dinsdag 5 november 2013

Kleinere scholen doen het beter. Doordat ze een betere sociale omgeving bieden

In veel landen, waaronder Nederland, leek het tientallen jaren geleden een goed idee om in het onderwijs meer te profiteren van de voordelen van schaalgrootte. Grotere scholen zouden leerlingen meer te bieden hebben, zoals allerlei voorzieningen die alleen op die schaal zijn te financieren. De redenering daarachter was vooral economisch van aard. We zaten midden in de tijd dat bedrijven en overheidsdiensten op zoek gingen naar de economische voordelen van optimale, en dus altijd grotere, schaal.

Maar er zijn natuurlijk voor de hand liggende en dan vooral sociale nadelen van grotere scholen. De sociale omgeving is er al gauw veel anoniemer. Ook lijkt de kans groter dat leerlingen vooral alleen maar contact hebben met leeftijdsgenoten, wat sociaal ongunstig is.

Onderzoek naar de effecten van schoolgrootte op leerprestaties en welzijn van leerlingen is lastig, omdat kleine en grote scholen ook op allerlei andere kenmerken van elkaar verschillen. Daardoor is er voor zover ik weet in Nederland geen onderzoek dat uitwijst dat kleinere scholen beter zouden zijn.

Maar nu is net een onderzoek gerapporteerd dat in New York is uitgevoerd, dat meer uitsluitsel lijkt te geven. In de Verenigde Staten wordt al een aantal jaren lang een beleid gevoerd om scholen kleiner te maken. Door grote scholen te splitsen en nieuwe kleine scholen te stichten. Na een periode waarin scholen steeds maar groter werden. Het onderzoek Small High Schools and Student Achievement: Lottery-Based Evidence from New York City (pdf) heeft het voordeel dat de toewijzing van leerlingen naar die kleinere scholen per loterij werd bepaald. Dat maakte het mogelijk om een goede vergelijking te maken. Een vergelijking naar behaalde schoolprestaties en naar mogelijke verklarende kenmerken.

De resultaten wijzen uit dat die kleinere scholen het beter doen, als je kijkt naar de schoolprestaties en naar de prestaties in het vervolgonderwijs (na twee jaar). En dat zou er aan kunnen liggen dat op kleinere scholen de betrokkenheid van leerlingen en leraren groter is, dat er meer toezicht is op de leerlingen, dat leerlingen minder spijbelen, dat leerlingen meer feedback krijgen, dat er meer veiligheid is en dat leraren en leerlingen meer contact hebben en meer samenwerken.

Alles wat je zoal dacht over de sociale voordelen van kleinere scholen, dat blijkt dus ook het geval te zijn. Mensen gedijen beter in een persoonlijke sociale omgeving, waarin je elkaar kent en dingen samen doet. En waarin er gemakkelijk persoonlijke contacten ontstaan tussen personen van verschillende leeftijden. Dat dat ook geldt in het onderwijs, dat zou niemand behoren te verbazen.

maandag 4 november 2013

Statushiërarchie en gemeenschap: de innerlijk tegenstrijdige ("flexibele") sociale menselijke natuur. En de evolutionaire achtergrond daarvan

De menselijke sociale natuur is innerlijk tegenstrijdig. Aan de ene kant hebben we een aanleg tot gemeenschapsgedrag. Tot het aanleren van morele intuïties van elkaar bijstaan als dat nodig is, van gelijkheid en autonomie en van afkeer van (pogingen tot) overheersing en uitbuiting.

Maar aan de andere kant hebben we ook een drang om ons in een statuscompetitie met anderen te meten. En om ons in een bestaande statushiërarchie onderdanig te gedragen naar boven en overheersend en neerbuigend naar beneden. En om coalities te sluiten, altijd tijdelijke, als middel om hoger op te klimmen.

Die innerlijke tegenstrijdigheid is eigenlijk een vorm van sociale flexibiliteit. Het is verstandig om je gedrag aan te passen aan het gedrag van anderen. In een sociale gemeenschap kun je beter gemeenschapsgedrag vertonen, en aanleren als je er in opgroeit. Doe je dat niet, dan stuit je op de afkeer die anderen van jouw gedrag hebben. Die laten ze je merken. Het is dan beter om dat gemeenschapsgedrag in de vorm van morele intuïties aan te leren (te internaliseren).

Maar bestaat je sociale omgeving uit een toestand van statuscompetitie of uit een statushiërarchie dan kom je niet ver met gemeenschapsgedrag. Als je geen alternatieven hebt, dan rest je niets anders dan mee te doen. Afhankelijk van je fysieke en sociale (manipulatieve en strategische) vaardigheden zul je lager of hoger in de hiërarchie terecht komen.

