donderdag 12 februari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -31 - Homans' contouren in 1951

Toen ik aan deze reeks berichten begon, verwachtte ik dat ik in het voorbijgaan ook even aandacht zou moeten besteden aan het werk van George C. Homans (1910 - 1989). Maar dat begon met bericht 25 en ik merk dat ik er nog niet mee klaar ben. Als ik er nu op terugkijk en me erin verdiep, komt het me als belangrijker voor dan ik destijds dacht. Het is niet alleen zo dat hij de mens terugbracht in de sociologie, maar ook dringt het nu pas tot me door dat je bij hem al de ingrediënten van de sociologie als een verbetervak kunt aanwijzen. Je kunt dat wel een late ontdekking noemen. (Hier het vorige bericht.)

Hoe kan dat, vroeg ik me af. Hoe komt het dat ik dat vroeger, tijdens mijn studie en de eerste jaren van mijn aanstelling aan de universiteit, niet gezien heb? 

Dat kan er aan hebben gelegen dat ik al snel concludeerde dat Homans' poging, in zijn Social Behavior uit 1971, om de mens terug te brengen, maar dan in de vorm van de Skinneriaanse operante conditionering, niet de goede weg was. Dat de menselijke interactie alleen maar zou bestaan uit de uitwisseling van beloningen, zoals ook in de ruiltheorie waarvan Homans als grondlegger wordt beschouwd, leek me onwaarschijnlijk. 

Ik moet wel bekennen dat ik daar toen, erop terugkijkend, niet diep over nadacht. Want wat later behoorde ik wel tot degenen die de rationele keuzetheorie omarmden. Die kwam uit het vak economie en daarin ging het niet over beloningen en bestraffingen, maar over nut. Maar net zo als in de Skinneriaanse gedragstheorie wat belonend en wat bestraffend was, buiten de theorie werd gehouden, gebeurde dat in de rationele keuzetheorie met wat wel of niet nut opleverde. In beide gevallen ging het om een wel heel "kale" theorie over de menselijke natuur. (Later natuurlijk meer over mijn jaren met de rationele keuzetheorie.)

Hoe dan ook, ik nam te snel afscheid van Homans en kwam, zoals gezegd, wat zijn The Human Group uit 1951 betreft, niet heel veel verder dan dat ik het een aantal keren had opengeslagen. Achteraf gezien was dat onverstandig.

Want wat was Homans daar eigenlijk aan het doen? In plaats van eerst een denksprong te maken naar een theorie over menselijk groepsleven, zoals de theorie dat dat leven altijd het karakter heeft van een sociaal systeem, ging hij na welke lessen er zijn te trekken als je dat groepsleven gewoon observeert. Dat wil zeggen, hij bestudeerde de observaties die eerder door anderen in vijf studies naar kleine groepen waren verricht. Studies waarin niet een vooropgezette theorie de waarnemingen had gestuurd. Waarin de onderzoekers alleen gewapend met hun eigen alledaagse inzichten in het menselijke sociale gedrag waren gaan kijken wat er zich afspeelde en daar verslag van hadden gedaan. 

Net zo als, bedenk ik nu, Frans de Waal het groepsleven van een andere primaat, de chimpansees, observeerde en zich daarbij uitdrukkelijk niet liet leiden door het Skinneriaanse gebod dat je de chimpansee als een black box diende te beschouwen.. Ik citeer uit Frans de Waal overleden - Zijn eerste boek, Chimpanseepolitie, uit 1982, was baanbrekend:

Frans de Waal begon zijn wetenschappelijke carrière aan de Universiteit Utrecht met zijn beroemd geworden onderzoek naar de chimpanseegroep van Burgers Dierenpark in Arnhem. Hij schreef daarover dat prachtige boek Chimpanseepolitiek. Macht en seks bij mensapen, dat in 1982 verscheen. 

Dat was een baanbrekend onderzoek, omdat hij, tegen de wetenschappelijke consensus van die tijd in, chimpansees nauwgezet en langdurig observeerde en hun gedrag interpreteerde als dat van een soort die heel dicht bij de mens staat. Het was een tijd waarin het behaviorisme nog invloedrijk was en waarin het niet werd gewaardeerd als je gedrag beschreef in termen van motieven en doelen. Want dat was niet objectief.

Er is dus enige overeenkomst tussen hoe Frans de Waal rond 1980 keek naar het groepsgedrag van chimpansees en hoe Homans in 1951 keek, weliswaar indirect, naar het groepsgedrag van mensen. Zonder een andere vooringenomenheid dan de eigen alledaagse inzichten. Homans had niet de last van het gesocialiseerd zijn in een sociologie-opleiding en ging dus vrijuit zijn gang. Frans de Waal was beïnvloed door de ethologen, die hij karakteriseerde als "geduldige waarnemers" (p.28).

Laat ik nog even nagaan wat dat opleverde. Zoals gezegd, het ging om twee studies naar groepen van werknemers van een onderneming, een groep van straatjongeren, een groep mensen die op het eiland Tikopia leefden van tuinbouw en visvangst en een groep inwoners van een dorp in New England, dat Hilltown wordt genoemd. Volledigheidshalve: er werd niet alleen geobserveerd, er werden ook interviews afgenomen.

