maandag 2 januari 2012

Stadsleven vergroot kans op mentale stoornissen

De Duitse psychiater Andreas Meyer-Lindenberg schrijft in Der Spiegel over zijn onderzoek naar de negatieve effecten van leven in de stad waar ik in dit bericht naar linkte. Zie het bericht hieronder. Stadsbewoners in Duitsland hebben een veertig procent grotere kans op depressies en een twintig procent grotere kans op angststoornissen. En volgens de Nederlandse onderzoekers Lydia Krabbendam en Jim van Os is het risico op schizofrenie bij mensen die in de stad zijn opgegroeid minstens twee keer zo groot als bij mensen die op het platteland zijn opgegroeid. Als we allemaal op het platteland zouden wonen, waren onze geestelijke gezondheidsproblemen, en de kosten daarvan, aanzienlijk geringer.

Het is niet zo dat deze verschillen ontstaan doordat mensen met deze psychische problemen meer naar de stad trekken. De oorzaak lijkt echt te liggen in de aard van de stedelijke omgeving. Zoals ik in dat vorige bericht meldde, zijn er aanwijzingen dat het stadsleven en het opgegroeid zijn in de stad een negatieve invloed heeft op het vermogen om met sociale stress om te gaan, in het bijzonder met zogenaamde evaluatieve stress. Het lijkt er op dat stedelingen meer bezig zijn met het niet willen falen in de ogen van anderen. Dus met het voortdurend proberen eigen zwakheden te verbergen. Hun sociale leven staat meer in het teken van statuscompetitie en dat is een bron van stress.

Het mooie is nu dat Meyer-Lindenberg in dat artikel in Der Spiegel er op wijst dat de omvang van het vriendennetwerk een beschermende factor kan zijn. Stadsbewoners die goed omgeven zijn door een netwerk van persoonlijke relaties zijn minder kwetsbaar dan meer sociaal geïsoleerde stadsbewoners. En dat wijst dus op de grotere sociale fragmentering in de stad in vergelijking met het platteland als oorzaak voor die grotere kans op mentale stoornissen.

Gemiddeld genomen zijn stadsbewoners inderdaad meer sociaal geïsoleerd dan plattelandsbewoners. Misschien niet in de zin dat ze minder sociale contacten hebben, maar wel in de zin dat de contacten die ze hebben meer draaien rond het "voor wat hoort wat" principe. Volgens dit onderzoek lijken de contacten van stadsbewoners zakelijker te zijn. En dat zou heel goed met meer evaluatieve stress kunnen samenhangen. Het is in de stad minder zo dat mensen "er gewoon voor elkaar zijn", waardoor de geborgenheid van de gemeenschap die mensen nodig hebben, er minder aanwezig is.

Dit verwijst natuurlijk naar twee van die acht leefstijlveranderingen die volgens dit bericht de kans op fysieke en psychische kwalen verkleinen: het vergroten van het netwerk van persoonlijke relaties en het meer gericht zijn op iets doen voor anderen.

En als je dat verband met die leefstijlveranderingen toch legt, kun je er ook aan denken dat stadsmensen minder tijd doorbrengen in de natuur. En dat is ook een risicofactor.

Dit alles pleit er sterk voor om:

1. de stad fysiek en bestuurlijk meer zo in te richten dat mensen elkaar gemakkelijker leren kennen en gemakkelijker persoonlijke relaties aangaan (dus bijvoorbeeld meer ontmoetingsplekken, meer zelfbestuur van buurten en meer menging van wonen en werken),

2. dichte bebouwing meer af te wisselen met natuurgebieden en er in het algemeen voor te zorgen dat stadsbewoners zich altijd op zo kort mogelijke afstand van natuur bevinden.

Maatregelen als deze winnen behoorlijk aan urgentie als je bedenkt dat wereldwijd al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont en dat dat tegen 2050 tot twee derde zal zijn gestegen.
Update. Zie nu ook Meer over de voor- en nadelen.


'via Blog this'

zondag 1 januari 2012

Goede voornemens en therapeutische leefstijlveranderingen

Dat we vaak en tenminste een maal per jaar goede voornemens hebben, wijst er op dat mensen vaak tekort schieten in het praktiseren van een leefstijl die goed voor hen is.