Kortom, mensen hebben twee sociale gedragspatronen gemakkelijk tot hun beschikking. En ze zijn in staat om zich aan te passen aan de aard van hun sociale omgeving. Eerder noemde ik dit de Dual Mode-theorie. Zie bijvoorbeeld hier en hier. En ging ik in op de vraag hoe deze menselijke sociale natuur in de evolutie heeft kunnen ontstaan. Van belang daarin is de Paleo Sociale Omgeving geweest, waarin onze verre voorouders, die het statuscompetitiegedrag van de gemeenschappelijke voorouder van Homo sapiens en chimpansee geërfd hadden, zich collectief zo aanpasten dat ze door middel van gemeenschapsgedrag met veel succes wisten te overleven. En dat hield dus in dat dat "oude" statuscompetitiegedrag collectief werd onderdrukt.

Herbert Gintis en Carel van Schaik gaan nu op de evolutionaire wortels van deze twee gedragspatronen in en de daarmee samenhangende sociaalpolitieke systemen. Ze doen dat in de studie Zoon Politicon: The Evolutionary Roots of Human Sociopolitical Systems (pdf), dat deze maand verschijnt in het boek Cultural Evolution van Peter J. Richerson en Morton H. Christianson. Wat mij er vooral in trof was het mooie overzicht van de voorwaarden waaronder de gemeenschap en het gemeenschapsgedrag van die Paleo Sociale Omgeving in de mensheidsgeschiedenis kon ontstaan. Ik probeer dat heel kort samen te vatten. Met enkele toevoegingen van eigen hand.

Er is natuurlijk niet precies één oorzaak die alles in werking stelde, maar in ieder geval was het rechtop gaan lopen (bipedalism) als een eerste voorwaarde belangrijk. Dat opende een groot aantal nieuwe mogelijkheden.

Een mogelijkheid was het gebruik van dodelijke wapens, zoals stenen en stokken. Dat had als belangrijk gevolg dat alfa-mannetjes, wier heerschappij vooral op fysieke kracht berustte, kwetsbaarder werden. Ze konden door ieder ander van de groep met een goed gerichte klap worden uitgeschakeld. Waardoor het moeilijker werd om de bestaande hiërarchie in stand te houden. Dat droeg bij aan de ontwikkeling naar meer gelijkheid.

Maar die dodelijke wapens, die bovendien verbeterd konden worden omdat je immers vanwege dat rechtop lopen de handen vrij had, konden natuurlijk ook gebruikt worden voor de jacht en dan vooral de jacht op grotere prooidieren. En dat had ook grote sociale gevolgen. Want het risico van die jacht en de kans op succes konden door te gaan samenwerken beïnvloed worden. En die samenwerking had ook zin, want een gedood prooidier leverde genoeg voedsel op voor een grotere groep.

Dat voedsel moest dan wel eerlijk verdeeld worden. Net als al het voedsel dat gezocht en verzameld werd en op een centrale plaats werd bijeengebracht. Maar waarom zou je dat niet meteen opeten als je het had gevonden? Omdat mensen ondertussen door hadden gekregen hoe je een vuurtje maakte en hoe je dus voedsel kon koken. Gekookt voedsel had het voordeel van snellere vertering, waardoor een kleiner darmkanaal nodig was. Maar als je voedsel kookte kon je dat ook gemakkelijker in grotere hoeveelheden dan voor een of enkele personen doen. Ook daarvoor was natuurlijk eerlijk delen nodig.

Dat eerlijk delen werd vergemakkelijkt door de toegenomen gelijkheid. Die maakte het ook mogelijk dat kinderen coöperatief werden grootgebracht, dus minder exclusief door alleen de eigen moeder, zoals bij de chimpansees, waar de moeder het jong jarenlang bij zich heeft. De zorg werd met vader, grootouders, oudere kinderen en andere groepsleden gedeeld. Dat had het voordeel dat kinderen langer afhankelijk konden blijven. Waardoor ze ook vroeger konden worden geboren, wat een goede aanpassing was aan de sneller groeiende hersenomvang. Die weer een aanpassing was aan het complexer geworden sociale leven in een egalitaire groep. Door hersenen ook na de geboorte nog lang te laten doorgroeien, faciliteer je het sociale leerproces.

En precies dat laatste behelsde de ontwikkeling van de morele gemeenschapsintuïties. Op basis van het vermogen van de gedeelde intentionaliteit: het besef dat jij en de ander een bedoeling hebben en het besef dat beide dat van elkaar weten (Tomasello). Op grond daarvan is de typisch menselijke coördinatie en coöperatie mogelijk.

