Posts tonen met het label Robert K. Merton. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Robert K. Merton. Alle posts tonen

vrijdag 9 oktober 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 51 - Maatschappijkritiek waar weinig mee werd gedaan. De maatschappij bleef een studieobject.

Het wordt tijd dat we Durkheim achter ons laten. Ik vond in de jaren 70 de anomietheorie zo belangrijk dat ik er college over gaf en de ontwikkeling van die theorie begon bij Durkheim. Hij kwam met het idee dat mensen individueel, dus zonder een sociaal verband, onverzadigbaar zijn. Ze hebben een voorstellingsvermogen dat hen ertoe brengt om altijd meer te willen dat ze al hebben. Alleen door deel uit te maken van een groter sociaal geheel, een gemeenschap, zijn ze in staat om beperkingen te aanvaarden en tevreden te zijn. Zonder zo'n gemeenschap heerst er in de maatschappij een toestand van anomie, van normloosheid. Hier het vorige bericht.

Welke literatuur ik voor dat college gebruikte en aan studenten voorschreef, kan ik me niet meer herinneren en kan ik ook niet meer achterhalen. Uit het literatuuroverzicht Anomie Theory in de Oxford Research Encyclopedia of Criminology and Criminal Justice van 2019 maak ik op dat de ontwikkeling van de anomietheorie en het onderzoek nog tot in de huidige eeuw is doorgegaan. Maar destijds zal er niet veel meer geweest zijn dan de bijdragen van Robert K. Merton, die uit 1983 (Social Structure and Anomie) en het vervolg daarop uit 1949 in zijn Social Theory and Social Structure, waarvan ik toen de editie van 1968 in huis had (zie editie 32 van deze reeks). 

Hoe dan ook, mij zal aan die anomietheorie geïnteresseerd hebben dat hij ingaat op de vraag hoe de maatschappij aansluit of dat juist niet doet op wat mensen kunnen en nodig hebben. Merton formuleerde dat in termen van cultuur en sociale structuur. De maatschappij kan mensen in cultureel opzicht (culturally defined goals, purposes, and interests) ertoe aanzetten om materieel succes en status na te jagen, maar daarmee vergeleken weinig nadruk leggen op de legitimiteit van de middelen (institutional means) die daarbij gebruikt kunnen worden. Die combinatie opent de weg voor "afwijkend gedrag", voor onwettige, criminele, handelingen om cultureel goedgekeurde, ja, wenselijke, doelen te bereiken. Als de maatschappij dan ook in economisch opzicht (structural) sterk ongelijk is, dan levert dat een mogelijke verklaring op voor een hoge mate van criminaliteit. 

Daarmee werd eigenlijk een maatschappijkritische analyse gegeven van de donkere kant van de American Dream. Iedereen wordt aangespoord om succes na te streven, maar niet iedereen krijgt dezelfde kansen om daarin op legitieme wijze te slagen. Richard A. Cloward en Lloyd E. Ohlin werkten dat in 1960 uit in hun Delinquency and Opportunity: A Theory of Delinquent Gangs,een destijds bekende studie die ik in dat college zeker behandeld heb.

Die maatschappijkritiek vond ik toen natuurlijk wel interessant. Maar het zal me toen al wel zijn opgevallen dat daar in de sociologie weinig mee werd gedaan. Maatschappelijke ongelijkheid werd weliswaar bestudeerd, als "sociale stratificatie", maar grote ongelijkheid werd niet als een sociaal inferieure toestand naar voren gebracht waar urgent iets aan gedaan zou moeten worden. Voor sociologen bleef de maatschappij bovenal een studieobject, in plaats van een collectief menselijk project aan de verbetering waarvan hun vak zou kunnen bijdragen. Dat er voor hun vak een theoretisch kader zou kunnen bestaan voor maatschappijverbetering, in moreel opzicht en naar menselijk welzijn, was voor sociologen een onbekend inzicht. 

