Posts tonen met het label Centraal Planbureau. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Centraal Planbureau. Alle posts tonen

dinsdag 2 maart 2021

Door alleen kwantificeerbare effecten mee te nemen, vergroot het CPB de precisie, maar offert het natuurlijk de relevantie op

Het Centraal Planbureau heeft ook nu weer de verkiezingsprogramma's doorgerekend. Zie Keuzes in Kaart 2022-2025.  Daar is altijd veel om te doen, want wat leer je precies van de uitkomsten? 

Die doorrekeningen worden gemaakt met modellen van, zeg maar, hoe de economie werkt en met schattingen van de grootte van macro-economische effecten van voorgestelde maatregelen in vergelijking met ongewijzigd beleid op basis van empirisch onderzoek. Dat is een ingewikkeld geheel, dat naar mijn inschatting maar weinigen geheel kunnen overzien en doorgronden. Je krijgt daar enig idee van als je Hoofdstuk 12. Verantwoording probeert tot je te nemen. Maar dat zou wel eens het minst gelezen hoofdstuk kunnen zijn.

In de media gaat het als vanouds vooral over de effecten van de verkiezingsprogramma's op de overheidsfinanciën. Omdat vrijwel alle partijen nu eindelijk door beginnen te krijgen dat het huishoudboekje van de overheid fundamenteel verschilt van dat van een huishouden, zijn ze van plan om de komende jaren flink meer geld uit te geven dan er binnenkomt. Alles wijst erop dat wat ik al in 2011 de bezuinigingszeepbel noemde, gebarsten is. Dat die sociale zeepbel kon ontstaan, de algemeen gedeelde overtuiging dus dat vrijwel alle economische problemen het beste kunnen worden opgelost door snel de overheidstekorten terug te brengen, was natuurlijk onderdeel van het neoliberale vulgair-economische denken. 

Maar de media en dus het publiek en dus waarschijnlijk ook de kiezers zijn nog in de ban van dat huishoudboekjesdenken. En dus gaat het vooral over de oplopende staatsschuld en de lasten voor de toekomstige generaties.

Daardoor dreigt uit het zicht te raken wat bezig is te veranderen. En wat de beperkingen zijn van die doorrekeningen. Het CPB zelf zegt daarover, in dat al genoemde Hoofdstuk 12:

Keuzes in Kaart is gericht op budgettaire gevolgen en economische effecten op middellange en lange termijn, het is geen analyse van brede welvaart. Het betreft een doorrekening van de macro-economische gevolgen van beleid, dat is één aspect van een bredere welvaartsafweging. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) draagt met zijn analyse van verkiezingsprogramma’s een aantal andere elementen aan. Bij verkiezingen zijn uiteraard nog meer overwegingen van belang. De doorrekening dient dan ook nadrukkelijk niet te worden gezien als een stemwijzer, maar als een hulpmiddel om de effecten van verkiezingsprogramma’s op één dimensie concreet en vergelijkbaar te presenteren. 

Ook binnen het doel van het in kaart brengen van macro-economische effecten zijn er beperkingen. Maatregelen op het gebied van onderwijs, innovatie en infrastructuur kunnen een positief effect hebben op de productiviteit van de Nederlandse economie op langere termijn. Deze effecten zijn met de huidige stand van de wetenschap moeilijk te kwantificeren, zowel in omvang als in de timing van het effect. Net al in de vorige editie van Keuzes in Kaart worden deze effecten daarom niet meegenomen in de doorrekeningen. Het CPB ontkent daarmee echter niet het grote belang van investeringen in menselijk kapitaal voor het groeivermogen van de Nederlandse economie.

CPB-directeur Pieter Hasekamp was daarover helder:

Ook het CPB is anders gaan denken. Hasekamp begint bij de presentatie zelf direct over de kritiek op de doorrekening. „Die zou bijvoorbeeld de effecten van investeringen in onderwijs en kennis niet voldoende meenemen. Of juist te veel focussen op economische uitkomsten in plaats van op brede welvaart. En ik zal eerlijk zijn: die kritiek is deels terecht. Want er is heel veel wat we niet kunnen doorrekenen. Daarmee is het beeld dat we schetsen per definitie incompleet.” Zo denken economen dat uitgaven aan onderwijs op de lange termijn groei opleveren. Het CPB kan er echter geen percentage opplakken. (...)
Exemplarisch voor de nieuwe manier van denken is de staatsschuld. De meeste partijen verschuiven met hun plannen financiële lasten naar toekomstige generaties, aldus het CPB. Ze geven meer uit dan ze via belastingen ophalen. Dit geldt het sterkst voor SP en D66. Tot voor kort voerde het CPB het „houdbaarheidstekort” dan prominent op: de overheidsfinanciën waren op de lange termijn niet houdbaar. Maar dat klonk te veel alsof het CPB vond dat een tekort altijd verkeerd was, vond het planbureau. Nu schrijft het CPB: „Voor toekomstige generaties zijn uiteraard niet alleen de financiële lasten van belang, maar ook bijvoorbeeld de kwaliteit van het klimaat en milieu en de publieke voorzieningen.” Met andere woorden: wie meer uitgeeft aan klimaatbeleid of onderwijs is niet per se slecht bezig.