Dat alles laat onverlet dat het vermogen en de neiging tot statuscompetitie nog aanwezig zijn. Maar zolang dat gemeenschapsgedrag in de groep domineert, en daarmee de afkeer van onderdrukt worden en van bazig gedrag van anderen, zullen incidentele neigingen tot statuscompetitie collectief onderdrukt worden. Door sociale sancties, zoals ridiculisering en ostracisme (negéren), dus door sociale controle. Leiderschap, zo het er al is, is altijd gebaseerd op vaardigheden en gedrag die in dienst staan van de groep. Niet op de zucht naar status en eigen gewin.

Kortom, mensen zijn onder de passende omstandigheden heel goed in staat om een een op gelijkheid en onderlinge solidariteit gebaseerde groep tot stand te brengen en in stand te houden. Als die omstandigheden er niet zijn, ja, dan zien we snel een statushiërarchie ontstaan.

Overigens, als je hier welvaartstheoretisch naar kijkt, dan zie je een sociaal systeem met twee sociale evenwichten: het evenwicht van de gemeenschap en het evenwicht van de statushiërarchie. Met de veronderstelling dat het gemeenschapsevenwicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht.

Volgens dit scenario begon het dus met het rechtop lopen. Zo eenvoudig zal het wel niet zijn gegaan, maar stel dat, waardoor gingen onze voorouders rechtop lopen?

Een plausibele verklaring daarvoor is dat er in Oostelijk Afrika in dat verre verleden een periode, of meer periodes, waren van toenemende droogte. Waardoor het regenwoud zich terugtrok en het landschap van de savanne zich uitbreidde. Meer grasland dus, met meer verspreid voedsel én meer roofdieren en grotere prooidieren. Maar om de voordelen daarvan te kunnen benutten, en beter tegen de nadelen er van gewapend te zijn, was het gunstiger om rechtop te gaan lopen. Die niche werd benut door een van de primaten die hun leefgebied, dat van het regenwoud, zagen inkrimpen. En dat waren onze voorouders. Dat had overigens natuurlijk net zo goed niet kunnen gebeuren.

zondag 3 november 2013

Muziek voor de zondagochtend - Quatuor Debussy | Mozart : Adagio et Fugue en C minor K.546 - YouTube

Quatuor Debussy | Mozart : Adagio et Fugue en C minor K.546 - YouTube:

'via Blog this'

Dat je alleen maar een eenvoudig muziekliefhebber bent, heeft het grote voordeel dat je nog vaak ontdekkingen doet. Zo hoorde ik deze week voor het eerst Mozarts Adagio en Fuga K.V. 546. Dat was tijdens de les die Leonard Leutscher (van de cursus Het Luisterrijk) wijdde aan de late Mozart. Dat wil zeggen aan de muziek die Mozart componeerde toen hij 35, 36 jaar was, nog heel veel van plan was en bepaald niet bezig was met zijn vroegtijdig overlijden. Hij had eindelijk zijn doel bereikt om hofcomponist te worden en was er op gebrand om zijn kunnen te demonstreren. Vandaar dit Adagio en Fuga. De fuga was oorspronkelijk geschreven voor twee piano's, die Mozart bewerkte voor strijkorkest. Hier in de versie voor strijkkwartet, uitgevoerd door het Quator Debussy. Klik even de reclame aan het begin weg. De fuga begint op 4:12. Na dat meditatieve adagio word je ineens verrast door een en al beweeglijkheid.

vrijdag 1 november 2013

De anti-overheidsideologie door de geschiedenis heen: aan de hand van John Kenneth Galbraith

De aanhang voor publieke domein-vuistregels kan sterk fluctueren. Dat domein is nog zo nieuw in de menselijke geschiedenis dat we nog lang niet genoeg collectieve inzichten hebben vergaard om de beheersing er van onder de knie te hebben. Desondanks kunnen mensen wel sterke overtuigingen hebben over hoe dat domein zou moeten worden aangepakt. Maar die berusten dus altijd meer op sociale processen van zeepbelvorming dan op empirische onderbouwing.

Vandaar dat de aanhang voor de vuistregel van de anti-overheidsideologie in de recente geschiedenis bepaald niet stabiel is geweest. De aanhang lijkt nu aanzienlijk, zij het meer onder de politieke en economische elite dan onder het gewone volk. Maar dat is anders geweest, met name anders in de eerste 25 jaar na de Tweede Wereldoorlog. Laten we om daar zicht op te krijgen even terug gaan naar het eerste boek van John Kenneth Galbraith, American Capitalism. The Concept of Countervailing Power, dat in 1952 verscheen. (Volg de link om het gratis te donwloaden.)

Galbraith (1908-2006), vader van James Kenneth Galbraith, schreef twee jaar voor zijn dood nog het prachtige boekje The Economics of Innocent Fraud, waarin hij een vlijmscherpe analyse gaf van het kapitalisme van begin van de eenentwintigste eeuw. Zie eerder op dit blog over Galbraith dit bericht, dit bericht en dit bericht.

