken degene die op competitie gericht zijn, de overtuiging te hebben dat andere mensen dat ook zijn. Als een ander zich coöperatief gedraagt, dan verandert dat hun wereldbeeld niet. Misschien denken ze dat de ander probeert hen er in te laten lopen. Ze vertrouwen het niet, lijkt het. En omdat ze zelf competitief handelen, lokken ze dat zelfde gedrag bij anderen uit, waardoor ze ook meestal in hun verwachtingen bevestigd worden. Ze creëren dus met hun gedrag een wereld die ze ook al verwachten. Terwijl de samenwerkers ontdekken dat hun gedrag soms bij anderen samenwerking uitlokt, namelijk als ze een andere samenwerker tegenkomen, blijven degenen die op competitie gericht zijn, onkundig van de effecten van hun gedrag op anderen. Anders gezegd: door hun competitieve gedrag leren ze nooit dat pro-sociaal gedrag met pro-sociaal gedrag kan worden uitgelokt.

Het opvallende is nu dat het competitieve wereldbeeld, dus de veronderstelling dat anderen altijd op competitie gericht zijn, sterk overeenkomt met de veronderstellingen van die rationele keuzetheorie. De beperkte blik van degenen die op competitie gericht zijn, vinden we terug in die theorie. Vandaar dat de aanhangers van die rationele keuzetheorie grote moeite hadden om te accepteren dat er samenwerkers bleken te bestaan. Dat klopte niet met de theorie. Dus probeerden ze om dat samenwerkingsgedrag weg te verklaren. Bijvoorbeeld door te veronderstellen dat de spelers die er voor kozen om samen te werken, dat deden doordat ze het spel nog niet goed genoeg hadden begrepen. En dat ze zich dus wel competitiever zouden gedragen als ze meer ervaring met het spel hadden en meer tijd gehad hadden om over hun gedrag na te denken. Maar uit later onderzoek bleek dat dat niet opging. (Voor mij was het artikel van Kelley en Stahelski het begin van mijn afscheid van de rationele keuzetheorie.)

Toch zit er wel iets in de gedachte dat spontaniteit en pro-sociaal gedrag gemakkelijk samen gaan. Want uit dit recente onderzoek (fulltext achter de poort), waar ik de volgende keer op terug kom, blijkt dat minder tijd krijgen om na te denken, en dus meer intuïtief en op de automatische piloot moeten handelen, pro-sociaal gedrag bevordert. Dat klopt met de waarneming dat het helpen van iemand in een noodsituatie, als het gebeurt, vaak spontaan en direct gebeurt. Als er wat tijd over heen gaat, blijkt soms de hulpbereidheid snel af te nemen. Maar meer daarover dus de volgende keer.

zondag 13 mei 2012

Meer horeca, en dus ontmoetingsplekken, in de wijken - gemeente Utrecht

De gemeente Utrecht wil het "horecakader" aanpassen. Dat houdt onder meer in dat er in de wijken meer daghoreca en restaurants moeten komen.

Dit voornemen is toe te juichen. We hebben een periode van zo'n halve eeuw achter ons van schaalvergroting en concentratie van bedrijvigheid en voorzieningen. Dat heeft geleid tot een sterke functiescheiding, dat wil zeggen tot de ruimtelijke scheiding van wonen, werken en uitgaan. We wonen in een wijk waar nog alleen maar gewoond wordt, werken in een gebied waar alleen gewerkt wordt en winkelen en gaan uit in gebieden waar alleen gewinkeld en uitgegaan wordt.

De negatieve sociale gevolgen daarvan heb ik eerder met de term uitzwerming aangeduid. Zie daarover ook hoofdstuk 12 van het beroemde Bowling Alone. The Collapse and Revival of American Community van Robert D. Putnam. Die gevolgen houden in dat we meer tijd kwijt zijn aan het ons verplaatsen en dat is niet goed voor het milieu en voor onze gezondheid. Maar ze houden ook in dat onze sociale netwerken meer gefragmenteerd zijn geraakt. We hebben minder ongeplande ontmoetingen met andere buurtbewoners. De belangrijke sociale functie van economische voorzieningen (winkels, horeca) valt weg als die voorzieningen grootschaliger en meer ruimtelijk geconcentreerd zijn. In plaats van bekenden tegen te komen, gaan we meer op in een anonieme massa. En daardoor is het sociale leven verarmd.