Dat zijn citaten uit het NRC-artikel dat desondanks als kop heeft meegekregen: Wat willen de partijen en wat gaat dat kosten? Met dus de nadruk op "wat het kost" in plaats van wat het oplevert.

Het beeld van een zwaar beladen reuzentanker waarvan een koerswijziging zeeën van tijd kost, dringt zich op. Want er zou nog wel wat meer mogen veranderen. Doorrekeningen met weglatingen van veel wat belangrijk is, onderwijs, kennis, infrastructuur, brede welvaart, zouden veel meer gerelativeerd mogen worden dan nu gebeurt.

En waarom worden eigenlijk effecten die moeilijk zijn te kwantificeren, dan maar niet meegenomen? Want dat ze niet worden meegenomen, betekent eigenlijk dat ze voor het gemak op nul worden gesteld. Zou enige positieve inschatting van de effecten van hogere uitgaven voor publieke voorzieningen of om klimaatverandering tegen te gaan, niet veel realistischer zijn dan het volledig negeren er van? 

Door alleen kwantificeerbare effecten mee te nemen, vergroot je de precisie, maar offer je natuurlijk de relevantie op. 

En dat heeft weer (moeilijk kwantificeerbare!) effecten op politieke partijen die hun verkiezingsprogramma opstellen. En op de media die over die doorrekeningen berichten. En op de beelden die daardoor bij het publiek en de kiezers worden gewekt.

dinsdag 28 mei 2019

Waarom zou je de euro laten voortbestaan als die niet gebruikt wordt om de welvaartswinsten die mogelijk zijn ook te realiseren?

Hoe staat het er eigenlijk voor met de eurocrisis? Mijn laatste bericht daarover dateert al weer van ruim een jaar geleden: Paul de Grauwe herinnert er nog eens aan dat de euro zonder gezamenlijke aansprakelijkheid niet levensvatbaar is.

Zijn er intussen maatregelen genomen om die crisis op te lossen? Nee, dat is duidelijk niet het geval. Hoewel er niet meer de acute vrees bestaat dat de muntunie uiteen zal vallen, zijn de onderliggende problemen bepaald niet opgelost.

De EMU (Economische en Monetaire Unie) werd opgezet in de jaren 90 van de vorige eeuw en werd bezegeld met het Verdrag van Maastricht in 1992. Dat was in de hoogtijdagen van het neoliberalisme.
Het was toen nog niet bon ton om dat woord te gebruiken, vanwege de toen heersende mening dat het hier niet ging om een ideologie, maar om een stelsel van objectieve economische inzichten. Daar is bijna iedereen ondertussen anders over gaan denken.
Dat hield in dat allerwegen de overtuiging heerste dat alle economische problemen konden worden opgelost door "hervormingen". Hervorming was het toverwoord en iedereen knikte instemmend als dat woord voorbijkwam. Het ging erom dat meer op de werking van de markt moest worden vertrouwd en minder op wat de overheid zou kunnen doen. Niet alleen moest de overheid een kopje kleiner worden gemaakt, ook moest het inzicht dat de overheidsbegroting een stabiliserende functie voor de economie zou kunnen hebben, overboord worden gezet.

Met die "hervormingen" en een verbod op hoge begrotingstekorten, zoals vastgelegd in dat Verdrag van Maastricht, zou alles goed komen. En voor het monetaire beleid betekende een en ander dat alles erop gericht moest zijn om de inflatie op of dicht tegen de 2 procent te houden. Een werkgelegenheidsdoelstelling was taboe, want het waren immers die "hervormingen" die daar voor zouden zorgen. Bovendien was oplopende werkloosheid soms nodig om de lonen te laten dalen en dat was weer nodig om "concurrerend" te kunnen zijn.