Maar nu even terug naar 1952. Ik las American Capitalism een tijdje terug, in de uitgave Galbraith. The Affluent Society & Other Writings, die in 2010 door zoon James werd geredigeerd. Vader Galbraith wijdt daar een passage aan die anti-overheidsideologie, die hij aanduidt met "het concurrentiemodel". Ik vertaal een stukje (p. 30-31):
In het concurrentiemodel werd overheidsinterventie even rigoureus afgewezen of de motieven van de overheid nu als kwaadwillend of goedwillend werden verondersteld. Het model werd ontwikkeld in tijden dat goede intenties van de staat en zijn dienaren niet konden worden aangenomen. De meest krachtige van de politieke filosofen die aan die ontwikkeling meededen, Jeremy Bentham, was nergens zo op gebrand dan op het minimaliseren van de rol van corrupte publieke ambtsdragers. Daar waren goede redenen voor. Tot ver in de negentiende eeuw in Engeland, en ook nog tot in de huidige eeuw in het grootste deel van de rest van de westerse wereld, waren de motieven van het overheidsgezag in relatie tot de economie, tenminste van tijd tot tijd hebzuchtig of corrupt. In de Verenigde Staten was de federale overheid tot in de huidige eeuw op economisch vlak de schutspatroon van degenen die het best in staat waren om voordelen te verkrijgen en van de eigen ambtenaren.
Die doctrine van de boosaardige staat is niet geheel dood. Een hedendaagse verhandeling over de Amerikaanse economie concludeert dat de overheid door de progressieve inkomstenbelasting weloverwogen "zijn meest succesvolle burgers van zijn voortbrengselen berooft en ze toedeelt aan degenen met minder succes; op die manier bestraft de overheid de vlijt, de zuinigheid, de kundigheid en de efficiëntie en ondersteunt hij de luiheid, de verkwisting, de incompetentie en de inefficiëntie. Door de zuinigen te beroven, vernietigt de overheid de bron van het kapitaal, onderdrukt hij investeringen en het scheppen van banen en remt hij de industriële vooruitgang....". (...) Maar er is geen twijfel aan dat dit een minderheidsstandpunt is. In de Verenigde Staten zowel als in de parlementaire democratieën in het algemeen, is de grote meerderheid van de bevolking de overheid als wezenlijk goedwillend gaan beschouwen. Als de New Deal enige revolutionaire betekenis heeft gehad, dan was dat een revolutie in de houdingen van de grote massa's van het volk ten opzichte van de federale overheid. Binnen het bestek van een paar jaar gingen burgers een relatief afstandelijk en onpersoonlijk mechanisme, tot dan toe geïdentificeerd met tarieven, belastingheffing, verboden, "Farmers' Bulletins" en de Nationale Parken, zien als een beschermer en zelfs als een vriend van het volk en als hun schild tegen tegenslag. De daden van de overheid waren niet altijd even voorspelbaar, maar er was geen twijfel dat de motieven als goed konden worden beschouwd.
Deze passage tekent wel ongeveer het klimaat van de jaren vijftig. De herinnering aan de anti-overheidsideologie die geheerst had, was nog levendig. Maar tegelijk kon die naar de geschiedenis worden verwezen. Tot die ideologie in de jaren tachtig weer de kop opstak. Met, ja, alle gevolgen van dien. Wordt dus vervolgd.

donderdag 31 oktober 2013

De (nog) hardnekkige aanhang van de anti-overheidsideologie

De overtuiging dat het verstandig is om als overheid in een balansrecessie te gaan bezuinigen, in een tijd dus dat de private sector ook minder besteedt, is een concretisering van de algemenere vuistregel dat de overheid weinig goeds kan doen.

Die vuistregel houdt in dat het marktmechanisme bij uitstek de bron is van alles wat wenselijk is. De markt zorgt altijd voor de goede prikkels en daarmee voor maximale welvaart. Een verdelingsprobleem is er niet, want wie arm is, heeft kennelijk te weinig aan te bieden waar vraag naar is of spant zich te weinig in. Bovendien profiteren de armen altijd wel mee van die welvaartstoename, want doordat de rijken zoveel geld hebben om uit te geven, komt daarvan ook altijd wel wat terecht bij de armen. Dat laatste is het bekende trickle down argument.

De overheid kan in deze visie vooral kwaad doen, namelijk door dit proces te verstoren. Het zou bijvoorbeeld verkeerd zijn om de armen te helpen door middel van inkomensherverdeling. Of om door een anticyclisch macro-economisch beleid volledige werkgelegenheid te waarborgen. Werkloosheid kan immers eigenlijk alleen maar structureel zijn en is dan een noodzakelijk onderdeel van het aanpassingsproces van het marktmechanisme aan veranderde omstandigheden. Liever niets aan doen.