Voor mijzelf ook. Maar daar begon verandering in te komen. Daarvoor was het nodig om de maatschappij echt als mensenwerk te gaan zien. 

vrijdag 6 maart 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -32 - Een periode van fragmentatie

Nadat ik vanaf september 1970 student-assistent was bij Pedagogiek en Onderwijskunde, begon mijn academische loopbaan op 1 maart 1971 bij de Groningse sociologie. Dat assistentschap hield in dat ik meedeed aan een zogenaamd actie-onderzoek naar kleine scholen op het platteland. Actie, omdat het onderzoek erop gericht was ouders te doen inzien dat een grotere school voor hun kinderen beter zou zijn. Het was, ik noemde het al, de tijd van het begin van de schaalvergroting. Ik had daarnaast nog andere baantjes, zoals loopjongen bij Vroom & Dreesmann en interviewer voor een groot onderzoek van de Fryske Akademy naar het lezen van Friestalige boeken. Ik was ondertussen getrouwd en vader van twee kinderen en er moest geld verdiend worden. (Omdat dit geen autobiografie is, komen alle gebeurtenissen op het meer persoonlijke vlak niet of maar summier aan de orde.) Hier het vorige bericht.

Mijn aanstelling begon als wetenschappelijk medewerker van Lolle Nauta (1929 - 2006), die hoogleraar wetenschapsfilosofie en sociale filosofie was aan de faculteit Wijsbegeerte en de Subfaculteit Sociaal-Culturele Wetenschappen, die bestond uit Sociologie en Culturele Antropologie. Maar na een paar jaar was ik op de wetenschapsfilosofie wel uitgekeken. Dat klinkt wat wijsneuzig, maar ik had het idee dat wat ik daar kon leren wel geleerd had. Zo ingewikkeld is het ook weer niet om te bepalen wat wetenschap precies inhoudt. Het Subfaculteitsbestuur willigde mijn verzoek in om mijn taakomschrijving te veranderen in sociologie, in het bijzonder sociologische theorie. 

Maar wat moest die sociologische theorie inhouden? We zijn in de jaren 70 beland. Het was duidelijk geworden dat het structureel-functionalistische systeemdenken niet voldeed als de theoretische grondslag voor een vak sociologie. Hetzelfde gold voor de al genoemde ruiltheorie, die was voortgekomen uit Homans' keuze voor de Skinneriaanse gedragstheorie, en het marxistische historisch-materialisme. Er bestond kortom geen sociologisch zicht op mensen en hun samenleving. Er was weliswaar het in 1959 verschenen boekje The Sociological Imagination, waarin C. Wright Mills probeerde om zo'n sociologisch zicht te presenteren, maar dat bleef toch in algemeenheden steken over de wisselwerkingen tussen persoonlijke levenslopen en maatschappelijke ontwikkelingen. Joshua Pritchard daarover:

Neither the life of an individual, nor the history of a society,” writes Mills, “can be understood without understanding both.” This was a relatively new idea during Mills’s time, when the modern understanding of sociology as an academic discipline and a social science in general was in its infancy.

Dat zo'n algemeenheid, zo niet een open deur, als relatief nieuw gezien werd, zegt inderdaad veel over de onderontwikkelde staat van het vak. 

Er nu op terugblikkend was dat een toestand die in drie opzichten met fragmentatie gepaard ging: de fragmentatie van de specialisaties, de fragmentatie van de sociologische "referentiekaders" en de fragmentatie van de middle-range theorieën. 

De eerste bestond eruit dat je als je je als socioloog bekendmaakte, meteen de vraag kreeg: Socioloog van wat? Want je was een gezinssocioloog of een medisch socioloog of een socioloog van arbeid en organisatie of een rechtssocioloog of een socioloog van bouwen en wonen of een politiek socioloog of een socioloog van kunst en cultuur. Ik moest dan zeggen dat ik niets van dat alles was, maar een theoretisch socioloog. Dan viel het stil, ook van mijn kant, want daar viel verder weinig over te vertellen. En er waren specialisaties of vakken die buiten de sociologie waren ontstaan, maar daarnet zo goed toe hadden kunnen behoren, zoals criminologie en bedrijfskunde en politicologie. 