De onvolkomenheden in deze redeneringen kwamen hardhandig aan het licht bij het uitbreken van de Grote Financiële Crisis in 2008 - 2010. Ik citeer even uit dat vorige bericht over de ontwerpfout waar Paul de Grauwe op wees:
Na de introductie van de euro ontstond de indruk, die ook niet werd weersproken, dat de obligaties van de eurozonelanden allemaal even veilig waren. Daardoor ontstonden er grote kapitaalsstromen naar de zuidelijke eurolanden. Denk aan de prachtige tolwegen die in Spanje werden aangelegd, waar nauwelijks op wordt gereden.
Toen de crisis uitbrak, bleek ineens dat de leningen aan die landen niet gegarandeerd werden. Ze hadden immers geen eigen centrale bank meer en de Europese Centrale Bank mocht niet te hulp schieten. Het had toen misschien nog goed kunnen worden opgelost, met wat goede wil van Duitsland en Nederland. Maar het werd al snel duidelijk hoe de zaken er voor stonden na de verklaring van Angela Merkel dat elk land afzonderlijk, en niet Europa gezamenlijk, garant moest staan voor zijn financiële instituties. Geen gezamenlijke aansprakelijkheid, dat was de voorwaarde waaronder Duitsland met de euro akkoord was gegaan.
Goed doordacht was dat natuurlijk niet. Want toen kwamen de problemen. De kapitaalsstromen gingen retour naar de landen die de fondsbeheerders veilig vonden, dus naar Duitsland en Nederland. Die daardoor heel lage rentes konden gaan betalen, waar snel stijgende rentes voor de zuidelijke landen tegenover stonden. Er kwam een run uit de landen die als zwak werden gezien. Zo zwak waren ze ook weer niet, maar waarom zou je hun obligaties opkopen als je binnen dezelfde muntunie ook bij veiliger landen terecht kunt?
Die run had tot het uiteenvallen van de euro kunnen leiden, als niet Mario Draghi had ingegrepen met zijn whatever it takes. Waar Duitsland en Nederland zich wel bij moesten neerleggen.
Maar het probleem zelf is daarmee niet afdoende opgelost.
Dat laatste blijkt er bijvoorbeeld uit dat, in tegenstelling tot de oorspronkelijke convergentiedoelstelling, de economieën van de centrale en de zuidelijke eurozonelanden na 2008 sterk uiteen zijn gaan lopen (zijn gaan divergeren). Die ontwikkeling van hoge werkloosheid, armoede en stagnatie in Italië, Griekenland, Portugal en Spanje tegenover economische groei in Duitsland en Nederland wordt uitgebreid geanalyseerd door Philip Poppitz in Multidimensional inequality and divergence: The Eurozone crisis in retrospect, dat besluit met:
Because divergence seems to be remaining high, European policies aimed at economic convergence and social cohesion are needed now more than ever. Otherwise, doubts as to the perspectives of the euro will continue to arise, and macroeconomic policies for the whole euro area will face increasing policy trade-offs amid the high heterogeneity within the monetary union.
En zie in het bijzonder ook deze analyse van Servaas Storm van de stagnatie van de Italiaanse economie sinds 2009: Lost in deflation:Why Italy’s woes are a warning to the whole Eurozone. Waarin hij erop wijst, tegen de heersende opinie in, dat die stagnatie er vooral ook aan moet worden toegeschreven dat de Italianen wat betreft de naleving van de regels van de eurozone (bezuinigingen en hervormingen) roomser dan de Paus zijn geweest. Het waren immers Italiaanse economen die de boodschap verkondigden dat door bezuinigingen de economie snel weer zou gaan groeien. Zie De oorsprong van de bezuinigingszeepbel uit 2012.

Dat er echt wat moet veranderen in de opzet van de muntunie lijkt nu eindelijk in bredere kring door te dringen. Die oorspronkelijke ontwerpfout bestaat eruit dat landen hun eigen centrale bank hebben opgegeven en dat de ECB, die daarvoor in de plaats is gekomen, alleen beleid mag voeren voor de eurozone als geheel.

Dat betekent dat er zich in tijden van crisis zogenaamde landenspecifieke schokken kunnen voordoen. Zoals omschreven in het citaat hierboven over Paul de Grauwe. Door toetreden tot de euro zijn landen de aanpassingsmechanismen kwijtgeraakt van begrotingspolitiek, wisselkoersen en eigen monetair beleid. De Grauwe pleit daarom voor risicodeling tussen eurozonelanden.

Dat kan op verschillende manieren. László Andor, die van 2010 tot 2014 lid was van de Europese Commissie , pleit al langer voor een basis werkloosheidsverzekering voor de eurozone, die landen zou helpen om schokken op te vangen.

Maar nu is vooral een budgettaire stabilisatiefunctie in discussie, inhoudende dat de eurzonebegroting wordt uitgebreid met een schokfonds, waarin landen elk jaar geld inleggen waaruit kan worden uitgekeerd aan landen die in tijden van crisis in de problemen zijn gekomen.

Het voorstel van zo'n schokfonds is al vorig jaar gedaan door het IMF. Ons eigen Centraal Planbureau heeft zich nu gebogen over de mogelijkheden van zo'n schokfonds: Een budgettaire stabilisatiefunctie.

Het CPB laat zien dat zulke landenspecifieke (asymmetrische) schokken veel voorkomen en dat landen inderdaad slecht zijn toegerust om ze geheel zelfstandig op te vangen. En dat zulks een groot verschil is met een normale muntunie, zoals die bestaat tussen de staten van de Verenigde Staten.

De conclusie is dan ook dat het goed zou zijn om ook de euro meer vorm te geven als een normale muntunie. Dat wil zeggen, het CPB komt tot de conclusie dat invoering van een schokfonds welvaartsverhogend is.