Het is bekend dat factoren die met leefstijl te maken hebben, een oorzakelijk verband hebben met allerlei fysieke en psychische kwalen. Te denken valt aan hart- en vaatproblemen, obesitas, diabetes, kanker en stemmingsstoornissen. Voor de behandeling van zulke kwalen gaan we dan het medische circuit in of gaan we in psychotherapie. En dat moet natuurlijk ook. Maar je kunt je ook afvragen of artsen en therapeuten niet meer aandacht zouden moeten hebben voor behandelingen die gericht zijn op het bereiken van leefstijlveranderingen.

In dit artikel dat in oktober vorig jaar verscheen in de American Psychologist, houdt Roger Walsh een pleidooi voor meer aandacht voor therapeutische leefstijlveranderingen. De auteur is hoogleraar in de psychiatrie, filosofie en antropologie aan de Universiteit van Californië in Irvine. Hij lijkt mij een interessante man. Zie hier zijn website. Hij meldt o.a. dat hij circusacrobaat is geweest en dat hij recent een opleiding tot stand-up comedian heeft gevolgd. Maar met weinig succes, zegt hijzelf.

In dat artikel geeft hij een overzicht van het onderzoek naar de gunstige effecten op fysiek, mentaal en cognitief functioneren van de volgende acht leefstijlveranderingen:

1. meer bewegen,
2. beter, en meestal minder, eten,
3. meer tijd doorbrengen in de natuur,
4. meer en betere persoonlijke relaties (en dus minder sociaal isolement),
5. meer prettige bezigheden, waar je vrolijk van wordt,
6. meer ontspanning door mindfulness en meditatie,
7. meer religieuze en spirituele betrokkenheid (als die gericht is op liefde en vergeving, niet indien gericht op schuld en boete),
8. meer gerichtheid op iets doen voor anderen, zowel in de sfeer van de persoonlijke relaties als in die van de wereld als geheel en toekomstige generaties.

De dingen die op dit lijstje staan hebben onderlinge samenhangen die je gemakkelijk opvallen. Wat mij vooral opvalt is dat je, als je meer en betere persoonlijke relaties hebt (4), ook al snel meer plezier hebt en vaker lacht (5) en meer bezig bent met iets voor anderen te doen (8). En waarschijnlijk eet je ook beter en vooral minder (2), want teveel eten lijkt samen te hangen met gevoelens van eenzaamheid. En als je meer contacten hebt, ga je er ook vaker samen op uit en ben je dus misschien ook vaker in de natuur (3). (Of dat laatste echt zo is, weet ik eigenlijk niet.)

zaterdag 31 december 2011

Merijn Knibbe over angst voor inflatie en over economen die de statistieken niet kennen

Een gastblog van Merijn Knibbe, die eerder reageerde op een bericht.

Uiteraard mijn grote dank om opgenomen te worden als 'blogpost'! 

Als aanvulling hierop het volgende: Het is, in toenemende mate, bevreemdend waar de angst van de 'inflationista's' vandaan komt. Want zelfs vanuit een naief-monetaristisch perspectief zou angst voor inflatie voortkomend uit een groei van de geldhoeveelheid toch gebaseerd moeten zijn op een groei van de geldhoeveelheid. En die geldhoeveelheid, die groeit niet meer zo snel, VOLGENS DE EENVOUDIG TE RAADPLEGEN STATISTIEKEN VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK. Sterker nog: de groei neemt af en ligt nu, met 2%, ver onder de door de ECB gewenste groei van 4,5%. En dat is al drie jaar zo... 

En ook de voorspellingen van de ECB zelf geven aan dat, omdat de BTW-verhogingen in landen als Griekenland en Spanje volgend jaar uit de index zullen vallen en omdat de STIJGING van de energieprijzen minder wordt de inflatie volgend jaar lager zal zijn dan nu. Tel daarbij op een loonstijging die achter blijft bij de prijsstijging, terwijl de productiviteit wel stijgt... Ik begrijp werkelijk niet dat er economen zijn die zowel zichzelf als econoom serieus nemen en tegelijkertijd op dit moment waarschuwen voor het inflatiegevaar.