In die twee groepen van werknemers, de Bank Wiring Observation Room en de Electrical Equipment Company, ging het om het gedrag van mensen die deel uitmaken van een bestaande, formeel vastgelegde, hiërarchie. Mensen bekleedden een positie in een hiërarchie van bevoegdheden en verschillen in beloning en autonomie. Homans nam waar dat mensen gemakkelijk vriendschappen ontwikkelen als ze langer met elkaar omgaan (denk aan de contacthypothese), maar dat dat niet gebeurt bij verschillen in status. Sterker, dan ontstaan fricties en tegenstellingen. En hij nam waar dat mensen superioriteitsgevoelens ontleenden aan hun hogere status en dat degenen met lagere status met ondermijnende acties daartegen verzet aantekenden. Waardoor een vicious spiral van attack and counterattack in gang werd gezet (p.140-144). Ook creëerde de hiërarchie gevestigde privileges die bij een dreigende sociale daling met acties werden verdedigd (p. 407-414). 

Anders gezegd, een formeel vastgelegde statushiërarchie activeert het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. Maar mensen ervaren dat als in strijd met het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee, waarmee ze natuurlijk ook bekend zijn. Homans (p. 127):

...the feeling that no man should act as if he had authority over someone else is an article in the democratic creed - and note that the creed is realized to some degree in American society and would not survive unless it were.

Een aan de tekentafel ontwikkelde hiërarchie kan dus in theorie economisch efficiënt zijn, maar loopt in de praktijk aan tegen wat mensen kunnen willen, de menselijke sociale natuur. Dat is het inzicht dat leidt tot de bekende pleidooien voor minder hiërarchie in organisaties en voor de coöperatie als organisatievorm. Pleidooien dus voor een betere maatschappij.

In Homans' analyse van de Norton Street Gang, gaat het om een groep van dertien straatjongeren die werd bestudeerd door William Foot White, die daar in 1943 in Street Corner Society verslag van deed. Dat boek kreeg aanvankelijk weinig aandacht, maar werd na een herdruk in 1955 een bestseller, waar iedere eerstejaarsstudent sociologie op zijn minst van had gehoord. We zien enerzijds dat er in die groep een statushiërarchie is ontstaan, met een van hen, Doc, als leider aan de top. Doc stond in het middelpunt van de aandacht, zowel van communicaties naar boven als naar beneden. Hij was de leider omdat hij het best in staat was te voldoen aan de in de groep heersende normen (p.178-179):

The Nortons, like all groups, evaluated a man's behavior by certain norms. He was expected to be strong en skillful at games and athletic sports, partcularly those in which the group was interested; he should be openhanded and ready to meet his obligations; he should be able to "dish it out and take it"; he should be no sucker, and so on. (...) The more closely a man in his activities conformed to these standards, the more popular he was and the higher his social rank.

Maar anderzijds zien we dat die statushiërarchie in toom wordt gehouden. Doc waakt er voor om al te bazig over te komen, omdat hij weet dat de anderen dat niet zullen accepteren. Doordat ze al lang met elkaar optrekken, zorgt de onderlinge vertrouwdheid er voor dat het gemeenschapspatroon ook gemakkelijk geactiveerd wordt. Een statushiërarchie kan van bovenaf opgelegd zijn, zoals in een bedrijf, of spontaan ontstaan, maar in beide gevallen zien we dat de leden van de groep er verzet tegen aan tekenen en daarnaar handelen. 

In de hoofdstukken over Tikopia, de naam van het eiland in Polynesië en van de ongeveer 1200 mensen die er wonen, baseert Homans zich op de beroemd geworden studie van Raymond Firth uit 1936, We, The Tikopia. A sociological study of kinship in primitive Polynesia. De Tikopia leefden verspreid over dorpen en in huishoudens van meerdere generaties. Hier gaat de analyse natuurlijk vooral over verwantschapsrelaties, die zich uitstrekken tot ver buiten het kerngezin van twee ouders en hun kinderen, ja, tot vrijwel het gehele eiland. 

De kern daarvan ligt erin dat de kinderen die het huishouden verlaten, niet zich niet alleen in de buurt vestigen, maar ook relaties van samenwerken en delen in stand houden. Met elkaar en met de ouders. Daardoor worden de relaties van "vrijheid en vriendelijkheid" die binnen het huishouden bestaan opgetild naar de relaties tussen huishoudens. Door de combinatie van de onderlinge vertrouwdheid die in stand blijft en de mogelijkheden en noodzaak van onderlinge hulpverlening, het samenwerken en delen, wordt dus heel gemakkelijk het gemeenschapspatroon geactiveerd. Homans gaat in op het grote verschil met het westerse, sociaal geïsoleerde kerngezin en op de sociale problemen die daarmee samenhangen, dus van eenzaamheid en sociale vluchtigheid (p.276-280).

Gegeven de dominantie van het gemeenschapspatroon, is er niettemin een statushiërarchie aanwezig. Het gaat om een patriarchale samenleving, waarin mannen meer te zeggen hebben dan vrouwen. Maar als een vrouw zich slecht behandeld voelt, kan ze terug naar haar familie. Er zijn vier clanhoofden, de chiefs, die organisatorische en religieuze functies vervullen. Maar hun machtsuitoefening wordt sterk ingeperkt door de algemene verwachting dat ze zich verantwoordelijk gedrag en zich niet verrijken. 

Dan is er tenslotte de groep van inwoners van het dorp Hilltown, waar een aanvankelijke gemeenschapstoestand door economische ontwikkelingen, zoals schaalvergroting en functiescheiding, overging in een toestand van sociale onzekerheid en vluchtigheid, met toename van eenzaamheid en activering van het statuscompetitiepatroon. Daar had ik het al over in het vorige bericht.  

Samengevat, Homans gaf in 1951 al een fraai overzicht van de verschillende manieren waarop groepen mensen kunnen omgaan met de innerlijke tegenstrijdigheid van de twee sociale gedragspatronen waarmee ze zijn toegerust. Onder verschillende omstandigheden leidt dat tot verschillende uitkomsten. Met als overkoepelend inzicht dat steeds geprobeerd wordt om het statuscompetitiepatroon zoveel mogelijk in toom te houden. Soms lukt dat beter en soms gaat het de verkeerde kant op. 