Die ontwikkeling is vanuit een strikt economisch perspectief goed te begrijpen. Ondernemers die er van afhankelijk zijn dat klanten naar hen toe komen, hebben er belang bij om zich te vestigen waar al andere ondernemers zijn gevestigd die al klanten aantrekken. Ieder die zich ergens vestigt, oefent een positieve externaliteit uit op nieuwkomers. En iedere ondernemer probeert dus om te voorkomen dat hij zich ergens als enige vestigt. Vandaar dat je als je de markt zijn werk laat doen, alles naar de binnenstad en de grote winkelcentra gaat. En alles uit de woonwijken verdwijnt. En precies dat is ook gebeurd.

Je verwacht dus dat er in de wijken behoefte is aan meer horeca en aan de sociale functie van zulke voorzieningen. En volgens de gemeente Utrecht is die behoefte er ook. Uiteraard moet er iets gedaan worden om overlast voor omwonenden te beperken. Ik begrijp dat de raad er in juni definitief over beslist. Nogmaals: vanuit een sociale welvaartsperspectief toe te juichen.

Overigens: ik ben wel benieuwd hoe de gemeente dit nu precies gaat aanpakken. En welke juridische mogelijkheden ter beschikking staan.
Nieuwsberichten:

'via Blog this'

Muziek voor de zondagochtend: Kavakos and Tchaikovsky's violin concerto

Van alle Zaterdagmatinee's die ik in het Concertgebouw heb meegemaakt, is me vooral de uitvoering door Leonidos Kavakos van Beethovens vioolconcert bijgebleven. Ontroerend mooi en perfect. Hier speelt hij, met het Concertgebouworkest, het vioolconcert van Tchaikovsky. (Eerst de Verdi-ouverture La Forza del Destino.) Opgedragen aan de Grieken.

vrijdag 11 mei 2012

Gezondheid en sociale omgeving (17): zijn televisiepersoonlijkheden wel goed voor ons?

Zijn televisiepersoonlijkheden onderdeel van de sociale omgeving van mensen die televisiekijken? Rekenen we  Matthijs van Nieuwkerk, Paul de Leeuw, Linda de Mol, Yvon Jaspers, Peter R. de Vries en wie al die anderen ook mogen zijn, tot onze persoonlijke sociale omgeving? Ja, dat is in zekere zin het geval. In het onderzoek daarnaar is vastgesteld dat mensen een soort alsof-persoonlijke relatie kunnen ontwikkelen met televisiepersoonlijkheden die ze volgen. Omdat de relatie natuurlijk eenzijdig blijft, spreken onderzoekers over parasociale relaties.

Wat doet het met ons om zulke parasociale relaties te ontwikkelen en te hebben? Kunnen ze in de plaats komen van echte, tweezijdige relaties? Als het zo zou zijn, dan zou je verwachten dat mensen die meer eenzaam zijn, meer de neiging hebben om parasociale relaties te ontwikkelen. Als een substituut. Maar tot nu toe is er in onderzoek geen verband vastgesteld tussen eenzaamheid en de neiging om parasociale relaties te "hebben", hoewel eenzaamheid wel samengaat met meer televisiekijken. Zie hier en hier voor literatuurverwijzingen (fulltext achter de poort). Het gaat in dat onderzoek om eenzaamheid zoals mensen die zelf rapporteren door een vragenlijst in te vullen. Zie ook dit bericht.

Er zijn daarentegen wel aanwijzingen voor het "gebruik" van een imaginaire, persoonlijke band met televisiepersoonlijkheden als compensatie voor de negatieve ervaring van het alleen zijn of van het verlies van echte relaties. Ook zijn mensen met een grotere behoefte om ergens bij te horen (need to belong) meer geneigd om het alleen zijn te ervaren als het gemis van anderen en meer geneigd tot het ontwikkelen van parasociale relaties. Dat lijkt er dus wel op te wijzen dat we parasociale relaties ontwikkelen als een substituut voor echte relaties.

Is het dan ook een echt substituut, in de zin dat parasociale relaties net zo als echte, persoonlijke relaties bijdragen aan welzijn en gezondheid? Onderzoek daarnaar ken ik niet. Maar het lijkt mij onwaarschijnlijk. Zeker als je bedenkt dat televisiepersoonlijkheden veel narcistischer zijn dan de gemiddelde bevolking, zoals blijkt uit dit onderzoek (fulltext achter de poort). De auteurs van dat onderzoek waarschuwen dan ook voor wat ze het spiegeleffect noemen: narcisme zou zich door onze neiging tot het ontwikkelen van parasociale relaties met televisiepersoonlijkheden over de bevolking verspreiden. Zie The Mirror Effect. How Celebrity Narcissism Is Seducing America. Ik heb er weinig moeite mee om me daar iets bij voor te stellen.

donderdag 10 mei 2012

Economische crisis niet door "structurele" oorzaken. Het is de vraag, domoor!