Maar het valt op dat daar meteen aan wordt toegevoegd dat invoering  niet nodig is voor het voortbestaan van de euro.

Want er zijn ook andere, deels al bestaande middelen. De bankenunie en kapitaalmarktunie kunnen vervolmaakt worden. En er zijn al uitzonderingsclausules op de begrotingsregels en er is het Europese Stabiliteitsmechanisme (ESM).

Maar om daar voor in aanmerking te komen moeten landen natuurlijk weer aan de voorwaarden voldoen van de "solide begrotingspositie".

Ik vind het eigenaardig. Want waarom zou je de euro laten voortbestaan als die niet gebruikt wordt  om de welvaartswinsten die mogelijk zijn ook te realiseren?

Ook het CPB gaat kennelijk nog uit van die neoliberale fantasie dat met een "solide begrotingspositie" altijd alles goed komt. En dat bezuiniging dus altijd de aangewezen weg is om uit de problemen te komen. De gevolgen daarvan voor de vraag en dus voor de kans op langdurige stagnatie, zoals Servaas Storm die beschrijft voor Italië, nee, die blijven buiten beschouwing.

Maar toch, mooi dat er nu eindelijk discussie is over wat er echt nodig is om de euro goed te laten werken. Met echt oog voor de te boeken welvaartswinsten, ook voor de landen die er tot nu toe zo bekaaid afkomen.
De problemen met de euro zijn juist ook sociaalwetenschappelijk interessant, want het gaat hier om een probleem van zelforganisatie, niet tussen personen, maar tussen nationale staten. Zie nog eens, uit 2012, De eurocrisis als voorbeeld van falende zelf-organisatie.

vrijdag 4 maart 2016

Het nieuwe regeerakkoord is al in de maak, bij het CPB - Opties voor het begrotingsbeleid

Als VVD en PvdA de rit uitzitten, dan hebben we over een jaar nieuwe verkiezingen voor de Tweede Kamer. Wat kunnen die verkiezingen betekenen?

Je krijgt daar wat zicht op door te kijken naar de CPB Policy Brief 2016/02 Opties voor begrotingsbeleid. Ik kan niet alle finesses daarvan goed beoordelen en hoop op commentaar van meer deskundigen. Ik zou graag weten wat bijvoorbeeld Bas Jacobs er van vindt.

Maar er vielen mij wel een paar zaken op en die vereisen geloof ik geen speciale deskundigheid.

In de eerste plaats is meteen duidelijk dat hier de kaders worden geschetst voor de nieuwe verkiezingsprogramma's. Natuurlijk staat er aan het eind van het rapport dat er nog politieke keuzes overblijven om gemaakt te worden, maar dat er grenzen worden gesteld waarbinnen dat mag gebeuren, is duidelijk.

Aan de ene kant is dat een goede zaak. Het is goed dat politieke partijen in het doen van verkiezingsbeloftes wat gedisciplineerd worden. Maar aan de andere kant is er het gevaar dat de analyses van het CPB klakkeloos overgenomen worden. En de kans daarop is levensgroot als je bedenkt dat de (macro-)economische deskundigheid van onze politici maar beperkt is. Dat geeft wel heel veel gewicht aan het CPB. Daarom is het belangrijk dat deze Policy Brief onderwerp van discussie wordt in de kring van economen.

In de tweede plaats valt me op hoe groot de gevolgen zijn van de invoering van de euro en van de Europese begrotingsregels voor de nationale beleidsvrijheid. Op een aantal plekken kom je passages tegen die er op wijzen dat een bepaalde optie wenselijk zou zijn, maar moet worden afgewezen wegens strijdigheid met die begrotingsregels. Omdat zulks ook in andere eurozonelanden zal spelen, ga je je afvragen hoe verstandig die regels in hun huidige vorm zijn. Ik moest even denken aan Wouter Bos, die in juni 2013 verklaarde dat het economisch gezien onverstandig was om zoveel te bezuinigen, maar dat het om politieke redenen, met het oog op die begrotingsregels, nu eenmaal moest. Zie Wouter Bos vindt doorgaan met fout beleid verstandig.

Verder valt me op dat het CPB als de drie belangrijke functies van de begroting naast allocatie en evenwichtige inkomensverdeling als derde macro-economische stabilisatie noemt. En daarmee dus een prominente plaats geeft aan het belang van het voeren van macro-economisch beleid. Dat is gegeven de buitenissige economische ideeën die door Duitsland aan de eurozonelanden worden opgelegd, helemaal niet vanzelfsprekend. Hier komt het conflict aan het licht tussen het Duitse ordo-liberale gedachtegoed, dat macro-economische vraagsturing als onzin van de hand wijst, en het Keynesiaanse macro-economische denken.