Daarmee schilderde hij wat mij betreft al de contouren van dat sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving waar het in deze reeks berichten over gaat.

vrijdag 6 februari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -30 - Homans en de sociologie als een verbetervak

Je kunt uit Homans' The Human Group niet anders concluderen dan dat hij de contouren schilderde van de sociologie als een verbetervak. De toestand van een maatschappij kan als beter worden gekarakteriseerd hoe meer die maatschappij erin is geslaagd kenmerken van de kleine groep terug te laten keren in hoe die maatschappij reilt en zeilt.

At the level of the small group, society has always been able to cohere. We infer, therefore, that if civilization is to stand, it must maintain, in the relation between the groups that make up society and the central direction of society, some of the features of the small group itself.

Hier het vorige bericht. En dat betekent dat we voor de maatschappij als geheel ervoor dienen te zorgen dat we eenzaamheid ("psychosocial isolation") voorkomen, dat we zorgen voor de voorwaarden waaronder nieuwe generaties kunnen socialiseren ("circulation"), dat we er voor zorgen dat mensen goed geïnformeerd zijn ("communication") en dat we statuscompetitie tegengaan ('conflict", "control"). Kortom, het is zaak voor de maatschappij als geheel (en zelfs voor de wereldbevolking) zoveel mogelijk tot stand te brengen van wat we in de kleine groep tot stand te brengen.

Dat klinkt nogal als een opgave en dat is het natuurlijk ook. Maar een opgave die we onder ogen moeten zien. En als we dat doen, komen we tot de conclusie dat we op het niveau van de maatschappij de democratie nodig hebben. En op het niveau van de wereldbevolking samenwerking tussen staten en verdragen over mensenrechten. Want zo proberen we zo goed mogelijk te bereiken dat het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon van de kleine groep wordt opgetild naar dat hogere niveau van maatschappij en wereldbevolking. Met als na te streven uitkomst dat we met ieders belangen in gelijke mate rekening houden. 

Geheel in overeenstemming met de gedachte dat de gemeenschapstoestand van het iedereen-telt-mee superieur is aan de statuscompetitietoestand van het ieder-voor-zich. Wat erop wijst dat als we die opgave denken niet aan te kunnen, het alternatief eruit bestaat dat we ons neerleggen bij het ieder-voor-zich, dat onvermijdelijk uitmondt in het "recht" van de sterkste, dus in dictatuur, onderdrukking en zelfs genocide. Grote woorden, maar helaas met een wel heel actuele strekking.

Terug naar Homans en The Human Group. Homans analyseert daar vijf studies naar kleine groepen, die toen bekend waren en ook later door sociologen nog vaak zijn aangehaald. Het gaat om twee studies naar groepen van werknemers van een onderneming, een groep van straatjongeren, een groep mensen die op het eiland Tikopia leven van tuinbouw en visvangst en een groep inwoners van een dorp in New England, dat Hilltown wordt genoemd. 

In het hoofdstuk over Hilltown gaat het over de ongeveer duizend inwoners, die in het verleden in staat waren om een rijk sociaal leven te onderhouden, dat echter na verloop van tijd uiteen is gevallen. De studie beschrijft een proces van sociale desintegratie. Het dorp had in het verleden, na zijn ontstaan aan het eind van de achttiende eeuw, nog allerlei functies die later door de staat of zelfs de federale overheid werden overgenomen. In dorpsvergaderingen (town meetings) werd overlegd over de bouw en onderhoud van scholen en wegen en van de (Calvinistische) kerk en de aanstelling van de predikant, en over de ondersteuning van de armen en behoeftigen. En er werd belasting geheven en er werd recht gesproken. Dat zorgde er voor dat er veel gelegenheden waren om elkaar goed te leren kennen en om samen te werken en te delen. Dat laatste gebeurde ook in de vorm van hulpverlening tussen buren bij het ploegen, oogsten of bouwen van een nieuwe schuur.

Kortom, er waren de voorwaarden voor de gemakkelijke activering van het gemeenschapspatroon: onderlinge afhankelijkheid en vertrouwdheid. En op de basis daarvan ontstonden er de georganiseerde, gezamenlijke activiteiten die voor het materiële bestaan nodig waren en op de basis daarvan een rijk sociaal en verenigingsleven. Er was weliswaar enige sociale ongelijkheid, maar van de paar leden van de  upper class werd met succes een ook wat grotere inzet voor het geheel verwacht.

Maar toen begon het proces van de economische en bestuurlijke schaalvergroting en van de functiescheiding (wonen en werken) en dus ook van de dagelijkse uitzwerming (Putnams sprawl). Hilltown werd een forensendorp, net zo als mijn geboortedorp Akkrum dat werd. En net zo als het proces dat zich in het Drentse Anderen afspeelde en dat ik aanroerde in Geld en 'de rest'. Met onvermijdelijk een sterk verlies aan die onderlinge afhankelijkheid en vertrouwdheid en dus van die gemakkelijke activering van het gemeenschapspatroon.

In al die gevallen zien we een beweging van een sociaal superieure gemeenschapstoestand, waarin iedereen als vanzelfsprekend meetelt, naar een toestand van sociale onzekerheid. Onzekerheid over het gedrag dat je van anderen kunt verwachten en het gedrag dat anderen van jou verwachten. Zal het iedereen-telt-mee van het gemeenschapsgedrag gelden? Of moet je uitgaan van het ieder-voor-zich van het statuscompetitiegedrag? Een onzekere toestand, met grotere kansen op sociale vluchtigheid en dus op sociaal isolement en eenzaamheid.  En op statuscompetitieve ontmoetingen, waarin je je sterker en competenter voor moet doen dan je werkelijk bent. Of waarin je jouw hogere status moet laten gelden of waarin je je juist wat bescheiden en zelfs nederig behoort op te stellen. 