Mensen die een actievere overheid bepleiten zijn do-gooders, die het zuur verdiende geld van de rijken willen afpakken om het aan de armen te geven. Dat maakt dat de rijken zich minder inspannen en zij zijn nu juist de bron van ondernemingslust, die geheel onbelemmerd hun goede werk moeten kunnen doen. Er moet altijd voor gewaakt worden dat de overheid wordt overgenomen door die naïeve idealisten.

Dat is in een notendop de (neoliberale) anti-overheidsideologie. (Update. Zie vandaag ook de column van Paul Krugman in de New York Times, waarin hij deze ideologie, zoals de Republikeinen in de Verenigde Staten hem aanhangen, karakteriseert als "adolescent libertarian fantasies". Daar zit wat in.) Vuistregel: zorg er voor dat de overheid zo klein mogelijk blijft. Er is natuurlijk ook de precies tegengestelde ideologie van het onbeperkte vertrouwen in maximaal gecentraliseerde besluitvorming, het communisme, maar daar gaat het nu niet over.

De vuistregels die wij hanteren voor de vormgeving van het publieke domein zijn meestal geïnspireerd op morele intuïties die afkomstig zijn uit  het persoonlijke domein. De anti-overheidsideologie lijkt eenzijdig gebaseerd op de intuïties van autonomie en individuele verantwoordelijkheid. Iedereen moet op eigen benen staan. Zelfredzaamheid.

Eenzijdig gebaseerd, in de zin dat andere morele intuïties, zoals onderlinge solidariteit en wederkerigheid, geen inspiratiebronnen zijn voor dat publieke domein. Hun werking moet beperkt blijven tot ieders persoonlijke domein. Als je hulp nodig hebt, dan moet die te vinden zijn in de kring van familie en vrienden. U weet wel, de participatiemaatschappij.

Ik omschreef vuistregels als niet door de feiten gestaafde inzichten, die echter wel plausibel lijken en die in ieder geval niet overduidelijk door die feiten weerlegd worden. Met "overduidelijk" bedoel ik dat ze niet zo flagrant met de werkelijkheid in strijd zijn dat er eigenlijk geen aanhanger van kan worden gevonden. Dat betekent dat de aanhang van dit type vuistregels sterk afhankelijk is van processen van sociale beïnvloeding. Inderdaad, ze verschijnen en verdwijnen als sociale zeepbellen. In situaties van informatietekort en onzekerheid vertrouwen we mede op de oordelen van anderen. De aanhang voor publieke domein-vuistregels kan dus sterk fluctueren.

Zo verkeerde de anti-overheidsideologie na de Tweede Wereldoorlog in een minderheidspositie. Maar we weten dat dat in de jaren tachtig, met Ronald Reagan in de Verenigde Staten en Margaret Thatcher in het Verenigd Koninkrijk, veranderde. Waarna de ideologie na de Val van de Muur in 1989 nog eens een flinke boost kreeg. En we maken nu, na de financiële crisis en midden in een grote depressie, een tijd mee waarin zal blijken in hoeverre hij zich nog weet te handhaven. Je zou verwachten dat hij maar slecht is opgewassen tegen de harde werkelijkheid van het falende vertrouwen in de weldaden van de ongereguleerde marktwerking.

Maar toch verbaast de hardnekkigheid waarmee er aan de ideologie wordt vastgehouden. Zie daarover bijvoorbeeld Why Are Neo-Liberal Ideas So Resilient?  En lees deze prachtige reactie van John Cassidy op het nieuwe boek van Alan Greenspan, de voorganger van Ben Bernanke bij de Fed en bij uitstek de representant van de anti-overheidsideologie, Alan Greenspan Rediscovers Keynes - Sort Of. Komt die hardnekkigheid er uit voort dat de morele lading die vanuit dat persoonlijke domein is meegenomen naar het publieke domein, in de weg staat van een zakelijke en intellectuele beoordeling van de feiten?

Daarover een volgende keer meer.

woensdag 30 oktober 2013

Vijf boeken over de werkelijke economie die je gelezen moet hebben. Volgens John Kay



De financiële crisis van 2008 en de economische recessie die daarop volgde en die ons nu nog plaagt, hebben tot veel kritiek op het vak economie aanleiding gegeven. Die kritiek is divers, maar een gemeenschappelijke noemer lijkt te zijn dat grote delen van het vak nauwelijks nog over de economische (en sociale) werkelijkheid gingen. Een van de uitingen van die kritiek is de Real-World Economics Review (een aanrader en gratis te lezen).