Binnen het vak was er niet te vergeten ook de specialisatie van de methoden en technieken. Want die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting dat alleen onderzoeksuitslagen, de "sociale feiten", wetenschappelijk relevant konden zijn, leidde tot een groot gewicht van het doen van onderzoek. Als er maar genoeg sociale feiten werden verzameld, dus statistisch vastgestelde samenhangen tussen variabelen, dan zouden daar op den duur, inductief, wel theorieën uit naar voren komen. 

Als tweede was er de fragmentatie van de sociologische referentiekaders. In het Groningse studieprogramma was er in het tweede studiejaar een vak met die naam. Dat er ook een aan het vak eigen, gemeenschappelijk theoretisch kader zou kunnen bestaan, een sociologisch zicht op mensen en hun samenleving, kwam niet eens ter sprake. De theoretische fragmentatie was de als vanzelfsprekend geaccepteerde stand van zaken. Het ging over, jawel, het structureel-functionalisme, de ruiltheorie, de conflictsociologie, het symbolisch interactionisme, de historisch sociologie. Ik gaf een aantal jaren het symbolisch interactionisme, omdat ik in George Herbert Mead (1863 - 1931), de grondlegger daarvan, geïnteresseerd was geraakt. 

Tenslotte die middle-range theorieën. Dat gemis aan een gemeenschappelijk theoretisch kader werd ook wel degelijk door sommigen opgemerkt. Hoe daarmee om te gaan? Door van de nood een deugd te maken. Dat was de oplossing die Robert K. Merton al in 1949 voorstelde in zijn On Sociological Theories of the Middle Range, als hoofdstuk verschenen in zijn monumentale Social Theory and Social Structure, dat in 1957 en 1968 werd heruitgegeven. Die laatste editie heeft lang in mijn boekenkast gestaan. 

Merton nam waar dat er in het vak aan de ene kant die ambitieuze, "alles verklarende", systeemtheorieën waren, hij zal ongetwijfeld aan het werk van zijn collega Talcott Parsons hebben gedacht, en aan de andere kant de "werkhypothesen" die je tegenkomt in het verspreide day-to-day onderzoek. Denk wat dat laatste betreft weer aan aan "zoveel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie". Dat eerste moeten we niet willen, want daar is het vak nog lang niet aan toe. En dat tweede vinden we te weinig. Precies daartussenin moeten we middle-range theorieën willen ontwikkelen en dat doen we ook al. 

Middle-range theory is principally used in sociology to guide empirical inquiry. It is intermediate to general theories of social systems which are too remote from particular classes of social behavior, organization, and change to account for what is observed and to those detailed orderly descriptions of particulars that are not generalized at all. 

Waar denkt Merton dan aan? Aan de theorie over sociale vergelijking (referentiegroepen), de theorie over sociale mobiliteit, de theorie over rolconflicten en de theorie over het ontstaan van sociale normen. Als we zulke deeltheorieën nu maar in onderzoek verder ontwikkelen, dan komen we op den duur en stap voor stap wel tot een algemenere theorie. Maar hoe die er uit zal zien, dat kunnen we nu nog niet weten. En dat is ook de normale gang van zaken, want dat gebeurde in de natuurwetenschappen immers ook. Daarin zijn we immers ook stapsgewijs opgeklommen naar Einsteins relativiteitstheorieën en de kwantumfysica.

En precies daar zien we dat Mertons betoog zich blijft afspelen binnen die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting die bij Durkheim begon. Er hoort geen verschil te zijn tussen hoe de natuurwetenschappen naar hun object van onderzoek kijken en hoe de sociologie dat doet. Dat sociologen deel uitmaken van hun object van onderzoek, daarin zijn opgegroeid en in gesocialiseerd, hoort geen rol te spelen. Ze moeten er naar kijken als een nog onbekend terrein. Alleen de door middel van onderzoek vastgestelde "sociale feiten" zijn van belang. 