Kortom, ontmoetingen waarin je veel minder jezelf kunt zijn dan in die gemeenschapstoestand waarin je erop kunt rekenen dat je geaccepteerd wordt om wie je bent. Een beweging dus weg van de sociaal superieure in de richting van een sociaal inferieure toestand. Homans noemt dat een proces van sociale desintegratie. 

Dat is weinig opgemerkt, maar met die analyse over Hilltown liep hij vooruit op later sociologische studies. Ik denk in het bijzonder aan die eenvoudige, maar eigenlijk diepgravende studies van Michael Young en Peter Willmott: Family and Kinship in East London van 1975 en Family and Class in a London Suburb van 1960. De onderzoekers interviewden Londenaars die van de sterk sociaal geïntegreerde arbeidersbuurt Bethnal Green verhuisd waren naar een nieuwe voorstad. Ik heb er veel aan overgehouden, maar in ieder geval ook de mooie omschrijving die een van de geïnterviewden gaf van de overgang van een toestand "waarin je vrienden hebt" naar een toestand "waarin je vrienden moet zien te maken". Dus van een gemeenschapstoestand naar een toestand van sociale onzekerheid en vluchtigheid.

Maar daar moeten we natuurlijk meteen bij bedenken dat daar door sociologen ook heel anders over werd gedacht. Ik denk aan dat betoog van de nog jonge Jacques van Doorn, die in 1955 sterk beïnvloed was door het structureel-functionalistische denken dat het sociale systeem er altijd wel voor zal zorgen dat alles weer goed komt: Wijk en stad: reële integratiekaders? De "wijkgedachte" dat voor mensen lokale, vertrouwde sociale contacten belangrijk zijn, was achterhaald en romantisch. In plaats van de "territoriale integratie" komt er de "functionele integratie", de "geobjectiveerde" contacten op het werk. En omdat er geen noemenswaardige menselijke sociale natuur bestaat, is dat geen enkel probleem. De maatschappij verandert en de mensen passen zich probleemloos aan.

Dat laatste was zoals gezegd het heersende sociologische denken in de tijd dat ik studeerde. En dat in de weg stond van een ontwikkeling van het vak naar een verbetervak. Eigenlijk had Homans aan het begin van die ontwikkeling kunnen staan.

vrijdag 30 januari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -29 - De ingrediënten voor een verbetervak sociologie waren er al in 1951.

Twintig jaar eerder dan zijn Social Behavior, in 1951, schreef Homans zijn The Human Group. Met het voordeel van het niet gesocialiseerd zijn in een sociologie-opleiding, keek hij met open interesse naar het studieobject van het vak: mensen in groepen en in de maatschappij. Hij nam uitdrukkelijk afstand van het structureel-functionalistische systeemdenken (pp. 268 - 272) en van de Durkheimiaanse opvatting van de eigenstandigheid van het vak, waarin alleen "sociale feiten" mogen bestaan (pp. 317 - 319). Hier het vorige bericht.

Dat zal veel sociologen van toen tegen de haren hebben ingestreken, maar de intellectuele kwaliteit van dat boek viel niet te negeren. Twee jaar later volgde zijn aanstelling in Harvard als sociologiehoogleraar. En nog later, in 1964, sprak hij als voorzitter van de American Sociological Association de verzamelde Amerikaanse sociologen toe met de boodschap dat de mens terug moest in de sociologische theorie.

Ik herinner me van destijds dat in het kringetje waar ik verkeerde de mening rond ging dat The Human Group eigenlijk Homans' beste boek was, beter dan Social Behavior. En ik moet het toen wel hebben open geslagen, maar niet heel veel meer dan dat. Daarom heb ik me er nu opnieuw in verdiept. Met als conclusie dat het een nog altijd actueel boek is, waarin de ingrediënten voor een sociologie als een verbetervak aanwezig zijn. Dat probeer ik uit te leggen.

Homans sluit het boek af met de volgende zinnen (p. 468):

At the level of the small group, society has always been able to cohere. We infer, therefore, that if civilization is to stand, it must maintain, in the relation between the groups that make up society and the central direction of society, some of the features of the small group itself. If we do not solve this problem, the effort to achieve our most high-minded purposes may lead us not to Utopia but to Byzantium. The problem will not be easily solved, but one step we can take in the beginning is to learn the characteristics of the human group.

Wat staat hier? Allereerst, het gaat over de kleine groep enerzijds en de maatschappij anderzijds. Met civilization bedoelt Homans de maatschappijen die zich ontwikkelden na de Agrarische Revolutie, van de zeer ongelijke landbouwsamenlevingen in de vorm van keizerrijken tot de dictaturen en de democratieën van nu. En waaraan de jagers-verzamelaarssamenlevungen voorafgingen, waarin uitsluitend die kleine groepen bestonden. De kleine groepen, van uitsluitend persoonlijke relaties, die zich wisten te handhaven dankzij hun samenhang. 

De samenhang bestond eruit dat de leden van de groep met elkaar vertrouwd waren en bleven, doordat ze onderling samenwerkten en de opbrengsten daarvan deelden. (Ik parafraseer in het boek verspreide passages.) Ze waren op elkaar aangewezen. Daardoor waren de relaties grotendeels egalitair. Waardoor de groep tegemoet kwam aan de behoefte aan gezelschap en vriendschap. Het functioneren in zo'n groep moest geleerd worden, maar opgroeiende kinderen leerden dat als vanzelf. 