Het wordt steeds duidelijker dat de huidige economische problemen cyclisch van aard zijn. Door de schuldencrisis is de vraag ingezakt en daar komt bij dat de overheden een pro-cyclisch beleid voeren, waardoor die vraag nog verder inzakt. Toch duiken er steeds weer stemmen op die roepen dat de problemen "structureel" van aard zijn.

Een voorbeeld daarvan is de recente column van David Brooks in de New York Times, die vandaag ook in de Volkskrant is geplaatst. Mike Konczal reageert op de column (zie de link onderaan dit bericht) en laat uitvoerig zien dat die structurele visie niet de cijfers aan zijn kant heeft. Integendeel, alles wijst er op dat de ingezakte vraag de oorzaak van de problemen is. Zie ook Paul Krugman in dit bericht en in dit bericht, waarin hij laat zien dat de werkloosheidscijfers verdeeld naar bedrijfstak en naar beroepscategorie alleen maar uitwijzen dat er een algeheel vraagprobleem bestaat.

En Merijn Knibbe laat zien dat voor Europa, althans voor Nederland en de Baltische staten, hetzelfde geldt. Als de problemen structureel van aard waren, dan zou er een toename moeten zijn van onvervulde vacatures. Met andere woorden: er zouden bedrijfstakken moeten zijn die willen groeien, maar dat niet kunnen omdat de gewenste opleiding en vaardigheden niet voldoende aanwezig zijn. Maar de cijfers wijzen uit dat zulks niet het geval is.

Wat bezielt degenen die zo graag die structuralistische visie willen uitdragen tegen alle empirische aanwijzingen in? Krugman verbaast zich er over en wijst er op dat datzelfde gedrag ook voor kwam in de jaren dertig van de vorig eeuw. Toen ook overduidelijk was dat er een vraagprobleem bestond.

En wat bezielt de Volkskrant? Of is het gewoon onkunde?
Assessing Yet Another Round of the Structural Unemployment Arguments

Update (11/05). Zie nu ook de column van Paul Krugman in de New York Times van vandaag.

dinsdag 8 mei 2012

Slapen we inderdaad minder? Misschien wel niet.

In dit bericht meldde ik dat we steeds minder slapen. Zonder bronverwijzing. Maar met de subjectieve "zekerheid" dat ik bronnen onder ogen had gehad en wist waar ik het over had.

Vandaag toch even gaan kijken naar de gegevens van het tijdsbestedingsonderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. En in de publicatie De tijd als spiegel zie ik in Tabel 3.1 op p. 30 dat Nederlanders van 12 jaar en ouder in 1975 60,5 uren per week sliepen. Evenveel als in 1980, waarna het aantal uren in 1985, 1990 en 1995 wat lager was (59,4, 59,7 en 59,4), in 2000 toenam tot 60,9 en in 2005 weer afnam naar 60,3 uren.

Niet echt een duidelijke afname dus. Gegevens over kinderen jonger dan twaalf jaar zijn er niet.

maandag 7 mei 2012

Budget madness in The Netherlands - Simon Wren -Lewis

Simon Wren-Lewis is verbijsterd dat het bezuinigingsakkoord van VVD, CDA, D'66, Groen Links en De ChristenUnie in Nederland wordt gevierd als een grote prestatie.
(...) Helaas lijkt het er op dat het Centraal Plan Bureau er niet in geslaagd is om de meerderheid van de politici te overtuigen van de dwaasheid van pro-cyclisch overheidsbeleid.
Gezien vanuit het perspectief van de eurozone is dit een ramp. De eurozone brengt het cyclisch aangepaste tekort sneller terug dan de V.S. of zelfs het Verenigd Koninkrijk en is op weg naar een tweede recessie, en mogelijk politieke desintegratie. Zoals ik en anderen hebben betoogd is er voor Duitsland tenminste een argument dat er met afnemende werkloosheid daar geen ruimte is voor overheidsstimulering. Maar in Nederland is de werkloosheid aan het toenemen. Er is geen, en ik herhaal, geen goede macro-economische reden om daar niet een stimuleringspakket uit te voeren. En we krijgen precies het tegenovergestelde.
En dat tegenovergestelde noemde demissionair premier Rutte "een ongelooflijke prestatie". Simon Wren-Lewis kan het niet geloven.

mainly macro: Budget Madness in the Netherlands:

'via Blog this'

De echo's van de jaren dertig - Paul Krugman

En zie, in vervolg op het vorige bericht, dit blogbericht van Paul Krugman van vandaag. "De echo's van de jaren dertig zijn zeer sterk."
Update. En zie ook het bericht Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann).