Maar de aanleiding tot dit bericht is het interview met John Kay, de auteur van onder meer Obliquity, het boek waarin hij uitlegt dat we veel van onze doelen het beste via een omweg kunnen bereiken.

Een omweg? Ja, denk ook aan Overheidsonmacht in de jeugdzorg!, waarin Arie Glebbeek, Rudi Wielers en ik uitleggen dat omwegbeleid de aangewezen weg is op het terrein van de jeugdzorg.

In dit interview noemt John Kay de vijf boeken (zie hierboven) die wij allemaal, maar in de eerste plaats de economen onder ons, zouden moeten lezen. Want ze gaan over de werkelijke wereld en de werkelijke geschiedenis. En daarvoor is in de huidige economie-opleidingen veel te weinig ruimte. Lees het interview.

Hm, ik heb alleen nog Guns, Germs and Steel van Jared Diamond gelezen. Vertaald als Zwaarden, Paarden en Ziektekiemen. Maar daar wel heel, heel veel van geleerd. Wel nog vier te gaan dus.

Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen?

We leven in een maatschappij met een omvangrijk publiek domein. Dat is het sociale domein dat bestaat uit alle mensen, relaties, omstandigheden en gebeurtenissen waar we geen directe, op persoonlijke ervaringen berustende kennis van hebben. In vergelijking met het persoonlijke domein, dat van de familie en vrienden waarmee we een persoonlijke geschiedenis delen, is onze relatie met het publieke domein er een van een fundamenteel informatietekort. Vrijwel alles wat we weten of menen te weten, hebben we van horen zeggen. Sommigen van ons doen hun best om dat informatietekort te verminderen. Ze lezen kranten, ze raadplegen boeken en internet en ze volgen het (sociaalwetenschappelijk) onderzoek. Maar verreweg de meesten maken zich afhankelijk van wat ze zoal horen en onder ogen krijgen bij hun dagelijkse bezigheden die op andere zaken gericht zijn.

Nou en? Zou je kunnen denken. Maar zo gemakkelijk kom je er niet van af. Want onze lotgevallen zijn met wat er in dat publieke domein gebeurt wel innig verbonden. Wat al die anderen die we niet persoonlijk kennen, doen en nalaten, in economie, openbaar bestuur en politiek, daar van ondervinden we wel de gevolgen. Denk maar aan werkloos worden als gevolg van een economische recessie die door een ten onrechte gedereguleerde bankensector is veroorzaakt. En denk er aan wat het dan voor verschil maakt of je in een land leeft met een behoorlijke sociale zekerheid of niet.

Afhankelijk zijn van het onbekende maakt onzeker. Dat heeft emotionele gevolgen (stress), maar ook cognitieve. Want we kunnen die onaangename onzekerheid verminderen door op vuistregels te vertrouwen. Niet door de feiten gestaafde inzichten, die echter wel plausibel lijken en die in ieder geval niet overduidelijk door die feiten weerlegd worden. Zo'n vuistregel is bijvoorbeeld dat je de meeste mensen (die je niet persoonlijk kent) wel kunt vertrouwen. Of dat je ze juist niet kunt vertrouwen. Of neem de nog concretere vuistregel dat je altijd maar beter je fiets op slot kunt zetten.

Vooroordelen zijn ook vuistregels. Als we andere mensen niet kennen, hebben we snel de neiging om ze in groepen in te delen en ze binnen die groepen over een kam te scheren. Zie het vorige bericht. Die vooroordelen zijn vaak negatief. Dat zal er mee te maken hebben dat evolutionair gezien overdreven angst en behoedzaamheid succesvoller zijn dan te grote naïviteit en lichtzinnigheid.

Maar evenzeer zijn er vuistregels in de vorm van sociale zeepbellen en ideologieën. Zoals de sociale zeepbel dat het een goed idee is om als overheid te bezuinigen in een balansrecessie. En de (neoliberale) ideologie dat overheidsingrijpen in het marktmechanisme als regel meer kwaad dan goed doet. In een volgend bericht meer aandacht voor deze vuistregels aan de hand van enkele actualiteiten.

Dat allemaal in het kader van de vraag of we het publieke domein wel ooit onder de knie zullen krijgen. De vuistregel is misschien: nee, dat zullen we niet.

maandag 28 oktober 2013

Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt

Hoe komen we van het bestaan van vooroordelen af? En daarmee van de vaak gewelddadige conflicten die uit vooroordelen voortkomen?

Een in de sociale wetenschappen bekend antwoord op die vragen is dat vooroordelen die verschillende groepen over elkaar hebben, verminderen als de leden van die groepen meer contacten over en weer hebben. Dit heet wel de contacthypothese en die werd door de sociaal psycholoog Gordon Allport in 1954 geïntroduceerd in zijn boek The Nature of Prejudice.