Kortom, in mijn woorden (van nu, niet van destijds): de kleine groep sluit precies aan op wat mensen kunnen en willen. Ze willen sociale veiligheid en die verschaffen ze elkaar doordat het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee geactiveerd is. Ze zijn in staat tot het gedrag dat ze van elkaar nodig hebben en op prijs stellen. Een en ander houdt in dat ze het statuscompetitiegedrag van het ieder-voor-zich, waartoe ze ook in staat zijn, bij zichzelf en bij elkaar, door afkeuring, onderdrukken. 

In Homans woorden (pp. 456 - 464): de kleine groep gaat "psychosociaal isolement" tegen, zorgt voor socialiseren van nieuwe generaties ("circulatie"), voor gemakkelijke onderlinge toegankelijkheid ("' communicatie") en voor het onderdrukken van de statuscompetitie ("conflict" en "controle"). Met als conclusie:

Let us repeat: all of these problems - psychosocial isolation, conflict, circulation, communication, and control - are handled more or less well at the level of the group. (...) What is true of the group must also be true of the civilization if the latter is to maintain itself. Civilization fails when it cannot solve these problems on its own vast scale (...).

Waarna een passage volgt over de democratie, als een geheel van uitvindingen om die oplossingen van de kleine groep op te tillen naar het niveau van de maatschappij. De democratie als hedendaagse vormgeving van de "waarden van de kleine groep", van het iedereen-telt-mee. 

Daarmee hebben we de ingrediënten van een sociologie als verbetervak op tafel liggen. Er valt een sociaal superieure toestand ("Utopia") aan te wijzen, die we dichterbij bij kunnen brengen door het iedereen-telt-mee van de kleine groep vorm te geven op het niveau van de maatschappij. Hoe beter dat lukt, hoe meer we een sociaal inferieure toestand ("Byzantium") weten te voorkomen. 

Ingrediënten die er dus in 1951 al waren. In dat boek The Human Group. Maar die heel lang, tot op de dag van vandaag, geen vervolg kregen.

vrijdag 23 januari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -28 - Een feitelijk inzicht was er. Maar de normatieve conclusie werd niet getrokken

 In het vorige bericht vroeg ik me af:

Maar hoe zit het dan met de vraag of die maatschappij, als mensenwerk, wel genoeg tegemoetkomt aan wat mensen willen en kunnen? De vraag dus of dat mensenwerk niet alleen dient te worden bestudeerd, maar ook kan worden beoordeeld naar maatstaven van "mens en menselijkheid"? Moest de sociologie dan niet ook een sociale wetenschap worden die sociaal inferieure toestanden kan identificeren en verbetervoorstellen kan doen? Was dat niet urgent, na het Hitler-bewind en de Holocaust? 

Nee, dat vond Homans niet urgent. Sterker, hij bracht de mens terug, weliswaar in een zeer afgeknotte vorm, maar kwam helemaal niet op het idee dat de sociologie ook een verbetervak kon zijn. Dat een groep of maatschappij meer of minder tegemoet kan komen aan wat mensen willen en kunnen en dat het vak sociologie daarin een taak op zich zou kunnen nemen, dat kwam niet bij hem op. 

Daar op terugkijkend, vind ik dat verrassend, zo niet verbijsterend, maar het was toen, en is nog steeds de gangbare manier waarop sociologen naar hun vak kijken. En waarop ikzelf destijds naar dat vak keek. Natuurlijk waren er toen en zijn er nu sociologen die er als persoon naar streven om met hun onderzoek aan een betere maatschappij bij te dragen, maar die niet de stap zetten naar het inzicht dat wat hen daartoe drijft, een wezenlijk bestanddeel is van het mens zijn dat tot het onderzoeksobject van hun vak behoort. 

Nu komt een herinnering naar boven aan gesprekken met collega's over wat we de "ethische impuls" noemden van sommige studenten. Dat ze die hadden, vonden we oké, maar alleen omdat het motiveerde. En we waren het erover eens dat je hen er wel op moest wijzen dat die impuls een particuliere zaak was en buiten de inhoud van het vak moest blijven. Want dat moest "waardevrij" zijn. Wat ik toen niet doorhad, is dat we de waardevrijheid van het doen van onderzoek verwarden met de waardevrijheid van het vak.

Maar goed, bij Homans zijn, zoals gezegd, passages te vinden die hem op andere gedachten hadden kunnen brengen. Ik denk o.a. aan wat hij schrijft over de voorkeur van mensen om om te gaan met anderen van gelijke status (pp. 323-327 in Social Behaviour). Homans heeft het daar over de resultaten van een sociometrisch onderzoek op een meisjesschool. Een veel gegeven reden om een klasgenote uit te kiezen om vrije tijd mee door te brengen was "Ik kan bij haar mezelf zijn." Het jezelf kunnen zijn, het je niet anders voor te hoeven doen dan je werkelijk bent, is kennelijk welzijnsverhogend. 

Verdere analyse levert dan op dat het jezelf kunnen zijn alleen geldt voor omgang met anderen van dezelfde status. (Status was in dit onderzoek het aantal klasgenoten door wie jij uitgekozen wordt.) De meisjes prefereerden omgang met anderen van dezelfde status boven omgang met anderen van hogere of van lagere status. Als je met een ander van lagere status omgaat, dan kan dat ertoe leiden dat je je eigen status naar beneden haalt. Om dat te voorkomen, moet je je enigszins superieur gedragen en dan ben je dus niet jezelf. En als je met iemand van hogere status omgaat, dan moet je je laten welgevallen dat de ander op je neerkijkt en moet je daarmee zien om te gaan. Ook dan kun je niet jezelf zijn. Homans trekt een algemenere conclusie:

... the association netween social equality and interaction on what Americans call "social" occasions - spendig leisure time, going to parties, or eating in company - is a conspicuous feature of status, class, and caste systems in all times and places.