Tot nu toe domineert het Duitse denken, kritiekloos ondersteund door ons huidige kabinet. Denk aan de rol van Jeroen Dijsselbloem in de eurogroep en zijn karakterisering van de pogingen van de toenmalige Griekse minister van Financiën, Yannis Varoufakis, om een macro-economische discussie in gang te zetten als "verkiezingsretoriek". Waarschijnlijk begreep hij niet waar Varoufakis het over had.

En natuurlijk valt op dat het CPB een inschatting maakt van de negatieve gevolgen van de bezuinigingen voor de economische groei. De "tekortreducerende maatregelen" hebben de de groei in de jaren 2011-2017 met circa 0,7% per jaar verminderd. Daar voegt het CPB aan toe dat dit effect tijdelijk is als er geen hysterese-effecten zijn. Op de waarschijnlijkheid dat die er wel zijn, wordt wijselijk niet ingegaan.

Zie over de schade van het bezuinigingsbeleid eerder ook Bas Jacobs: Voorpaginanieuws: schade bezuinigingsbeleid 20-30 miljard euro per jaar, 200.000 tot 300.000 banen.

En over die hysterese: Hysterese: de schade van het bezuinigingsbeleid is niet alleen nog groter dan eerst gedacht, maar ook blijvend.

En tenslotte viel me op dat het CPB in deze berekening is uitgegaan van de standaardmultiplier, terzelfder tijd wijzend op de aanwijzingen dat  deze groter is in tijden van recessie. Met een grotere multiplier zou de berekende schade van het bezuinigingsbeleid dus ook groter zijn uitgevallen. Waarom dan toch van die standaardmultiplier uitgegaan?

Dat wordt in een noot op p. 8 uitgelegd. Daar wordt werk van Blanchard en Leigh genoemd, waarin die hoge multiplier in tijden van recessie wordt berekend. Maar die berekening zou zijn weerlegd in een "kritische update" door Möhlman en Suyker in een CPB achtergronddocument van vorig jaar. En Suyker is de auteur van de Policy Brief waar we het nu over hebben.

Maar diezelfde Suyker dus, vermeldt daarbij niet dat die "kritische update" scherp onderuit werd gehaald door zowel Paul Krugman als Brad deLong. Niet de minsten.

Merkwaardig dat het CPB, die toch geacht wordt om goed te informeren, zulks niet vermeldt.

dinsdag 3 maart 2015

CPB kritiseert het bezuinigings- en hervormingsbeleid

In de vandaag verschenen Policy Brief De Nederlandse consumptie. Goede tijden, slechte tijden levert het Centraal Plan Bureau kritiek op het hervormings- en bezuinigingsbeleid van het huidige en de voorgaande kabinetten. Maar die kritiek is verborgen in de laatste alinea en zou wel eens weinig aandacht kunnen krijgen.

Wat is het geval?  Het CPB rekent voor dat de consumptie van de Nederlandse huishoudens sterker fluctueert dan in de andere Europese landen. Anders gezegd, de volatiliteit van de Nederlandse particuliere consumptie is opvallend hoog. Dan weer geven we heel veel uit en dan weer houden we de hand op de knip.

Dat heeft twee grote nadelen. Het eerste is dat mensen zich prettiger voelen bij een stabieler consumptiepatroon. Een zelfde gestage toename is aangenamer dan een toename met allerlei fluctuaties. En aangenomen dat die volatiliteit voortkomt uit inkomensveranderingen of verwachte inkomensveranderingen, is dat fluctuerende bestedingspatroon dus een gedwongen aanpassing aan veranderende omstandigheden. Zie ook het bericht Mensen hebben liever een gestage geringere inkomenstoename dan een per saldo grotere, maar met ups en downs voor meer informatie.

Maar er is ook een nadelig effect op de gehele economie. Bedrijven moeten zich aanpassen aan de veranderende vraag en de economische conjunctuur wordt volatieler. Waardoor vaker perioden voorkomen met hoge werkloosheid. Volgens het CPB is het zelfs zo dat de sterkere fluctuatie in het Nederlandse bbp (bruto binnenlands product) dan in andere landen volledig voortkomt uit die opvallende volatiliteit van onze particuliere consumptie. We hebben het dus wel over iets.

Oké, maar waardoor komt het? Doordat wij zoveel (verplicht) sparen én zo veel schulden hebben dat er minder over is om uit te geven. Denk aan onze pensioenen en onze hypotheken. We beschikken over minder liquide middelen dan de Fransen, de Duitsers, de Belgen en de Oostenrijkers. Genoeg vrij beschikbaar spaargeld om schokken op te vangen hebben we niet. En dan moeten we dus onze consumptie aanpassen als het even wat minder goed gaat.

Wat te doen? Het CPB geeft verschillende opties, zoals het mogelijk maken om pensioenopbouw te gebruiken voor hypotheekaflossing, meer huizen bouwen als de vraag toeneemt, zodat de prijzen stabieler blijven, en het variabel maken van de pensioeninleg.