Maar goed. Een van de redenen daarvoor is duidelijk. Economie is een wetenschap die sterk op 'stel dat' redeneringen is gebaseerd, een hebbelijkheid die nog stamt uit het ondertussen toch tamelijk verre verleden dat we al die mooie gegevens over de loonstijgingen en de geldhoeveelheid niet hadden. Typerend is dat er in de opleidingen tot econoom nauwelijks aandacht is voor het ambacht van het meten van de economie: het bepalen van de definities, het operationaliseren van variabelen, het opstellen van meetprotocollen en wat dies meer zijn. En dat brengt met zich mee dat veel economen zich er nauwelijks van bewust zijn dat de theoretische definitie van allerlei variabelen fors afwijkt van de empirische definitie (een voorbeeld daarvan is dat veel economen er nog steeds niet vanuit gaan dat geldschepping per definitie gepaard gaat met schuldcreatie, men kijke er de statistieken van de ECB op na ('counterparts of M3', de activakant van de balans van de geldscheppende banken). 

Overigens ben ik niet van mening (nog zoiets) dat alleen banken geld scheppen. Neem groupons, postzegels, afnemerskrediet (in de business to business verkopen een post van tientallen miljarden!), kopieerkaarten, airmiles, de schuld die u aangaat als u een auto koopt met zo'n 0% lening bij Renault (heeft trouwens een bankenvergunning!), de OV-chipkaart - het zijn geheel volgens de definitie van geld allerlei vormen van pecunia, gebruikt voor transacties (voorbeeld: u koopt met Euro-geld een tegoed op de OV-chipkaart dat een ruilmiddel is, gewaardeerd in de gangbare rekeneenheid en dat ook een waarde vertegenwoordigd. Het is alleen geen 'algemeen' geld waar u overal mee kunt betalen.) Opmerkelijk detail: postzegels gebruikten altijd de gangbare munt als rekeneenheid, de PTT (oeps, TNT post) is daar onlangs vanaf gestapt. 

Conclusie: een stage bij een statistisch bureau moet een noodzakelijk en onontkoombaar onderdeel van de opleiding tot wetenschappelijk econoom worden. Directe kennis van en ervaring met de ambachtelijke zijde van het vervaardigen van economische data zoals dat gebeurt in de statistische bureaus hoort bij de opleiding tot economisch wetenschapper. Dat vereist natuurlijk wel voorafgaande stages van de docenten. 
Merijn Knibbe

Wanneer verbieden? Vuurwerk, roken en zwerfafval

Elk jaar rond deze tijd ontstaat de discussie over de wenselijkheid van een vuurwerkverbod. Eerder schreef ik een stuk voor Openbaar Bestuur, met een pleidooi voor een sociaalwetenschappelijke kijk op het vuurwerkverbod en op verbieden in het algemeen. Zie de link naar het manuscript onderaan dit bericht. Ik citeer hier de conclusie:
Als de overheid overweegt iets te verbieden, is het belangrijk in de beleidsafweging rekening te houden met sociaal-wetenschappelijke inzichten. Deze wijzen op de voorwaarden waaronder burgers gemakkelijker een verbod accepteren en op de sociale processen die de kans op naleving vergroten of verkleinen. Ook zonder hoge handhavingskosten is het rookverbod een succes gebleken waar dat verwacht kon worden, in het openbaar vervoer en restaurants. Dat bewijst de kracht van het wederkerigheidsbeginsel en van het mechanisme van de sociale beïnvloeding. Het laat ook zien dat de werking van dat beginsel een duidelijk signaal van de democratische overheid nodig kan hebben. Het is jammer dat de overheid dat signaal niet wil geven als het gaat om het knalvuurwerk op oudejaarsdag.
Ja, ik ben wel voor een vuurwerkverbod. In ieder geval op oudjaarsdag tot 18 uur 's avonds. Iedereen een prettige jaarwisseling toegewenst!
Wanneer verbieden def.doc - Google Docs:

'via Blog this'

donderdag 29 december 2011

Is de mensheid vreedzamer geworden? Steven Pinker

Timothy Snyder bespreekt het nieuwe boek van Steven Pinker, getiteld The Better Angels of Our Nature. Why Violence Has Declined. Zie het bericht hieronder.