Wat hebben we hier? Een analyse die volledig past binnen dat sociaalwetenschappelijke zicht waar het in de titel van deze reeks berichten over gaat. Het is welzijnsverhogend om in omgang met anderen jezelf te kunnen zijn, dat wil zeggen met anderen die jou accepteren zoals je bent. Dat is een toestand waarin bij iedereen het gemeenschapspatroon van iedereen-telt-mee geactiveerd is. In vergelijking daarmee is omgang met andere van lagere of hogere status welzijnsverlagend, omdat mensen zich anders voor moeten doen dan ze zijn. Dat is een statuscompetitietoestand, waarin mensen zich moeten gedragen naar bestaande statusverschillen en waarin het ieder-voor-zich is geactiveerd. Het verschil in welzijn komt eruit voort dat mensen zich in die gemeenschapstoestand sociaal veilig voelen en in die statuscompetitietoestand sociaal onveilig.

En wat had nu voor de hand gelegen? Dat Homans op het idee was gekomen dat een groep of maatschappij met geringere statusverschillen, en dus minder inkomens- en vermogensongelijkheid, beter tegemoetkomt aan wat mensen kunnen en willen, een hoger welzijn oplevert, dan een groep of maatschappij met grotere statusverschillen. Mensen hebben sociale veiligheid nodig om zich goed te kunnen voelen en die kunnen ze elkaar meer verschaffen, hoe geringer de statusverschillen. 

En op het idee was gekomen dat het vak sociologie zich tot taak stelt om ons inzicht te vergroten in de voorwaarden waaronder mensen beter in staat zijn om elkaar die sociale veiligheid te verschaffen. Dus de voorwaarden waaronder bij zoveel mogelijk mensen het gemeenschapspatroon actief is en het statuscompetitiepatroon wordt onderdrukt. De voorwaarden dus voor een betere maatschappij.

Een feitelijk inzicht was er. Maar de stap naar de normatieve conclusie daaruit werd niet gemaakt. Hier het vervolg.

donderdag 15 januari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -27 - Van tabula rasa naar trial and error en black box

Dat Homans de mens terugbracht in de sociologie, dat was natuurlijk vooruitgang. Hier het vorige bericht. Want hij liet daarmee zowel het mankement van die curieuze wetenschapsopvatting als dat van de eigenstandigheid van het vak achter zich. Hij herstelde het alledaagse inzicht dat de maatschappij mensenwerk is en dus ook in die hoedanigheid moet worden bestudeerd. 

Maar hoe zit het dan met de vraag of die maatschappij, als mensenwerk, wel genoeg tegemoetkomt aan wat mensen willen en kunnen? De vraag dus of dat mensenwerk niet alleen dient te worden bestudeerd, maar ook kan worden beoordeeld naar maatstaven van "mens en menselijkheid"? Moest de sociologie dan niet ook een sociale wetenschap worden die sociaal inferieure toestanden kan identificeren en verbetervoorstellen kan doen? Was dat niet urgent, na het Hitler-bewind en de Holocaust?

Nee, die stap komen we bij Homans niet tegen. Sterker, die vraag komt in het geheel niet aan de orde. Er zijn passages, zowel in Social Behavior als ook in het eerdere The Human Group, die heel goed als aanleiding hadden kunnen dienen om die stap te zetten. Maar nee, hoewel de mens terug is, dient hij niet als bron van een beoordeling van de mate waarin een sociale eenheid, een groep of maatschappij, tegemoetkomt aan wat mensen nodig hebben en aan wat ze kunnen. Dat was en bleef de gangbare en vanzelfsprekende vooronderstelling, dat de sociologie zich beperkt tot het doen van onderzoek en niet een verbetervak is.

Op die passages kom ik terug. Eerst maar even meer duidelijkheid over wat die mens nu eigenlijk is die Homans wilde terugbrengen.

Zoals gezegd, de kern daarvan bestaat eruit dat de mens een biologisch organisme is, dat in staat is tot operante conditionering. Dat wil zeggen, tot het herhalen van een gedrag dat in een bepaalde context "iets goeds" tot gevolg heeft. Het natuurlijke gedrag van de duif in de Skinner-box is om met de snavel her en der te pikken (trial and error). Als hij op een rode cirkel pikt, valt er een graankorrel de box in. Vervolgens pikt de duif minder in het wilde weg en vaker op de rode cirkel. Hij heeft door trial and error een gedrag aangeleerd dat beloond wordt. Skinner geloofde dat alle dierlijke gedrag, dus ook dat van mensen, op die trial and error gebaseerd is. En hij droeg dat geloof uit en was daarmee toonaangevend in het vak psychologie.

En Homans volgde hem daarin. Hoe leer je een baby zindelijkheid? Je kunt, zegt hij (p.18-9 van Social Behavior), hem op de pot zetten, maar het lukt pas als je na wachten op de gewenste daad een beloning toedient, 

with coos of approval or, better still, by taking him off the pot. Although people are well aware of such dramatic cases, they find it hard to believe that all human behavior, no matter how subtle, is haped by the differential reinforcement of quite simple actions producred the first time as if by chance. But then people once had a hard time believing that all the myriad and complex forms of life could have been produced by the slow, shaping action of natural selection on the variations, produced as if by chance, in simpler forms.