Maar tenslotte is er ook de optie om die volatiliteit te laten bestaan en er als overheid, in je macro-economische beleid, beter mee om te gaan. En dan wordt het interessant, want, tja, macro-economisch beleid, dat is in Den Haag, en trouwens in Europa, niet in de mode. Het CPB vermijdt ook de term. In plaats daarvan gaat het over actief begrotingsbeleid.

We weten dat dat inhoudt dat je als overheid de bestedingen moet opvoeren als de particuliere sector massaal bespaart en schulden aflost. We zitten dan in de spaarparadox. Omdat de bestedingen van de een de inkomsten van de ander zijn, moet er iemand blijven besteden en die rol kan dan alleen nog toevallen aan de overheid. Denk even terug aan Jan Pen in 1965 en de onmiskenbare terugval in publieke kennis.

Nu gaat het CPB niet zo ver dat het actief begrotingsbeleid ronduit aanbeveelt. Want in dat verband noemt het als bezwaren dat daarvoor het verloop van de conjunctuur goed moet kunnen worden voorspeld en dat nieuwe bestedingen tijdig geëffectueerd moeten kunnen worden. Die bezwaren zijn lang niet altijd doorslaggevend, maar het is nu eenmaal nog steeds het Haagse mantra om te doen alsof dat wel zo is.

Maar dan komt tenslotte de kritiek van het CPB op het Haagse bezuinigings- en hervormingsbeleid. Want oké, macro-economisch beleid is dan weliswaar uit den boze, maar om nu als overheid te gaan bezuinigen en te hervormen in een tijd van recessie, dat kan natuurlijk nooit verstandig zijn. Het CPB zegt het netter, maar daar komt het op neer. Juist door dat hervormings- en bezuinigingsbeleid zijn immers lasten verschoven van het overheidsbudget naar dat van de burgers. Die daardoor nog meer geprobeerd hebben om hun bestedingen terug te brengen. En dus nog meer volatiliteit.

Waardoor, zoals bekend, behalve in Den Haag en in de Nederlandse media, de crisis onnodig langer duurt. We mogen tevreden zijn dat het CPB deze kritiek nu naar voren brengt, zij het verstopt in een laatste alinea.

Ik dacht ook nog even terug aan dat vernietigende rapport van de Brusselse denktank Bruegel over het Nederlandse bezuinigingsbeleid. En bedacht dat minister Kamp nu wel mooi excuses aanbiedt aan de Groningers voor het hebben verwaarloosd van de risico's van gaswinning, maar dat we hopelijk ooit nog eens meemaken dat een toekomstige regering zijn excuses aanbiedt aan de Nederlandse bevolking voor het rampzalige bezuinigingsbeleid dat nu al jaren gevoerd wordt.

Update. Zie nu, november 2015, ook het CPB-rapport Macro-economie bij balansproblemen en in de liquiditeitsval van Lukkezen, Jacobs en Kool, waarin gehakt wordt gemaakt van het bezuinigingsbeleid. Zeer actueel bij het huidige trage herstel, als het al een herstel is en niet een stagnatie. Citaat (p.5):
Ontsnappen aan economische stagnatie –veroorzaakt door zware balansproblemen en een aanhoudende nulondergrens – kan alleen als anticyclische maatregelen zo krachtig zijn dat de onderbesteding wordt weggenomen en de output gap volledig wordt gedicht. Dan zullen zowel vraag als prijzen gaan stijgen. Balansproblemen nemen dan verder af en de economie groeit vanzelf uit de nulondergrens. Wanneer de economie onvoldoende krachtig wordt gestimuleerd, zal de opleving slechts tijdelijk zijn. De economie valt na deze opleving weer terug in de (schuld)deflatiespiraal.

zaterdag 14 februari 2015

Krijg je door verlaging van de bijstand meer mensen aan het werk?

Er is vandaag veel te doen om de CPB-studie De effectiviteit van fiscaal participatiebeleid. De voornaamste boodschap van het CPB is dat een algehele verlaging van de belastingdruk weinig effect heeft op de arbeidsparticipatie. Dat zullen veel politici betreuren, omdat die er op hoopten de economische groei te kunnen aanzwengelen door belastingverlaging. In plaats van door op te houden met bezuinigingen en integendeel de overheidsuitgaven op te voeren, zoals door meer te investeren in de toekomst. Het zal hen tegenvallen dat deze in hun ogen gemakkelijke uitweg uit de crisis niet veel zal opleveren. Want ja, met belastingverlaging kun je vast wel stemmen trekken.