Ik was enthousiast over Pinkers eerste boek, The Language Instinct (1994). Prachtig boek, alleen al om de beschrijving en weerlegging van het Social Science Standard Model, dat zo heeft huisgehouden in de sociale wetenschappen en dat het bestaan van een menselijke natuur als "biologisch" afwees. Later werkte hij die kritiek uit in The Blank Slate (2002), dat ik ook met veel plezier las. Daartussen in schreef hij How The Mind Works (1997), waar ik niet doorheen kwam.

Nu is er dus dit nieuwe boek. Hij verdedigt daar de stelling dat het geweld in de loop van de mensheidsgeschiedenis alleen maar is afgenomen. Volgens deze bespreking van Snyder zijn er volgens Pinker twee fundamentele overgangen geweest:
from the anarchy of hunting and gathering societies to the controlled violence of early states and then from a "culture of honor" associated with these states to a "culture of dignity" characteristic of the better moments of modernity.
Die tweede transitie kan goed kloppen. Agrarische maatschappijen waren sterk als statushiërarchieën georganiseerd en om die tot stand te brengen en in stand te houden was veel geweld en onderdrukking nodig. Met de industrialisering nam de onderhandelingsmacht van de factor arbeid toe, waardoor de ongelijkheid afnam. Als onderdeel daarvan kregen we algemeen kiesrecht en democratie. En democratie is een middel om conflicten anders op te lossen dan door gebruik van geweld. (Of de democratie levensvatbaar blijft, vroeg ik me hier af.)

Maar dat Pinker gelooft dat jagers-verzamelaarsmaatschappijen nog gewelddadiger waren dan agrarische maatschappijen is verbazingwekkend. Er zijn veel aanwijzingen dat jagers-verzamelaars goed in staat waren om de menselijke neiging tot statuscompetitie collectief te onderdrukken. Daardoor konden ze gemeenschappen vormen op basis van onderlinge samenwerking en coöperatief grootbrengen van de kinderen. Er kwam wel geweld voor, maar vooral gericht tegen degenen die anderen wilden overheersen en vooral op hun eigen belang uit waren. En dat geweld werd pas dan gebruikt als mildere, sociale sancties (uitsluiting, negéren, ridiculisering) niet hielpen.

Tussen gemeenschappen konden conflicten bestaan, maar die leiden zelden tot "oorlogen". Want in plaats van een conflict uit te vechten, wat in de natuur so wie so weinig gebeurt, kon je altijd met je medestanders vertrekken en ergens anders je geluk zoeken. En dat gebeurde ook op grote schaal, want het is al in dit jagers-verzamelaars tijdperk geweest dat onze verre voorouders zich over de hele aardbol verspreidden. Vanuit waarschijnlijk Oostelijk Afrika via Eurazië naar Australië en het Amerikaanse continent. Dat grote succes van die coöperatieve leefwijze is moeilijk te rijmen met de gedachte dat dit de meest gewelddadige periode was in de mensheidsgeschiedenis.

Goede bronnen voor dit inzicht zijn het werk van Christopher Boehm (Hierarchy in the Forest. The Evolution of Egalitarian Behavior), van Douglas P. Fry (Beyond War. The Human Potential For Peace) en van Sarah Blaffer Hrdy, die ik al eerder noemde (o.a. Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Mutual Understanding).

Hoe komt Pinker dan tot zijn stelling? Ik zou het boek moeten lezen, maar de tijd is beperkt. Ik ga nu even af op Snyder:
Pinker's first target is the tendency to romanticize the distant past. Since he believes that people fantasize about a peaceful prehistory, he deliberately over­emphasizes its violence, dwelling at length on the bloodiest passages of the Old Testament. His cheerful admission of this writerly tactic presages not only the friendly tone of the entire book but also one of its shortcomings. Although Pinker writes as a scientist, his approach in this book is discursive rather than deductive, charmingly but not quite persuasively advancing his ex cathedra views about life in general. The research of others, although abundantly and generously cited, too often seems to footnote Pinker's own prior assumptions.
Dat wekt geen vertrouwen. Lees ook wat Snyder later in zijn bespreking zegt over hoe Pinker omgaat met het probleem van de twee wereldoorlogen in de twintigste eeuw. Eerst zegt hij dat het "bad luck" was om twee van zulke conflicten vlak na elkaar te hebben. Dat komt niet sterk over. En hij claimt dat één individu, Adolf Hitler, toch vooral verantwoordelijk was. Als die er niet geweest was, ja, dan was de twintigste eeuw veel minder gewelddadig geweest. Tja, dat is wel een heel onwaarschijnlijke claim. Zie hierover ook mijn laatste bericht over de statushiërarchie van het Hitler-bewind.