Dangers of National Unity - NYTimes.com:

'via Blog this'

Na de bezuinigingszeepbel - Joseph E. Stiglitz (en Paul Krugman)

Joseph Stiglitz nog maar eens over wat Europa zichzelf aandoet. De financiële elite blijft het mantra van de bezuinigingen als oplossing voor alle kwalen herhalen. In mijn vertaling:
Het is wat vreemd om die gewichtigdoenerij te horen van diegenen die, aan het roer van de centrale banken, ministeries van financiën en particuliere banken, het globale financiële systeem aan de rand van de afgrond hebben gebracht - en de huidige puinhoop hebben gecreëerd. Erger, zelden wordt uitgelegd hoe de cirkel vierkant te maken. Hoe kan het vertrouwen worden hersteld als de crisiseconomieën in een recessie terecht komen? Hoe kan groei weer gestimuleerd worden als bezuinigingen vrijwel zeker een verdere afname van de totale vraag veroorzaken en de productie en de werkgelegenheid nog verder doen dalen?
Dit zouden we zo langzamerhand moeten weten: markten zijn aan zichzelf overgelaten niet stabiel. Niet alleen genereren ze herhaaldelijk destabiliserende zeepbellen, maar, als de vraag inzakt, komen er krachten in het spel die de neergang versterken. Werkloosheid en de vrees dat die zich zal verspreiden drijft de lonen, inkomens en de consumptie naar beneden - en dus de totale vraag. (...) Landen die een begrotingsevenwicht opgelegd hebben gekregen, zijn gedwongen om hun uitgaven terug te brengen terwijl de belastingopbrengsten dalen - een automatische destabilisator die Europa nonchalant lijkt te omarmen.
Er zijn alternatieve strategieën. Sommige landen, zoals Duitsland, hebben de ruimte om hun overheidsuitgaven in te zetten. Investeringen zouden de lange termijn-groei bevorderen, met positieve effecten voor de rest van Europa. Een al lang bekend principe is dat een evenwichtige expansie van belastingen en uitgaven de economie stimuleert; als het programma goed wordt ontworpen (hogere belastingen aan de top, gecombineerd met uitgaven voor onderwijs), dan kan de toename van het nationale product en de werkgelegenheid aanzienlijk zijn.
Europa als geheel doet het niet slecht; de verhouding tussen schulden en bruto nationaal product steekt gunstig af bij die van de V.S. (...) De les is duidelijk: het geheel is meer dan de som van zijn delen. Als Europa - in het bijzonder de Europese Centrale Bank - meer zou lenen en de opbrengsten zou uitlenen, zouden de kosten van het financieren van de Europese schulden afnemen, waardoor ruimte ontstaat voor het soort bestedingen dat groei en werkgelegenheid bevorderen. (...)
Europa's obsessie met bezuinigingen is het resultaat van een verkeerde diagnose van zijn problemen. Griekenland gaf te veel uit, Maar Spanje en Griekenland hadden voor de crisis begrotingsoverschotten  en een lage schuldquote. (...)
De gevolgen van Europa's bezuinigingswedloop zullen langdurend en waarschijnlijk ernstig zijn. Als de euro overleeft, zal dat gebeuren ten koste van hoge werkloosheid en enorm lijden, vooral in de crisislanden. (...) er is geen voorbeeld van een grote economie - en Europa is de grootste van de wereld - die hersteld is als gevolg van bezuinigingen.
Als resultaat wordt het meest waardevolle bezit van een land, zijn menselijk kapitaal, verspild en zelfs vernietigd. Jonge mensen die langdurig geen fatsoenlijke baan hebben - en de jeugdwerkloosheid benadert of overschrijdt in sommige landen de 50 procent, en is sinds 2008 onaanvaardbaar hoog geweest - raken vervreemd. Als ze uiteindelijk werk vinden, zal dat voor een veel lager loon zijn. Normaliter is het jong zijn een periode waarin vaardigheden worden opgebouwd; nu is het een periode waarin ze wegkwijnen.
Zoveel economieën zijn kwetsbaar voor natuurrampen - aardbevingen, overstromingen, typhoons,  orkanen, tsunami's - dat het toevoegen van een door mensen gemaakte ramp des te tragischer is. Maar dat is wat Europa aan het doen is. Zeker, de welbewuste onwetendheid van zijn leiders van de lessen van het verleden is misdadig.
De pijn die Europa, in het bijzonder zijn armen en jongeren, lijdt is niet noodzakelijk. Gelukkig is er een alternatief. Maar nog langer wachten met het aangrijpen daarvan zal zeer kostbaar zijn. De tijd raakt op.
Zie ook hier de column van Paul Krugman van vandaag als reactie op de verkiezingsuitslagen in Frankrijk en Griekenland. Hij wijst er op dat het succes van Duitsland van de laatste jaren mede te danken is aan de lage rentes en hoge inflatie in de landen die nu in de problemen zitten. Omgekeerd betekent dat dat die landen nu een hogere inflatie in Duitsland nodig hebben om er weer bovenop te komen.