Ananthi Al Ramiah en Miles Hewstone geven nu in Intergroup Contact as a Tool for Reducing, Resolving, and Preventing Intergroup Conflict Evidence, Limitations, and Potential (betaalpoort) een mooi overzicht van al het onderzoek dat is gedaan om te checken of die hypothese klopt. Daarmee bouwen ze voort op de studie A meta-analytic test of intergroup contact theory van Pettigrew en Tropp uit 2006, die de data van ruim 500 studies bij elkaar veegden en analyseerden.

Al dat onderzoek heeft opgeleverd dat het inderdaad klopt dat door meer persoonlijk contact tussen leden van verschillende groepen met negatieve vooroordelen over elkaar, die vooroordelen verminderen. Waardoor naar verwachting ook de kans op gewelddadige conflicten of onderdrukking van minderheden vermindert.

Dit is zonder meer een van die onderzoeksgebieden waarmee de sociale wetenschappen hun grote maatschappelijke belang bewijzen. Wij leven dicht bij huis en wereldwijd in maatschappelijke verhoudingen met groepsgrenzen naar nationaliteit, etniciteit, religie, cultuur en sociaaleconomische status. Daardoor ontwikkelen we gemakkelijk vooroordelen, vooral negatieve, over leden van andere groepen. Die zijn vaak onschuldig. Maar als daar echte of vermeende belangenconflicten bij komen, die ideologisch aangewakkerd worden, dan ontstaan gevaarlijke toestanden.

Na de gruwelen van het Hitler-bewind, met de genocide op Joden, Roma, homo's en gehandicapten, en die van het Stalin-regime hebben we (ik ben van 1943) een poos gedacht dat zoiets voorgoed geschiedenis was, maar die optimistische tijd is al lang voorbij. In Europa hadden we Noord-Ierland en in de jaren 90 de moordpartijen in het voormalige Joegoslavië. En hebben we nu het door de economische crisis en het rampzalige bezuinigingsbeleid oplevende rechts-extremisme. Zie ook nog eens Verontrustend actueel. En buiten Europa hadden we de apartheid in Zuid-Afrika en de Verenigde Staten en de verschrikkingen in China (Mao), in Cambodja (Pol Pot) en de moordpartijen in Congo, Rwanda, Darfur en Sudan. Het gaat ergens over.

Inzicht in de gunstige werking van persoonlijke contacten is dus van groot belang. Enkele zaken die me opvielen bij het lezen van dat artikel van Al Ramiah en Hewstone zijn:
  1. Er zijn aanwijzingen dat persoonlijke contacten met leden van een andere groep ook vooroordelen vermindert over leden van andere groepen waarmee geen persoonlijk contact bestaat. De werking er van is algemener. Kennelijk zijn mensen in staat om uit het niet kloppen van vooroordelen in het ene geval te concluderen dat ze dan misschien wel in het algemeen niet kloppen. Ze worden in het algemeen toleranter, ruimdenkender en realistischer.
  2. Waardoor vermindert dat contact de bestaande vooroordelen? Doordat de angst voor de anderen er door vermindert en doordat empathie toeneemt. Dat moet er mee te maken hebben dat mensen elkaar gewoon beter leren kennen. Er ontstaat iets van die onderlinge vertrouwdheid die in de eigen groep vanzelfsprekend is en die mensen nodig hebben om samen te kunnen leven. Denk aan die Paleo Sociale Omgeving, waarin de mensheid is geëvolueerd. Die sociale omgeving is nog altijd een model voor menselijk samenleven dat we niet straffeloos blijken te kunnen negeren.
  3. Meer persoonlijk contact vermindert niet alleen vooroordelen, maar vergroot ook het vertrouwen, de vergevingsgezindheid en de bereidheid tot verzoening. Dat zijn ook de eigenschappen die kenmerkend zijn voor de Paleo Sociale Omgeving.
  4. Is het alleen het persoonlijke contact dat deze gunstige effecten heeft? Nee, er zijn aanwijzingen dat ook virtueel contact helpt (internet). En ook parasociale contacten, dus het meer leren over andere groepen en culturen door het kijken naar televisieprogramma's. Ook hoef je het contact niet eens zelf te hebben. Als je vrienden hebt met zulke contacten, verminderen ook jouw vooroordelen.
We kunnen dus wel degelijk wat doen om vooroordelen terug te dringen en zo bij te dragen tot een vreedzamere wereld. Er is zonder meer een taak voor de media weggelegd. Alleen is het de vraag of we daar in de regelgeving (publieke omroep!) wel voldoende rekening mee houden.