Merton was weliswaar Amerikaan, maar bleef als socioloog binnen het continentaal-Europese denken waar de sociologie uit voortkwam. En dat had dus ook anders gekund. Er had ook een vak sociologie kunnen ontstaan op de basis van de Angelsaksische "omgekeerde methode" van Thomas Hobbes en de latere Schotse moraalfilosofen Locke, Hume, Ferguson, Smith). Waarin we uitgaan van bekende, maar natuurlijk altijd voor verbetering vatbare, inzichten in de menselijke sociale natuur en van daaruit "opklimmen" naar inzichten in samenleving en maatschappij. Denk weer terug aan aflevering 24 van deze reeks: Had het met de sociologie ook anders gekund? 

Meer over hoe het anders gekund had en alsnog kan in het vervolg. Hier het vervolg.

dinsdag 9 december 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -25 - Bringing men back in

Er zijn al weer zestig jaar verstreken sinds ik mijn studie sociologie begon. Ik heb nog allerlei levendige herinneringen aan die tijd, en aan de eerste jaren dat ik daarna bij de Vakgroep Sociologie werkte, maar ik moet natuurlijk ook veel zijn vergeten. Wat ik bijvoorbeeld niet meer weet is wanneer ik voor het eerst hoorde of las over de socioloog George C. Homans (1910 - 1989). Hier het vorige bericht.

Ik vroeg me dat af, omdat Homans toen een van de weinigen, zo niet de enige, was die dat zo dominante structureel-functionalisme bekritiseerde en een alternatief te bieden had. Weliswaar een gebrekkig alternatief, maar toch.

Wat ik wel kan vaststellen is dat ik in 1971, het jaar dat ik afstudeerde en aan mijn universitaire loopbaan begon, zijn boek Social Behaviour. Its Elementary Forms, dat in 1961 in eerste druk uitkwam, en het boekje The Nature of Social Science uit 1967 kocht. (Ik schreef toen nog mijn naam en het jaartal in aangeschafte boeken). Homans was toen in de sociologie een bekende naam. Ik herinner me vaag discussies met medestudenten over wie wij de "grootste socioloog" vonden en dat daar naast Robert K. Merton ook de naam van Homans viel. Hij was in 1964 voorzitter van de American Sociological Association en zijn Presidential Address verscheen als tijdschriftartikel onder de titel Bringing Men Back In. 

Wanneer ik dat artikel voor het eerst las, kan ik niet meer achterhalen. Had ik maar een dagboek bijgehouden. Wel herinner ik me dat het veel indruk op me maakte. Dit is de eerste alinea. Bedenk dat dit zijn toespraak was, als jaarlijks roulerend voorzitter, tot de verzamelde Amerikaanse sociologen.

I am going to talk about an issue we have worried over many times. I have worried over it myself. But I make no excuses for taking it up again. Although it is an old issue, it is still not a settled one, and I think it is the most general intellectual issue-in sociology. If I have only one chance to speak ex cathedra, I cannot afford to say something innocuous. On the contrary, now if ever is the time to be nocuous. 

Dat issue is dat er in de sociologie sinds de jaren dertig een denkschool domineert, het structureel-functionalisme, die in de weg staat van de ontwikkeling van het vak:

 For a whole generation it has been the dominant, indeed the only distinct, school of sociological thought. I think it has run its course, done its work, and now positively gets in the way of our understanding social phenomena. And I propose to ask, Why? 

En vervolgens geeft hij een kritiek op dat structureel-functionalisme die in dezelfde lijn ligt van de twee mankementen die ik al besprak. En hij laat zien dat het denken in termen van een sociaal systeem met functionele vereisten waaraan moet zijn voldaan voor de instandhouding ervan, niet leidt tot een theorie als deductief stelsel van uitspraken waarmee je iets kunt verklaren. 

What the functionalists actually produced was not a theory but a new language for describing social structure, one among many possible languages; and much of the work they called theoretical consisted in showing how the words in other languages, including that of everyday life, could be translated into theirs. They would say, for instance, that what other people called making a living was called in their language goal-attainment. But what makes a theory is deduction, not translation.

En als je sociale verschijnselen wilt verklaren, wat de sociologie zou moeten willen, dan moet je theorie ontwikkelen die laat zien hoe die verschijnselen voortkomen uit het gedrag van mensen. De maatschappij is mensenwerk. Daarom moeten mensen en hun gedrag in het vak worden teruggebracht. Bringing men back in.