Ik ben dus wat wantrouwend over Pinkers nieuwe boek. Als het in de boekhandel ligt, ga ik er eens door heen bladeren.
War No More | Foreign Affairs:

'via Blog this'

De zombie-ideeën van de eurocrisis

Door Krugman nu eens helder in een grafiek bijeen gebracht: de oorzaak van de eurocrisis was niet, dus niet, dat Griekenland, Italië, Portugal, Spanje en Ierland steeds maar meer schulden gingen maken. Integendeel, als je naar het gemiddelde van hun schulden als proporties van hun bruto nationale producten kijkt, dan was er tot 2007 een duidelijke daling. Europa was toen zeer tevreden met de prestaties van Spanje en Ierland. De toename van hun schulden daarna is een gevolg van de crisis. En de crisis is niet een gevolg van het onverantwoordelijk schulden maken. Zie het bericht hieronder.

Maar Krugman lijkt gelijk te hebben: er zijn van die "zombie" ideeën die onuitroeibaar zijn. Feiten helpen niet meer. Anders gezegd: de eurocrisis is een politiek probleem, niet een economisch probleem. En een verklaring vinden voor zulke "zombie" ideeën, is niet een economisch, maar een sociaalwetenschappelijk vraagstuk. Er is een sociaal proces aan de gang, waarin de "deskundigen" meer naar elkaar kijken om hun standpunten te bepalen, dan naar de feiten.

Dat is zacht gezegd wel heel sneu voor al die werklozen in Griekenland en in Spanje en in Ierland. En voor al die andere slachtoffers van de bezuinigingsobsessie van de Europese politici.

'via Blog this'

dinsdag 27 december 2011

De bezuinigingsobsessie - Paul Krugman

Paul Krugman: We zijn in een wereld van vraaguitval.... Het is een wereld waarin de bezuinigingsobsessie krankzinnig, slecht en gevaarlijk is.

America Is Not Exceptional - NYTimes.com:

'via Blog this'

Belang van nabijheid grootouders voor arbeidsparticipatie

Ik heb verschillende keren bericht over het belang van contacten met grootouders voor kinderen en hun ouders. Zo besluiten stellen eerder om een kind "te nemen" als ze meer contacten met hun ouders hebben. De verwachte nabijheid en aanwezigheid van grootouders vergroot de kindvriendelijkheid van de omgeving waarin die kinderen geboren worden. Ook zijn er aanwijzingen dat het pro-sociale gedrag van kinderen wordt bevorderd door het veel contact hebben met hun grootouders.

Er zijn meer aanwijzingen voor de gunstige gevolgen van de bijdrage die grootouders leveren aan het verminderen van het sociale isolement van gezinnen. Ik zag nu dit paper dat gebaseerd is op twee grote data sets in de Verenigde Staten. De onderzoekers concluderen dat het dicht in de buurt wonen van grootouders sterk bijdraagt aan de kans dat gehuwde moeders met jonge kinderen een betaalde baan hebben. Dat die moeders meer gaan werken dan moeders die geen ouders in de buurt hebben wonen, komt niet alleen doordat die grootouders hun geregelde bijdrage leveren aan de kinderopvang en het oppassen, maar ook doordat ze beschikbaar zijn voor het geval dat er ongeplande hulp nodig is. Ze dragen gewoon bij aan de gezins- en kindvriendelijkheid van de omgeving. En maken het daardoor gemakkelijker voor moeders om betaald werk te doen.

De onderzoekers maken melding van studies in Europa (en in Nederland) die dezelfde resultaten laten zien.