Maar in die CPB-studie trekt ook een andere uitkomst de aandacht. Die is dat de berekeningen uitwijzen dat een verlaging van de bijstandsuitkeringen wel effect zou hebben. Je zou daardoor vooral alleenstaande moeders met jonge kinderen aan het werk krijgen. Of zoals Rutger Bregman twitterde:
Volgens nieuw modelletje CPB gaan 50.000 bijstandsgerechtigden opeens aan het werk als je ze allemaal voor 0,5 mld dieper armoede in douwt
Maar zou dat wel zo zijn? Als je nagaat waar het CPB die schatting op baseert, dan blijkt dat een berekening te zijn van datasets over de periode 2006-2009. Wat er uit die data aan verbanden tevoorschijn kan worden gehaald, wordt dus geëxtrapoleerd naar 2015. Kan dat zomaar? Misschien wel niet, want kijk eens naar de werkloosheid in die jaren:

Figuur 1: Werkloosheid in Nederland daalt alweer

Die was in de jaren 2006, 2007 en 2008 historisch laag en aan het dalen en pas vanaf eind 2008 weer aan het stijgen. Als je je dus op deze vier jaren baseert, kun je tot de conclusie komen dat een verlaging van de bijstandsuitkeringen inderdaad meer mensen aan het werk brengt. Want ja, toen waren er ook nog banen. De economie groeide nog, ondernemers wilden nog investeren en mensen aannemen. De vraag was nog niet zoals nu ingezakt. Als je nu, in 2015, de uitkeringen zou verlagen, bij een werkloosheid van rond de 8 procent, dan zou je inderdaad mensen alleen maar dieper de armoede in douwen.

Dat lijkt er op dat je aan die uitkomst van die CPB-studie niet teveel waarde moet hechten. Trouwens, het CPB zelf houdt ook een slag om de arm. Want (p. 11):
Daarbij zij opgemerkt dat het hier wederom lange termijn effecten betreft, niet iedereen zal op korte termijn zijn of haar gewijzigde voorkeur voor werken kunnen realiseren.
Waarom niet? Omdat de invloed van de economische crisis, anders gezegd, van de economische conjunctuur, helemaal niet is meegenomen. Zie ook dit citaat uit de inleiding (p. 4):
Bij de simulatie-uitkomsten in deze Policy Brief is het belangrijk te vermelden dat het gaat om langetermijneffecten van beleidswijzigingen. (...) Omdat personen tijd nodig hebben om hun gedrag aan te passen, en omdat de conjunctuur invloed kan hebben op de effecten, kunnen de effecten op korte termijn afwijken van de langetermijneffecten.
Goed om aan te denken als je volgende week triomfantelijk hoort roepen dat het tijd wordt om de uitkeringen te verlagen.

maandag 15 december 2014

Politieke partijen moeten kritischer zijn over het Centraal Plan Bureau

Sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog hebben we in Nederland het Centraal Plan Bureau, dat o.a. tot taak heeft om de gevolgen voor de economie van nieuw beleid en beleidswijzigingen te analyseren. Dat heeft er in de loop van de jaren toe geleid dat politieke partijen hun verkiezingsprogramma's door het CPB laten doorrekenen.

Dat heeft voordelen, omdat je daarmee voorkomt dat politici van alles beloven dat ze later niet waar kunnen maken. En zo de kiezers een rad voor ogen draaien. Er zijn andere landen die graag ook zo een instituut zouden hebben.

Maar er zijn ook nadelen. Want het CPB heeft voor die analyses een model van de gehele economie nodig waarin nogal wat veronderstellingen liggen besloten. Uiteraard horen die zo goed mogelijk empirisch te zijn onderbouwd. En als dat niet goed mogelijk is, omdat er nog niet genoeg onderzoek is of omdat verschillende studies elkaar tegenspreken, dan zou het CPB daar met zoveel woorden op moeten wijzen. En zeker zou het CPB moeten zien te voorkomen dat er twijfels ontstaan over de zorgvuldigheid waarmee met die veronderstellingen van het model wordt omgegaan.

En helaas bestaan die twijfels er. Hans de Geus wijst daarop in zijn HET CPB, MACHTIG INSTITUUT MET TUNNELVISIE van twee dagen geleden. Aan de hand van drie onderwerpen (loonmatiging, pensioensparen en bezuinigen) laat hij zien hoe het CPB in zijn analyses keuzes maakt ten aanzien van de veronderstellingen die in het model worden gestopt, die niet goed empirisch zijn onderbouwd. Dat wil zeggen, het CPB schiet tekort in het duidelijk naar voren halen van die keuzes en het wijzen op de onzekerheden die daarmee samenhangen.

Waarom doet het CPB dat? Het kan zijn dat de mensen die er werken gewoon niet goed genoeg zijn. Niet goed op de hoogte zijn van het gehele scala aan het beschikbare onderzoek. Zich dus niet goed genoeg informeren. Ik ging daarop in in het bericht Hoe goed is het Centraal Planbureau? CPB beoordeeld. En in het bericht Prestatiebeloning in het onderwijs geen goed idee.

Daarin verbaasde ik me er over dat de meeste politieke partijen ineens voorstander waren geworden van prestatiebeloning in het onderwijs. Ik ontdekte toen dat het CPB had besloten om in de doorrekening van verkiezingsprogramma's extra punten toe te kennen aan het voornemen om in het onderwijs prestatiebeloning in te voeren. Op grond waarvan? Op grond van één onderzoek, dat bovendien voortijdig werd afgebroken. Waarbij het vele onderzoek dat wijst op negatieve effecten van prestatiebeloning gewoon was genegeerd.