Dat was dus wat de socioloog aantrof die in die tijd te rade ging bij de psychologie. Alle menselijke gedrag is opgebouwd uit, valt te herleiden tot, het herhalen van een gedrag dat in het verleden een beloning heeft opgeleverd. Inderdaad moeilijk om te geloven, ook toen al. En al het onderzoek daarna wijst in één richting, het klopt ook niet.


Een fraai overzicht van dat onderzoek geeft Max S. Bennett in A Brief History of Intelligence (2023). In de vier miljard jaar van de evolutie van hersenen vallen vijf achtereenvolgende doorbraken te onderscheiden, waarvan het Skinneriaanse trial and error of learning by doing de tweede is. Daarna kwamen nog het vermogen tot learning before doing (voorstellingsvermogen), het vermogen om zich in anderen in te leven (denk aan de spiegelneuronen) en het uniek menselijke taalvermogen. Wat dat laatste betreft, Skinner deed in 1957 in Verbal Behavior een manmoedige poging om aannemelijk te maken dat ook het taalvermogen te herleiden zou zijn tot trial and error, maar die wordt niet als succesvol beschouwd.

Bovendien volgde Homans Skinner erin dat we niets hoeven te weten of te veronderstellen over wat zich in de mens afspeelt, over wat hij denkt of voelt. Er is een input, een prikkel, dan is er de black box en dan is er een output, een gedrag. We hoeven alleen op zoek naar verbanden tussen variabelen over wat binnenkomt, zoals de sterkte van een prikkel, en variabelen over wat er uit gaat, zoals de frequentie van een gedrag. In analogie met de structureel-functionalistische sociologie denkt ook Homans dat de verdere theorievorming zich in de variabelentaal kan voltrekken. Wat mensen denken en voelen dringt niet door tot de theorievorming. Die curieuze opvatting van wetenschappelijkheid keert in een nieuwe gedaante terug. Zowel sociale processen, het mensenwerk, als de innerlijke processen, het denken en voelen van mensen, horen genegeerd te worden.

Anders gezegd, met Homans zijn we van de tabula rasa terechtgekomen in het trial and error en de black box. Oké, vooruitgang, maar dan wel heel beperkt.

In het vervolg kom ik terug op die passages die er toch ook in zijn werk zijn te vinden, die een aanleiding hadden kunnen zijn om maatschappelijke toestanden te beoordelen op hoe goed ze aan menselijke behoeftes en vermogens tegemoetkomen. Hier het vervolg.

zondag 11 januari 2026

Zondagochtendmuziek - 🎥 NOUVELLES SUITES DE PIÈCES DE CLAVECIN, Rameau | Captation - Château d...

Er is lang geen zondagochtendmuziek meer geweest op dit blog. Dat ligt er denk ik niet aan dat ik muziek minder ben gaan waarderen, maar doordat ik meer van stilte ben gaan houden.

Maar dit kan met stilte wedijveren. De Nouvelles suites de pièces de clavecin van Jean-Philippe Rameau, gecomponeerd in 1728, en hier uitgevoerd door Blandine Rannou in de Galerie des Cotelle au Grand Trianon in Versailles.

    

woensdag 7 januari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -26 - Hoe Homans de mens terugbracht

Finally, I must acknowledge freely that everything I have said seems to me obvious. But why cannot we take the obvious seriously? 

Zo besloot George C. Homans in 1964 zijn Presidential Address tot de verzamelde Amerikaanse sociologen. Hier het vorige bericht. Het structureel-functionalistische systeemdenken domineerde het vak. Iedereen werd er in opgeleid en erin gesocialiseerd. De sociologie moest zich met de maatschappij als een sociaal systeem bezighouden en hoorde daarbij de menselijke sociale natuur als een onbeschreven blad, een tabula rasa, op te vatten. De sociologie was een eigenstandige wetenschap. Eigenstandig, want niet "terugvallend op" inzichten uit een ander vak, zoals de psychologie. En een wetenschap, want alleen de "sociale feiten", de statistisch vastgestelde verbanden tussen variabelen, mochten als wetenschappelijke kennis worden beschouwd. Met een sociologie als gevolg die moest theoretiseren over verbanden tussen variabelen en daarbij de ogen sluitend voor psychologische en alledaagse inzichten in hoe mensen in elkaar zitten en voor de sociale processen die mensen tot stand kunnen brengen.

Homans bracht daartegenin dat de maatschappij en de sociale en maatschappelijke processen en ontwikkelingen resulteren uit wat mensen doen en uit hoe ze door elkaar worden beïnvloed en uit hoe ze op elkaar reageren. Dus ligt het inderdaad voor de hand, is het vanzelfsprekend, om in het zoeken naar verklaringen voor sociale en maatschappelijke verschijnselen uit te gaan van bestaande inzichten in de principes van het menselijk gedrag. Zoals die in het vak psychologie kunnen worden aangetroffen en zoals die in de alledaagse kennis bestaan. Natuurlijk geldt ook voor die inzichten dat ze voorlopig zijn en in de toekomst door nieuwe inzichten zullen worden gecorrigeerd. Hetgeen dus ook kan inhouden dat sociologische verklaringen daardoor kunnen worden gecorrigeerd. Dat is de gewone gang van het wetenschappelijk bedrijf. 

Dat Homans' betoog baanbrekend was, lag er dus niet aan dat hij revolutionaire uitkomsten van het nieuwste onderzoek ten tonele voerde. Het lag eraan dat hij zijn vakgenoten erop wees dat zij met gesloten ogen een bizarre en doodlopende weg waren ingeslagen, een weg die, indien consequent afgelegd, wetenschappelijke vooruitgang hinderde. 