 If a serious effort is made to construct theories that will even begin to explain social phenomena, it turns out that their general propositions are not about the equilibrium of societies but about the behavior of men. This is true even of some good functionalists, though they will not admit it. They keep psychological explanations under the table and bring them out furtively like a bottle of whiskey, for use when they really need help. What I ask is that we bring what we say about theory into line with what we actually do, and so put an end to our intellectual hypocrisy. It would unite us with the other social sciences, whose actual theories are much like our actual ones, and so strengthen us all. Let us do so also for the sake of our students. I sometimes think that they begin with more understanding of the real nature of social phenomena than we leave them with, and that our double-talk kills their mother-wit. Finally, I must acknowledge freely that everything I have said seems to me obvious. But why cannot we take the obvious seriously?  

Dat ik Homans graag citeer, komt ook doordat ik de eenvoud en helderheid van zijn stijl, en dus van zijn denken, hogelijk bewonder. Hij ging daar, in 1964, dwars in tegen wat gebruikelijk was. Hij stelde de gangbare gewichtigdoenerij aan de kaak. En riep op tot intellectuele eenvoud en eerlijkheid. 

Dat hij ertoe in staat was om tegen de consensus in te gaan, zal ook met zijn achtergrond te maken hebben gehad. Hij studeerde niet sociologie, maar Engelse en Amerikaanse literatuur, aan de Universiteit van Harvard. Hij ambieerde aanvankelijk om schrijver en dichter te worden en was kort werkzaam in de journalistiek. In 1988 publiceerde hij de dichtbundel The Witch Hazel. Gedurende de Tweede Wereldoorlog diende hij bij de Amerikaanse marine. 

Hij kwam in de sociologie terecht als "a matter of chance; or rather, I got into sociology because I had nothing better to do". Hij volgde colleges van de biochemicus en socioloog Lawrence Joseph Henderson en van de arbeidssocioloog Elton Mayo. In 1953 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Universiteit van Harvard. Dat zijn opleiding zich niet geheel binnen de muren van het vak sociologie afspeelde, zal het hem gemakkelijker hebben gemaakt om zich er afstandelijk een oordeel over te vellen. Zonder de nadelen van het in de gebruiken, de do's and dont's, van het vak gesocialiseerd zijn.

Maar hij had niet alleen kritiek, hij stelde ook een alternatief voor. Of beter gezegd, dat had hij al in 1961 gedaan met zijn Social Behaviour. Its elementary forms. Een gebrekkig alternatief, ik noemde dat al. Daarover meer in het vervolg.

dinsdag 14 oktober 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -18 - Het vak sociologie was daar nog lang niet aan toe

In het top down van het structureel-functionalisme (hier het vorige bericht) liggen er voor mensen, nee, actoren, in het sociale systeem posities klaar met bijbehorende rollen om te bezetten en uit te voeren. Vanuit die macrosociologische gedachtesprong ontstaat de blik waarmee naar de sociale werkelijkheid wordt gekeken. Dat levert een confrontatie op, want dan blijkt dat er in die sociale werkelijkheid geen actoren, maar  echte mensen actief zijn, die zich soms wel en soms niet volgens de rol gedragen die het sociale systeem hen heeft toegewezen. Hoe daarmee om te gaan? Op die vraag bestonden in het structureel-functionalisme verschillende antwoorden. 

Een antwoord was dat er in het systeem zelf, in het bouwwerk van posities en rollen of in de verdeling daarvan over personen, foutjes konden sluipen. Zo kan iemand in een "rolconflict" terechtkomen als hij twee rollen moet combineren die lastig zijn te verenigen. Een voor de hand liggend voorbeeld dat je dan tegenkomt, denk aan wat we nu de werk-privébalans noemen, is het moeten combineren van de rol van werknemer met de rol van ouder in het gezin. Strikt functionalistisch door geredeneerd zou dat altijd een tijdelijk fenomeen moeten zijn, omdat het sociale systeem geacht wordt zich automatisch aan te passen. 