Wat dat aangaat is het hoopgevend dat de Duitse vakbonden hoge loonsverhogingen weten af te dwingen. En dat Schäuble, de Duitse minister van financiën die loonsverhogingen toejuicht.

"After Austerity" by Joseph E. Stiglitz | Project Syndicate:

'via Blog this'

Door sociaal isolement van gezinnen meer echtscheidingen?

Bob Horjus mailde me met de vraag wat er bekend is over de vraag of de kans op echtscheiding en/of relatieproblemen groter is in buurten met weinig sociale cohesie. Aanleiding was het vermoeden van welzijnswerkers dat echtscheiding meer voorkomt bij eenzame en betrekkelijk geïsoleerde tweeverdieners.

Er zijn inderdaad aanwijzingen dat het sociale isolement van gezinnen de kans op relatieproblemen en echtscheiding vergroot. In dit artikel uit 2003 (p. 299) verwees ik al naar onderzoek waaruit blijkt dat partners gemakkelijker conflicten met compromissen oplossen als ze meer gezamenlijke vrienden hebben. En naar onderzoek dat laat zien dat de kans op echtscheiding groter is als gezinnen meer sociaal geïsoleerd zijn.

Mijn vermoeden is dat sociaal isolement er toe leidt dat partners teveel op elkaar zijn aangewezen voor de vervulling van hun sociale behoeften en daardoor te hoge eisen aan elkaar gaan stellen. Mensen zijn er denk ik nooit voor "bedoeld" om een sociaal leven te hebben dat zo samenvalt met het gezinsleven als tegenwoordig soms het geval is. Toen ik naar aanleiding van de vraag van Bob nog wat verder ging zoeken, kwam ik die redenering tegen in het artikel Social Integration and Divorce
uit 1991. De onderzoekers (Booth, Edwards en Johnson) spreken over "communicatieve integratie", wat in het onderzoek neerkomt op het aantal goede vrienden (niet-familieleden) dat mensen aangeven te hebben. En ze vinden dat inderdaad de kans op echtscheiding (iets) groter is als de partners minder goede vrienden hebben, vooral als het gaat om huwelijken die minder dan zeven jaar geleden gesloten zijn.

Ander onderzoek waarin het sociale isolement indirect is gemeten, wijst in dezelfde richting. Zo blijkt bijvoorbeeld uit dit Finse onderzoek dat stellen die op het platteland bleven wonen, de laagste kans op echtscheiding hadden, tegenover stellen die verhuisd waren met de hoogste kans.

Ik moest ook denken aan de klassieke studie Family and Social Network van Elizabeth Bott uit 1957. Bott beschrijft daar Londense echtparen die meer of minder sociaal zijn ingebed. Aan de ene kant zijn er stellen die hun bestaande sociale netwerken geheel hebben behouden nadat ze gingen trouwen. Ze trouwden in de gemeenschap waarin ze opgroeiden en blijven daar deel van uit maken. Aan de andere kant zijn er de stellen die hun sociale netwerken, meestal door verhuizing, geheel hebben (moeten) laten vallen. Ik sloeg het boek er nog even op na (ik heb de editie van 1968) en vond in het laatste hoofdstuk een korte passage over de kans op echtscheiding van deze verschillende stellen. In mijn vertaling en bewerking:
Sociaal geïsoleerde stellen zouden een kleinere kans op echtscheiding kunnen hebben doordat ze veel emotioneel in elkaar investeren; maar aan de andere kant verwachten man en vrouw zo veel van elkaar dat desillusie en teleurstelling hen uit elkaar zouden kunnen drijven. De veel meer sociaal geïntegreerde stellen verwachten minder van elkaar en zouden dus minder snel uit teleurstelling uit elkaar gaan, maar aan de andere kant krijgen ze emotioneel minder van elkaar, waardoor ze misschien juist makkelijker uit elkaar zouden gaan.
Volgens Bott kon het dus nog beide kanten op gaan. Maar ondertussen lijken de aanwijzingen sterker te zijn geworden voor een grotere kans op echtscheiding bij een groter sociaal isolement.