Dat zoiets gebeurt, stemt bepaald niet gerust. Maar het kan bovendien zijn dat de medewerkers van het CPB zelf ook een visie hebben op welke beleidsvoornemens meer gewenst zijn dan andere. En dus door die visie (ideologie) gekleurde keuzes maken over welk onderzoek ze wel of niet in de onderbouwing van hun veronderstellingen meenemen. 

En volgens Hans de Geus is dat laatste ook het geval. Verwijzend naar het onderzoek ‘As the Central Planning Bureau says’. The Dutch wage restraint paradigm, its sustaining epistemic community and its relevance for comparative research van Becker en Hendriks, maakt hij aannemelijk dat het CPB een centrale rol heeft gespeeld in het groepsdenken dat op bredere schaal bestond (en bestaat) over de wenselijkheid van loonmatiging.

Evenzo heeft het CPB meegezongen in het groepsdenken, de bezuinigingszeepbel noem ik dat, over de noodzaak van bezuinigen na het uitbreken van de eurocrisis en het nut van besparingen.

Bovendien kun je je afvragen waarom het CPB bepaalde studies die voor de hand hadden gelegen niet uitvoerden. Denk aan die mooie studie van de Brusselse denktank Bruegel over de schadelijke gevolgen van het Nederlandse bezuinigingsbeleid. Zie Vernietigend oordeel denktank Bruegel over Nederlands bezuinigingsbeleid.

Aan het werk van het CPB lijkt dus wel wat verbeterd te kunnen worden. Trouwens, dat is niet zomaar een particuliere mening. Want het CPB wordt ook zelf geëvalueerd. Dat is nog vorig jaar gebeurd door de Commissie Beleidsgerichte Toetsing. En wat beveelt die Commissie aan? Om de buiten het CPB aanwezige kennis beter te benutten. Zie Hoe goed is het Centraal Planbureau? CPB beoordeeld. 

Politieke partijen zouden dus wel eens wat kritischer mogen zijn over het CPB. Misschien zelf ook eens wat meer nadenken en zich beter laten informeren. In plaats van zich maar slaafs te conformeren aan wat het CPB aan veronderstellingen in hun model stopt.

vrijdag 25 november 2011

Prestatiebeloning in het onderwijs geen goed idee

In het bericht Stop de bonussen! gaf ik een overzicht van het onderzoek naar de effecten van prestatiebeloning. Ik citeer een van de conclusies:
... individuele resultaatafhankelijke beloning (werkt) inderdaad productieverhogend als het om kwantiteit gaat, dus als de kwaliteit van de geleverde prestaties niet erg varieert of als aangenomen mag worden dat deze tenminste voldoende hoog is. Voor het bereiken van dit positieve effect is een geringe resultaatafhankelijke beloning voldoende. En het gaat hier om het uitvoeren van taken waarbij weinig samenwerking nodig is.
Prestatiebeloning kan dus goed werken als het om eenvoudige werkzaamheden gaat, die naar kwaliteit weinig kunnen variëren. Zoiets als lopende band-werk, denk je dan. En vooral niet doen als de kwaliteit van het werk cruciaal is. En ook niet doen als collegiale samenwerking belangrijk is.

Je kunt dus gemakkelijk allerlei werk bedenken waarvoor prestatiebeloning bij uitstek ongeschikt is. Onderwijs schoot mij als eerste te binnen. Bij het werk van leraren gaat het om kwaliteit. En collegiale samenwerking is een belangrijk middel om die kwaliteit te verhogen. In het onderwijs niet doen dus.

Maar Halbe Zijlstra (een ex-student van mij), de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, wil er mee gaan experimenteren. Ik vind dit een mooi voorbeeld van de onwil van mensen om hun overtuigingen te laten bijstellen door kennisname van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, waar Kahneman op wijst in zijn boek Thinking, Fast and Slow. Hoe is die onwil in dit bijzondere geval te verklaren?

Ik kwam daar meer over te weten, toen ik ontdekte dat het Centraal Planbureau bij de doorrekening van de verkiezingsprogramma's extra punten toekent als daarin sprake is van het voornemen om prestatiebeloning in te voeren. Waarschijnlijk daardoor zijn zeven politieke partijen - PvdA, VVD, CDA, GroenLinks, D66, SGP en ChristenUnie - voorstander van prestatiebeloning geworden. En waar baseert het CPB zich op? Op een onderzoek dat voortijdig werd afgebroken. En alle studies - vooral Amerikaanse - die negatief oordeelden over prestatiebeloning in het onderwijs werden kennelijk genegeerd.

Ik ontleen deze laatste informatie aan een mooi overzicht van Robert Sikkes, dat ik vond op deze pagina van de website van de Algemene Onderwijsbond.