Een tweede antwoord was dat er zich een nieuw terrein van onderzoek opende, dat van het "afwijkende gedrag". De wikipediapagina Deviance (sociology) geeft daarvan een uitgebreid overzicht. Ook daarin komen we de gedachte tegen van een foutje in het sociale systeem als verklaring. Daarmee komen we op de anomietheorie, een wel degelijk interessante uitwerking van het structureel-functionalisme. 

Volgens die theorie, die teruggaat tot Emile Durkheim en werd uitgewerkt door Robert K. Merton (1910 - 2003) en anderen, ontstaat afwijkend gedrag als het sociale systeem wel de norm uitdraagt dat je in het leven naar materieel succes moet streven, maar tekortschiet in het verschaffen van de mogelijkheden om dat succes langs legitieme wegen te bereiken. In het bericht Hoe worden sommige jongemannen zo gevaarlijk dat ze aanslagen gaan plegen? kwam de anomietheorie al even voorbij. Die toestand van anomie komt natuurlijk sterk overeen met wat ik een toestand van statuscompetitie noem. 

In deze beide antwoorden ligt de mogelijkheid van maatschappijkritiek besloten en van het aandragen van beleidsvoorstellen voor verbetering van het heersende sociale systeem, van maatschappijverbetering. Maar over het algemeen waren structureel-functionalistische sociologen daarin opvallend terughoudend. Het zou beter zijn om het sociale systeem de tijd te geven om zichzelf aan te passen.

Het derde antwoord tenslotte houdt in dat, weer heel strikt functionalistisch doorgeredeneerd, het afwijkende gedrag, omdat het nu eenmaal bestaat, wel een functie moet hebben. Hier dus geen foutje in het sociale systeem, maar juist een bevestiging van de goede werking ervan. Die functie zou er dan uit moeten bestaan dat het afwijkende gedrag iedereen er aan herinnert wat ook alweer de norm is. Ook hier gaan we terug naar Emile Durkheim, die in The division of labor in society betoogt dat de werkelijke functie van bestraffing van criminaliteit eruit bestaat dat het collectieve sentiment erdoor wordt versterkt (p.108):

Its true function is to maintain social cohesion intact, while maintaining all its vitality in the common conscience.

Ik heb het altijd een kromme redenering gevonden. Je postuleert een sociaal systeem, dat zichzelf in stand houdt. Dat houdt in dat het systeem normen genereert waar mensen zich aan moeten houden. Als ze dat doen, dan draagt dat dus bij aan de instandhouding van het systeem. Maar: als ze zich er niet aan houden, doet het dat ook. Want dan roept dat gedrag een reactie op, bestraffing, waardoor de sociale cohesie, dus de normopvolging, wordt versterkt. 

Of mensen de heersende normen volgen of die juist overtreden, het staat altijd in dienst van het sociale systeem. Het sociale systeem heeft op een of andere manier uitgevonden dat mensen ten behoeve van dat systeem normen moeten volgen. En het heeft uitgevonden dat als mensen dat niet doen, het ook goed is, want dat versterkt de normen en vergroot de kans op het opvolgen ervan.

Dat kan niet anders betekenen dan dat mensen nooit iets kunnen doen om dat sociale systeem te veranderen. Die kritiek van dat ingebakken conservatisme, daar zit dus wel wat in. 

Daar komt nog bij dat er uit dat top down van het structureel-functionalisme nooit een maatstaf tevoorschijn kan komen om de maatschappelijke toestand te beoordelen op de mate waarin die tegemoetkomt aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen willen en kunnen. Er is niet een menselijk streven naar welzijn of veiligheid noch een menselijk moreel streven van waaruit het sociale systeem wordt beoordeeld. Maatschappijkritiek kan niet anders worden behandeld dan als een vorm van afwijkend gedrag en heeft dan dus een functie ten behoeve van het bestaande sociale systeem.