En ik moest er ineens aan denken dat die vroegere militaire dienstplicht, naast alle nadelen, wel het voordeel had dat je maatjes werd met anderen van verschillende rangen en standen. Wat dat aangaat, hadden we die dienstplicht nu misschien wel goed kunnen gebruiken.

zondag 20 oktober 2013

Muziek voor de zondagochtend - Hélène Grimaud plays the "Adagio" from Mozart's Piano Concerto no.23

Niemand anders dan Mozart kon met zulke eenvoudige middelen een zo groot gevoel van diepzinnigheid teweeg brengen. Zoals hier in het Adagio van het 23ste Pianoconcert. Gespeeld door Hélène Grimaud, die van Living With Wolves.

vrijdag 18 oktober 2013

Er komt onderzoek naar de vraag of leeftijdsgemengde schoolklassen een goed middel zijn tegen pesten

Update. Dat onderzoek is er. Lees: Pesten moet je niet door leraren laten oplossen. Doe aan leeftijdsmenging
In het bericht Het beste middel tegen pesten: leeftijdsgemengde groepen verbaasde ik me erover dat er in het onderwijs allerlei anti-pestprogramma's in omloop zijn, maar dat er weinig aandacht is voor wat nu wel de oorzaken zouden kunnen zijn van pesten door kinderen. Ik citeer mezelf:
Als je dat op je laat inwerken, kom je gemakkelijk op het idee dat het wel eens een belangrijke oorzaak van pesten zou kunnen zijn dat wij onze kinderen in extreme mate dwingen in het keurslijf van de naar leeftijd gesegregeerde groepen. Buiten de (steeds maar toenemende) tijd die kinderen met hun eigen ouders doorbrengen, verkeren ze vooral te midden van hun leeftijdsgenootjes. En die sociale omgeving van kinderen van dezelfde leeftijd lokt gemakkelijk statuscompetitie uit. Het gaat er dan al snel om wie het populairst is, wie wel en wie  niet cool is, of stoer is, of wie weet hoe je intimideert en wie kwetsbaar is. Geen aangename omgeving voor kinderen met een vlekje.
 En ik verwees naar onderzoek dat op de voordelen van leeftijdsgemengde klassen wijst:
Deze nadelen van naar leeftijd gesegregeerde groepen zijn overigens bekend. Zo is er het onderzoek Children's Social Behavior in Relation to Participation in Mixed-Age or Same-Age Classrooms, dat laat zien dat kinderen in leeftijdsgemengde groepen pro-socialer zijn, zich minder eenzaam voelen en minder vaak agressief zijn. Dat wijst er overduidelijk op dat in zulke groepen ook pesten minder vaak voorkomt.  En dan nog afgezien van andere positieve effecten van leeftijdsmenging op scholen, zoals op leerprestaties en cognitieve ontwikkeling.
Maar het lijkt er op dat die voordelen van leeftijdsmenging niet bekend zijn. Iedereen schijnt te vinden dat je pesten moet tegengaan door een "programma", dus door kinderen uit te leggen dat pesten niet goed is en dat je het niet moet doen. Anders gezegd: iedereen schiet in de opvoedreflex. Als er iets mis is met kinderen: beter opvoeden! (En dat verwijst weer naar de mythe van de opvoedbaarheid.)

Dat heeft er toe geleid dat er nu zelfs een wettelijke verplichting voor scholen komt om het pesten aan te pakken. Met een anti-pestprogramma uiteraard.

Aan dat alles moest ik natuurlijk denken toen ik eerder deze week de oratie van René Veenstra in Groningen bijwoonde. René, die ik ken als gewaardeerd ex-collega, deed verslag van zijn onderzoek naar de effecten van Kiva, een van die anti-pestprogramma's. En hij had gevonden dat op scholen waar dat programma was geadopteerd, het pesten meer was afgenomen dan op scholen die als controlegroep fungeerden.

Maar het mooie is dat er onder de scholen die aan het onderzoek meededen, ook zijn die werken met leeftijdsgemengde groepen. Dat zijn namelijk de Jenaplanscholen. Dat maakt het mogelijk om te onderzoeken of pesten op zulke scholen minder voorkomt. Als dat zo blijkt te zijn, dan zou dat een aanwijzing zijn dat leeftijdsmenging inderdaad een goed middel is. Uiteraard alleen een aanwijzing, want er zullen ook wel andere kenmerken zijn waarop Jenaplanscholen van andere scholen verschillen.

Natuurlijk begon ik hierover toen ik René na afloop feliciteerde. En hij vond het een goed idee om te gaan uitzoeken. Dus hopelijk komt er onderzoek naar de vraag of leeftijdsgemengde schoolklassen een goed middel zijn tegen pesten. Ik ben benieuwd naar de uitkomsten. Het zou toch mooi zijn als we pesten zouden kunnen terugdringen door de oorzaak aan te pakken. In plaats van maar weer beter opvoeden.