Dit verschijnsel, een buitenstaander die tegen de heersende consensus ingaat en er niettemin in slaagt een hoge positie te bereiken, is natuurlijk op zich sociologisch interessant. Ik vermeldde al dat Homans niet de gebruikelijke weg had afgelegd van de studie sociologie om het vak binnen te komen. Ook onderging hij niet het traject van de wetenschappelijk promotie, de PhD, bij een sociologiehoogleraar. In plaats daarvan schreef hij de historisch-antropologische studie English Villagers of the Thirteenth Century (1941). Hij was toen al, in 1939, door de Harvard Universiteit aangenomen om sociologie en middeleeuwse geschiedenis te doceren. Nadat hij vanaf 1941 vier jaar diende bij de Amerikaanse marine, keerde hij terug naar Harvard, waar hij in 1953 tot hoogleraar sociologie werd benoemd. Ik vond na wat zoeken het artikel Sailing away: The influences on and motivations of George Caspar Homans uit 2013, met interessante informatie over die benoeming en over de sociologie afdeling van Harvard in die tijd. Boeiende lectuur, maar het voert te ver om daar nu verder op in te gaan. 

Wat was het alternatief dat Homans te bieden had? Hoe wilde hij de mens terugbrengen? Dat zette hij uiteen in Social Behavior. Its elementary forms, dat in 1971 verscheen. Daarin wijst hij met zoveel woorden die twee eisen van het structureel-functionalisme af, die curieuze wetenschapsopvatting dat alleen "sociale feiten" meetellen en die van de eigenstandigheid van de sociologie. Want hij introduceert het onderwerp van het boek als "het gewone, alledaagse sociale gedrag", waar dus ook ieder mens mee bekend en vertrouwd is en dus ook altijd enig inzicht in heeft (p.1):

Nothing is more familiar to men than their ordinary, everyday social behavior; and should a sociologist make any generalization about it, he runs the risk that his readers will find him wrong at the first word and cut him off without a hearing. They have been at home with the evidence since childhood and have every right to an opinion. A physicist runs no such risk that the particles, whose social behavior in the atom he describes, will talk back.

Hij neemt die alledaagse kennis serieus, maar ziet als tekortkoming dat de samenhang erin ontbreekt. Het is een "intellectuele chaos", bestaande uit allerlei inzichten die in spreekwoorden en gangbare uitdrukkingen zijn neergeslagen. 

Everyman has his price. You scratch my back, and I'll scratch yours. Do as you would be done by. You can't eat your cake an dhave it too. No cross, no crown. Fair exchange is no robbery. To each his own. Noblesse oblige. Whosoever has, to him shall be given.... And so forth.

We gebruiken elk van deze uitdrukkingen, of "empirische proposities", als ze te pas komen en negeren ze als dat niet zo is. De sociologie heeft nu als taak om er samenhang, ordening, in aan te brengen. Zodat we niet alleen al die afzonderlijke deelinzichten zien, die we bevestigd zien als het ons uitkomt, maar zicht krijgen op het geheel. Popperiaans geformuleerd: zodat we diepere inzichten ontdekken, die laten zien, dat wil zeggen, verklaren, onder welke voorwaarden die alledaagse inzichten wel en wanneer ze niet opgaan.

Maar voor de sociologie houdt dat ontdekken in dat we te rade kunnen gaan bij al bestaande inzichten, namelijk die in de psychologische gedragstheorie en die in het vak economie (de nutstheorie). 

I said earlier that the seeker after explanation would have either to invent or borrow from others the set of more general propositions from which the empirical propositions may, under given conditions be deduced. Newton had to invent his own; I have taken the easy way out and borrowed. (...) I have come to believe that the empirical propositions  may most easily be explained by two bodies of general propositions already in existence: behavioral psychology and elementary economics.

Met dien verstande dat beide uitbreiding behoeven. Die gedragstheorie was de theorie van de operante conditionering, die door B.F. Skinner (1904 - 1990), waar Homans mee bevriend was, was ontwikkeld en uitgetest in dieronderzoek. Denk aan de duiven in de zgn. Skinner-box. Als de duif in een bepaalde context (een prikkel) een handeling uitvoert die beloond wordt, dan zal het dier die handeling in de toekomst in diezelfde context vaker uitvoeren. De uitbreiding bestaat eruit dat dat principe wordt toegepast op een sociale situatie, waarin mensen dus op elkaar reageren. Die economische nutstheorie gaat over de ruil van goederen en diensten tegen geld in een perfecte markt. En daar bestaat de uitbreiding eruit dat niet tastbare goederen worden geruild, zoals aanzien, in een niet perfecte markt.

Dat brengt Homans er dan toe om recht toe recht aan een lijstje van proposities op te stellen over de uitwisseling van "beloningen" en "bestraffingen" tussen mensen. Hoe vaker een gedrag beloond wordt en hoe waardevoller de beloning, hoe vaker dat gedrag herhaald wordt. Hoe vaker in het recente verleden een gedrag al beloond is, hoe minder waardevol elke volgende beloning is. Aangevuld met de veronderstelling dat mensen waarde hechten aan verdelende rechtvaardigheid, dus dat iedereen beloond wordt naar de inspanning (kosten) die hij gemaakt heeft. En dat mensen dus emotioneel (boos) reageren als de verdeling onrechtvaardig is. Dat eenvoudige raamwerk wordt dan toegepast op allerlei sociale situaties, waarbij steeds ad hoc veronderstellingen worden ingevoerd over wat zoal voor mensen belonend is en wat bestraffend. Zo is bijvoorbeeld sociale goedkeuring door anderen belonend of dat anderen jouw mening delen.

Wat moeten we hier nu van vinden? Waarom noemde ik dit eerder gebrekkig? Terwijl het toch wel een vooruitgang is vergeleken met dat structureel-functionalisme. Daarover in het volgende bericht.