Anders gezegd, er kan dus niet een noemenswaardige menselijke sociale natuur bestaan. En daarmee komen we op het "leerstuk" van de mens die aan de evolutie is ontstegen, die als een tabula rasa, een onbeschreven blad ter wereld komt, dat vervolgens door sociale beïnvloeding wordt vol geschreven, In Parsons The Social System komen we dat leerstuk hier tegen (p.32-3): 

It is furthermore in the present context of the problem of adequate motivation of role-expectation fulfillment that the basic significance for the social system of two fundamental properties of biological "human nature" may best be briefly brought to attention.

(Merk de aanhalingstekens op.) Wat zijn die twee fundamentele eigenschappen? In twee woorden: plasticiteit en beïnvloedbaarheid. 

The first of these is the much discussed "plasticity" of the human organism, its capacity to learn any one of a large number of alternative patterns of behavior instead of being bound by its genetic constitution to a very limited range of alternatives. (...) The limits of plasticity are for the most part still unknown.

Waarna een noot volgt, waarin Parsons de bewijslast legt bij degenen die anders beweren. 

Die tweede fundamentele eigenschap, de beïnvloedbaarheid (sensitivity) is natuurlijk meteen aan die plasticiteit gekoppeld. Alles komt van buiten, uit de sociale omgeving. 

Daar moeten we meteen bij bedenken dat de biologie, de psychologie en de neuropsychologie destijds nog maar weinig ontwikkeld waren. De term "genen" was inderdaad al wel in gebruik, maar het baanbrekende artikel over de structuur van het DNA van Francis Crick en James D. Watson verscheen in 1953, twee jaar na The Social System. De psychologie was nog geheel in de ban van het behaviorisme en dus van de extreme plasticiteit van de menselijke natuur. Skinners The Behavior of Organisms was in 1938 verschenen. Dat cognities en zelfs emoties onderwerp konden zijn van wetenschappelijk onderzoek, dat inzicht brak pas later in de twintigste eeuw door. Voor de biologie, en indirect voor de psychologie, was het werk van de vorig jaar overleden Frans de Waal, primatoloog en hoogleraar aan de faculteit psychologie van Emory University in Atlanta Verenigde Staten, van groot belang. Evenals het werk van de pas overleden Jane Goodall. Ook pas in de tweede helft van de vorige eeuw was er de ontwikkeling van het neuropsychologisch onderzoek. 

Tenslotte moeten we bedenken dat het in het vak psychologie ook lang duurde voor het onderzoek naar (de voorwaarden voor) menselijk welzijn zich ontwikkelde. Daniel Kahneman, Ed Diener en Norbert Schwarz hadden in 1999 met de uitgave van Well-Being. The Foundations of Hedonic Psychology het doel om een nieuw veld van psychologisch onderzoek aan te kondigen (p.ix):

Hedonic psychology - that could be its name - is the study of what makes experiences and life pleasant or unpleasant. It is concerned with feelings of pleasure and pain, of interest and boredom, of joy and sorrow, and of satisfaction and dissatisfaction. It is also concerned with the whole range of circumstances, from the biological to the societal, that occasion suffering and enjoyment. 

En ze merken op dat de belangstelling voor het menselijk welzijn tot dan in het vak psychologie en in de leerboeken ver te zoeken was. 

This pattern does not reflect the importance of the topics in people's lives, but it does reflect the history of the dominant themes of modern psychology.

Er bestond dus in de tijd van het structureel-functionalisme en de tijd dat ik studeerde geen vak psychologie dat inzichten aanleverde over wat mensen nodig hebben en zouden willen waarmee een samenleving en een maatschappelijke toestand kon worden beoordeeld. 

Natuurlijk bestonden die inzichten er wel in de maatschappelijke werkelijkheid. Ze zorgden er voor dat er in de naoorlogse politiek de gedachte bloeide van "de gemeenschap georganiseerd in de staat", van de opbouw van de verzorgingsstaat. 

Maar het vak sociologie, het vak dus, vervulde daarin vooral een toeschouwersrol. En dus kwam ik in  mijn studie niets tegen van de ideeën van Willem Banning in dat boekje Om mens en menselijkheid in maatschappij en politiek dat ik in 1963 gelezen had. Het vak sociologie was daar nog lang niet aan toe. Hier het vervolg.